Skip to main content

Full text of "Nieuwe Verhandelingen van het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen"

See other formats


bi peleidM 
er aak 
bee ie 
Ll 


% 


VERHANDELINGEN 
a EE | 
ZEEUWSCH 
GENOOTSCHAP 
KE | DER ai 
WETENSCHAPPEN 


VLISSINGEN …— 


UITLEGGING der TITELPLAAT, 


e WYSHEID, fier gezeten op haar Throon, 
Befchouwt men in MINERVE?’S Wapenrusting ; 
Doch, warsch van fabeldicht en valfche Go’on, 
Schept ze in Gops BOEK haar grootíte zielsverlusting, 
Twee Zuilen, die ’t gewelflel van haar Kerk 
Aan d’eenen kant bouwkunftig onderfchraagen , 
Vertoonen ’t ZEEUWSCH en V LISSINGS wapenmerk, 
En wiLLEMs beeld, wien’t werk wordt opgedragen, 
Doorluchtig Hoofd van onze Maatfchappy, 

Die , fchoon noch in heur zwakke en kizdfche jaaren , 
Hem d’ Eerfteling heur’s arbeids, vlug en bly, 
Voor de oogen brengt, met lust om voort te vaaren. 

De Tafel met den Voorgrond, ryk bedekt 
Met Tekenfchets van Kunst en Wetenfchappen , 
En ’tVergezicht, dat ginder d’ aandacht wekt 
Ter zyde van Gordyn en Tempeltrappen, 
Getuigen, dat de weetzucht, vlyt en lust, 
Door de Eer gefpoord., ‘aan Zeelands verfterpaalen 
In onze West noch niet-zyh uitgebluscht: 
Men tracht door zut ’er mede een Prys te haalen. 
Handhaving van den Godsdienst en het Recht, 
Geneesbebulp, tot fteun van ”tmenschlyk leven , 

“x Natuurboek, doot Gods hand ons voorgelegd, 
’tNatuurboek , door zyne Almacht zelf befchreven, 
De Meetkanst, in heat takken ruim vertpreidt, 

De Schilderkunst, zoo fix in kleur en trekken, 
De Puikmufyk , die harten opwaarts leidt, 

Haar Zuster, die de dofheid.zelf kan wekken, 
%* Vermogen om door ’t helder Spiegelglas 

Het Starrenheir aan ’tmeïtschlyk oog te klemmen, 
Of, door behulp vans Graadboog: en Kompas, 

Op verren tocht een dolle“zeé te temmen; 
Hiftoriekunst, die ’t oude in ’tnieuw herfchept, 
Die munt en fleen van vroeger eeuw doet tuigen , 

Die honing zelfs uit bittren alzem lept, 
En uit vergift weet artzeny te zuigen, 

En wat zich meer liet fchetzen op de print, 
Zyn beeldfpraak van het doel, waar heen wy trachten. 

Is 't werk gering? wie deugd en wysheid mint, 
Heeft eindlyk op zyn arbeid vrucht te wachten. 

Dus huwt m’ in ’ ryk van onzen Waterleeuw- 
De Scheepvaardy met de oefning der verftanden, 

Der braaven gunst zal by den noesten Zeeuw 
Den yvergloed noch fterker doen ontbranden. 

Je Je BRAHE 


N 


U 


IM 


ALE In dia ie AE ereen ee : 


kk 
hd 7 ie 


” 


wi B 
es ‘Je ap en en pmege 


VERHANDELINGEN 


ZEEUWS CH 


GENOOTSCHAP 


D ER 
WETENSCHAPPEN 


TE 


VLISSINGEN 


__ PIERDE DEEL En Kn 


TE MIDDELBURG; 
*r PIETER GILLISSEN; 


Drukker van het Zeeuwsch CE DN 
der Wetenfchappen, hea 


ve 


an 
A 


VA h 


Het Genootfchap erkent geene exem- 
plaaren voor-echt, dan dië door eenen 
der Secretarisfen eigenhandig, ondertee: 


kend 27e PR £ ee Ek , 
y ‚jura C Jeen 


AN 


í 
if 


ral 


vAN HET 
ZEEUWSCH AUS edes 
DER WETENSCHAPPEN 
re 


TSS INS EN. 


SH. et algemeen. ontfing, ‘by 
gars de vorige deelen der Ver- 
handelingen, door het Zeeuwsch 
Genootfchap der wetenfchappen 
uitgegeven, eenig verflag aan- 
gaande deszelfs toeftand, in zoo 
verre het kon geoordeeld worden 
daar by belang te hebben. Men 
achtte het niet ondienftig, op dien 
voet voorttegaan, vertrouwende 
‚IV. DEEL, m3 dat 


Evi] 


dat zoodanig bericht den Lezeren 
niet geheel onaangenaam zal zyn. 


By het houden der algemeene 
vergaderinge, den zevenden van 
herfstmaand des jaars MDCCLXXIII 
heeft de Heer BRAHE voorgele- 
zen een gedeelte van zyn helden- 
dicht de Muzyk, en de Heer TE 
WATER bericht gegeven van fom- 
mige natuurlyke, oudheid- en let- 
terkundige zeldfaamheden , die 
hem, op zyne reize door Gelder: 
land, Utrecht, Friesland, Owerys- 
Jel, ‘Groningen en Drenthe, waren 
voorgekomen. — ’t Gene wyders 
in deze vergaderinge, met betrek- 
kinge tot de opgegevene vragen, 
werdt befloten, blykt uit het Pro- 
gramma, toen vastgefteld, en met 
deze volgende woorden door den 
druk gemeen gemaakt; 


Het 


En 


Er EET cd 


Eee 


et. ZEEUWSCH. GENOOTSCHAP - DER 
EL WETENSCHAPPEN t@e VLISSINGEN? 
»x welk den 7. September 1773. zyne algemeene 
Vergaderinge heeft gehouden, was van oordeel, 
dat de antwoorden op de Vragen in ’t vorige 
Programma voorgefteld, en welker eerfte was: 
Wat is de reden van het flerk afnemen der 
Zeeuwfche, voornamelyk der Walcherfche Dui- 
nen en flranden? hoe is zulks woor te komen, 
en welke middelen, buiten de reeds bekendes 
zyn, op de nuttig fle en minst kostbaare wyze, 
tot derzelver behouding aan te wenden? De 
andere: hoe konnen de wallen of grondbraaken 
in de Zeedyken, voornamelyk die der Provincie 
Zeeland , best en minst kostbaar voorgekomen 
worden? niet voldoende waren, en derhalven 
den beloofden eerprys niet konden wegdragen , 
fchoon de fchryvers, die tot zinfpreuk hebben 
gebruikt, de eene: wit zugt voor Zeeland, de 
andere: 

Dit dient ten nutte van het flrand 
Behoud woor zeedyk flik en zand. 

met hunne Verhandelingen over dezelve by het 
Genoetfchap dankbaarheid en lof verdienen. 

Het is uit aanmerkinge van het groot nut, ’t 
gene de Provincie Zeeland zoude konnen trek- 
ken uit de volledige beantwoordinge der gemel- 

MA de 


E vm J 


de Vragen, dat het Genootfchap ten allen tyde 
zal genegen zyn een gouden Medaille aan zulken 
toe te wyzen, die, by vervolg van tyd, aan de 
eene of andere vrâag volkomen zal voldaan heb- 
ben. 

Wyders herhaalt het Genootfchap de opgave 
der Vrage, voor ‘den cerften January 1774 te 
beantwoorden : | 

In welke evenredigheid zyn de landen in de 
Provincie Zeeland, en in ieder eiland in ’t by- 
zonder , aangelegd tot Bosfchen, Boomgaarden , 
Weilanden en Bouw landen # 2 is die evenredig- 
beid, welke thans tusfthen dit wierfoortig ge- 
bruik der landen in deze Provincie plaats heeft, 
de voordeelig fie, volgens welke de landen binnen 
dezebve konnen worden aangelegd $ ? zoo neen , 
hoedanige verandering is daar in woor het al- 

emeen belang wenfchelyk, en welke zyn de bes 


te en vruchtbaarfte middelen, om dezelve daar 


te flellen? Welke foorten van houtgewas en 
landvruchten zyn ’er , buiten die welke în Zee- 
land doorgaans het meeste worden aangekueekt, 
die in onze Zeeuwfihe gronden, met een evEn- 
geljk of grooter voordeel voor het Geineenebest 
en voor den Landman, dan de thans geeulsiveer- : 
de, zouden konnen worden geteeld ; = welke van 
drzelue v verdienen in het byzonder aangemoedigd d 
5 # 


ú ix J 


de worden ; en hoedanig zyn de gefthiktfte 
middelen , om derzelwer culture gemeen te ma- 
ken ? 
| Het Genootfchap verlangt, dat de beantwoor- 
ding van het eerfte lid dezer Vrage op plaatfe- 
Iyke en zoo naauwkeurige onderzoekingen, als 
de aart der zake gehengt, moge gegrond zyn; 
dat de bewyzen daar van, zoo veel mogelyk;, 
by wyze van bylagen, nevens de beantwoor- 
dinge met renvoy aan dezelve, worden overge- 
zonden. En met opzicht tot de tweede en ver- 
dere leden dezer vraag wenscht het Genoot- 
fchap, dat de gronden en redenen, waar van 
de fchryvers tot ftavinge van hunne begrip- 
pen zullen gebruik maken, voornamelyk ont- 
leend wor den uit den aart van onze Zeeuwfche 
„ gronden en luchtsgefteldheid ‚ uit het geen de 
Ondervinding in andere landen, alwaar een der- 
gelyk climaat en gelykfoortige. gronden voor ’% 
grootfte deel te vinden Zyn; heeft geleerd sen 
uit de ‘byzondere nuttigheid, voordeel en ge- 
fchiktheid van deze of gene planten of gewasfen » 
het zy tot eigen confumtie of verwerkinge in 
de Provincie, het zy tot vervoeringe naar el. 
ders ‚en gevolglyk ook uit de handeldryvende 
belangen van de Provincie. 

Noch felt het Genootfchap tot eene vraag 

ian % 5 voor 


[Xx] 


voor, welke zal moeten beantwoord worden 
voor den 1. January 1775. 

Welke gedeelten van de Nederlandfche Hi- 
Jlorie, byzonder van Zeeland, zyn tot nu toe 
niet naauwkeurig genoeg behandeld , en uit wel- 
ke bronnen zouden dezelve in een beter licht kon- 
nen gefteld worden ter aanvullinge der Vader- 
bandfche Gefchiedenisfen ? 

In het beantwoorden van welke vrage de 
Schryvers in acht moeten nemen, dat dezelve 
zich bepaale tot de zeven vereenigde Provincien 
en de onderhoorige landen. 

De prys, gefteld op ieder van de twee op- 
gegevene vragen, voor den Autheur, die de- 
. zelve, naar het oordeel van het Genootfchap, 
best beantwoord zal hebben, is een gouden 
Medaille, op den ftempel van het Genootíchap 
geflagen, met het jaartal en den naam van den 
Schryver, 

De antwoorden op de vragen moeten niet 
met den eigen naam des Schryvers, maar met 
een zinfpreuk geteekend en met een verzegeld 
billet, het welk dezelfde zinfpreuk tot opfchrift 
heeft, waarin des Schryvers naam en adres 
gemeld zyn, verzegeld aan den Heer Justus 
Tjeenk, Secretaris van dit Genootfchap, zeer 
leesbaar gefchreven, gelyk ook een affchrift, of 

dub- 


[ x1 ] 


dubbel derzelve, in het Nederduitsch, Fransch 
of Latyn franco worden toegezonden, voor den 
bepaalden tyd, na welken geene meer tot den 
prys zullen worden toegelaten, 

Ieder een, wie hy ook wezen mag, ftaat vry 
naar den prys te dingen, uitgezonderd hún die 
in eenig opzicht Leden van dit Genootfchap zyn, 
Ook zal het den genen, die den prys behalen 
zal , niet vry ftaan, zyne Verhandelinge, waar 
op hem de prys is toegewezen, in ’t geheel of 
ten deele, het zy afzonderlyk , of by eenig an- 
der werk, te doen drukken , zonder uitdruk- 
kelyke toeftemminge van dit Genootfchap. 

Evenwel zal het den Leden, des goedvinden- 
de, vry ftaan, om, fchoon zonder naar den prys 
te dingen, over de opgegevene vragen te fchry- 
ven en derzelver antwoorden op de bepaalde 
wyze, alleen met de byvoeging van de woorden 
Lid van het Zeeuwsch Genootfchap achter de 
zinfpreuk , zoo boven op het verzegeld bifler, 
als op de verhandelinge zelve geplaatst, te laten 
toekomen, ten einde het Genootfchap daar van 
ook een nuttig gebruik voor het algemeen konne 
maken, het zy door derzelver verhandelingen, 
geheel, of by uittrekzels van het byzonderfte, 
mede te deelen. 

En ten einde de verhandelingen over de op- 

sà ge- 


F xn J 


gegevene vragen, door zulken die geen Leden 
zyn toegezonden, fchoon zy den prys niet beha- 
len, evenwel niet in het duister blyven, zal 
het Genootfchap ook daar van gebruik maken, 
en dezelve , of geheel, of ten deele, met den 
druk gemeen maken, ’t zy onder de bygevoeg- 
de zinfpreuk, of met melding der naamen, in- 
dien de Schryvers dezelve aan het Genootfchap 
gelieven te openbaren, na dat de prys zal zyn 
toegewezen ; en zulks in de nieuwspapieren zyn 
bekend gemaakt. | 


Den zesentwintigften van hooi- 
maand in den jaare ‘MOCCLXXIV 
werdt wederom de jaarlykfche al- 
gemeene vergadering van het Ge- 
nootfchap gehouden, waar in de 
Heer ’s GRAVEZANDE verflag 
deed van den. tegenwoordigen 
{taat der Jooden en hunne voor- 
rechten te Cochin, en de Heer 
TE WATER zyne verhandelinge, 
over ’t begraven der lyken in de 
fteden en kerken, mededeelde, — 


Wat ’er wyders in deze byeen- 


kom-- 


E-sui } 


komfte is vastgefteld nopens de 
vragen, voorheen en nu ter beant- 
woordinge aan ’t gemeen opgege- 
ven , leert het Programma, ‘welk 
van dezen inhoud was: 


Nem aan het ZEEUWSCH GENOOT" 
SCHAP DER, WETENSCHAPPEN te 
VLISSINGEN , in deszelfs algemeene vergade- 
ringe, gehouden den 26 July 1774, gebleken 
is, dat de tydsbepaling , om voor den eerften 
January van dat zelve jaar te beantwoorden de 
vrage, by het Programma van den jaare 1772 
voorgefteld: Zn welke evenredigheid zyn de lan- 
den in de Provincie Zeeland, en in ieder eiland | 
in ’t byzonder, aangelegd tot Bosfchen, Boom- 
gaarden, ‘Weilanden en Bouwlanden? “ir die 
evenredigheid, welke thans tusfchen dit wier- 
foortig gebruik der banden in deze Provincie 
plaats heeft, de voordeelig fle, volgens welke de 
landen binnen dezelve konnen worden aange- 
degd? zoo neen, hoedanige verandering is daar 
in voor het algemeen belang wenfchelyk, en wel- 
ke zyn de beste en vruchtbaanfte middelen, ons 
dezelve daar te flellen? WWelke foorten van 
__hout- 


L Xiv j 


boutgewas en landvruchtén zyn ‘er , buiten dië 
welke in Zeeland doorgaans het meeste worden 
aangekweekt, die in onze Zeeuwfthe gronden; 
met een evengelyk of grooter voordeel voor. het 
Gemeenebest en woor den Landman, dan 
de thans gecultiveerde , zouden konnen worden 
geteeld ; welke van dezelve verdienen in het by- 
zonder aangemoedigd te worden; en hoedanig 
zyn de gefthiktfte middelen, om derzelver cultu- 
we gemeen te maken? niet ruim genoeg geweest 
is, om, met in acht neminge van de bygevoeg- 
de bepalingen, daar op voldoende te konnen 
antwoorden, heeft het Genootfchap goedgevon- 
den dezelve vraag voor als noch aan te houden, 
en thans eene andere voor te ftellen, welker 
opgave, federt eenigen tyd, zoo de menfchen- 
liefde als het algemeen belang van de geoctroy- 
eerde OOST-INDISCHE MAATSCHAPPYE de- 
zer gewesten. fchynen gevorderd te hebben, en 
welke voor den eerften January 1776 zal dienen 
beantwoord te worden , namentlyk: Welke zyn 
de duidelyke en onderftheidene kenmerken van 
die befmettelyke rotkoorts (febris maligna pu- 
trida), welke thans zoo algemeen befpeurd* 
wordt op de uitgaande Oost-Indifche Schepen 
dezer banden; door welke oorzaaken wordt deze 
koorts voortgebragt, en welke zyn de middelen 

onz 


[xv 1 


om dezelwe te behandelen, woor te komen en den 
woortgang daar van te fluiten? 

„De vraag, door het Genootfchap in x jaar 
1773 opgegeveh, om ze voor den aanvang. van 
het jaar 1775 te beantwoorden, was: Welke 
gedeelten van de Nederlandfche Hiftorie, by- 
zonder van Zeeland, zyn tot nu toe niet naauw. 
keurig genoeg behandeld, en uit welke bronnen 
zouden dezelve in een beter licht konnen gefteld 
worden ter aanvullinge en woltooijinge der Va- 
derlandfche Gefthiedenisfen? | 

Ter oplosfinge van welke vrage de Schryvers 
verzocht worden, zich alleen te willen bepalen 
tot de zeven vereenigde Provincien ‘en de on= 
derhoorige landen. 

De prys, gefteld op ieder van ar twee op- 
gegevene vragen, voor den Autheur, die de- 
zelve, naar het oordeel van het Genootfchap, 
best beantwoord zal hebben, is een gouden 
Medaille, op den ftempel van het Genootfchap 
geflagen, met het jaartal en den naam van den 
Schryver. f 


Waarby dezelfde voorwaarden. en 
bepalingen gevoegd waren, “in. je 
vorige Programma gemeld, 

Enk boven uitgedrukt,» 


| Niet 


L Xvi J 
Niet dan met eene fmertende. 
aandoeninge van droef heid, maakt 
het: Genootfchap - meldinge;- dat 
eenige Beftierders en - Leden aan 
zelve, door den dood, ontrukt 


zyn. | 
| gen de eerften behoorden de 
Heer Mr. wiLLEM Cornelisz, OCKERS- 
se, Heer van ’sGravenpolder , Bur- 
gemeester en Raad der {tad Zierik- 
zee, overleden den zevenentwin- 
tigften van hooimaand des jaars 
MDCCLXXIVv, en de Heer Mr. 
JOANNES DE WIT HAGANEUS, 
Commisfaris der kleine bank van 
Juttitie te Haarlem, den zestien: 
den van fouwmaand deszelven 
jaars geftorven, terwyl hy Zrank- 
ryk doorreisde. osllen 
In den jaare mpcceLxxm verloot 
het Genootfchap uit het getal van 
zyne Leden, den Heer JAN WA: 
GENAAR, door wiens dood, 
voorgevallen den eerften. van len- 
aol te- 


[ xvu Ì 


temaand, en aan het Genootfchap 
plechtig bekend gemaakt, ons Var 
derland en de ftad Am/lerdam een’ 
uitmuntenden gefchiedenisfchry ver 
verloren hebben, en den Heer 
LOUIS LANCELOT MAIZONNET, 
Predikant by de Waalfche ge- 
meente te Dordrecht, daar hy den 
zevenentwintigften van wynmaand 
overleden is, dien lof en roem na- 
latende, welken hy zich, in vroe- 
ger tyd, ook binnen deze ftad had 
verworven. — In het volgende 
jaar MDCCLxxIV ftierf de Heer HE N- 
RICUS HAGEMAN, rustend Pre- 
dikant der Lutherfche gemeente te 
_ Amflerdam , wiens uitgegeven 
fchriften overvloedige blyken van 
onvermoeide naarftigheid opleve- 
ren. — In den aanvang van dit 
_ doopende jaar ontviel aan het Ge- 
„nootfchap de Heer JOHAN MAR- 
TIN HOFFMAN, die, fchoon hy 
„rustte, van zyn Leeraarampt. te 
„IV. DEEL, lk Maas: 


É «vi j 


Maúasfluis, echter rusteloos voort: 
ging in ’t verdedigen van den waá- 
ren Godsdienst, en in ’t beftryden 
van het ongeloof. Noch korter 
geleden, den zevenden van lente- 
maand, werdt het Genootfchap 
door den dood beroofd van een 
zyner Leden, den Heer JOB BAs- 
PER, een man van uitftekende 
bekwaamheden in de geneeskunde 
en nâtuurlyke hiftorie, waar door 
hy niet alleen te Zierikzee, zyne 
geboorteplaats, en in de Neder- 
fandfche gewesten, maar ook in 
alle landen, daar de wetenfchap- 
pen op een’ hoogen prys ftaan, 
zich zelven een’ onfterfelyken 
naam verkregen heeft. 


Daarentegen is het getal der 
Heeren Beftierderen en Leden, op 
verfcheiden tyden, op eene aan- 
Zienlyke wyze door byvoeginge 
‘Van anderen vermeerderd ht 
en. 


L XIX Ì 


den. Tot den eerstgemelden post 
zyn verkozen de Heeren 


Mr. JOHAN PIETER VAN DEN BRANDES 
Ridder Baronnet, Heer van Gapinge, - 
Crabbendyke, Couwerve enz. Schepen en 
Raad der ftad Middelburg. Den 6 April 

SNE TER 

Mr. wirLeMm TursAur, Heer van Aagtes 
kerke, Secretaris ter Admiraliteit in Zeee 
band, Kiesheer der ftad Middelburg. Den 
6 April 1773. 

Mr. ANTHONY PIETER WeBOs Raadsheer 

__in den Hove Provinciaal van Holland en 
Zeeland, in 's Hage. Den 27 April 1773. 

PETRUS ALBERTUS VAN DE PARRA, Gous 
verneur Generaal van Neerlandsch Zndia 
enz. te Batavia, Direéteur van de Hol- 
landfche Maatfchappij der wetenfchappen. 
Den 25 January 1774-. 

FLORENS EILBRACHT, Stadhouder en Griffier 

___der Leenen van den huize en ridder-hofftad 
Joenderfloot, en Secretaris te Abkoude, 
Den 28 Juny 1774 

CORNELIS JACOB VAN DER LYN, Oud- 
Schepen der ftad Amfterdam. Den 28 


Juny 1774. 


EEL] 


GEORGE FREDRIK Baron THOE SCHWART* 


ZENBERG EN HOHENLANSBERG, Griet 
man van Menaldumadeel, Gedeputeerde 
Staat van Friesland, te Leeuwaarden, 
Lid van de Leidfche Maatfchappy der Ne- 
derlandfche letterkunde, en van ’t Gro- 


‚ pingsch Genootfchap pro excolendo Jure 


Patrio. Den 28 Juny 1774. 


ONNO ZWIER VAN HAREN, Grietman van 


Mr. 


Stellingwerf westeinde, enz. te Wolvega. 
Den 28 Juny 1774. 
RUTGERUS PALUDANUS, Raad en 


Thefaurier der ftad Alkmaar, Directeur 
van de Hollandfche Maatfchappy der we- 


tenfchappen. Den 28 Juny 1774. 


„COENRAAD WOLTHER ELLENTS) Raad 


en Secretaris van ’t Landíchap Drenthe, 
en medelid van den loffelyken Eeftoel al 
daar. Den 29 Nov. 1774. 


‚ RENEKE BUSCH GOCKINGA, Secretaris 


der Heeren Gedeputeerde Staaten van Gro- 
ningen. en Ommelanden. Den 29 Nov. 
1774: 

DAVID THOMASSEN à THUESSINKs 
Burgemeester der ftad Zwolle. Den 29 
Nov. 1774. 5 


In 


Lira HT 


In de algemeene vergaderinge, 
in den jaare MDCCLxxIr gehouden, 
werden tot Leden aangenomen de 
„Heeren 


GUALTHERUS VAN DOEVEREN, Hooglee- 
raar in de Geneeskunde te Leiden, Lid 
van de Hollandfche Maatfchappye Gn we- 
_tenfchappen. 

PETRUS BONDAM; Hoogleeraar ì in de Rech- 
ten te Utrecht, Hiftoriefchryver van Gel 
derland, Lid van de Hollandfche Maat- 
fchappy der wetenfchappen, en-van de 
Leidfche Maatfchappy der Nederlandfche 
letterkunde. 

G.J: GERARD) Secretaris van Haare Keizer- 
Iyke Majefteit, en van de Keizerlyke 
Koninglyke Academie der wetenfchappen 
en fraaije letteren te Brusfel. 

GERARD DE WIND, Medic. Doct., Anato- 
miae, Chirurgiae € artis obftetr, Lector 
te Middelburg. 


_En in de algemeene vergaderin- 
ge, in den jaare MDCCLXXxIV, zyn 
tot Leden aangefteld de Heeren 


mig JAN 


Lxxn J 


JAN SPLINTER STAVORINUS, Kanitein ter 
zee by de Admiraliteit in Zeeland, te 
Middelburg. 

CHRISTIAAN RUDOLPH HANNES, Med, 
Doct. Stads Phyficus te Wezel, Lid van 
de Keizerlyke Academie der Natuur-on- 
derzoekeren , en van de Hesfifche Socicteif 
te Giesfen. 

GERARD GREEVE, Heel- en Vroedmeester te 
Utrecht. 

JAMES BEATTIE, Profes'or in de zedelyke 
wysgeerte en redenkunst in ’ Marfchall 
Collegie en de Univerfiteit te Aherdeen. 


Alle deze Heeren lieten zich de 
gedaane verkiezinge welgevallen, 
en beloofden, zoo veel hun mo- 
gelyk is, tot den bloei van dit 
Genootfchap te zuilen medewer- 
ken, waar van fommigen reeds 
daadelyke blyken hebben gegeven, 


Het Genootíchap kan niet onge- 
voelig zyn aan de verplichtende 
wyze, waar op fommigen de boek- 

vere 


Le wma ] 


verzamelinge , anderen deszelfs ka- 
binet van natuurlyke zeldfaamhe- 
den vermeerderden. De Heeren 
Vosmaar , Baster , Nieuwland, Slab- 
ber, Brahe, Curtenius, ’s Grave- 
zande, wan Drunen, Hofflede ‚ wan 
peren, St. Simon, Willemfen , Per- 
renot, Fermin, Gallandat, Leden 
van ’t Genootíchap, Zrip, N. C. 
Lambrechtfen, Verheye van Citters, 
Lelyveld, Nuysfenberg, Le Roy , 
en aderen, vereerden aan ’t Ge- 
nootfchap hunne uitgegevene fchrif- 
ten. De edelmoedigheid der Hee- 
ren Winckelman en van de Spiegel 
vermeerderde insgelyks de boe- 
kery, welke echter vooral aans 
groeide door de aânzienlyke en 
herhaalde gefchenken van den 
Heer van Damme, die hier in een 
groot voorbeeld van navolginge 
aan anderen heeft gegeven. —_— 
De verzameling van natuurlyke 
zeldfaamheden is, federt twee 


id! jaar 


Dt BMT V 1] 


jaaren, ongemeen aangegroeid. 
De Heeren A. }. Hurgronje en 
Snouck Hurgronje deden aan ’t 
Genootfchap een voortreffelyk ge- 
fchenk van eene talryke verzame- 
linge der fraaifte hoorns en fchul- 
pen; anderen bragten ook het hun- 
ne toe, om het natuur-kabinet tot 
meerdere volkomenheid te bren- 
gen. Hier toe ftrekten de giften 
der Heeren Winckelman, Brahe, 
Ze Water, Helleman, wan’ der 
Woord en Bomme, aan welken 
laatften, gelyk ook aan den Heer 
Slabber, de bekwaame rangfchik- … 
king moet dank geweten worden, 
Een goed aantal van allerleye myn- 
ftoffen is het Genootfchap verfchul- 
digd aan de vriendelykheid van den 
Heer ’ Gravezande. Zelfs hebben 
eenige aanzienlyke vrouwen, wel 
ker zedigheid verbiedt haare naa- 
men te vermelden, het Genoot- 
fchap door gefchenken van dit 

| AE: foort 


LERS | 


foort aan zich verplicht. Onlangs 
ontfing het Genootfchap eene ge- 
dachtenis van den Heer Baster, 
volgens zynen uiterften wille, be- 
ftaande in een konftig bufet, door 
hem zelven gemaakt, en famenge- 
fteld uit allerhande foorten van 
hoorns, fchulpen, zee-gewasfen, en 
andere natuurlyke zeldfaamheden, 
welke dit fchoon gedenkftuk van 
’s Mans vernuft verfieren. — De 
mildaadigheid der Heeren Wanc- 
kelman, Lambrechtfen wan Riút- 
them, wan Damme en van der 
Woord ftelde het Genootíchap in 
t bezit van verfcheiden pennin- 
gen en munten, ten grootften 
deele betrekkelyk tot de Neder- 
landfche gefchiedenisfen. — De 
Heer Steengracht vereerde ook ze- 
keren fteen, gevonden op ’t huis 


te Britten, waaromtrent Hy be- 


richtte, dat dezelve afgeteekend 
gevonden worde by VAN LOON 
En AAN LS 


5 al 


[ XXVI ] 


aloude hiftorie van Holland I deel 
bl. 154, en in ’t werk van den 
„Marquis De sT. sIMON over den 
oorlog der Batavieren en Romei- 
nen; dat op dien fteen verbeeld 
worden de gevangenisneming en 
wegvoering van Welleda, naar 't 
gevoelen van CANNEGIETER «de 
Brittenburgo pag. 143, en VAN 
LOON in ’t genoemd werk bl. 127. 
By dezen fteen heeft de Heer VAN 
DAMME, naderhand, eenige an- 
dere gevoegd, welke, volgens o- 
verleveringe,. insgelyks op ’t huis 
te Britten zouden gevonden zyn. 
Twee van dezelven zyn zeer ge- 
yk aan den fteen, zoo even ge- 
meld, en fchynen dezelfde gebeur- 
tenis aftebeelden, welke, naar de 
gisfinge van dezen Heer, niet is 
de gefchiedenis van /elleda , maar 
van Suzanna; een gevoelen, dat 
het onderzoek der oudheidkundi- 
gen wel waardig is, vooral om dat 

meer 


[LL xxvu J 


meer foortgelvke fteenen in ons 


Vaderland te vinden zyn. 


Het Genootíchap ontfing, met 
byzonder genoegen, een goed 
aantal van verhandelingen over 
verfcheiden takken der weten- 
fchappen, en zal dezelve, zoo 
fpoedig mogelyk, aan het alge- 
meen door den druk mededeelen; 
zullende het vyfde deel eerstdaags 
onder de pers komen, om te vol- 
doen aan het oogmerk der fchry- 
veren, en aan ‘t verlangen der let- 
teroeffenaaren. | 


Dit vierde deel bevat drie ant- 
woorden op de voorgeftelde vraag 
belangende de palen en regelen 
der gevolgtrekkingen, in ’t onder- 
zoek der natuur, uit de reeds ge- 
maakte waarnemingen en proefon- 
dervindingen ter navorfchinge van 


__‚de noch onbekende oorzaken der 


Vi 


vete 


L xxvim J 


verfchynfelen. Het eerfle van de- 
ze antwoorden heeft tot Schryver 
den Heer VAN IPEREN, aan wien 
't Genootíchop ook verfchuldigd 
is de vertalinge van het tweede 
{ftuk, waar van de Heer PAP DE 
FAGARAS de opfteller is. De 
derde verhandeling, over dit on- 
derwerp, werdt gefchreven door 
den Heer P. FERMIN, en in ’% 
‘Nederduitsch vertaald door den 
Heer P. BODDAERT. — De Heer 
VAN DAMME doet bericht van 
zyne talfyke verzamelinge van 
Griekfche, Romeinfche , en andere 
oude Penningen, zullende deze 
_eerfte afdeeling, eerlang, door 
eene tweede gevolgd worden, 
waarby Hy zal voegen de afteeke- 
ninge van veele ongemeene ftede- 
lyke penningen, welke tot nu toe 
nimmer zyn uitgegeven.—- Hier- 
op volgen de geestkundige en 
‘zedelyke aanmerkingen. van den 
19 Heer 


ren Ì 


Heer PARIS over het verband van 
verfland en wille— De Heer 
HENNERT, die ín eene voorgaande 
verhandelinge, in het derde deel 
geplaatst, de waare gedaante der 
aarde onderzocht, doet hier naauw- 
keurig onderzoek, of de onzeker- 
heid daaromtrent eenen merkely- 
ken invloed hebbe op de ftarre- 
kunde en zeevaart…—- De ver- 
handeling van den Heer SCHORER 
toont de dwaasheid en fchandelyk- 
heid der tweegevechten, uit ver- 
fcheiden gronden, aan. — De aan- 
merkingen over den Hofftyl of 
Franfchen Schryfftyl, door den 
Heer ’s GRAVEZANDE gefchreven, 
hebben veel invloeds op de ge: 
fchichtkunde van ons Vaderland. 
De Heer BoNN befchryft zyne 
waarneminge van eene aanmerke- 
lyk uitgezette pisblaas en omgebo- 
gene zwangere baarmoeder…— De 
Heer TE WATER beftrydt, in zyne 

ver- 


[ xxx 1 


verhândelinge, de onbetamelyke 
‚gewoonte van ’t begraven der Iy- 
ken binnen de fteden en kerken.— 
Eindelyk zyn hierby gevoegd de 
Meteorologifche. waarnemingen van 
den Heer BASTER, in de jaaren 
1772, 1773 en 1774 te Zierikzee 


gehouden. 


Indien het algemeen voortvaart 
de pogingen van t Zeeuwsch Ge- 
nootfchap te onderfteunen, gelyk 
tot nu toe gefchiedde, hoopt het 
zelve meer en meer de voorge- 
{telde oogmerken te bereiken, 
welke fteeds dezelfde blyven, 
GODS eer, het belang van ’t 
menschdom, en het nut der land- 
genooten. 


Vlisfingen den laatflen van 
bloeimaand MDCCLXXV. 


Hist 


LYST 


[ xxxi 1 
LYST per VERHANDELINGEN, 


ntwoord op de vraag voor ’t jaar 1772, 
door j. VAN IPEREN, 4. L. M, Phi- 
lof: Doct., Predikant te Vere. — — Bla 


Antwoord op dezelfde vraag, door J. PAr 
DE FAGARAS; m€@t de vertalinge van 
J. van Iperen. — — — 119 


Antwoord op dezelfde vraag, door P, FER= 
MIN, M. D. gezworen Raad te Maas- 
tricht; met de vertalinge van Mr. P, Bod= 
daert. — — — — 3I9 


Bericht van eene talryke verzamelinge van 
Griekfche, Romeinfche en andere oude 
penningen, door P. VAN DAMME — 419 


Pfychologifche en Moralifche aanmerkingen 
over het verband van verftand en wille, 
door j. W. PARIS, Predikant te Hulst. — 453 


Onderzoek, of de onzekerheid omtrent de 
waare gedaante der aarde eenen merkelyken 
invloed hebbe op de ftarrekunde en naviga= 
tie, doort, Fr, HENNERT, A, Le M, Phi= 
bof. Do&. en Profesfor te Utrecht, _— — 499 


Verhandeling over de dwaasheid en fchande- 
lykheid der Tweegevechten, door Mr. 
W.SCHORER, Prefident van den Raad en 
’* Leenhof van Vlaanderen te Afiddelburg. — 545 


Verhandeling over den Franfchen Schryfftyl, 
doorgaans genoemd Stilus curie of ftyle . 
van den Hove, door A, ’SGRAVEZANDEs 
Predikant te Middelburg. — — — 577 


Ont= 


[ XXX J 


Ontleed- en Vroedkundige waarneeming eener 

aanmerkelyk uitgezette pisblaas, en omge= 

‚bogene zwangere baarmoeder, door A. 
BONN, Med, Dot. & Profesfor te Amfterdam. Ó13 


Verhandeling over het begraven der lyken in 
de fteden en kerken, door 7. w. TE w A= 
TER, Predikant te Vlisfingen, — — 629 
Meteorologifche waarnemingen te Zierikzee, 


in de jaaren 1772, 1773 Een 1774, door J. î 
BASTER, Med, Dot. aldaar, _ kr 


DRUKFEILEN, 


In ’ III Deel bladz. 542 laatfte reg. 


flaat za3 Dar: lees=zaH3Dar 


In ’ IV Deel 
ftaat bl. 422 aant; (c) Oxirii lees Oxoriae 
—— bl. 624 rf, 22 aandrongen — - aangedrongen 
=— bl —= r. 24 ophoping —_= ophooping 


ANT: 


ANTWOORDEN 
Vee RAG #E: 


Mag een Natuuronderzoeker, uit de reeds ges 
maakte waarnemingen en proefondervindin= 
gen, verdere gevolgen trekken ter uitvorfchins 
ge van de noch onbekende oorzaken der ver« 
Jibynfelen? zoo ja, hoe verre mag hy daar in 
voortgaan , en welke regelen moet hy daar, 
omtrent in acht nemen 8 


VOORGESTELD 
OM BEANTWOORD TE WORDEN 
IN DEN JAARË 


MED SC CBON A TA, 


HAR IN 


wg Vosrt oh se rmdsovehmountes/Â vn ik 
eniatershnhgorg aa mopmisnstinnus san 
emidgoeris gas adden noplousg vroren IB 
ARP lo adostoo ShmÂidno droe sh aon B 
st WRh  onee sv LOU ‚oJ oor Saria, 
“ank qd. aoome sohoge shade Ma. inches 

| DE RON REN ERS st tea tan 


EELT ENOHO AV, 


WEGAOW. AT. OIOOWTMATE Mo 


RRAAD » EL MEE ech enen 


AEEA GM 


Bladz. 3 
ANTWOORD 


OP DE 


VR A GE: 


Mag een Natuuronderzoeker, uit de reeds gez 

maakte Waarnemingen en Proefondervindin- 
gen, verdere gevolgen trekken ter uitvonfchinge 
wan de nog onbekende Oorzaken der Verfchyn= 
Jelen? 


Zoo ja, hoe werre mag hy daar in voortgaan ? 
En welke Regelen maet by daaromtrend in agt 
nemen ? tovlse iÌ 
Dv 0 ù E 


SOSUA VAN IPEREN. 
| AS aft loof lef ff 


Ik nam de vryheid, om de Vrage 
dL aanftonds in drie leden , duidelyk- 
heidshalven te fplitfen ;'om dat myne 
Verhandelinge of Arwoord zoo: moest 
verdeeld ‘worden zow’ ik’ voldoen ep 
A € 


4 SJ VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


hets oogmerk, der Vlisfingfche Maat- 
fchappye. Maar hy, die het geoorloof- 
de der gevolgtrekkingen, zoo als die uit 
de Waarnemingen en Proefondervin- 
dingen , Oongedworgen. vóortvloeijen, 
wraakt, en er zig, nog in deze verligte 
‘Eeuws tegèn verzetten vwil,“heeft juist 
al-dien“omflag niet-van nooden. Zyne 
taak\is-fpoediger.afgedaan, … De tweede 
en; derde, Voorftellinge van het Vraag- 
{tuk raken hem niet — - Gansch-anders 
is het met my gelegen : want ik houde 
het-daar voor-‚-dat:het eerfte Lid , zon- 
der eenige aarzelinge, aanftonds met 
Ja moet worden beantwoord; en dus 
verpligte ik my zelven, om óok myn 
best te doen, dat ik het doelwit der 
twee laatfte Vaorftellingen , hoe werre 
mag. men daar in_ voortgaan? en welke 
Regelen moet mèn daaromtrend in agtne- 
men? treffe. 


L 


… De Ridder.NE wTON word, in: Efi- 
geland;ten-minften voor deneerften en 
voornaamftenwysgeer gegroët „ die alle 
de. winderige A naroniksidial ien van 
Jon CAR- 


VRAGE VOORT JAAR MDCCLXXIL 5 


CARTESIUS, GASSENDI en anderen 
van. zynen. tyd uit de Proefondervinde- 
lyke Natuurkunde -wilde-hebben. uitge- 
bannen ; maar geenzints:de Gevolgen, 
welke men uit de waarnemingen en Ex- 
perimenten trekt, Zyne gezegdens daar- 
omtrend, by den Heer BRUCKER aan- 
gevoerd, meene ik hier te mogen-plaat- 
zen: Quidguid ex Phoenomenis non dedu- 
citur „ Hypothefis vocanda est: et Hypo- 
thefes „feu phyfice , feu metapbyfice „ feu 
gualitatum occultarum ‚ feu mechanica in 
philofophia experimentali locum non har 
bent. In hac pbilofopbia propofitiones de- 
ducuntur ex phoenomenis €” redduntur 
generales per Induftionem, Dat is: ” Al 
» wat uit de Verfchynzelen word af- 
» geleid , moet men eene Vooronder- 
 ftellinge heeten: ven de Vooronder- 
» ftellingen , zoo natuurkundige, -over- 
» natuurkundige, als wergtuigelyke- en 
» opwerpzels van verborgene hoedanig- 
heden, hebben in de Proefondervinde- 
» lyke Wysbegeerte. geene plaats. In 
» deze W ysgeerte leid-men zyne: Stel- 


… lingen uit de Verfchynfelen af en men 


5 maakt haar algemeen, door middel 
» van de Andudtie”, 

Door de _Zndudie. werftaan. de Rede- 
sh A 3 neer. 


Z 


G 7. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


neerkundigen, gelyk bekend is, eene 
Gevolgtrekkinge ter beraminge der ei- 
genfchappen van eene geheele Soort, of 
van een gansch Geflagt, ontleend uit de 
eigenfchappen , welke men in verfcheide: 
rie wezens onder die Soort, of dat Geflagt, 
behoorende, had aangetroffen. En zoo- 
danige Gevolgtrekkinge is ook altoos 
door de Heeren ’%S GRAVEZANDE, 
DESAGULIERS, MUSSCHENBROEK 
en NOLLET in agt genomen; en word 
nog heden door genoegzaam alle de 
Natuuronderzoekers goedgekeurd en 
gebruikt. 

In de Starreloopkunde is men vooral 
bedagt geweest, om uit de W aarnemin- 
gen der Paralaxen , Eclypfen en andere 
Optijche Verfchynzelen, door de Verhe- 
vene Geometrie „Gevolgtrekkingen te 
vormen, welke eene nieuwe gedaante aan 
die Wetenfchap gegeven, en eenen on- 
gemeenen glans over de Wysbegeerte 
verfpreid hebben.—- De Natuurlyke 
Historie ftapelt, dagelyks, waarnemin- 
gen’op, en wel zulke, die de Induttie 
der Rangfchikkers foms van voorbarig- 
heid overtuigen, en menige fchepzelen 
uit de eene kas der Kabinetten van Lief- 
hebbery in eene andere kas, immers ui 

er 6 4 e 


VRAGE. VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 7 


„de eene lade in. de andere doen -over- 
gaan. Gelukkig waren de Sterrekundi- 
gen, indien zy hunne waarnemingen 
even gemakkelyk konden vermenigvul- 
digen,enlangs-dien weg, hunne. Mathe- 
matifche Gevolgtrekkingen verbeteren! 
In de Ontleedkunde van-ALBINUS- en 
HALLER, in de Scheikunde van BOER- 
HAVE, in de Geneeskunde van MEAD 
EN VAN SWIETEN; in de Befpiege- 
lingen van BONNET, kortom in alle 
de niewere en verbeterde famenftel- 
len -der Natuurlyke Wetenfchappen, 
heercht de JZndutie zoo algemeen en 
fterk , dat dit overal aangenomen ge- 
bruik alleen genoeg moet zyn, om ons 
verlof te geven, ja zelf te noodzaken 
tot een toeftemmend Antwoord op ‘het 
eerfte lid der voorgeftelde Vrage : ‚na- 
mentlyk dart ja! een Natuuronderzoeker, 
uit. de reeds gemaakte Waarnemingen 
en Proefondervindingen , verdere gevolgen 
mag trekken ter uitvorfchinge: van de nog 
onbekende oorzaken der Verfchynzelen.. 


„De Proefondervindingen zyn Waar- 
nemingen , welke door kunst uitgevon= 
dens uitgevoerd en verbeterd worden. 
Sedert GUERICKE, die de Lugtpomp 
ai A 4 uits 


B Je VAN PEREN ANTWOORD OP DE 


“uitvond, en BOYLE, die haar verbeter: 
de; zyn de eigenfchappen der Lugt, 
welke te voren nog zeer gebrekkig ge- 
kend en flegts in ’t ruwe opgemerkt wa- 
ren, met eene verwonderenswaerdige 
naauwkeurigheid, gadegeflagen. Maar 
genoegzaam alles, dat men op die wy- 
ze van de Luugt heeft leeren kennen „zou 
naawelyks “voor” meer dan Waafne- 
mingen der Lugtpomp' mogen worden 
‘aangezien, en, zoo min als de Barome- 
ter van TORRICELLI, kurinen dieren 
ter bepalinge der Eigenfchappen van dat 
Element, 100” men de Verfchynzelen, 
“welke zig in de Pomp en Barometer ver- 
toonen „niet, by Gevolgtrekkinge, op 
den Dampkringzou mogen toepasfen, 

soDe werktuigen, die men, by het doen 
der Proefnemingen, noodig heeft, zou- 
„den nimmer zyn toegefteld, indien eene 
genoegzaam oneindige fchakel van W aar- 
nemingen, federt TUBALCAIN, het 
‘bewerken van hout, teen, metaal, glas 
en-andere {toffen niet tot-eene volmaakt- 
heid gebragt hadde, die misfchien, door 
volgende W aarnemingen, weinig zal kun- 
nen verbeterd worden: vooral zoo men 
„de.waarfchuwingen van den-Heer Nor- 
LET daaromtrend in agt neemt, in zyn 
iet ulit- 


VRAGE VOORT JAAR MDCCLXXI. 9 


gitmuntend werkje, getiteld Avis aux 
Amateurs de la Phbyfique. En waarlyk! 
ishet wel te denken, dat de Werktuig- 
kunde, alleen by geval, zulke vorderin- 
gen zou hebben gemaakt, gelyk zy ge- 
maakt heeft, vooral in Engeland, zon- 
der dat de fcherpziende fchranderheid 
der werkbazen , uit vorige ondervindin- 
gen,bevorens had geredeneerd „ter ftavin- 
ge van hare waarfchynelyke vermoedens 
van voorfpoed, die er te wagten was in 
het verbeteren der werktuigen? Is het 
wel te denken, dat de Wiskunftenaars, 
in het doorzetten hunner Natuurkundi- 
ge Berekeningen, gecyfferd zouden heb- 
ben, zonder eenige vermoedelyke uit- 
koomften vooruit te zien, en dus Gevol- 
gen te trekken uit de Waarnemingen en 
Proefondervindingen , welke hun aan- 
leidinge gegeven hadden, om Ziguren 
te teekenen en Eqguatien op te zetten? 
Is het geheel beloop der Stelkundige of 
Algebraifche Oplosfchingen wel iet an- 
ders, dan eene vernuftige reeks van -oft- 
feilbaar- aan elkanderen vastgefchakelde 
“Gevolgtrekkingen?— E 


cie Zou ook waarlyk ftryden met ‘het 
Oogmerk der Nature zelf, “indien-wy 
Ai A 5 niet 


10 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


verder gingen, dan telkens bloote waar- 
nemingen te doen, zonder uit gelykvor- 
mige waarnemingen, gedaan op gelyk- 
foortige voorwerpen, ° zy met de zin- 
tuigen alleen, ’tzy met behulp der ver- 
grootglazen en andere kunstmiddelen, 
algemeene regels te fmeden, Wierden 
wy dan geene elendiger W ysgeeren dan 
de geringfte , de veragtelyk{le beesten? of 
ten minften telden wy ons niet gelyk aan 
gochelaars en rarekykdraijers, als-wy 
het by enkele waarnemingen en proef- 
ondervindingen lieten berusten? Hoe! 
openbaart zig dan de oneindige Wys- 
heid van den Schepper niet in de „4na- 
logie, in de overeenftemminge zyner 
fchepzelen? Zyn dan de Verhevelin- 
gen, zyn de Mineralen, de Metalen, 
de Planten, de Infeêten, de Vogelen 
en Visfchen nergens meer in gelyk aan 
die, welke men voor den Zondvloed 
“waarnam? Volgt de Natuur geene vast- 
gaande maatregelen? Zyn er geene al- 
gemeene Wetten van Beweginge? „Zoo 
ja, waarom zou men die niet mogen 
uitvorfchen? Maar niemand is er byna 
zoo onbedreven, die niet begrypt, dat 
zulks onmogelyk gefchieden kan, als 
door Gevolgtrekkingen te vormen, die 

| op 


VRAGE VOOR °TJAAR MDCCLXXIL, 11 


op juiste waarnemingen en proefonder- 
‘vindingen gegrond zyn en menige eeu= 
wen na dezen nog een zonderling gemak 
aan de Proefondervindelyke Natuurkun- 
de zullen byzetten. 


Wel is waar, loutere Gisfingen ko= 
men in de ware W ysbegeerte weinig te 
pas: *tis niet, dan by oogluikinge, wan- 
neer men dezelve gedoogt. Maar daar- 
om moet niet alles, wat maar eenigzints 
naar Gisfingen zweemt, uit de Natuur- 
kunde verbannen worden. Laten wy 
den beroemden Wysgeer van Geneve 
hooren fpreken (*) De kunst van Gisfen, 
zegt hy, wolffrekt uit de Natuurkunde te 
bannen ‚zou eveneens zyn, als of wy ons by 
enkele en byzondere Waarnemingen wit- 
den bepalen ; en waartoe zouden ons die 
Waarnemingen dienflig zyn , indien wy 
er geen het minst gevolg uit trokken? 
Zonder ophouden zouden wy bout; kalk 
en fieen by een brengen met oogmerk, om 
niet te bouwen, Zonder opbouden zouden 
wy het middel met het doeleinde verwar- 
ren. -_ Alles zou los van een gefcheiden bly- 
wen in-onze denkbeelden, terwyl onder- 

Jus 


(*) C. BONNET Palingenes, T.L p. 74e 


12 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


tusfchen de ganfche Natuur alles famen- 


Jthakelt. Indien NEWTON die kunst- 


wan Gisfen niet verftaan had, zou hy 
ook nimmer den Hemel hebben kunnen în- 
dringen en er de Geestelyke Stuurlieden 
der Geflarntens, welke KEPLER ver- 
zonnen had, uit jagen, en er twee Werk- 
tuigelyke' Kragten op den throon zetten, 
aan welke alle de Starren, Planeten en 
Cometen nog blindeling fchynen te blyven 

gehoorzamen. | 
Ik verftae door de Kunst van Gisfen 
geene losfe en wilde voorbarigheid in 
vooronderftellen van vermoedelyke Oor- 
zaken ‘err Gewrogten : neen ! maar eene 
oordeelkundige en voorzigtige beramin- 
ge van waarfchynelyke famenloopinge 
van werktuigen, ter ophelderinge- en 
verklaringe der Verfchynzelen, Want 
zoo zy-met geene oordeelkundige voor- 
zigtigheid word aangelegd, verdient zy 
geene Kunst genoemd te worden. NEW- 
TON-maakte zig, volgens het oordeel 
Van LEIBNITZ En BERNOULLI, fchul- 
dig. aan voorbarigheid: in het Vooron- 
derftellen, toen hy, met LOCKE,“ de 
waereld- voor een onvoltoyd werktuig 
aanzag, voor een onvolmaakt Horlo- 
gie, dat telkens, om zoo te fpreken, 
van 


VRAGE VOORT JAAR MDCCLXXIL 13 


van God moest worden opgewonden en 
herfteld : alzoo een eerbiedig denkbeeld. 
der Goddelyke Wysheid genoegzaam 
‚was, om fluks die en andere foortgelyke 
ligtvaerdige Vooronderftellingen den bo- 
dem inte flaan. In tegendeel leert ons 
dat zelfde begrip der Oneindige W eten: 
fchap van het Opperwezen oordeelkun- 
dig gisfen en vermoeden, dat alles, in de 
bewegingen der waereldfche Lichamen 
en in het leven der Nature, ten minften 
doorgaansch , de: Wonderwerken alleen 
uitgezonderd , werktuigelyk toegaat ‚zoo 
van ’s waerelds ugtenftond af is. toege- 
gaan ; en eveneens tot aan de;voleindinge 
der eeuwen toegaan zal, > vermont: 

De Kunst van Gisfen is ruim zoo oud 
alsde Kunst van Waarnemen,» Zoo 
dra was: de mensch op shet: voltoyd 
fchouwtoneel der Nature. niet mederge- 
zet, of hy nam de wonderen der God- 
delyke Wysheid. aanftonds: zoo wel 
waar , als de wonderen der Almagt: hy 
befpeurde eene gelyktydige famenftem- 
inge: der dingen en eeneopvolginge 
van. gébeurtenisfen in de; Natuurlyke 
Hiftorie, die haren genoegzamen grond 
An het voorledene-had ; enteffens:ook de 
gronden en oorzaken vanshet anr 
B e 


14 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


de behelsde. Van ftonden aan redenka- 
velde hy over de fchakel der gebeurlyk- 
heden en wierd bedagt op het beramen 
der Goddelyke Werktuigkunde, In de- 
ze zag hy de heerlykheid van s° Aller- 
hoogftens onbegrypelyke en onnavolg- 
bare Wysheid gloeyen en gloren fchie- 
ten ; gelyk de en reeds voor 
hem gedaan hadden. Immers het ver- 
{tand van den volmaakten mensch kon 
de tweede Oorzaken niet voorbygaan 
en eenen Schepper aanbidden, die- reeds 
rustte, fchoon zyn werk nog gebrekkig 
gebleven was, en welken hy zou heb- 
ben kunnen te gemoete voeren, * geen 
ALPHONSUS, Koning van Castiliën 
eens, in eene drift van eigenwysheid ge- 
zegd word te hebben uitgerafeld , tegen 
de orders en wetten der Nature, van 
welke hy nog te weinige kennisfe had : 
dat ‚als het aan hem geftaan had, hy het 
Geheelal in eene juister order zou ge- 


fchapen hebben. 


In de kindsheid- befpeurt men reeds 
eene aangeborene drift: en geneigtheid;, 
om Gevolgen te trekken uit de Ver- 
fchynzelen en tot het onderzoek naar 
derzelver Oorzaken opte klimmen. Ne 
df 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI. 15 


Naarbootzinge , zoo gemeen aan kuikens, 
welpen en kinders, werkt altoos uit een 
vooruitzigt op de nuttigheid en aanges 
naamheid, welke er uit het naarvolgen 
der Ouderlyke daden te verwagten zyn. 
Deze drift van Naarvolginge is „zoo ’t my 
toefchynt, eigentlyk de zoogenaamde 
Inflin& in de Redenlooze Dieren, wat 
ook REIMARUS en anderen van derzel- 
ver Konstdriften mogen opgeven. Want 
waarom zou men toch in het Vee 
iets willen vastftellen, dat niet eenig- 
zints, in zeker derde, met den aard 
des Menfchelyken Geflagts overeen- 
komt? Is er geen omloop van bloed en 
andere levenszappen in alles-wat men 
tot de Dierelyke Waereld brengen kan? 
Inde ‘kinderen der menfchen nemen 
fchranderheid ‘en oordeel toe, naar ma- 
tesdat zy langduriger en“ uitgebreider 
ondervindinge krygen; en zy leeren al- 
lengskens uit de waar- en’ proefnemin- 
gen, welke zy maken en van” bejaarden 
dagelyks zien maken, op te klimmer 
tot „algemeene waarheden, welke zy 
daarna in voorraad-hebben; om uit de: 
zelve: ylings, by voorkomende’ gelegen: 

dover derzelver hoedanigheden er 
gewrogten, oordeel -te. kunnen dies 
Lr) e 


16 Js VAN-IPEREN ANTWOORD OP/DE _ 


De dieren zelve hebben hunne bepaalde 
werktuigen van de Natuur ontfangen, 
de Byen- by voorbeeld, „de: Wespen, 
de Bevers en foortgelyke fchepzels, over 
welker kunstgewrogten wy ons met regt 
verwonderen, en deze werktuigen-ge- 
bruiken zy met vermaak, op die wyze, 
gelyk zy die anderen van hunne foort 
hebben zien gebruiken, »: ran dor 
»„Sommigen -worden-door „honger «en 
dorst „dat is door trek naar-het:eigen- 
aardig voedzel , dat zy noodig hebben, 
gelyk de jonge Eenden, die van eene 
hoenderhenne zyn uitgebroed, gedre- 
ven naat eenelement, daar de voedfter- 
moeder eene’ vreeze en innige afkeer voor 
heeft, „Maar die Znftind zelve, gelyk 
alle zoodanige aangeborene driftens'zyn 
Algemeene Befluiten;. wier waarheid ver- 
volgens door. de Ondervindinge beves- 
tigd word. Men ziet hier uit (en dit 
is werkelyk eene Gevolgtrekkinge)--dat 
de Natuur, zelve. veeltyds de Waarne- 
mingen en-Proefondervindingenzvoór uit 
loopt Apen en-Papegayen; die de 
menfchen „naarbootzen ‚-fchynen-dit-te 
doen, uit-aanmerkinge van het vermaak 
en van.de voordeelen; welke zy-zig daar. 
uit beloven; gelykerwys-Honden, Haar: 

en, 


VRAGE VOOR °T JAAR MDÈCLXxm, 7 


den, Beeren , door geftrengheid, eenige 

oetfen en kunstjes geleerd worden, wel- 
ke zy ook in het werk ftellen ter voor- 
kominge van fchade en fmerte, By ge- 
volg blyft het zelf inderdaad onder de 
beesten niet by enkelvoudige waar- en 
proefnemingen berusten : neen! zy gaan 
verder: zy trekken er gevolgen uit: zy 
maken algemeene zetregelen ter bevor 
deringe van hun eigen genoegen, of tot 
afwendinge van ongemak en fchade. 
Men vind hier een verbazend voorbeeld 
van in de Paarden en Muilezels van 


Quito in Zuid-Amerika, volgens de 


egte verhalen van ULLOA. De eerst- 
genoemde zyn, op eene verwonderens- 
waerdige manier, afgerigt op de jagt der 
wilde geiten langs fteiltens en klippen; 
en de laatstgenoemde op het afglyden 
van bykans loodlynige gebergtens in 
diepe dalen langs enge en kronkelige pa- 
den: en wel op eene wyze, dat beraad- 
flaginge en beleid, by gevolgtrekkinge 
nopens het toekomende, zig, in derzel- 
ver handelingen, ten klaarften openba- 

Ba ne Al 


@) vrroa Hiftorifche Befchiryvinge. 1. Deel 
bl. 200. 


18 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


Alle de Verfchynzelen, welke zig aan 
onze aandagt voordoen , kunnen ge- 
voegelyk als zoo vele Proefondervindin- 
gen en Waarnemingen worden aange- 
zien, voor zoo verre wy die befchou- 
wen en befpiegelen, en voor zoo verre 
die Befpiegelinge ons ftoffe verfchaft en 
handleidinge, om over derzelver aard 
en byzonderheden te vonnisfen, Ik voe- 
le eene Aardbevinge, ik hoore haar ge- 
druis, en ik zieer de nare gevolgen van. 
Wat gebeurt er? Myne ziele ontroert, 
myn harte popelt—- Ik vreeze, en ik 
verwondere my al bevende. De vree- 
ze doet my uitzien naar waarfchynelyke 
middelen van beveiliginge: zy dryft my 
ten huize uit. Ik onderftelde, om dat 
het anderen meer gebeurd is, dat my 
het dak, de gebindten, de- zolderingen 
boven ’ hoofd zouden kunnen inftorten, 
Naawelyks ben ik een weinig tot be- 
daardheid gekomen, of de Verwonde- 
ringe doet my vragen, wat is de Aard- 
bevinge? waar uit ontftaat zy? Myn 
verftand zoekt fluks de oorzaken in de 
afgronden, In de onderaardfche afgron- 
den moeten er mynen zyn aangeftoken 
geweest, niet ongelyk aan de mynen 
voor eene vestinge : en dus moet er vuur 
zyn 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL Tj 


Zyn ,omvaan te fteken „en Lust, om ont: 
barftingen te verwekken door hare veer: 
kragt: zoo-word het raadzel doof myn 
‘oordeel opgeloscht. Geen fterveling is 
er, of hy zou op dat pas moeten (lapen; 
droomen of myméren, op wiens’ verz 
ftand de verbaästheid-en verwonderinge- 
foortgelyken ‘invloed, hoewel min’ of 
meer duidelyk, niet hebben zal, Ieder 
maakt zulke befluiten «en trekt zulke ge» 
volgens Dus is het de. Nature zelf,/zoo’ 
Zy niet verhinderd word haren eigen ge- 
woonen' tred te houden „ die ons nood 
zaakt omuit der Waar- en Proefnemins 
gen gewolgen:te-trekken ter uitvorfchin= 
ge van, de oorzaken der. Verfchynzelen. 


Maar weet men wel (want dat is aans 
„merkeriswaerdig !) wat-doorgaansch'sde 
voornäamfte reden is, waäfom niéncna- 
Jatig word’ in ‘het oordeelkundig-üitvor- 
fchen der Natautlyke Oorzaken? Zy 
moet gezogt worden by: het uitdooven 
van de kragt der Verwonderinge wel= 
ke; naar dert aard van’ het menfchelyk 
gemoed gerekend, waarlyk, zoo niet de 
eenige, ten: minften” de” voorhaamifte 
fpringveer is wan het wysgeerigonder- 
zoek, De verwonderinge over een“ Ver- 

Iv B 7 —___fchyn- 


20 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


fchynzel verflaawt; zoo -dra--men. dat 
Verfchynzel-alte-dikwyls,en. fComwylen 
dagelyks waarbeemte-‘Men--ward er aan 
gewoon „en de-aandagttrekt;er Zig, van 
af pom -zig-naar. iets vreemds-en onge= 
meens, te: wenden.» Wanneer „meneenis 
ge Proefnemingen al: te dikwyls ziet! her= 
halen:s: raken-zy inovetagtingei; De In- 
beeldingskragt-etv het Geheugen kunnen 
dieherhalingen-vry-korter enmet smin- 
der-qmflags doen „ wanneer-het haar ger 
lust. Een Chinees zou beter waarnémer 
zynin Europa dan in het Oostelyk ges 
deelte van Afien»cen wij Europearien; 
zien meer , enmet meer nadruk jan Ame 
rika,sdan in Onze:vaderlandfche gewes- 
ten, Zy, die omftreeks den Vefuvius 
wonen, flaan. minder agt; op-Zyn: vuur- 
braken, dan vreemdelingen-;;die naar 
Napels reizen , en ; daar zyndej-de-ver- 


bazende- uitwerpzels, van „het onder= 


aardsch vuur en ’fernuis der Italiaan 
fche,afgronden,gaan bekyken, In alles 
kan. overdaad - bedreven. worden, , Én 
zou dat dan noitin het waarnemen det 
Verfchynzelen,- inhet vermenigvuldie 
gender Proefondervindingen, kunnen 
plaats, hebben? „Het bygebragte zal ge: 
noegzaam zyns-om: te-toonen; dat het 

ld ’ is 5 ver- 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL or 


verzuimen der gevolgtrekkingen , aan 
een bedorven hersfengeftel zou kunnen 
geweten worden; als de Verwonderinge, 
die de baarmoeder van alle kundigheden 
is, door al te veel omflags van Waar- 
nemingen en Proefondervindingen, bui- 
ten noodzake en zonder vrugt op een 
geftapeld, uitgebluscht en gedempt word, 


Een waar Philofooph verwondert zig 
over alles! Sedert dat hy een kloek- 
moedig opzet nam, om de Natuur al- 
omme, ja tot in hare binnekameren en 
geheimfte fchuilhoeken te befpieden, is 
er geen fchepzel onder de Zonne meer, 
dat hy zyner aändagt, zyner opmerk- 
zaamheid onwaerdig fchat. Maar ’ geen 
hem inzonderheid verbystert en, als °t 
ware, in zyne onderzoekingen ftremt en 
overbluft, is de ontelbare menigte der 
voorwerpen: hy weet niet, waar hy zig 
eerst en best op bepalen zal — Even- 
wel het eerfte , dat hy meent te moeten 
doen, om die verwarringe te ontwor- 
ftelen, is daar in gelegen, dat hy de 
Wezens en Verfchynzelen onder: foor- 
ten fchikt, en zig dan de gelykflagtige 
eenigzints op dezelfde wyze vertegen- 
woordigt, Deze is de natuurlyke en 
Er B 3 ons 


22 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


ongewrongene neiginge- zyner fchran- 
derheid, zonder welke zyn Oordeel nog 
vuur nog leven hebben kan. Foei! zou 
een welmeenend Natuuronderzoeker dat 
edel vermogen , tgeen hem tot de alge- 
meene kundigheden alleen kan opleiden, 
en zoo zetregels uitvinden , welke het 
oordeel onmogelyk derven kan, verlco- 
chenenen, wegfmyten? en al het nuttige 
en vermakelyke zyner Natuurkennisfe, 
welke de Schranderheid, dat is het eier 
genaartig vermogen om gelykvormighe- 
den te ontdekken , alleen kan opleveren, 
met de voeten treden en verfchoppen? 
Zulk een Gevolgtrekken. tot de Gelyk- 
vormigheid kan niemand aan eene zyde 
zetten, of hy moet de Natuur van zyn 
eigen hert verzaken, en zyne ziele in een 
wezen veranderen , dat van de voornaam: 
{te eigenfchappen van eenen vernuftigen 
geest ontbloot is, Sv 


De Gelykvormigheden , welke de 

Schranderheid uitvond, waren de Ana- 
logien, uit welke de Rangfchikkingen 
Van: LINNZUS,;:REAUMUR, KLEIN 
en andere vermaarde Schryvers der Na: 
tuurlyke Hiftorie geboren zyn. Dus 
Xwammen derhalven, door het befchour 


VRAGE VOOR °’T JAAR MDCCLXXI, 23 


wen van ettelyke wezens, die onder 
eene foort behooren, door het bekyken 
van menige Verfchynzels, die, in een 
zeker derde, overeenftemmen, tot een. 
algemeen befluit, nopens de eigenfchap- 
pen, hoedanigheden, uitwerkingen van 
vele dingen: fchoon men egtèr de ove- 
rige Wezens en Verfchynzels, tot die 
foorten behoorende, onmogelyk alle en 
ieder afzonderlyk, waarnemen kan. In- 
dien dat vereischt wierd, dat men alle 
voorwerpen van eene-foort in oogen- 
{chouw moest nemen , om een voorzig- 
tig Natuuronderzoeker te worden, zoo 
zou men of moeten wanhopen van ooit 
de Natuur behoorlyk te kunnen door- 
fnuffelen, of ergens zoeken te markt te 
gaan, daar men ten minften een zweem. 
fel van alomtegenwoordigheid en alwe- 
tenheid opkogt. Zaler dan immermeer 
een Wysgeer onder de menfchen op- 
ftaan; hy zal voorwaar ! uit de hem be- 
kende Waarnemingen en Proefonder- 
vindingen Gevolgen moeten trekken: 
hy zal de Waarnemingen, op de Mane 
_gedaan moeten afzonderen van die, wel- 
ke men op Jupiter en zyne Trawanten 
doet : hy zal de Proefnemingen der 
Eletriciteit onder hare byzondere foort 
B 4 mMoe- 


24 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


moeten laten, en met die van de Water: 
weegkunde niet verwarren : hy zal uit 
de blykbare Gelykvormigheden der ge- 
lykfoortige proeven, van de Lugtpompe 
by voorbeeld, voor zoo verre hem die 
bekend zyn, befluiten moeten tot het 
beramen van de veerkragt en andere al- 
gemeene eigenfchappen der Lugt; ja hy 
zal die befluiten naderhand moeten ge- 
bruiken, ter verklaringe van allerhande 
Lugtverfchynzelen, die hem by vervolg 
van tyd zullen voorkomen. 


Edog laten wy edelmoediglyk han- 
delen en erkennen, dater in het vormen 
van Znalogien en overeenkomften meer- 
malen eene voorbarigheid heerscht, die 
befchaamd maakt, Maar heeft dan die 
fchaamte hare nuttigheid niet? Men 
zegt: een Vledermuis, hoewel zy geene 
pluimen heeft, en een Struisvogel, of- 
fchoon hy niet vliegt, behooren beide 
onder de Vogelen, om dat zy beide 
vlerken hebben: indien het hebben van 
vlerken eenen Vogel maakt; dat on- 
waaragtig is, Dit redeneren zou eenen 
boer niet misftaan , die nooit van vliegen- 
de Visfchen gehoord had, en om geene 
torren en vliegen dagt: maar een _Na- 

ie tuur- 


VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL 25 


tuurkenner zou er niet mede voor den 
dag komen durven. Ondertusfchen zou 
mogelyk de Heer DE BUFFON wel 
willen {taande houden, dat zulke eene 
beraminge zoo wel geoorloofd is als die, 
door welke men de Vledermuis met den 
Mensch, den Aap en het Spookdier by 
elkanderen voegt; om dat zy vier fny- 
tanden , boven in den mond, hebben, En 
zoo dra men befpeurt, hoe willekeurig 
dusdanige eene beraminge en verdeelin- 
ge zy, merkt men ook wel haast, dat 
men uit eene fchynbare foortgelykheid. 
geene vaste gevolgen trekken mag, Even 
dus krygt men, uitde vergelykinge der 
voorwerpen en Verfchynzelen zelve, ge- 
legenheid en aanmoediginge om allengs- 
kens naauwkeuriger in het waarnemen 
te worden: en ’geen men by voorraad 
tot gemak van zyn geheugen deed , word 
nimmer in gevolg getrokken , tot het op- 
maken eener wysgeerige beoordeelinge., 


De Wetenfchappen nemen hand over 
hand in keurigheid en- uitgebreidheid 
toe: en hoe meer goede Waarnemingen 
en Proeven men maakt, hoe gemakke- 
lyker het Gemeenebest der Geleerden 
in zyne loffelyke ondernemingen flagen 

Bj zal, 


26 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


zal, Want wat is er nog eene magtig 
lange weg af te leggen, eer de Kennisfe 
der Nature, zoo veel als die van de 
Aardbewoners kan beoefend worden, 
tot hare hoogstmogelyke volmaaktheid 
zal geftegen zyn! De meeste Waarne- 
mingen der Natuurlyke Historie zyn 
nog te algemeen, om er ftaat op te kun- 
nen maken. REAUMUR en de GEER 
bragten de Ontledinge der Infeten tot 
eenen vry hoogen trap van volmaakt- 
heid, LYONNET haddit bemerkt, hy 
zag de mogelykheid eener verdere vol- 
makinge, hy bepaalde zig op eene by- 
zondere foort: hy hoopte op de verbe- 
teringe van dat gedeelte der Wysbe- 
geerte: hy ondernam, bevlytigde zig 
en flaagde, TREMBLEY ontdekte eene 
zonderlinge eigenfchap in de Polypen, 
om aan ftukken gefneden, even zoo ve- 
le Polypen, als er ftukken zyn, voort 
te brengen. SPALLANZANI maakte 
daar uit op en giste en deed ettelyke 
proeven, De Slakken gaven hem eeni- 
ge voldoeninge, Maar waarom, zeide 
hy by zig zelven, zou iets diergelyks 
ook niet by eenige viervoetige dieren 
kunnen plaats hebben? Hy nam proe- 
ven met den Salamander , fibedr hen 
Lex aert 


VRAGE VOOR °TJAAR MDCCLXXIL, 27 


ftaert en pooten af, ja zelf eindelyk de 
kakebeenen , en ziet, evengelyke deelen, 
in alle deelen volmaakt overeenftem- 
mende met de afgefnedene, kwamen er 
te voorfchyn, De Nature, die zoo vele 
wonderen in de Geneeskunde, vooral 
inwendig, verrigt, genas den Salaman- 
der van de verminkinge. 


Misfchien zal SPALLANZANI uit 
de bekende fabel der Aloudheid gevol- 
gen getrokken, en, met behulp van die 
redenkavelinge , eenige voorkeuze aan 
den Salamander gegeven hebben, In- 
dien TREMBLEY en SPALLANZANI de 
Waarnemingen en Proeven der vroege- 
re Natuurkenners niet gebruikt hadden, 
als geloofwaardige Berigten van de waar- 
heid dier byzonderheden, zouden zy 
wel zoo gereedelyk en onvermoeid. hun- 
ne verdere Waarnemingen en Proeven 
dienaangaande hebben doorgezet? Ja 
blykt dan uit deze voorbeelden niet ten 
vollen, dat een regtgeaard Philofooph 
uit de, reeds door andere „ of-door hem 
zelven gemaakte en herhaalde, Proef- en 
Waarnemingen , ja zelf uit fommige on- 
geloovelyke verhalen van PLIN1US en 
andere oude Schryvers, gevolgen dee 

} ken 


28 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


ken mag, ten minften ter aanlegginge 
en beftieringe van verdere Waar- en 
Proefnemingen, welke hy in perfoon, 
of zyne leerlingen en kunstgenooten, 
by vervolg van tyd, ondernemen en 
voltoijen zullen ? 


GALILEUS in Italiën hoorende, dat 
men in Holland, een Verrekyker aan 
Prins MAURITZ vertoond had en aan- 
geboden, en dat er die Vorst en zyne 
hofhoudinge de vergelegene voorwerpen 
nader mede by het gezigt zag komen, 
duidelyker en grooter worden, begon 
aanftonds op het uitvinden van eenen 
Kyker te denken, die duizendmalen 
vergrooten zou; en in der waarheid hy 
vervaardigde hem, keek er door naar 
den Starrenhemel, en ontdekte onver- 
wagte niewigheden, vooral by de Pla- 
neten, welke Venetien en Italiën niet al- 
leen, maar geheel Europa in verwonde- 
ringe bragten. Maar zoo de Holland. 
fche uitvindinge den beroemden GALr- 
LEUS niet was bekend geworden, en 
hy er niet met opzet op ingedagt, ener 
gevolgen uit getrokken had: wat zou de 
Starrekundige Waereld, ten dien opzig- 

te, 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 29 


te, misfchien nog lange in de duister 
nisfe hebben blyven zitten ? 
Waarlyk „ indien men de Proefonder- 
vindelyke Natuurkunde en hare Hiftorie 
gelieft te doorloopen, zal men dit on- 
gemeen bewaarheid vinden, dat de eer- 
fte aanleg der Proefnemingen altoos zeer 
gebrekkig was, en genoegzaam nergens 
anders toe diende, dan om fchrandere 
vernuften aanleidinge te geven tot het 
verbeteren der Werktuigen, tot het wa- 
gen van ‚nieuwe en allengskens naauw- 
keuriger Proeven , tot het nader beoor- 
deelen der Verfchynzelen en tot het ra= 
den en gisfen naar derzelver Natuurlyke 
Oorzäken., Wy zullen er eenige ftaalt- 
jes van bybrengen.> 
De burgemeester-v AN GUERICKE, 
had,op den ryksdag teRegensburg, met’ 
zyne Lugtpomp eerst de Veerkragt der 
ugt aangetoond ‚-en den Keizer, zoo 
wel alsde Keurvorften, in verwonderin- 
e opgetogen. Evenwel de-Uitzetbaar- 
eid. en Samenkrimpinge van dit onzigt- 
baar Element, werd alleen by Gevolg. 
trekkinge, toen reeds, uit die Proefnemin= 
gen. opgemaakt, BROYLE en naderhand 
SENGWERD kregen er aan-en hand: 
leidinge. door ,-om de gebreken. van 
ij GUE- 


30 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


GUERICKE’s Lustpomp te verbete 
ren, en de zeldzame veranderingen der 
Zwaarte in het Ydel te vermerigvuldi- 
gen, en teffens nader aan te-wyzen; 
hoe de Lugt alle lichamen als doordringt 
en bezielt, Zy trokken derhalven-ge- 
volgen uit. hunne’ kunstgrepen; en zy 
maakten „Algemeene ‘Regelen en-Wet- 
ten, waar naar men. beflooc-en wilde , 
dat de Lugt hare werkzaamheden zou 
blyven verrigten, … > 151dadaer 
…_ Het Driekantig Kryftal vanden Rid- 
der NEWTON, dat „en de fchiinge 


eener Ligtítrale in alle de Regenboogs- 


koleuren , en den onveranderlyken voort- 
gang dier afgefcheidene;koleuren leven- 

ig vertoont en betoogt, gaf van zelf 
aanftonds de’ maniere aan de hand, op 
welke men de Regenbogen en hare Ver- 
fchynzels verklaren moet, Trouwens, 
waar toe zouden tog alle de menigvul- 
dige Proefnemingen vandien aard ge- 
diend hebben, indien. zy daar niet toe 
waren ingerigt. geweest „ om de Schoon- 
heden der Natuur , welke voornament- 
lyk inde fchakeeringe-der verfchillende 
foorten van doorfchietende , gebrokene 
en wedergekaatfte Zonneftralen beftaan, 
eenigzints wertuigelyk, volgens de Proe- 

AU ven 


VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL. 31 


ven vanhet Prisma, de Camera Obfcura, 
de Schaduwen en Gezigtpunten, te 
doen begrypen? 

Voormaals weigerden fommige Na- 
tuuronderzoekers volftrektelyk, dat er 
eene fynere Vloeiftoffe dan de Lugt, in 
onzen Dampkring aanwezig zou zyn: 
zy hielden een waar Ydel ftaande, en 
uit die ligtvaerdige Vooronderftellinge, 
trokken zy gevolgen, welke zy niet noo- 
dig hadden. Maar nu, federt hun de 
Kletriciteit de oogen geopend heeft, 
vinden zy wel degelyk eene zoodanige. 
fynere ftoffe, welke de uitgepompte klok 
vervult, en inde Lugtledige ruimte ver- 
_bazende Verfchynzels voortbrengt, Zoo- 
danige Proefnemingen leeren ons dan, 
ten minften , dat de Natuur onuitputte- 
lyk is, dat er nog oneindig fynere Ele- 
menten en Vloeiftoffen in kunnen voor- 
komen, dan die, welke men nog heden 
kent, of immermeer wegens de zwak 
heid van het gezigt ‚ zal kunnen ontdek- 
ken. De Vooronderftellinge.-van ‘het 
vlugge Zenuwvogt, dat men Levens- 
geesten noemt, krygt door die Gevolg- 
trekkinge eenen hoogeren. trap van 
waarfchynelykheid : terwyl-alle de Stel: 
zels, welke men, tot hier toe; ter opjord 

chin- 


32 j. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


fchinge van het gewigtig raadzel der 
Voortteelinge, heeft uitgedagt, veel van 
hare waarde verliezen ; om dat zy niet in 
agt nemen de onmogelykheid, om, door 
eene grove Inbeeldingskragt misleid, 
vonnis te vellen over de eigenfchappen 
van het Zaad, dat, tot byna in het on- 
eindig fyne toe, een werktuigelyk be- 
ftaan bezitten moet, 


Men behoeft flegts den voortgang der 
Kunften en Wetenfchappen , in de voor: 
ledene en tegenwoordige eewe, naar te 
gaan, om van de nuttigheid. der Gevolg. 
trekkingen uit de Proeven en Ontdek- 
kingen, die reeds gedaan waren , over- 
tuigd te worden, HELMONT, BACO; 
PARACELSUS en sYLVIUS, hebben 
immers de Proefnemingen der Chymie 
of Scheikunde ongemeen uitgebreid „en, 
offchoon zy, zoo wel als hunne leerlin- 
gen, doorgaansch wat al te voorbarig 
in tGevolgtrekken waren, moet en mag 
men egter- geenzints ontveinzen , -dat 
Zy, ja de Alchymisten of. Goudzoekers 
zelve, verbazende Verfchynzels hebben 
waargenomen en bekend gemaakt ‚ wel- 
ke ons nu menige verborgentheden der 
Nature leeren kennen , en ook eenigzints 

i op 


VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXi. 33 


op derzelver eigenfchappen;, gewrog: 
ten en oorzaken doen denken; daar wy 
misfchien anders geene gelegendheid toe 
zouden gehad hebben. > | 


„ Onder de Geneesheeren is deze waará 
heid bekend , en openbaart zig nog da 
gelyks: gelyk uit het werk van den Heer 
SANDIFORT, dat in elks handen is; 
blyken kan. Wy zullen, alleen met een 
woord, van vroegere ontdekkingen fpres 
ken. HARVEY, PECQUET, BARTHOS 
LINUS, RUYSCH, ASELLIO;, BOREL- 
Lus en anderen hebben, door middel 
der Ontleedkunde, byzonderheden inde 
huyshoudinge van het Dierlyk Lichaam 
aangetroffen , welke zy „deels by Gevolg- 
trekkinge uit HiPPOCRATES hadden 
vermoed , deels door elkanderen in naar- 
yver voorby te ftreven, op het voet- 
fpoor, dat zy gemaakt vonden, gints 
en herwaards omziende, onder weg, heb- 
ben waargenomen en opgemerkt. In 
diervoegen gaf het vermeerderen en her- 
halen der Proefnemingen telkens ftoffe 
tot nadere vermoedens van andere by- 
zonderheden, aanfporinge tot het zoe- 
ken van nieuwe ontdekkingen, en hand- 
leidinge tot het beramen van nieuwe we- 

Ek C OON gen 


34 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


gen en middelen, om de onpeilbare af 
gronden der Nature op te delven, en % 
geen tot nog toe onzigtbaar gebleven 
was, ware ’t mogelyk, voor het oog der 
wyzen bloot te leggen. Op dien voet 
trok men doorgaansch zeer gelukkige 
gevolgen uit de reeds gemaakte Waar- 
nemingen en Proefondervindingen, ter 
uitvorfchinge van de toen nog onbeken- 
de oorzaken der Verfchynzelen , in de 
Befpiegelende Geneeskunde, in welker be- 
vorderinge het Menfchelyk Geflagt een 
zeer groot belang moet ftellen, | 


Wat de Befpiegelende Natuurkunde; 
of, gelyk ik die liever noeme, de Na- 
tuurkundige Wysgeerte (daar het, by 
het oplosfchen der Voorgeftelde Vrage, 
meest op aankoomt) in het byzonder 
aanbetreft; deze heeft, by de Gevolg- 
trekkinge, ongemeen veel velds gewon- 
nen en groote fchatten aangewoekerd, - 
SGRAVEZANDE, DESAGULIERS , MUS- 
SCHENBROEK, LEIBNITZ, MAUPER- 
TUIS, de EULERS, vader en zoon, en 
menige andere Wiskunftenaars ; hoe 
zeer zy zig ook tegen het voorbarig en 
onvoorzigtig Gevolgtrekken der Inbeel- 
dingskragt verzet hebben en aangekant; 

Nas 


VRAGE VOOR °TJAAR MDCCLXXIL. 35 


namen egter de Waarnemingen en Proef. 
ondervindingen, die zy gemaakt von- 
den, voor Grondbeginzelen aan, waar 
op zy hunne Geomertrifche en Algebrai- 
Jche Berekeningen bepaalden: om zoo, 
gemakshalven, de Natuuronderzoekers 
gevolgen te leeren trekken , ter vast{tel- 
linge van Algemeene Wetten en Rege- 
len, welke men de Nature zelve zag in agt 
nemen. Alle de deelen der zoogenaam- 
de (Mathefis Mixta) Gemengde Wis: 
kunde kunnen daar voorbeelden over 
vloedig van aan de hand doen ; en inzon- 
derheid de (Mechanica) Werktuigkunde: 
die ook wederom, op hare beurt, onge- 
meene voordeelen aan de Natuuronder- 
zoekers belooft; voor zoo verre zy al: 
toos het gebrekkige hunner befpiegelin- 
gen en overdenkingen met nedrigheid 
erkennen en belyden ; immers zoo lange 
zy nog de Werktuigelyke Oorzaken 
der Verfchynzelen, mitsgaders de magt 
en vorm harer Werktuigelyke Gewrog- 
ten niet eenigzints opfpeuren; of ten 
minften met eenige zekerheid bemerken, 
dat zy, in het uitvinden derzelve; al 
lengskens nader en nader komen. 


Wel is waar , (wy ontveinzen dit niet) 
| C 2 DES: 


36 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


DESCARTES €En MALLEBRANCHE Zyn 
te verre gegaan: zy hebben roekelooze 
Vooronderftellingen gefmeed , DESCAR- 
TES “inzonderheid, welke, ter ophelde- 
ringe der ware Natuurkunde, daarom 
niets dogten , om dat even die Vooron- 
derftellingen onverftaanbaar bleven, en 
meer voor verzonnene en verfierde Ver- 
{chynzelen, dan voor Verklaringen van 
aanwezige en waargenomene Verfchyn- 
zelen te houden waren. Niettemin had- 
den ook deze Vooronderftellingen hare 


nuttigheid ; en die nuttigheid behouden _ 


zy nog, voor zoo verre zy in de Na- 
tuurlyke Hiftorie van het Menfchelyk 
Verftand eene plaats bekleeden moeten, 
en ook voor zoo verre zy ons doen 
zien, hoe de Redeneerkunde ligtelyk 
mis kan vallen, in het beoordeelen der 
vermoedelyke Oorzaken van de Natuur- 
kundige Gebeurtenisfen : vooral indien 
zy zig te veel toegeeft aan het woest en 
wild beramen der denkbeelden, welke 
eene fchrandere Inbeeldingskragt zig 
voorftelt, als konden dezelve volftrekken 
tot het verklaren van fommige voorval- 
len der Natuurgefchiedenisfe. Ondertus- 
fchen word het Vernuft en de Schran- 
derheid, door zulke voorbarige Voor: 

on 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 37 


onderftellingen „ uitgeput, het Oordeel 
word er door gekrenkt, en de Natuur- 
onderzoeker is nu op zyne hoede, om 
zig ;op die wyze, ten koste der waarheid, 
niet langer te laten misleiden Met fchade 
en fchande leert men voorzigtig worden. 


De Baron van LEIBNITZ, BERNOU- 
ILLI, WOLF en menige andere voorna- 
me Wysgeeren, die uit de fchole van 
den vermaarden worLrF zyn voortgeko- 
men, hebben de Redeneer- en Wiskun- 
de beiden te baat genomen, om uit de 
Waarnemingen en Proefondervindingen, 
niet flegts onmiddelyke, maar ook ver- 
der afgeleide Gevolgen te trekken, \Die 
wyze van doen zou mogelyk, gelyk in 
% eerst (want alles heeft zyne mode) by 
vervolg van tyd zyn doorgedrongen en 
in {tand gebleven, was men niet in zy- 
nen yver wat te driftig voortgevaren , om 
van alles (Sy/logismen) Sluitredenen toe 
te ftellen ; en had zulks maar geene ver- 
traginge veroorzaakt, in het deorzetten 
der Proeven en Waarnemingen. Daar- 
enboven was er iet ftroefs en langdradigs 
in die manier van onderwyzen., Men 
zogt dit wel wat te verhelpen, door er 
eenen bevalligen bie aan te geven, en 

de 


38 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


de Bovennatuurkunde, in hare aange- 
naamheid en bevalligheid, met de ver- 
fierfelen der Dichtkunst en Welfpre- 
kenheid opgefchikt, ten tooneele te voe- 
ren ; gelyk nog onlangs de Heer pe 
MERIAN, te Berlyn, gedaan heeft: en 
het ontbrak ook niet aan bekwame man- 
nen, die ontegenzeggelyk betoogden, 
dat die zelfde Bovennatuurkunde, zoo 
als die van de Logifche Anduttie gebaard 
is en opgekweekt, en dat wel, by Alge- 
meene Gevolgtrekkinge, voornamentlyk 
uit de Befchouwinge der Nature ont- 
leend, ook, op hare beurt, Waarheden 
en Stokregelen aan de hand geeft, wel- 
ke men in een geregeld onderzoek der 
Nature, zekerheids- en _gemakshalven 
teffens, onmogelyk misfchen kan, Ja 
maar! eenige landaarden waren toen „200 
*fchynt, nog niet wel vatbaar en ryp 
voor die verhevene en afgetrokkene Be- 
{piegelingen, of, gelyk de doorlugtige 
WOLF die noemde,voor dieRedenkundige 
Bedenkingen. Er moest eerst een BONNET 
opftaan, die der Leibnitiaanfche W ys- 
geerte een nieuw leven, eenen bevalligen 
zwier en eene verrukkelyke agtbaarheid 
byzette. Alles heeft zynen beftemden 
tyd, En nu zal mogelyk de abd 
aat- 


VRAGE VOOR °T JAAR MDOCLXXIL, 30 


Maatfchappy der Wetenfchappen eeni- 
ge kans zien, om de ware en gezuiverde 
Redeneerkunde, die anders zoo deerlyk 
verwaarloosd word, ja dikwerf befpot 
en uitgejouwd, voor het bestgeflepen 
Vergrootglas, voor de keurigfte Lugt- 
pomp en de volmaaktfte Zledrifche Ma- 
chine, niet langer te laten onderdoen, 
maar dezelve in hare oude eere en voor- 
regten te herftellen, ‘Ten minften, die 
bekorelyke Schoone, welke ons wyzer 
maakt dan het gedierte des velds, zal 
niet langer, door het beftel van zooge- 
naamde Philofophen, in een ferrail bly- 


‚ven opgefloten ; nu er de eerfte vernuf- 


ten dezer verligte Eeuwe ftoutmoedig 
voor uit durven komen, en beweeren, 
dat zy hetis, en zy alleen, die, fin haar 
kabinet, de voornaamfte ontwerpen 
heeft helpen fmeeden , om de kunst van 
Waarnemen en Natuurkundige Proeven 
te doen tot die volmaaktheid brengen, 
welke zy thans bereikt: ja! dat zy die 
zelve uit haren fchoot heeft voortge- 
bragt, en, gedurende derzelver jongfte 
teederheid , met hare borften gezoogd 
heeft, | 


Ik weet zeer wel, dat de Zintuigen 
C 4 de- 


40 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


dezen voorrang aan de Redeneer- en 
Bovennatuurkunde betwisten. Zy zelve 
matigen zig dien voorrang aan, en zy 
zouden zig gaarne alleen het regt voor- 
behouden, om het fchouwtooneel der 
Nature te befpiegelen, Zy fchynen te 
vreezen, dat haar de veel edeler Ziels- 
vermogens in de eere aantasten, en-den 
Íchepter, als ware, van het Koning- 
ryk der Nature, willen ontwringen. 
Dwaze vermetelheid! Begrypen zy 
dan niet, dat zy zelve. geene Zintuigen 
waren, zoo zig het Verftand en Oordeel 
niet verwaerdigden, om hen als werk- 
tuigen, alseene handfpeek , weegfchaal, 
hairbuisjes en diergelyken, in het Waar- 
nemen en doen van Proeven, te gebruis 
ken? Blyft dan het oog nog oog, het 
oor nog oor, en zoo voorts, na dat de 
betrekkelyke vermogens der ziele op die 
werktuigen zyn uitgedoofd? % Is immers 
de Ziele, die kykt, opmerkt, waar- 
neemt: zy is het, die alleen luistert, 
kykt, ruikt, tast en maakt. Het oog; 
by voorbeeld, is zonder de willekeurige 
opmerkzaamheid des gemoeds, hoe kun- 
{lig ook door den grooten Werkmeester 
toegefteld, met eerbied gefproken, niet 
ongelyk aan het voortreffelyk Micros 


Jcoop 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL. 41 


Jeoop vanden Heer DELLEBARRE, in 
de handen van eenen blindeman, Onze 
zielen daarenboven kyken of luisteren 
nimmermeer , zonder min of meer haar 
oordeel te gebruiken, zonder over den 
aard der Verfchynzelen, over de Oor- 
zaken der Zintuigelyke Aandoeningen, 
eenig vonnis te vellen, Wieis er onder 
alle de Philofophen en Godgeleerden, 
die my het juist oogenblik beperken zal, 
wanneer de eenvoudige voorftellinge en 
Befchouwinge overgaat tot het gevolg- 
trekken? % Oordeel is misfchien ruim 
zoo vroegtydig in de weer, als de Op- 
merkzaamheid. Ja! de Schranderheid 
zelve, die aanftonds op Analogien denkt, 
(en wel zoo veel te vlugger en fpoediger, 
als de Ervarenisfe meer Waar-en Proef- 
nemingen by de werk heeft) kan er on- 
mogelyk van tusfchen, om het Oordeel 
en de Redeneerkunde in haar belang te 
nemen ; ten einde die haar de behulpza- 
me hand bieden, om , met meer beleid , in 
het uitvinden der Analogien en Overeen- 
komften der Wezens, en ‚met meer ze- 
kerheid, in het goedkeuren en vastftellen 
derzelve te werk te gaan. By gevolg 
zetten de Proefondervindingen en Waar- 
nemingen, hoe fraijer en hoe vrugtbaar- 

CG 5 der 


42 Js VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


der die zyn, der Schranderheid een 
vuur en eene drift by, die noit wordt uit- 
gebluscht , maar door de Voorzigtigheid 
en Bedagtzaamheid moet beteugeld en 
beftuurd worden. Weg met alle die 
wysneuzen, welke eenen Philofooph 
zouden willen dwingen, om eene der 
beste en levendigfte kragten van zyne 
ziele te verminken, of te ontzenuwen ! 


De Heer CARRARD, wiens Verhan- 
deling over de Kunst van Waarnemen, 
onlangs den Gulden Eerenprys, te Haar- 
lem , heeft weggedragen , geeft hier en 
daar duidelyke bewyzen op, van de on: 
genoegzaamheid der Proef- en W aarne- 
mingen , ten zy er zig de Redeneerkun- 
de op vestige, om er Gevolgen uit te 
halen, ter uitvorfchinge der Oorzaken 
en ter aanwyzinge van Wegen, welke 
de wyze Natuur, of liever het Oneindig 
Vernuft van den Schepper inflaat, in 
het verwekken van vele gelykfoortige 
Verfchynzelen. Wy zullen er een en- 
kel voorbeeld hier van aanvoeren, en 
niet meer, om dat het Gekroond Ant- 
woord van den Heer CARRARD in ie- 
ders handen is, De Heer FERREIN) 
zegt hy, willende het beflaan. a 

er 


VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXII, 43 


der Waterflagaderen, *tgeen de groote 
BOERHAVE gegist had, zonder bet te kun- 
nen bewyzen, dacht, dat , zoo zy werkelyk 
beftonden , by zulks gemakkelykst zou kun- 
nen toonen op de Uvea, die naar het zwart 
trekt,en by flaagde inderdaad ‚naar wensch, 
Dit bevestigt, zoo vaart hy voort, het 
geen wy reeds gezegd hebben , dat men zig 
wel wagten moet, van het beflaan wan ze- 
kere deelen of vaten , die men reden beeft 
om te gisfen, dat er zyn, te loochenen, 
zoodra men ze niet heeft kunnen ontdekken. 


Vervolgens (want ik voele, dat deze 
Verhandelinge onder de hand te wyd- 
loopig zou worden) indien het altoos het 
voornaam doelwit van eenen W ysgeer 
zyn moet, zal hem die eertitel pasfen , 
om de aaneenfchakelinge der Oorzaken 
en Gewrogten uit te vinden, ter ver- 
heerlykinge van de W ysheid des Hemel- 
fchen Kunftenaars; zoo is het ook dien- 
zelfden- Wysgeer niet geoorloofd, by 
de Waar- en Proefnemingen, die reeds 
gemaakt zyn, te berusten : neen! hy is 
verpligt verder door te denken, vooral 
dan, wanneer er hem de W aarnemin- 
gen en Proefondervindingen genoegza- 
me gelegenheid toe verfchaffen; en hy 

Us, 


44 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


dus, als ’ ware, gedrongen en gedwons 
gen word, om Algemeene Regelen te 
maken , welke hem onbegrypelyken 
fpoed en vaart in alle zyne Natuurkun- 
ige ondernemingen byzetten , hem ve- 
le onnoodige herhalingen van Proeven 
en Waarnemingen fparen, hem uit den 
dut en de mymeringe helpen, en eindelyk 
brengen tot die Regelen, welke de Na- 
tuur zelve voorfchryft. Uit deze ver- 
pligtinge ontítond , onder anderen, de 
bekende Regel van den Ridder NE w- 
TON, dat witwerkzebs van het zelfde flag 
tot dezelfde Oorzaken moeten gebragt 
worden, De Heer CARRARD noemt de- 
zen Regel, met regt, eenen Gewigtigen 
Regel, die het Verfland weel helpt, omtot 
Algemeener Verfchynzels op te klimmen, 
welke de fleutels zyn wan werfcheidene an- 
deren, en om de feiten, die men waar- 
neemt , onder zekere hoofden te brengen, 
Laat ik er nog bydoen, dat de Schran- 
derheid , die altoos .Analogien zoekt , de- 
zen Regel, van overlang , heeft uitgevon= 
den, en dat het naauwkeurig oordeel 
van NEWTON denzelven, door zyn 
gezag, onder de Natuuronderzoekers in 
gebruik gebragt heeft, om dat de Bevin- 
dinge hem deszelfs nuttigheid en nood- 
Za 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 45 


zakelykheid had aangewezen, in het be- 
ramen en befchaven zyner Natuurwet« 
ten. De Redeneerkunde heeft hier hare 
taak, om het Oordeel te beteugelen, 
dat hetzelve niet te voorbarig befluite, 
ter bepalinge van de Gelykfoortigheid 
der Uitwerkzels: zy moet het verband 
der Gewrogten ‘en Oorzaken betogen: 
zy moet het Toevallige van het Eigen- 
aardige onderfcheiden : zy moet beflis- 
fen , of niet misfchien twee, drie, ja me- 
nigvuldige Oorzaken famenloopen, tot 
het verwekken van een Verfchynzel: 
eindelyk , zy moet ontwikkelen, wat 
deze en die Oorzaken onderfcheidentlyk 
toebragten tot het teelen , voldragen en 
baren eener Natuurgebeurtenisfe— 


Waarlyk het zou er flegt met de 
Zintuigen uitzien, indien het Verftand 
dezelve niet beftuurde. Sedert dat de 
Heer CHESELDEN, zynen herftelden 
blindeman heeft hooren verzekeren , dat 
hem onmiddelyk, na dat hy begon te 
zien, de beelden der voorwerpen naby 
en als binnen het oog, en wel het on- 
derfte boven vertoonden, gelyk ook 
met de Camera Obftura, welke zig in 
ons Gezigt bevind, volkomen famen- 

ftemt; 


46 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


ftemt ; zoo mag men wel vry en vrank 

elooven, dat indedaad, fchoon men 

et juist niet opmerke , in alle de Waar- 
en Proefnemingen;, die men doet, iets 
oordeelkundigs of willekeurigs doorflaat ; 
iets heerscht, dat by gevolgtrekkinge 
zig overhaast, in het regelen en bepalen 
van den aard onzer ontdekkingen. 

De Mensch is een Gemengd Wet 
zen, un Etre Mixte: (zoo noemt hem 
de Heer BONNET) en waarlyk, by al: 
le vernuftige daden van den fterveling, 
vind men zoo veele bewyzen van in- 
mengzelen der werkzaamheden van zie. 
le en van lichaam, dat de W ysgeer 
nog geboren zal moeten worden, die de 
juiste uiteindens , daar zig het Zutomati- 
Jche fcheid van het Vrywillige en Ver- 
nuftige, zal kunnen aantoonen; Gevol- 
gente trekken, zoo, van agteren , uit de 
Ondervindinge en gemaakte Ontdekkin- 
gen, als, by vooruitzigt, ter inftellinge en 
befturinge van verdere Waarnemingen; 
is eenen iegelyken aangeboren, van den 
lompften flaaf af, tot den befchaafften 
en doordringenften Wysgeer toe, Het 
opeenftapelen van Enthymemata heeft 
de boer gemeen met den edelman, de 
koster met den aartsbisfchop. W y zien; 
Wy, 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 4 


wy hooren niets, of het komt ons voor; 
niet in het afgetrokkene, maar in zyne 
omftandigheden en toevalligheden , zoo 
voorgaande, tegenwoordige als toeko- 
mende, Men gist, men vermoed , men 
raad, men voorfpelt, eer men er zig op 
toelegt. Ja daar is, als ’t ware, eene 
onvermydelyke neiginge des gemoeds, 
om meer op te merken, uit het geen 
zig aan onze Zintuigen opdoet, dan de 
bloote befchouwinge fchildert in den 
fpiegel van ons Verítand, Zou men der- 
halven die aangeboreneK unstdrift, in wel- 
ker keurigheid en verhevenheid wy bo= 
ven de overige dieren uitmunten, en dien 
wy vry en eigenaardig altoos gebruiken, 
juist alleen in eenen Natuuronderzoeker 
moeten dempen en verftikken? en hem, 
in Zyne onfchuldige en Godverheerly- 
kende bezigheid, die vernuftige Gevolg- 
trekkingen benyden of misduiden, wel- 
ke hy, onder het Waarnemen en by het 
herdenken zyner gemaakte Ontdekkin- 
en, onmogelyk, zonder zyne menfche- 
yke natuur te verzaken, nalaten en ver: 
zuimen kan? Neen! want, in weerwil 
van alle eigenzinnigheid, zal hy zelf, 
die mogelyk het eerfte lid der Vrage 
gaarne ontkend en wederlegd zou zien, 
CVEN 


48 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


even op dat zelfde oogenblik, als hy 
daar naar hunkert, Gevolgen trekken 
uit het vermoedelyk beantwoorden dier 
Vrage, en dus Vooronderftellingen ma- 
ken en Gevolgelyke Befluiten van Re- 
denkavelingen vormen, welke hy in an- 
deren niet dulden wil, 


Ja maar, dit is ’* nog niet al! Een 
doorgeleerd en ervaren Philofooph kan 
de Kunstdrift van Gevolgtrekken, ter 
ophelderinge der Natuurwonderen veel 
minder verloochenen, dan iemand, die 


nimmer iets met opzet waarnam, of 


van eenige Proefnemingenlas, of hoorde, 
Trouwens hy ziet de Myten, Polypen 
en menige andere, voor het bloot oog 
onzigtbare, levendige fchepzels door zyn 
Vergrootglas: hy neemt de paringe 
waar der Znfe&en, hunne eijeren, her- 
fcheppinge en de zonderlinge vernieuw- 
de uitgroeijinge van de geknotte leden 
der Slakken en Salamanders: en zoo 
befluit hy, dat alle deze Verfchynzelen 
regelmatige gewrogten zyn van kunftig- 
gewerktuigde wezens: verder, dat er 
geenerley leven of geboorte uit de Ver- 
rottinge te wagten is, gelyk de Aloud- 
heid droomde: en eindelyk, dat al en 

e 


VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXT. 49 


de Onkunde en Bygeloovigheid; in zoo= 
danige veelvuldige betrekkingen, had 
vastgefteld, als zoo vele verdigtzels en 
beuzelingen, tegen de veelvuldige W ys« 
heid van den grooten Schepper aan: 
druisfchen. Elke Proeve, elke Waar- 
neminge , zoo dikwerf zelfs, als die her= 
haald word , dwingt hem op nieuw, om 
dieper in te denken en verder voor uit 
te zien, De geleerde nieuwspapieren en 
jaarboeken der Letterkunde moedigen 
hem desgelyks aan, om, op het geluk- 
kig en roemrugtig voetfpoor van anderen, 
nieuwe verborgentheden te vermoeden ; 
en naar onbekende uitkoomften om te 
zien. Hy word bygevolg een Natuur- 
kundig Propheet, dagelyks meer en 
meer overtuigd van de onfeilbaarheid 
zyner voorfpellingen ; en de vervullinge 
bedriegt hem niet. Zoo word hy dan 
ook allengskens vrypostiger, ftouter in 
het beramen der Gevolgen, en hy durft 
zig onderwinden, om op de aaneenfcha- 
kelinge zyner redenkavelingen ftaat te 
maken ; offchoon die zig, ten laatften, in 
het denkbeeldige en Overnatuurkundige 
fchynen te verliezen, 


De ontzaggelyke Verhevelingen; wel- 
D ke 


SO JL VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


ke zig aan de Lugt vertóonen , het Noor- 
derligt, de Byzonnen, het kruys van 
Conftantyn, de zoogenaamde Vallende 
Sterren, de driedubbelde Regenboogs- 
fpiegel, welken de Heeren DON JUAN 
en ULLOA; by Quito, onder den Eve- 
naar gezien hebben, en alle foortgelyke 
ontoegankelyke Natuurwonderen, per- 
fen, noodzaken onzen Wysgeer, om 
zig zelven af te vragen: welke zyn toch 
de vermoedelyke Oorzaken dier teeke- 
nen en zeldfaamheden? Hy fpeurt de 
Bletriciteit van WINKLER en FRAN- 
_KLIN, de Arritabiliteit van HALLER 
naar, en mompelt wel haast in zyn bin- 
tienfte: o! hoe gelukkig zou ik my re- 
kenen, dat ik deze onbegrypelyke Ge- 
wrogten verklaren kon! wat zou my dat 
bevoorregten, en buiten twyffel gewig- 
tige nieuwigheden doen uitvinden! De 
Zeilfteen, de Miswyzinge der Compas- 
naalde, de Pasfaatwinden, de Ebbe en 
Vloed, de verfchillende Zwaarte en 
Veerkragt van de Lugt, blyven even 
zoo vele Waarnemingen , daar men ftaat 
Op maken kan, en van welke egter de 
Werktuigelyke Oorzaken niet ligtelyk 
te ontdekken zyn; fchoon zy nogtans 
ons genoegzaam fchynen te beduiden, 


dat | 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXú, Si 


dat het alleen aan ons oordeel, aan on- 
ze verflaauwinge in het onderzoeken en 
doorzoeken der Natuurgeheimen ha- 
pert; dat wy nog op geenen vaster voet 
van alle die dingen eene genoegzaam 
voldoende verklaringe kunnen geven, 
De opperfte Tuigwerkmeester, de He- 
melfche Wysgeer, indien men den 
Schepper met allen eerbied zoo noemen 
mag, doet oneindig vele Proefnemingen 
alle uren voor onze oogen, daar NOL 
LET, het Bataafsch Genootfchap en de 
geheele Philofophifche waereld, als on- 
bedrevene leerlingen , by te kyken ftaan, 
zonder iets van den aanleg dier Proef. 
nemingen te bezeffen. Maar, ailievef 
Saven DESAGULIERS , MUSSCHENBROEK 
en NOLLET wel oit Proetondervindelyke 
lesfen, als met dat gegrond vertrouwen, 
dat er hunne toehoorders de Natuur 
door zouden leeren kennen, en de ge- 
dane Proefnemingen, by wettige Gevolg- 


trekkingen, op de uitlegginge der Ver- 


fchynzelen toepasfen? En hoe zou dan 
de noit volprezene Uitvinder en Voort- 


brenger van al het Gefchapene dulden 


kunnen , dat de Mensch, dien hy op het 
fchouwtooneel dezes Aardkloots heeft 


neergezet, zwarigheid maakte, om tot 


2 den 


52 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


den bepaalden invloed der Tweede Oor- 
zaken, by voorraad, en eindelyk, op 
eene voorzigtige en oordeelkundige wy- 
ze, tot de oneindige Wetenfchap en 
Almagt van den Opperkunftenaar op te 

klimmen? 
Indedaad een Natuuronderzoeker 
word hier inzonderheid toe geroepen: 
dit is zyne post. Niets mag hy onbe- 
zogt laten, om de nog onbekende Oor- 
zaken der Verfchynzelen uit te vors- 
fchen: anderszints verheerlykt hy de 
Hemelfche W ysheid met al zyn vermo- 
gen niet: anderzints fchiet hy te kort 
in de liefde jegens den evenmensch, die 
immers, hoe duidelyker hy de Oorza- 
ken der Verfchynzelen leert begrypen, 
hoe beter hy in {taat geraakt, om der 
Opperfte W ysheid lof en eere te geven, 
en zig in het befpiegelen zyner zielver- 
rukkende wonderen te verlustigen, Een 
vermaak voorwaar! daar het genoegen 
van een koningryk onafhangelyk te be- 
zitten , voor ftryken moet : een vermaak, 
daar de grootfte Vorften van Europa, 
meer welbehagen en geneugte in vinden, 
dan in al den luister hunner heerlyk- 
heid! Een vermaak, daar de Engelen 
en Hemellingen in wegfmelten dr 
ust, 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI. 53 


lust, en dat ons eenigermate begrypen 
doet, wat het te zeggen zy, als onshet 
Euangelie belooft, dat eens het hoogfte 
goed, de volmaakte zaligheid daar in 
beftaan zal, dat men God aanfchouwen 
en kennen zal, gelyk hy is, 


Maar mogelyk zou men zig verbeel- 
den, dat myne aanmerkingen en drang- 
bewyzen eene windrige wetenfchap kon- 
den leeren: dat kleine armhartige Philo- 
foophjes, daar door het oor volgeblazen , 
ligtelyk aan *tongeftuimig en wild gis- 
fen, ja aan ’tfmeden van allerleye yde- 
le Stelzels- zouden vallen; en dus een 
misfelyk mengelmoes van hersfenfchim- 
men en waarheden opdisfchen , om den 
weetgierigen te bedodden en de ware 
„Natuurkunde te bederven. …Edog, om 
deze zwarigheid uit den weg te ruimen, 
moet ik, hier ter plaatze, tot lof der : 
doorlugtige Vlisfingfche Societeit, aan- 
„merken, dat zy zelve, in hare Vrage, 
zorge gedragen heeft, dat er zulke losfe 
en woeste Gevolgen niet zullen afgeleid 
„worden, immers voor goede Gevolg- 
trekkingen der Natuurkennisfe niet zul- 
len aangenomen worden, of als dusda- 
nigen den eenvoudigen in de handen ge- 
3 . ftopt, 


54 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


ftopt; door eene voorzigtige bepalinge 
van de bronaders der Gevolgtrekkingen, 
welke zy in het oog had, op te geven, 
waarfchynelyk ten einde men zoodanige 
eene tegenwerpinge tegen het Vraagftuk 
zelve niet zou kunnen maken, Die 
bronaders zyn daar alleen, met uit{lui- 
tinge van alle de overigen, de reeds ge- 
maakte Waarnemingen en Proefondervin- 
dingen. Want zoo luid de Vrage, op 
dat wy dit hier, duidelykheidshalven , 
herhalen: Mag een Natuuronderzoeker 
uit de reeds gemaakte waarnemingen en 
proefondervindingen werdere gevolgen 
trekken ter uitvorfchinge van de nog on- 
bekende oorzaken der werfchynzelen? Het 
loffelyk Genootfchap derhalven laat het 
nog onbeflist, of de Bovennatuurkunde 
en het Afgetrokkene Denkbeeldige ins- 
gelyks zou mogen te baat genomen wor- 
den, ter uitvorfchinge van de nog on- 
bekende Oorzaken der Verfchynzelen; 
en misfchien ligt er in de opgenoemde 
‘bepalinge van het Vraagftuk wel eene 
ingewikkelde verfmadinge opgefloten 
van alle Voorondertftellingen , die door 
geene Waar- en Proefnemingen behoor- 
Îyk bevestigd zyn, | 

Althans wy behoeven ons over en 

u 


VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL 55 


{luk voor tegenwoordig niet te bekom- 
meren : aangezien een oppervlakkig 
naamwysgeer glad en gaar buiten ftaat 
is, en onbekwaam, om de gemaakte 
Waarnemingen en Proefondervindin- 
gen, welke hy niet kent, of naar te doen, 
of, by het Gevolgtrekken , te baat te ne- 
men, Want het Genootfchap fchynt 
my toe, zeer wel te begrypen, dat hy, 
die tot het uitvorsfchen van de nog on- 
bekende Oorzaken der Verfchynzelen 
zal overgaan, vooraf ten minften de Hi- 
{torie van alle de reeds gemaakte en her- 
haalde Waar- en Proefnemingen zig 
moet kunnen vertegenwoordigen: met 
een dubbel oogmerk; en om te zien, 
hoe verre men ‘tin de in de verklaringe 
van dit of dat Verfchynzel, voor hem, 
reeds gebragt had; en teffens, op dat 
hy zelf geene vergeeffche moeite doe, 
maar liever den korften en gemakkelyk- 
flen weg inflaa, om, uit den voorraad. 
van reeds gedane ontdekkingen en Ge- 
volgtrekkingen, uit dezelve wettig afge- 
leid , is het noodig en doenelyk, verde- 
re Gevolgen te halen, ter verbeteringe 

der Natuurbefchouwinge. 
Een voornaam voorbeeld zal ligt over 
deze myne aanmerkinge kunnen ver- 
D fprei- 


56 jJ. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


fpreiden, ’tIs den Geleerden alomme 
bekend, hoe de lengte van den Secon- 
deflinger , var. den Noordpool naar de 
Evennagtlyn toe, allengskens, by de 
verminderinge der breedte der plaatzen, 
op welke men denzelven waarneemt, 
vermindert; zal hy overal zyne enkele 
fchommelingen binnen eene fecunde be- 
palen. Ook weet een iegelyk, dat men 
uit de naauwkeurige Waarnemingen, 
daarop in de verfchillende Noorder- 
breedtens gemaakt, de Knolronde ge- 
daante des Aardbols befloten heeft, 
Insgelyks is het rugtbaar genoeg, hoe 
men zig in Frankryk op het meten van 
eenen Graad Breedte heeft toegelegd ‚en 
hoe dit vervolgens ook, betrekkelyk tot 
de Pool en Evennagtlyn , door de Fran- 
{che en Spaanfche Wiskunftenaars, en 
eindelyk ook door den Abt DE LA CAILLE, 
aan de Kaap de Goede Hoop,is gefchied, 
De namen van PICARD, de L’ISLE, CAS- 
SINI DE THURY, MAUPERTUIS, CAMUS; 
BOUGUER, de LA CONDAMINE, Don 
JAN en ULLOA, zyn door die gewigtige 
waarnemingen aan de onfterfelykheid 
toegewyd, Men kan er een beknopt be- 
rigt van vinden by den Heer LULOFS, 
in zyne Zuleidinge tot gene ad 

(s3 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 57 


Wiskundige Befchouwinge des Aardkloots. 
Wanneer men nu uit deze W aarnemin- 
gen Gevolgen trekt, ter bevestiginge 
van de vermoedelyke Knolronde Ge- 
daante der Aarde, en zelfs het verfchil 
van de Graden der Lengte, met dat uit- 
zigt, heeft te baat genomen, zoo fchynt 
het ten minften te blyken, dat men er 
uit zynen eigenen koker niets by ver- 
zonnen, maar alleenelyk uit de aller- 
netfte waarnemingen geredeneerd en 
Wiskunftige Berekeningen verordend 
heeft, Anderszints is het niet te den- 
ken, dat de Heer LuLorFs, die Waar- 
nemingen onwrikbare bewyzen woor de 
Knolronde Gedaante genoemd zou heb- 
ben. Evenwel indien iemand beftond, 
om uit de Middelpuntvliedende kragt 
der Grootere Cirkels, onder de Ver- 
zengde Lugtítreek, of uit de meerdere 
Aantrekkingen van Zon en Mane tus- 
fchen de Keerkringen, te redeneren, ter 
bepalinge van die zelfde Knolronde Ge- 
daante, niet alleen der Aarde, maar ook 
der andere Planeten, die om hunnen as 
wentelen; zoo zou men aan de gezegde 
voorzorge van het Zeeuwsch Genoot- 
fchap, om uit de Waarnemingen en 
Proefondervindingen alleen Gevolgen te 

D5': sreká 


58 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


srekken, ter uiiworfchinge van de nog on- 
bekende Oorzaken der Verfchynzelen, 

eenzints voldoen : ten zy men teffens 

et verfchil der Middelpuntvliedende 
Kragt en van de onderfcheidene Aan- 
trekkingen , door ontegenzeggelyke 
Waarnemingen, bevestigde; en eene 
grondige kennisfe had van alle de Waar- 
nemingen, welke daaromtrend, gelyk 
wy zoo even verhaalden, met ongeloof- 
felyke moeite en kosten , door anderen, 
voor ons, over dat onderwerp gedaaan 
zyn, en ook met alle bedenkelyke om- 
zigtigheid, den trap van naauwkeurig- 
heid, waar toe foortgelyke en vooral 
deze Waarnemingen en Proeven hebben 
kunnen gebragt worden , in overweginge 
nam, Want een verbazende toeftel van 
Geometrifche Figuren en Algebraïfche 
Ontcyfferingen moet, in zoodanige gee 
vallen, niemand verbysteren en ligtgelo- 
vig maken, even of alles eene Mathe- 
matifche Waarheid ware, dat met Ma- 
thematifche vertooningen, die dikwyls 
denkbeeldig zyn, en op Vooronderftel- 
lingen doelen , is opgetooid, 


_ De Zledriciteit, om ook nog eenige 
Proefondervindingen ten tooneele te voe- 
hd ren, 


VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL 59 


ren, mag men met geen wysgeerig oog 
ter nadere Gevolgtrekkinge befchou- 
wen, en er de Oorzaken “van uitvor- 
fchen, indien ik de wyze bepalinge van 
de Zeeuwfche Maatfchappy wel begre« 
pen hebbe, of men moet vooraf alles 
by de werk hebben gehaald, wat, ter 
ftavinge en ophelderinge van dat won- 
derbaar Verfchynzel, in de fcholen der 
Proefondervindelyke Natuurkunde,reeds 
vertoond en betoogd ís. GUERICKE; 
HAUKSBEE , MUSSCHENBROEK , CUNZUS ; 
DOPPELMEYER ,KRATZENSTEIN ; ZEPINUS;, 
WINKLER, NOLLET en verfcheidene an- 
deren, zoo kunstbazen en hoogleeraars!, 
als omzwervende kunftenaars, hebben, 
door geheel Europa, dan hier dan daar, 
elk al het een en het ander, nu en dan, 
bygebragt, ter uitbreidinge , verfraijinge 
en verbeteringe der Eleêtrifche Proefne- 
mingen. Men vind eene nette opgave 
vanaì, wat er, tot op 1746 daaromtrend 
was uitgevonden, in eene Verhandelin- 
ge van den Heer Profesfor ALLAMAND, 
gezonden aan den Heer FOLKES: ins- 
gelyks op het einde der Natuurkundige 
Lesfen van den Abt NorLET, onlangs 
in 1969 uit het Fransch vertaald, te 
Amftterdam uitgegeven, en Ed 

CIh s 


6o J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


heid, ín de laatfte uitgave der Zntroduc- 
_vioad Philofopbiam Naturalem, van den 
waereldberoemden MUSSCHENBROEK, 
Lugd. Bar. 1762 ; daar men ook de late- 
re ontdekkingen ín aantreft, welke fe- 
dert nog merkelyk vermeerderd en bex 
vestigd zyn. Waarlyk, elk nieuw Ver- 
fchynzel, dat zig in die Proefnemingen 
openbaart, word, als * ware, een nieuw 
middel ter uitvorfchinge van de Eigen- 
fchappen der Zle@rifche Stoffe: en, ’t 
fpreekt van zelf, hoe zekerder men 
‘word van het aanwezen en den waren 
aard dier Eigenfchappen, hoe gewisfer 
men voort kan gaan in het beramen van 
de Natuur en Werkingen dier Stoffe; 
om zoo eindelyk tot de Werktuigelyke 
geeeorzakige dier Verfchynzelen te be- 
uiten, 


Om kort te gaan, en een einde te ma- 
ken myner beantwoordinge, op het eer- 
fte lid der voorgeftelde Vrage, laat eene 
en dezelfde Proefneminge, nog zoo dik- 
wyls herhaald en naargebootst worden, 
zy zal luttel baten, ter verbeteringe 
der Natuurkunde; maar wanneer ver- 
fchillende Proefnemingen, op het zelfde 
onderwerp in getal toenemen, dan a 

ert 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI. Ór 


kert de Natuuronderzoeker zoo vele be- 
ginzelen en zetregelen van Gevolgtrek- 
kinge, ter nadere ontdekkinge der we- 
gen, welke de oneindige W ysheid van 
den Schepper inflaat, om de Oorzaken 
en Gewrogten, op de allerkunftigfte en 
gevoeggelykfte wyze, ter bereikinge ha- 
rer aanbiddelyke oogmerken , te fchake- 
len. Eindelyk eene Vooronderftellinge „ 
die honderd verfchillende Verfchynze- 
len, op eene ongedwongene, verftaan- 
bare, en dus aannemelyke manier, alle 
te gelyk verklaart, behoeft niet langer 
voor eene loutere Vooronderftellinge te 
worden aangezien : o neen! want zy 
blyft geen Verzinfel, dat zy misfchien, 
by hare eerfte uitvindinge, was; maar 
word eene Meer- dan- Waarfchynelyke 
Stellinge, en die Stellinge klimt en ftygt 
in geloofwaardigheid, naar mate men 
zig bevlytigt, om haar met nog meer 
onderfcheidene Proefondervindingen en 
Waarnemingen te bekragtigen. Indien 
men dit zoo. niet begrypen wil, zie ik 
geene kans, om een eenig Natuurkun- 
dig Theorema voor den dag te brengen; 
en ik geloove niet, dat men de Natuur- 
kunde alleen zou willen aanzien, voor 
gene famenfchakelinge van Aroblamarg. 
: 9) 


62 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


of Vraagftukken , die altoos onbeants 
woord moeten blyvens 


Ziet daar myne bewyzen, voor het 
toeftemmend Antwoord, op de Vrage 
„van het Zeeuwsch Genootfchap der 
Wetenfchappen, en, by Gevolgtrek- 
kinge, deze Stellinge: JA! EEN NA- 
“TUURONDERZOEKER MAG UIT DE REEDS 
GEMAAKTE WAARNEMINGEN EN PROEF- 
ONDERVINDINGEN VERDERE GEVOLGEN 
TREKKEN, TER UITVORSCHINGE VAN DE 
NOCH ONBEKENDE OORZAKEN DER VER- 
SCHY NSELEN. 


IL 


Thans zal het er op aankomen, dat 
wy de mate voorfchryven en het perk, 
binnen welke de Natuurkundige Gevolg- 
trekkingen moeten gehouden worden: 
aangezien zy, zonder die voorzorge; 
ligtelyk zouden uitfpatten, verwarringe 
veroorzaken, en de Natuurkunde met 
een fchandelyk blanketzel van ver- 
digtzelen opfmukken; waar door hare 
eigene fchoonheid en bekorelykheid, 
magtig benadeeld zou worden, ‘Hoe 

ver. 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 63 


verre, vraagt het Zeeuwsch Genoot- 
fchap wyders, hoe verre mag men daar 
in voortgaan? dat is hoe werre mag men 
de Gevolgtrekkingen, uit de reeds gernaak- 
te Waarnemingen en Proefondervindin- 
gen ontleend, uitftrekken , ter uitvorfchin- 
ge van de nog onbekende Oorzaken der 
Verfchynzelen? Wanneer ik dit gedeel 
te der Vrage rypelyk overwege, dunkt 
my ‚dat men er, in eens, volledig op ant- 
woorden kan, door te zeggen en ftaan- 
de te houden, dat men die Gevolgtrek- 
kingen, vooreerst ten minften, niet ver« 
der mag doorzetten, als, voor zoo ver- 
re die onmiddelyk, uit de reeds gemaak- 
te Waar- en Proefnemingen voortvloei- 
jen, zonder eenigen fprong te maken, 
of voorbarig in het befluiten te zyn. 
DESCARTES liep veel te wyd vooruit, 
toen hy met zyne Draaikolken ten voor- 
fchyn kwam, en menig Wysgeer en 
Wiskunftenaar is bedrogen uitgevallen, 
met zyne Eironde Gedaante des Aard- 
kloots. De Heer BASTER vermoed, op 
het voorbeeld van den vermaarden RE- 
‘AUMUR, datmen een nieuw en onbekend 
Zintuig in de Sprieten der Infecten zoe- 
ken moet, daar men er te voren het 
Gehoor of de Reuk aanhad ree 

aar: 


Ó4 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


Maar wie weet, of men ditteeniger tyd 
niet gansch anders bevinden zal, en of 
het niet eens eene uitgemaakte zaak zal 
worden, dat er, behalven %t Gevoel, 
niets van het Zintuigelyke in die Sprie- 
ten fchuilt, en dat zy voornamentlyk 
tot fieraad aan de Vlinders en andere 
Bloedelooze dieren, of ter beveiliginge 
van hunnekoppen,gefchonken zyn. Voor 
dezen heeft men eenpariglyk, uit het 
waarnemen der Glazen Byënkorf, en 
uit het zorgvuldig naargaan van de won- 
dere huishoudinge der noeste Byën, op- 
gemaakt, dat er onderfcheidene eiers 
waren, en deze zeer weinig in getal, 
waar uit de Koninginnen of Moederby- 
en voortkwamen. Maar hoe ftaat men 
thans niet op te zien, federt dat de 
Heer scCHIRAG en zyne Kunstgenooten , 
in de Lausnits , ontdekt hebben, dat de 
Eiers, waar uit anders de zoogenaam- 
de Werkbyén voorkomen, door de Val- 
fche Hommels of Mannetjes, in eene 
daar toe gefchikte Koninginne-celle be- 
floten, en met het noodig voedzel, zoo 
dra zy wormen worden, opgekweekt; 
tot Koninginnemoeders kunnen worden 
bevorderd! Zou men hebben kunnen 
denken, dat er na MARALDI, SWAM- 
MER- 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 65 


MERDAM En REAUMUR, iemand gebo« 
ren zou worden, die, in de huishoudin- 
ge der Byen, zeldfaamheden ontdekken 
zou, welke zy niet gezien hadden? En 
evenwel heeft men, met een volkomen 
vertrouwen, die uitmuntende Mannen 
en hunne leerlingen Gevolgen zien trek- 
ken, welke thans overhoop geworpen 
worden , door de Proef- en Waarne- 
mingen van het Lausnitfche Gezelfchap. 
Men had befloten, dat de Werkbyen 
geene fexe hadden: eene Gevolgtrekkin« 
ge voorwaar! die met de Gemeene Wet- 
ten der Nature niet {trookte, en ook te 
verre voor uit liep. Insgelyks had men 
bevonden , naderhand, dat de Werkby- 
en, nu en dan, Valfche Hommels voort- 
bragten, maar noit haars gelyken: ten 
minften, men had dit by Gevolgtrek- 
kinge opgemaakt. ’tZal er op aanko« 
men, of ook die Gevolgtrekkinge niet 
te verre voor uit loopt; en ik ben zeer 
nieuwsgierig, wat er op de Vrage van 
het Lausnitfche Gezelfchap, den 4 April 
1771 opgegeven, door de Geleerden zal 
worden geantwoord. Zy luid aldus: 
welke zyn de- Natuurkundige Oorzaken, 
waarom de Byen (welke men nu weet, 
dat van het vrouwelyk geflagt zyn) nim- 
AV: DEEL, E mer. 


66 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP. DE 


mer haarer gelyken, dat îs, Werk- of 


Wfiesbyen, maar alleen Valfche Hom- 


mels voortbrengen? Want ik vreeze, dat 
men die ingewikkelde Vooronderftellin- 
ge, alsof de Werkbyen, in der waar- 
heid, harer gelyken niet baren kunnen, 
eindelyk valsch bevinden zal, 


Onder de Wysgeeren heerscht er 
meermalen eene foort van Verrukkinge, 
welke, of uit eene eerbiedige verwon- 


deringe, ‘of uit eene overmatige blyd- 


fchap. over eene nieuwe en gewigtige 
ontdekkinge , inde ziele geboren word; 
zonder dat het Verftand het merkt: en 
die Verrukkinge is doorgaans de baar- 
moeder van menige voorbarige Gevolg- 
trekkingen. Met welke eene Verrukkin- 
ge was de uitmuntende BONNET niet 
bezield, toen hy, meer als een hoogdra- 
vend Poëet, dan als een bedaard Na- 
tuuronderzoeker , zielen aan de Planten 
toekende! Zong virRGILIUS niet met 
meer regt van de Byen en de overige 
dieren, by Gevolgtrekkingen uit het be- 
fchouwen der Wysheid harer huishou- 
dinge, en der ordeninge van haar ge- 
meenebest : 

Lis 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXxm. 69 


His guidam fignis atque baec exempla fecuti 
Esfe apibus partem divine mentis et hauf?us 
LEtherios dixêre. Deum namgque ire per omnes 
Terrasque , traêtusque maris , coelumgue pro- 
fundume 
Hine pecudes, armenta, viros , genus omne fe- 
| | rarum 
Quemque fibi tenues naftentem arcesfere witas, 
Scilicet huc reddi deinde ac refobuta referri 
Omnias nec morti esft locum , fèd viva volare 
Sideris in numerum ‚ atque alto fuccedere coelo, 


En welke voorzigtigheid gebruikt MA- 
RO niet, in het midden zyner Verruk- 
kinge, door die Gevolgtrekkingen aan 
anderen toe te fchryven , dixére , zonder 
die zelf te onderteekenen ! W aarlyk! 
zoo. lang mende Ontleedkunde der 
Planten niet tot eene grootere volmaakt- 
heid gebragt heeft, en er eene willekeu- 
tige werkzaamheid. (die ik in het Kruid- 
je roer my niet, geenzints kan vinden, 
zoo lang ik nog iets van de Proeven der 
Eleôriciteit geheuge) in aantreft, meene 
ik, dat het nog geene tyd is, om, tot 
het aanwezen: van de zielen der Planten, 
te mogen belluiten. Behalven dat er nog 
geene redenen zyn, waarom men aan 
0} E 2 de 


Ó8 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


de toekomende verbeteringe der Botant- 
Jche Anatomie zou moeten. wanhopen. 
Zoo verre dan ‚ mag menin het Gevolg- 
trekken nimmer komen , dat men de Ver- 
rukkinge toelaat eenen fprong te doen, 
en iets te befluiten , tgeen uit de Waar- 
mingen en Proefnemingen alleen niet 
kan worden afgeleid, 


_ Tot die, voor eenen Natuuronder- 
zoeker zoo gevaarlyke Verrukkinge, 
mag ook, met regt, gebragt worden, het 
eerbiedig Vooroordeel, ’tgeen ons de 
begrippen der Ouden hebben ingeboe- 
zemd, « VALMONT DE BOMARE fchryft 
in zyn Woordenboek , onder den Arti 
kel van MIER: bet geen men van den ge- 
waanden voorraad gezegd heeft, welke de 
Mieren voor den winter vergaderen, ver- 
dwynt voor de latere Waarnemingen , om- 
trend het huishouden van deze Infetten. 
Dit een geval bewyst, hoe de algemeenst 
aangenomene zaken wan de Natuurlyke 
Hiflorie ‚ nog op nieuw „dienden onderzogt 
te worden, Dit voorbarig  befluit was 
ontíftaan, deels, uit eene verkeerde uit- 
legginge van twee plaatzen uit sALO- 
MONs Spreukboek (Cap. Vl en XXX) 
deels, uit het waarnemen van de Lan 

ren- 


Nee 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXII. 69 


brenginge der eetwaren in het Mieren- 
nest, zoo dra het gemaakt is, waar om- 
trend inderdaad die diertjes zig, op eene 
verbazende wyze, bevlytigen. In H0- 
RA TIUS is het derhalven te dulden , als 
hy zingt, ingevolge de voorbarige Ge- 
volgtrekkinge der Aloudheid: 


Parvola , namgue exemplo est, magni Formica 

laboris 

Ore trahit, quodeumgue potest, atque addit 

acer vo, 

Quem fFruit , haud ignara ac non incauta futuri. 

Que, fimulinverfum contriftat Aquarius qnnum, 
Non usquam prorepit; € illis utitur ante 


Quafitis fapiens 


er 


Maar hoe men de Heeren BOCHART 
en SCHULTENS vry zal pleiten, we- 
gens hun overnemen van dat vooroor- 
deel der Aloudheid, weet ik niet, daar 
SALOMO de eenvoudige waarheid fpreekt, 
zonder van eenigen wintervoorraad te 
reppen. De Mieren zegt hy, hebben 
„geenen Overften , Amptman of Heerfcher 
zy zyn een zwak volk, en evenwel zy be- 
reiden haar brood in den fomer, en zy 
vergaderen hare fpyze in den oogst. Wat 
IG E 3 wil 


JO J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


wil dat nu anders beduiden , dan dat de 
Mieren geene gelegenheid laten voorby 
glippen, om hare kinderen, huisgenoo- 
ten en gemeenebest te verzorgen , zonder 
dat zy nogtans daar toe, door dwang of 
overheerfchinge, behoeven genoodzaakt 
te worden? Onze en meer andere Over- 
zettingen, maken gewag van Vosfen, 
welke Simfon gebruikt zou hebben , om 
de ftaande koornvelden der Philiftynen 
in brand te teken: maar de Heer H As- 
SEL QUIST ftaat nog in twyffel, of men 
de Chicals der Turken, dat is de Gulde- 
ne Wolven, daar het omtrend Gaza en 
in Gälilzea van krielt, niet liever voor die 
Vosfen te houden hebbe. Te weten, 
onze Overzetters waren nog zoo bedre- 
ven niet in de Natuurlyke Hiftorie, als 
wy tegenwoordig kunnen zyn. Maar 
blykt het dan daar niet uit, dat zelf eene 
gebrekkige Uitlegginge der H, Schrift, 
ons aanleidinge zou kunnen geven, om 
Gevolgtrekkingen te maken, daar een 
Naturalist den fpot mede zou moeten 
dryven; om dat zy te verre voor uit 
loopen, en naderhand bevonden worden 
tegen de Waarnemingen en Proefonder- 
vindingen te ftryden? 


Die 


VRÄGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 71 


Die zelfde overhaastinge heeft. meer- 
malen plaats in de uitfprake, die men 
doet over de Ranefchikkinge en het 
bepalen van de foort, tot welke eenig 
voorwerp , of eenige ftoffe, die ons on- 
der den aandagt valt, behoort. Voor- 
maals had men de zoogenaamde Keu/- 
Jche Aarde, voor eene Ware en oor- 
fpronkelyke Mardftoffe, aangezien; en 
de Baron VAN HUPSCH was, ten voor- 
leden jare, de eerfte, die haar heeft 
leeren kennen, als eene Houtagtige zelf- 
ftandigheid, welke in de meeren, door 
de minerale wateren , in eene nog onbe- 
kende foort van Walfche Aarde verwan- 
deldis, De Heer PALIER maakt eene 
Gevolgtrekkinge uit de grootte der 
Beenderen, onlangs in de . Bommeler- 
waard gevonden, dat dezelve, zoo wel 
als die, welke dikwyis, in Drenthe en el- 
ders, zyn opgedolven , Olyfantsbeende- 
Ten zouden zyn; hoewel de beroemde 
Hoogleeraar CAMPER verklaart, dat 
gemelde beenderen beter, ten opzigte 
van het gemakkelyk afzonderen der Zipi- 
phyfes, waar van de blyken zig openba- 
ren, met de Dyenbeenderen van een 
Menfchengeraamte van 16 tot 18 jaren 
overeenkomen, Maar ik vermoede, dat 
: E 4 men 


72 Je, VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


men , binnen korten tyd, wel vinden zal 
(gelykik meer dan eens , ten opzigte der 
Paardengeraamtens meene waargenomen 
te hebben) dat de Beenderen kunnen uit- 
groeijen , en dus, bedolven in eene foort 
van grond, daar toe gefchikt, eene 
fchynbare reuzengeftalte kunnen aanne- 
men : en wel zoo veel te meer, naar 
mate, dat zy van menfchen of dieren 
komen, die in de kragt van haren was- 
dom fneuvelden, De uitgroeijinge van 
het hair en de nagelen der lyken kan 
myner bedenkinge eenigen zwier van 
waarfchynelykheid byzetten , en aanlei- 
dinge geven tot naauwkeuriger waarne- 
mingen omtrend dit onderwerp. Ge- 
wisfelyk! alsdan behoeft men niet te 
vreezen, dat men te verre doordraaft ; 
wanneer de Gevolgtrekkingen daar toe 
zyn ingerigt, om den Natuuronderzoe- 
ker den veiligften weg aan te wyzen, 
langs welken hy onfeilbaar nader en na- 
der zal kunnen komen aan de uitvor- 
fchinge van de Natuurlyke Oorzaken 
der Verfchynzelen: en dat wel door 
middel van andere:Proefnemingen , wel- 
ke hem nog niet waren voorgekomen, 
en dagr anderen ‚nog zig opzettelyk niet 
op hadden toegelegd, 

Voors 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL. 73 


Voornamentlyk moeten wy omzigtig 
zyn, in het Gevolgtrekken ter uitvor- 
fchinge der Natuurlyke Oorzaken, of 
in het gelooven en aannemen van Ge- 
volgtrekkingen, welke andere reeds ge- 
maakt hebben; zoo drawy vernemen (en 
daar moet ten allernaauwkeurigften on- 
derzoek naar gedaan worden) dat er kra- 
keel ontftaan is, over den aard en eigen- 
fchappen der Verfchynzelen, welke fom- 
mige Waarnemers hadden opgegeven, 
of over de egtheid der Proefnemingen;, 
die ter ftavinge der Gevolgtrekkingen 
verhaald worden gedaan te zyn, en van 
andere kunstbazen, in de Proefonder- 
vindelyke Natuurkunde, niet kunnen 
nagedaan worden. ’tÍs waar, in de 
Scheikunde (Chymie) gebeurt dit menig- 
werf, door onvoorziene toevalligheden, 


Maar , in de overige deelen der Proefon- 


dervindingkunde, valt dit zoo veel niet 
voor, dat er eene ware, en niet opge- 
fmukte, Proefneminge niet zou kun- 
nen herhaald, of immers bezwaarlyk 
getroffen worden, Argwaanis hier dan, 
voor eenen Natuuronderzoeker,, zeer 
dienftig: als mede T'wyffelinge en On- 
geloof, nopens de Gevolgtrekkingen, 
die, indien de W aar- en Proefnemingen 

RO E 5 valsch 


"74 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


valsch zyn, op welke zy gebouwd wa- 
ren, insgelyks in eenen puinhoop moe- 
ten vervallen. De Heer Abt NOLLET 
deed , met opzet, eene reize naar Italiën, 
om de Proeven der Zlegriciteit van B1- 
ANCHI En VERATI, twee vermaarde 
Geneesheeren, in oogenfchouw te ne- 
men; en hy vervolgde dezelve tot Ve- 
‚ netiën toe, om ook den Heer PrvaTrt 
de kranken te zien eleä@rizeren; maar 
het kwam hem zeer klaar voor, dat men 
er veel meer van had opgegeven, dan 
gebeurd was; en derhalven, dat men op 
al den ophef, wegens de wondere krag- 
ten der Zlegriciteit, in de Geneeskun- 
de, den grootften ftaat niet moest ma- 
ken. Soortgelyke bevindingen, hebben 
de zonen van Hippocrates, naderhand 
wat omzigtiger doen zyn, en bekrompe- 
ner , in hunne te verre vooruitloopende 
Gevolgtrekkingen , nopens de Gewrog- 
ten van het Eleétrisch vuur, om er ee- 
nige buitengewone Verfchynzelen van 
Genezinge uit te verklaren, De Dolle 
Kervel van sToRrK, zou hier ook kun- 
nen worden te pas gebragt. Ja waar- 
lyk, daar men dikmaals, by het doen 
der Proef- en Waarnemingen, zyne ei- 
gene oogen ter naauwer nood gelooven 

mag 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 75 


mag, om dat onze Schranderheid altoos 
meer wil zien dan ons Gezigt: hoe? zal 
men zig dan ligtgeloovig genoeg durven 
aanftellen, om de berigten van, fom- 
tyds bygeloovige, vreemdelingen, zoo 
maar losjes weg, voor waarheid aan te 
nemen ; vooral als kundige Natuuron- 
derzoekers niet langer ontveinzen, maar 
er voor uitkomen, dat zy, wel dapper- 
lyk, aan de egtheid en juistheid van die 
berigten twyffelen? Ziet hier wederom 
een perk, dat men aan het Gevolgtrek« 
ken zetten moet. 


Met de uitvorfchinge der Natuurlyke 
Oorzaken, wanneer andere die reeds , 
en dat wel, op verfchillende wyze, by 
Natuurkundige Gevolgtrekkinge mee- 
nen uitgevonden te hebben, mag men 
ook wel omzigtig te werk gaan, dat 
men geene party kieze, en zig ongevoe- 
lig late inwikkelen, in de omhelzinge 
van een Stelzel, daar iemand voor is, 
welken wy liefde en hoogachtinge toe- 
“dragen: al was het ook onze Leermees- 
ter, van wiens nette naauwkeurigheid , 
en keurige voorzigtigheid wy meenen 
overtuigd te zyn, ’tIs den Natuurge- 
leerden bekend, welk gerugt niet Ei 
‘ | e 


76 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


de Proefnemingen van FRANKLIN, te 
Philadelphia in Noord-Amerika gedaan, 
maar ook zyne Gevolstrekkingen en 
befpiegelingen, over de Oorzaken der 
LEleäriciteit, in Europa gemaakt heb- 
ben; en hoede Heer LE RO1, in Frank- 
ryk, deswegens, met den vermaarden 
NOLLET, in verfchil geraakt is: zynde 
en blyvende den Abt van een verfchillend 
gevoelen, in het beoordeelen der Zlec- 
tricale Verfchynzelenen hare Oorzaken , 
dan LE ROIen FRANKLIN, Want de- 
ze hadden begrepen, dat er eene Elec- 
trifche Vloeiftoffe, overal, om de licha- 
men en door dezelve, {troomde : dat 
wanneer eenig lichaam, van zyne gewo- 
ne Zletrifche Stoffe eenigzints ontle- 
digd was, de omvloeijende daar dan ook 
indrong, en wanneer er te veel was in- 
gedrongen, zy er dan wederom uit- 
fchoot , tot dat, binnen en buiten, zig 
eene gelyke dikte en hoeveelheid ver- 
Ípreid had: en ’tflot was, dat men uit 
dezen regel, alle de Elerifche Ver- 
fchynzelen verklaren kon en _ verkla- 
ren moest. Evenwel meende NOLLET 
daarentegen, uit alle Waarnemingen 
en _Proefondervindingen „te moeten 
befluiten, en blyven befluiten, dat er 

| 36 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 77 


gedurige en gelyktydige in- en uitvloei- 
jingen der Zledrifche Stoffe, in de Geëlec- 
trizeerde lichamen , plaats hadden , en dat 
deze het beginzelen deeerfte werkzaam- 
heid waren, waar op men alle de Ver- 
fchynzelen der Zle@riciteit kon toepasfe- 
lyk maken. **Zouernu, by het Gevolg- 
trekken , maar op aankomen , welke van 
beide deze Natuurlyke Oorzaken, of 
Vooronderftellingen derzelve, den voor- 
rang verdiene , en naast by de waarheid 
kome? Waarlyk, LE ROI en FRANKLIN 
zyn verder gegaan, dan NOLLET: want 
zy gaven eene waarfchynelyke en eenig- 
zints bevattelyke Oorzake op; daar de 
Abt niets te berde bragt, dan een by 
hem vermoedelyk Algemeen Verfchyn- 
zel, dat even onverftaanbaar bleef, als 
de Verfchynzelen , die er door verklaard 
moesten worden, als Gewrogten eener: 
Natuurlyke Oorzake,. Maar de Heer 
EULER, de Zoon, ging verder , zonder 
dat hem iemand dit kwalyk nam, toen 
hy aan de Koninglyke Pruisfifche Aka- 
demie betoogde, dat de ther, eene 
vloeiftoffe, onderfcheiden van de Lugt, 
welker aanwezen men lang had blyven 
loochenen, als zeer veerkragtig moet 
worden aangezien ; en dat deze, de fynfte 
‘ | por 


78 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


porien der lichamen doorvloeijende, al- 
toos, met de rondom om en aanvloeijen- 
de, in evenwigt poogde te ftaan; zoo 
dat, wanneer de Veerkragt derzelve, 
in het een lichaam fterker is, dan in het 
andere, de poginge, om die Veerkragt 
doorgaande gelyk te maken, als de wa- 
re Oorzaak van alle de Zledrifche Ge- 
wrogten en zeldfaamheden moet worden 
aangezien; gelyk hy dan ook by de {tuk- 
ken heeft aangetoond. Immers zoo ver- 
re mag men in het Gevolgtrekken voort- 
gaan, tot dat men eene Oorzaak gevon- 
den heeft, die genoegzaam is, om de 
Verfchynzelen , als hare Natuurlyke 
Gewrogten, te doen begroeten, En de 
Veerkragt van den Ether moet ons 
daarom te minder verdagt voorkomen, 
om dat men dezelve in eene foortgelyke 
vloeiftoffe , te weten de Lugt, onweder- 
Íprekelyk aantreft. 


Gewisfelyk , het fcheen in ’teerst, by 
de Engelfche en Leidfche W ysgeeren;, 
een vermetel en {tout beftaan te zyn; 
dat men, ten nadeele van het Ydel, eene 
fynere Stoffe, door Waar- en Proefne- 
mingen betogen wilde; en dus aanleidin- 
ge geven, om, ter uitvorfchinge van 
| nog 


VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXI, 79 


nog andere onbekende Natuurkundige 
Oorzaken , al verder en verdere fynere, 
oneindig fynere vloeiftoffen uit te den« 
ken, niet alleen ter verklaringe der Elec- 
tricale Verfchynzelen, maar ook zelf, 
om de proef te nemen, of men insge- 
lyks de Wledriciteit of Veerkragt, en 
andere diergelyke wonderen, niet zou 
kunnen bevattelyk maken. Evenwel, 
hoe noode ook, men ftreek de vlag voor 
de Proeven der Zledriciteit ;en wieweet. 
hoe verre men naderhand neg zal moe- 
ten komen! Laat het my geoorloofd 
zyn, hier eene aanmerkinge van den, 
Heer scHIRAG, uit zyne Redenvoerin= 
ge, geplaatst voor deszelfs Natuurlyke 
Hiftorie van de Koninginne der Byen, over 
te nemen, en wel, volgens de Franíche 
Overzettinge van den vermaarden Heer 
BLASSIERE,. $i wotre decouwerte, ma 
ton dit, etoit ausft avantageufe que vous le 
Pretendez, feroit il posfible qwelle fut de- 
meurée cachée a toute la terre juiquê-d, 
notre tems? Eb! pourquoi non? Malgré 
Jon infinie bonte, Dieu ne fest jamais 
obligé a deployer- tout d'un coup € dans 
tous les. genres , toutes les richesfes. que fa 
main, liberale deftinoit aux humains. Al 
Jemble-au contraire, que fa maden 
bos oit 


80 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


Joit toujours plu a renouveller les fources 
de felicité, afin de ranimer leur reconnois- 
Jance par cette fuccesfion de bienfaits. Come 
bien de chofes que nous ignorons , parce- 
gue ce Dieu tout lage les defline a rendre 
la vie plus agreable a nos arriere-neveux 
ES geil tient comme en referve pour no- 
zre poflerité? Alle Proefondervindingen 
en Waarnemingen , zonder vooroordee- 
len befchouwd, leeren ons dagelyks, 
dat er niets zoo vreemd, niets zoo on- 
gehoords uit te denken is, of de Nature 
openbaart ons wonderen, die nog vreem- 
der, nog ongelooffelyker fchynen, en, 
die egter waarlyk voorvallen. By- ge- 
volg, men moet altoos tragten verder 
te gaan, dan de opgevatte vooroordee- 
len, of de ftelzels onzer Hoogleeraren 
en Meesters ons willen hebben ; vooral 
dan, wanneer het ons, als brave Natuur- 
onderzoekers, te doen is, om de edele 
en nuttige wetenfchap der Natuurkun- 
de uit te breiden, te befchaven en te 
verbeteren. 


Ja maar! zal men zeggen, hola! men 
mag evenwel niet verder gaan, dan de 
Proef- en Waarnemingen ons aanwyzen. 
Deze bedenkinge laat zig hooren, in 

Zoo 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCULXxIL 81 


zoo verre de Gevolgtrekkinge door nie- 
we en betere Proeven en Waarnemingen 
kan worden opgehelderd, Maar wan- 
neer dit onmogelyk geworden is, zou 
men daarom uit de reeds gemaakte waar- 
nemingen en profondervindingen, en uit 
die alleen niet mogen voort redeneren? 
Zou zig iemand niet belagchelyk aan« 
ftellen, die, na een regtmatig befluit ge- 
nomen te hebben, tot het aanwezen van, 
de Lugt en den ther, nog daarenbo- 
ven dezelve beiden, door het Mikrofcoop, 
zou willen zien, of de Veerkragt der- 
zelve, werktuigelyk, zou willen doen ar- 
beiden, onder zyn gezigt. Voelt en ziet 
men het Electrisch vuur niet? Voelt en 
hoort men de Lust niet? en merkt men 
niet vele Verf-hynzelen op, waar uit 
het blykt; dat er zulke fyne Vloeiftof- 
fen aanwezig zyn, en met Veerkragt be- 
gaafd? Moet men dan het Water , in al- 
le deszelfs kleinere droppelen, en der- 
zelver inwendigen vorm en innige ge« 
daante, bekyken? Is dat mogelyk? 
Neen! zal men zeggen. Wel! moet het 
dan ook niet genoeg , voor eenen verftan- 
digen Natuuronderzoeker ; zyn ; dat hem 
het Vergrootglas eene nieuwe waereld 
heeft leeren kennen, en dat hy daar uit 

IP. DEEL, F ver. 


82 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


verpligt is te befluiten, dat er nog on- 
eindig vele kleinere wezens en lichamen 
beftaan, welke hem het Mikrofcoop nim- 
mer zal kunnen vertoonen. Behalven, 
dat al, wat vloeibaar is, altoos verwar- 
ringe van over clkanderen loopende dee- 
len voortbrengt. 


Nooit mag men verder gaan, in het 
Gevolgtrekken, dan tot aan het perk, 
daar eene duidelyke en geftrenge Rede- 
neerkunde ons brengen kan; voor zoo 
verre zy uit Proeven en Waarnemingen 
redenkavelt, De Inbeeldingskragt mag 
hier den baas niet fpelen, en ons naar 
het betooverd gewest der herfenfchim- 
men henen flepen. sWAMMERDAM;, 
LEEUWENHOEK, DE BUFFON en andere 
gaven te veel aan hunne Verbeeldinge 
toe, toen zy zig onderwonden, om het 
diep geheim der Voortteelinge te open- 
baren. SWAMMERDAM, STENON En DE 
GRAAF lagen al ras agter, met hunne 
ftelzels van de Eijeren, die zy, in de 
Eijerftokken der levendbarende wyfjes;, 
meenden ontdekt te hebben, zoo dra de. 
Mannelyke Zaaddiertjes,van LEEUWEN- 
HOEK Ch HARTZOEKER, ten tooneele ge- 
voerd. werden, Maar deze Zaaddier- 

tjes 


VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXI, 83 


tjes verdwenen ook, op hunne beurt; 
toen NEEDHAM, en vervolgens DE BUF- 
FON, dezelve niet meer vonden, Maar 
moest dan daarom de Heer DE BUFFON 
een nieuw flag van Momoeömerien , daar 
oudtyds ANAXAGORAs zoo veel mede 
op had, te hulpe roepen, om de voe- 
dinge der vrugt uit alle de ledematen 
van man en wyf te ontleenen ; en dus; 
door eenen tweeftryd tusfchen de we« 
derzydfche gelykvormige werktuigelyke 
lichaamtjes, beide, mannelyke en vrou- 
welyke, tot een beftaan te doen famen- 
fmelten; en aandie famengefmoltene maar 
eene zelfftandigheid, maar een leven te 
vergunnen? Wat al onverftaanbaarhe« 
den! Mag dat pbilofopberen, of moet 
dat droomen heeten? @*) Trouwens, 
wie zegt ons, dat het den Almagtigen 
en Alwyzen Schepper ondoenelyk zou 
zyn, door de Paringe , iets levendig te 
maken, dat bevorens onbezield er mo* 
gelyk allee irrirabel/ was? Wie kan 
ons bewyzen, dat er inde Nature geene 
borologien (op dat ik my mert dit beken: 
de woord:, verftaanbaarhtidshalven ; uit» 
FE 2 druks 


: € Men kan Hieromtrend: näder te regt raken’, 
BRE Heer LE FRANCQ VAN BEËKHEY , Nätuur- 
é Hiftorie van Hoiland. II, Deel bl, 86—110, 


84 Js VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


drukke) dat er geene horologien voor 
handen zyn, welke door eene andere 
en vreemde magt moeten worden opge- 
wonden ; en dat iets diergelyks, in de 
paringe der levendbarende dieren, niet 
gefchieden zou? „Er zyn immers geene 
Waarnemingen en Proefondervindingen 
bekend, die dit allereenvoudigst ftelzel 
over hoop werpen? Immers, zoo lang 
iemand eenige mogelyke Oorzaken weet 
uit te. denken, die de Verfchynzelen een- 
voudiger verklaren, dan de reeds ge- 
maakte. Gevolgtrekkingen der Natuur- 
onderzoekers ; welke laatstgenoemde, of 
niet-onmiddelyk uit de Waarnemingen 
en Proefondervindingen voortvloeijen, 
of ten minften , over het veroorzaken 
der Verfchynzelen, en de Theorie der 
Natuurkundige Mechanica, meer duis- 
ternisfe , dan ligt verfpreiden ; zoo kun- 
nen óok dezelve Gevolgtrekkingen, by 
onbevooroordeelden ‚geenen ingang 
vinden, En hier uit blykt nogmaals 
middagklaar , hoe’ uitftekend nuttig het 
uitdenken van mogelyke Oorzaken is, in 
de Natuurkunde: al was het maar alleen, 
om, daar door, ftoute en windrige ftel- 
zels, welke men eenvoudigen, als de 
eenigfte Mogelyke, wil in de han 

, LLOP= 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 85 


ftoppen, van de zyde harer ligtvaardig- 
heid en ongenoegzaamheid, voor de 
oogen der voorzigtigen bloot te leggen. 
Dat doordryven en opvyzelen van zulke 
Gevolgtrekkingen moet men altoos ver- 
dagt houden: aangezien een W'ysgeer 
niemand, en dus ook zig zelven, niet be- 
driegen mag: ’t geen egter alsdan ge- 
beurt, wanneer hy zyn best doet, om 
tgeen hem toefchynt, voor een oo- 
genblik, eenigzints de waarheid naby 
te komen, aanftonds voor waarheid. uit- 
vent, en het zoo opfchikt, als of hee 1 
hem volledig gebleken ware, de waarhe 
zelve te zyn. Zoo verre mag men zyne 
Gevolgtrekkingen , uit de. W aarnemin- 
gen en Proefondervindingen ontleend, 
nimmer doorzetten. top 
Geheel anders ging onze groote HUY- 
GENS te werk, by het waarnemer van 
Saturnus, zoo als die dwaalftar van GA- 
LILZEUS eerst befchouwd was, en met 
een buitengemeen verfchynzel verrykt, 
_ geen men, waarlyk ! nog nergens, in eeni- 
ge famenloop van Hemelfche Lichamen 
had aangetroffen. De doorlugtige Man 
zelf viel, met eenen onverbeeldelyken 
yver,aan het glazenflypen , en dus aan ’t 
verbeteren der Verrekykers; en, daar in 
EF 3 naar 


86 J, VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


naar wensch geflaagd zynde, befpiedde 
hy, met zyne eigene Gezigtkundige 
werktuigen, menige fchoone nagten, 
dien grooten Planeet; beloerde hem in 
de wonderlyke verfchanfingen van zy- 
nen Ring, en ontdekte eenen nieuwen 
uitgezetten fchildwagt, behalven de 
twee, welke GALULZUS reeds had waar- 
genomen. Toen begreep onze beroem- 
de Wiskunftenaar wel haast, en hy ont- 
zag zig niet, die aanmerkenswaardige 
Gevolgtrekkinge te maken, dat al die 
verwonderenswaardige toeftel van Ma- 
nen, zoo by Jupiter, als by Saturnus, 
en de Ring van den laatften , aangemerkt 
moesten worden, als kleine ligten , #0 
heerfchappy des nagts; (*) en dus al ver- 
der, alzoo het éen Gevolg van zelf uit 
het ander voortvloeide, dat er bewoon- 
ders, ja wel vernuftige bewoonders , op 
die magtig groote Hemelballen moesten 
huisvesten, die zoodanige verligtinge, 
ter beheeringe hunner woonplaatzen, be- 
hoefden, van wegens den grooteren af- 

| {tand 


a 


GG) Die fpreekwyze van Mofes kan den invloed 
der Starren op het Ondermaanfche, volgens de 
droomen der Oude Chaldeeuw{che en Egyptifche 
Aftrologen niet bedoeld hebben. Zie VAN DER 
MUELEN, Disf, de Die Mundi natali pag. 157. fqq. 


VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXxit, 87 


{tand der Zonne. Indien de waarne- 


mingen der Heeren DE MAIRAN €&n MAU-= 
PERTUIS, omtrend de nuttigheid van het 
glansryk Noorderligt in Lapland, aan 
HUYGENS waren bekend geweest, had 
hy, voorwaar! nog grooter regt gehad 
tot zoodanige Gevolgtrekkingen. ['rou- 
wens, de zyne, nopens de bewoonbaar- 
heid der Manen en Dwaalftarren , niet 
alleen van ons Zonneftelzel, maar ook 
van andere en alle foortgelyke, welke 
men om Sirius en alle de vaste Starren, 
by Vooronderftellinge, plaatst, moesten, 
met eene lange fchakel van redenkave- 
lingen, worden goedgemaakt; redenka- 
velingen, den grooten HUYGENS waardig , 
en die ons bykans veroorloven, als Na- 
tuuronderzoekers, om de Redeneerkun- 
de te baat te nemen , en niet flegts On- 
middelyke Gevolgen uit de reeds ge- 
maakte Waarnemingen en Proefonder- 
vindingen, maar ook Middelyke, dat 
is, Gevolgen uit reeds gemaakte Gevol- 
gen, en zoo voorts, zoo verre ons de 
draad der fluitredenen brengen wil, te 
trekken en af te leiden, Voor welke 
manier vâän Gevolgtrekken, de doorlug- 
tige LEIBNITS eenen fchoonen en aange- 
namen weg gebaand heeft; dien de ver- 

FE 4 maar- 


88 j. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


maarde Natuurbefchouwer van: Geneve, * 


de fchrandere en teffens oordeelkundige 
BONNET , met Zoo veel yver en toejui- 
chinge bewandelt, dat hy den aandagt 
van alle de Europifche Wysgeeren naar 
zig trekt, 


*]Is waar, LEIBNITS was wat onver- 
{taanbaar voor lagere vernuften, uit 
hoofde zyner uitftekende fchranderheid 
en weergâaloos doorzigt, tot in de diep- 
fte geheimen der Bovennatuurkunde. 
De waereldberoemde worrF en zyne 
leerlingen BILFINGER , CANZIUs en foort- 
gelyke, hebben de kettingen der fluitre- 
denen wel duidelyker onder het oog ge- 
bragt; maar, om de waarheid te zeg- 
gen , Zoo magtig zigtbaar en overmatig, 
dat de aandagt, onder het lezen van 
hunne fchriften, veel meer valle op het 
redenerende der vertogen, dan wel op 
de befluiten derzelve, en op de waarhe- 
den, die door Gevolgtrekkinge uit aan- 
genomene en reeds bekende waarheden 
voortvloeijen, Deze en dergelyke over- 
wegingen doen ons denken, op de Res 

elen, welke men, by het Gevolgtrek- 
he ‚ uit de Waarnemingen en Proefon- 
dervindingen in agt moet nemen, en na- 
| ere 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXTL, 89 


dere uitvorfchinge van de nog onbeken- 
de oorzaken der Verfchynzelen, 


FPL 


1. De eerfte en Algemeene Regel, 
welke tot eenen grondfteun, tot eenen 
onwrikbaren grondfteun der overige 

„moet verftrekken, is, zoo ik my niet 
bedriege, deze: dat men zig vooraf eene 
grondige, omftandige en uitgebreide Ren- 
nisfe, van alle de Proeven en Waarne- 
mingen, welke tot hier toe gedaan ‘zyn, 
werzorge: ja, dat men die , is het moge- 
yk, eigenhandig nadoe, Deze Regel, 
immers het eerfte lid deszelfs, dat men 
zig vooraf, eer men aan het Gevolgtrek- 
kengaa, eene grondige, omftandige en uit- 
gebreide kennisfe, van alle de Proeven 
en Waarnemingen, welke tot hier toe ge- 
daan zyn, moet verzorgen, is hier geene 
bedenkinge, veel min twyffelinge, onder- 
havig: aangezien het zelve, niet ondui- 
delyk of ingewikkeld, maar volmondig 
en klaar, door het loffelyk Zeeuwsch 
Genootfchap, in het be oop der Vrage, 
word vooronderfteld, en als zoodanige 
eene grondregel word aangemerkt; wan- 

E cl 


9O J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


neer het den Natuuronderzoeker alleen 
verlof geeft, voor zoo ver het tegen- 
woordig doelwit betreft, wit de reeds ge- 
maakte Waarnemingen en Proefonder- 
windingen verdere Gevolgen te trekken, 
en uit geene andere gronden: gelyker- 
wys reeds boven is aangetoond. En wat 
het Éweede lid betreft, dit fteunt op de 
dagelykfche Ondervindinge der beste 
Philofophen. Want hoe menigwerf ge- 
beurt het niet, dat men zig zeer bedro- 
gen vind, als men los weg, zyn ver- 
trouwen vestigt, op de verhalen van 
fommige oude niet alleen, gelyk Prinr 
US , DIOSCORIDES ‚, THEOPHRASTUS , ARIS- 
TOTELES, maar zelfs van niewere en he- 
dendaagfche Waarnemers, welker na- 
men ik eerbiedshalven liever verzwyge! 
Hoe ellendig word men niet fomwylen 
misleid, als men ftaat maakt, in de Na- 
tuurlyke Hiftorie, op de Figuren der 
Proefnemers, en op de Afbeeldingen, 
welke men by SEBA, JONSTON , DODO- 
NAUS , KNORR en anderen befchouwt. 
ALBINUS , SEP, DAUBENTON ‚ HOUT- 
TUYN, BASTER en andere hedendaag- 
fche Waarnemers kunnen voor onver- 
beterlyke gehouden worden, Evenwel, 
die Heeren zelve (ik meene er zeker rd te 

un- 


VRAGE VOOR °TJAAR MDCCLXXIL OI 


kunnen gaan) willen wel toeftemmen, 
dat men den beroemden VosMAER be- 
ter verftaan zal, als hy in het Kabinet 
zyner Doorlugtige Hoogheid, onzen 
geliefden Frfftadhouder, en den Protec- 
tor van het Zeeuwsch en andere Ge- 
nootfchappen , ja den Moecenas van ons 
Vaderland, zyne geleerde aanwyzingen 
doet, dan onder het lezen zyner fchrif- 
ten; die, nogtans de goedkeuringe van 
alle Natuuronderzoekers wegdragen. 
Men kan er ligtelyk de proeve van ne- 
men: als men, by voorbeeld, het uit- 
muntend werk van GUALTIERL, in ’t-welk 
de Hoorns en Schelpen, vry naauw- 
keurig en konftig, zyn afgebeeld, voor 
zig legt; vervolgens zyne laden met 
Conchylien , en de beste en zuiverfte Zx- 
emplaren,daar in voorkomende , met die 
Afbeeldingen vergelykt; alzoo men dan, 
wel toeziende, al ras ontdekken zal, 
welken voorrang de ware voorwerpen, 
boven hare uitbeeldingen verdienen, 
Hoe wenfchelyk ware het, en o! wat 
zou het niet aan den gelukkigen voort- 
gang der Natuurkunde vorderlyk zyn, 
dat er eene zekere Gemeinfchap van 
goederen, onder de Beminnaars der 
fraaije wetenfchappen wierde uitgedagt: 

ten 


92 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


ten einde het eigenhandig nadoen van 
Proef- en Waarnemingen, voor elk lief- 
hebber, mogelyken gemakkelyk te ma- 
ken! Waarfchynelyk zullen de Geleer- 
de Genootfchappen van ons gelukkig 
Nederland daar met ernst op denken, 
alzoo het haar toch om de verbeterin- 
ge en uitbreidinge der kunften en weten- 
{chappen te doen is, 


2, De tweede Regel kan deze zyn: 
Andien het nadoen der Proeven en Waar- 
nemingen niet wel. mogelyk is, dat sen 
dan, ten minften, met eene Hiftorifche 
zekerheid, poge overtuigd te worden, dat 
de berigten, welke men van de Proeven 
en Waarnemingen, die reeds gemaakt 
zyn, ontfangt , egt zyn3 om er by het Ge- 
wolgirekken op te kunnen flaat maken. 
Deze Regel koomt inzonderheid te pas, 
by het gebruiken der Waarnemingen, 
welke, in vroegere tyden , of in verre afge- 
legene landen ‚gedaan zyn. Elk kanmet 
MAUPERTUIS naar Lapland, met CoN- 


DAMINE naar Quito, met DE LA CAILLE 


naar de Kaap de Goede Hoop, of met 
HASSELQUIST naar de Levant niet mede 
Teizen. Zoo kan ieder de Proeven van 
den Secondellinger, op verfchillende 

Breed- 


heee rel ate in dE Ef 


WRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXI. 93 


Breedten, niet nadoen. Hier van daan 
koomt het, dat er wel eens wettige ver- 
klaringen, voor de waarheid van eenige 
waarnemingen, aan welke veel gelegen 
is, worden ingewonnen. By voorbeeld, 
de Abt NorrET, hoewel voor zig zel- 
ven volflagen overtuigd van de ontwyf- 
felbare zekerheid zyner ondervindingen, 
brengtegter , meer dan eens, de gelyk- 
luidende getuigenisfen van ettelyke an- 
dere Natuuronderzoekers by, die het 
eveneens ondervonden hebben, en voor- 
al ook Uittrekzels uit de Registers van 
de Koninglyke Akademie der Weeten- 
{chappen : als onder anderen ook, omte 
toonen, dat de Geëleêtrizeerde Licha- 
men , eene EleCtrifche ftoffe, uit onge- 
ëleCtrizeerde- naburige Lichamen, ont- 
rn (XX Lef. IL Afdeel, 5 Voor- 
el. 


3. Wyders indien er eenige Waar- 
of Proefnemingen worden tegengefproken, 
en zulks gefchied door. voorname mannen, 
of beroemde Kunstgenootfchappen, moet 
men zig, ten minften by woorraad, wel 
wagten, om op zulke uitglydende zand. 
gronden hes gebouw van algemeene ftellin- 
gen niet te fligien. Dit leert ons de Voor- 

Zig 


94 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


zigtigheid, Waarom zouden wy verf 
geeffchen arbeid doen, en naderhand 
uitgelagchen worden £ | 


4 Wanneer wy, of andere geloof: 
waardige perfoonen, eene enkele Waar: 
neminge of Proeve gemaakt hebben ‚ welke 
door geene andere foortgelyke bevestigd 
en opgehelderd is, mogen wy wel toezien, 
dat wy ons aan geene voorbarigheid , in het 
erkennen en aannemen dier Proeve, of 
Waarneminge, fchuldig flellen, ‘Frou: 
wens; hoe ligtelyk kan men zig misgiss 
fen, en aan zyne Zintuigen te veel geloof 
geven ! Deze kunnen ons even zoo wel 
bedriegen, als onze Schranderheid, ’ Is 
niet, dan by gedurige herhalingen , dat 
men de Waarnemingen en Proefonder- 
vindingen, immers derzelver befchry- 
vingen, voor ontwyffelbare waarheden 
mag aanzien, op welke men zyn ver- 
trouwen vestigen mag. 


5. Daarentegen, als men wele famen: 
Sflemmende W aar nemingen en Proefonder: 
windingen heeft, die onwederfprekelyk 
moeten geoordeeld worden, dan mag en 
moet men die aanmerken, als eene foord 
van. Algemeene Gebeurtenisfen „ die wen 

yke 


sere 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI. 95 


Iyke omftandigbeden, altoos Zullen woor- 
wallen, Zulke Algemeene Gebeurtenis- 
fen, vooronderftellen Algemeene On- 
derwerpen, dat is Hoofdftoffen , Verhe- 
velingen, die, onder dezelfde toevallig- 
heden gerakende, gelykvormige Ver- 
fchynzels opleveren. Laat, by voor- 
beeld, het Water in de Lugt in alle der= 
zelver onderfcheidene Verfchynzelen ; 
naauwkeuriglyk worden opgemerkt; 
dan zal men, met volle overtuiginge zy- 
nes gemoeds, befpeuren, dat zig het 
Water niet, of immers zeer weinig , en 
dat zig daarentegen de Lugt, ongemeen 
fterk laat famendrukken. Dan, alzoo 
de geringe famendrukbaarheid des Wa- 
fers, nog wel, ten minften voor een 
gedeelte, aan de, daar in verholene, Lugt 
kan worden toegefchreven : zoo moet 
volgen, dat het Water en de Lugt, of 
in de geheele Samendrukbaarheid, als 
éene eigenfchap , verfchillen , of ten min- 
ften, in het Meer of Minder, zoo mag: 
tig onderfcheiden zyn, dat men de Sax 
mendrukbaarheid zeer wel, als eene by= 
zondere eigenfchap der Lugt, mag aan- 
zien: terwyl de Hardheid des Waters, 
tegen die Samendrukbaarheid, als eene 
tegenftrydige eigenfchap, over a 

it, 


96 j. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


Op dezen Regel zyn de Natuurkundige 
Voorzeggingen gegrond, 


6. Indien gelyke Proefnemingen, op 
onderfcheidene tyden gedaan, tegenflrydi: 
ge, of ten minflen merkelyk verfchillende, 
Verfchynzelen wertoonen, dan zal men 
ook veiligst doen, zyn oordeel, by het Ge- 
wolgtrekken, op te fchorten; en ook, de 
Gewolgtrekkingen der Pbilofophen, uit 
zulke vwyffelagtige beginzelen ontleend; 
woor onvoldoende woorftellen te houden, 
Van zulke gevallen treft men een aller- 
duidelykst voorbeeld aan, in de Lesfen 
van den meergenoemden Abt NOLLET; 
(Les XXI. Afd, IL Verfchynzel 5). 
Een Geëledrizeerd Goudblaadje nadert 
naar Geëleärizeerde Harsagtige ftoffen , 
als Zegellak, Zwavel, Gom enz. maar 
dat zelfde Goudblaadje wykt af en vlugt 
voor eene Geëledrizeerde Glazene buys. 
Ondertusfchen (zegt de Heer NOLLET) 
3s er van alle de Ele&ricke Verfchynzelen 
geen, dat onzekerder is en wisfelwalliger, 
geen ‚dat men minder beftendig ‚ en minder, 
zonder misfen, altoos plaats ziet hebben : 
alzoo het Goudblaadje ook menigwerf 
door het Zegellak, de Zwavel enz. 
word afgeftooten; ja dikwyls eene en x 

acij= 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCGLXxu. 97 


zelfde Zwavelbol , een en het zelfde pypje 
Zegellak aantrekt, tgeen het, nog een 
oogenblik te voren, aflliet; of affloot, ’ 
geen het zoo aanftonds had aangetrokken. 
Maar hoe kon dan die beroemde Na- 
tuuronderzoeker ondernemen, dat wis- 
felvallig Verfchynzel te verklaren, gelyk 
hy, inopzigttotde Aantrekkinge, heeft 
gezogt te doen? Zulke verklaringen 
zyn nadeelig aan de bevorderingen der 
Natuurkunde: want, als zulk een W ys- 
geer, gelyk NOLLET , iet diergelyks 
heeft uitgevoerd, wil er een ander Phi- 
lofooph, van minder naam, liever in 
berusten, dan verder onderzoek te doen: 
uit vreeze, van voor vermetel aange- 
zien, en, gelyk het gaat, uitgejouwd , 
en, naar ouder gewoonte, voor een 
denkbeeldig beuzelaar te worden te boek 
gefteld. Want elk is juist geen EULER;, 
dat hy zig aan zulke onaangename ver- 
denkingen bloot durve ftellen, en zoo 
veel ingang vinde, dat hy die zelfde ver- 
„denkingen en ligtvaerdige {potredenen 
„weete te verydelen, 


_ Je Nimmer mag men zig laten af- 
„Jchrikken wan -de werdere Phyfifche en 
Mechanifeche Oorzaken der. Verfchynze- 
10dV, DEEL, G len; 


98 J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


ben , alleen daarom, om dat uitmuntende 
vernuften, omtrend de mogelykheid der 
witworfchinge en uitvindinge , ofte wel om- 
srend het bepalen der Oorzaken, een be- 
fisfertd vonnis bebben geveld, Want men 
zal doorgaansch vinden, dat de Natuur- 
onderzoekers alte bekrompen zyn gee 
weest ; in het optellen der Oorzaken, en 
dat zy zig dus-menigmalen vergrepen 
hebben , met het uit{luiten van andere 
byvallende Oorzaken, die met de Hoofd- 
oorzaken, ter vorminge en vertooninge 
van het Verfchynzel, famenliepen. Er 
valt my thans, terwyl ik dit fchryve, 
geen beter voorbeeld by, om ter ophel- 
deringe van dezen Regel te verftrekken, 
dan de Gevolgtrekkinge, welke de Rid- 
der NEWTON, uit de bekende Proef- 
neminge, met twee op elkanderen ge- 
drukte brilglazen en de Zeepwaterbellen, 
maakte , om reden te geven van de Kleu- 
ren, in de Natuurlyke Lichamen voor- 
komende: te weten, dat dezelve, enkel 
en alleen (met uitfluitinge van andere 
Oorzaken) zouden moeten worden toe- 
gefchreven, aan de meerdere of mindere 
dikte der kleine fchilfertjes of deeltjes, 
uit welke zy worden faamgefteld, Want, 
“dat alleraanmerkenswaardigst is, de 

| Ke Heer | 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 99 


Heer NOLLET toont, uit even dezelfde 
Proefnemingen, door hem honderdma- 
len herhaald, dat, buiten die voorname 
Hoofdoorzaak van NEWTON, ook de 
gedaante van ieder dier deeltjes, het by- 
zonder weefzel van hunne fchikkinge op 
en over elkanderen, de verfchillende ijl 
heid der eigene ftoffe, en de gefteltenis- 
fe der ledige tusfchenruimtens en ope- 
ningen in aanmerkinge moeten komen. 
(XVII Les. 3 Afdeel.) 


8. Zoo dra men ontwaar word, dat 
de Natuuronderzoekers een popje gehad 
hebben, om mede te fpelen, eene gelief- 
koosde Wooronderftellinge , welke zy zelwe 
hadden uitgedagt , enn, uit dien hoofde, tel- 
kens eene en dezelfde Oorzake opgeven, 
ter werklaringe van weelwuldige en ver- 
Jehillende Verfchynzelen; zoo moet men 
aanftonds in argwaan en agterdogt wallen, 
of zoodanige Gevolgtrekkinge wel fleek kan 
houden en de toetzinge wan eene bedaarde, 
en, inden vorm, redenkundige beoordeelin- 
ge doorflaan ? Trouwens, de Nature 
heeft even zoo vele Oorzaken als Ge- 
wrogten: en, dat verder gaat, die Oor- 
zaken zyn wederom, op nieuw , Gewrog- 
ten van andere Oorzaken; en dat zoo 

Er :Ga2 wel 


Hoo J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


wel in het Voorledene, als in het Tegen- 
woordige, ja, om zoo te fpreken, tot 
in het oneindige toe, Elke Oorzake, 
die, ter verklaringe van een Verfchyn- 
zel, het zyne toebrengt, en alleen eene 
Natuurkundige (Phyfifche) maar nog 
geene Werktuigelyke (Mechanifche) mag 
genaamd worden, is, wederom op hare 
beurt, een Verfchynzel; en zoo worden 
de Oorzaken der Oorzaken, tot in on- 
uitdenkelyke reekzen, vermenigvuldigd, 
Een Weershoofd, by voorbeeld, hangt 
af van de bepaalde ftreek lugts, daar de 
regendroppelen in nederdalen tegen 
over de Zon, wanneer die, by het op- 
komen, of by het ondergaan, op eene 
zekere hoogte is, De gefteldheid der 
Lugt, de hoedanigheid der Wolken, 
de famendrukkinge der Dampbellen, de 
koude, de ftreek daar de Wind uit 
waait, de hoogte en helderheid der 
Zonne, het oog van den toekyker, de, 
tusfchen zyn gezigt en het voorwerp, 
opklimmende of nederdalende dampen, 
en honderd andere byzonderheden, ko- 
men hier alle waarlyk te pas, in het be- 
fchryven en uitvorfchen der Oorzaken 
van een bepaald ftuk Regenboogs. Even- 
eens is het ook met de Waterhoozen, 

Houw- 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 101 


Houwmouwen, Caftor en Pollux , de 
Mariendraden en andere Verhevelingen 
gelegen, wanneer men een zoodanig 
Verfchynzel, bepaaldelyk op zig zelven, 
en Natuurkundig verklaren zou, En 
gelykerwys dit waaragtig is in byzonde- 
re gevallen, zoo is het ook onweder- 
Íprekelyk zeker, dat men dien voet zal 
moeten houden, by het uitvorfchen der 
Algemeene Oorzaken van veelvuldige 
Gelykflagtige Verfchynzêlen, Ja het ís 
byna onmogelyk, dat er ergens iets in 
de geheele Nature zou kunnen zyn, 
welke eigenfchappen het dan ook bezit- 
ten mogt, dat alleen voor de Volledige 
en Eenige Oorzake van een Verfchyn- 
zel, hoe genaamd, zou kunnen worden 
aangezien, 


9 Wanneer men Waarnemingen doet 
op den aard ende eigenfchappen der Die- 
ren, Planten en Mineralen, moet men 
zig niet vergenoegen, met een of twee ge- 
bykfoortige voorwerpen, in hunne gedaan- 
te en werkingen, te befchouwen « veel mink 
der na hunnen dood, of in vervreemdinge 
wan hunne natuurlyke woonplaats; en -dat 
wel, om dan maar eensklaps uit die ge- 
brekkige befchouwinge, Gevolgen ie trek- 
G 3 ken, 


102 J. VÁN IPEREN ANTWOORD OP DE 


ken ‚ter uitvindinge van de bepaalde kragt, 
kunstdrift , inborst en hoedanigheden van 
geheele Soorten: ten einde uit die Alge- 
meene befluiten dan vervolgens de byzon- 
dere werrigtingen wan alle voorwerpen, 
onder die Soorten behoorende , als zoo we- 
le Verfchynzelen aangemerkt, te kunnen 
werklaren. De bekende ftokregel van 
den grooten LEIBNITZ, dat er in de 
Nature geene twee volftrekt gelykvor- 
mige dingen voorkomen, welke zoo 
baarblykelyk door de Ervarenisfe altoos 
en overal bekragtigd word , moet voor- 
alin aanmerkinge komen, by deze gele- 
genheid, Geene twee menfchen , geene 
twee fchapen zyn er by elkanderen te 
brengen, die niet merkelyk van gelaad 
en aangezigte verfchillen zouden. In 
eene wildbaan, vogelvlugt, hoender- 
hok, duivenkoy, vind men , by aanhou- 
dende oplettendheid op de Gelykflag- 
tige Dieren, zoo vele verfchillende aar- 
den en perfonele inborften, als onder 
de met reden begaafde ftervelingen, 
Sommige moeten, door Natuurkundige 
Zedenmeesters, waarlyk geprezen, en 
vele moeten er gelaakt worden, Deze 
is eene byzondere Waarneminge, van 
een verder uitzigt, dan men zig mis- 

| | {chien 


“VRAGE ‘VOORT JAAR MDCCUXXI, 103 


fchien ‘wel vérbeeldeú -Zouss- Dat men 
zig dan noit,-door LINNAUS, BRISSON:, 
BUFFON;:BOMARE en atdere vermaarde 
Schryvers der _Natuurlyke-Hiftotie ;la- 
temisleiden!,„Die Heeren hebben: niets, 
dan, om zoorte fpreken;,het Ontologi- 
Sche, het Algemeene, vande Soorten en 
Geflagten willen aanteekenen;, en-{chy- 
nen, nueri dans zelfs niette-zyn verdagt 
geweest! ops de Perfonele; Byzonderhe- 
dén van-eik.Dier en van elke: Plantvine 
dien ik my zoo eens-miâg uitdrukken. 
Evenwelozal.dat „Perfonelesder «dradivur 
dua; by de-uitvorfchinge\der. Oorzaken 
van hunne; verrigtingen; Wanneer die als 
Verfchynzelenrworden;befchouwd/;swel 
degelyk moeten worden te-pas gebragt. 
Men heeft; by-voorbeeld, geene reden 
om te gelooven, dat alleLieeuwerieven 
-onverfchrokken ei overweldigendzfterk 
zyns De tieer u ov rou vn, verhâalt 
‘ons eeh: geval (Eù zulke byzonderheden 
behoorden altoos în «de NatuurlykesHi- 
-ftorse. te:!worden «opgemerkt)- van zen 
Leeuw , op teiland:St; Ioùis, die voor 
eene ftootenderen zig to weer {tellende 
Geit de vlugt nam. Die Geit, wat men 
ersook, van\zegge ;. moet. wr y.kloekmoe- 
esmmehmcteldj naval astig geweest 
RA) 3 4 Za 


TO4 J. VAN IPEREN. ANTWOORD OP DE 


zyn. Onder de Kunstdriften der Die- 
ren, had de Heer REIMARUS ook wel 
eene foort van bygeloovige vreeze mo- 
gen plaatzen.. Eene beerin; die van 
jongen beroofd is , word wanhopig : eez 
ne klokhen; die-anders voor den gering- 
ften {teekvogel vreest, verzet zig tegen 
eenen aangierenden havik, om hare kie- 
kens te behoeden, en dat: wel met eene 
onverbeeldelyke woede, » Zulke. Kunst- 
driften zou ik Zoewallige noemen. - Alle 
Kruiden en ‘Planten van dezelfde foor- 
ten Zyn niet overal even geurig en krag- 
tig, Op de Alpifche Gebergten munt 
het Ryk der Planten in heerlykheid uit;, 
gelyk de. vermaarde HALLER heeft 
waargenomen, « En waarom zou men 
„dan, vooral in-de Geneeskunde, niet 
… ten uitterften keurig en oplettend mogen 
vallen, by -het Gevolgtrekken, ter be- 
palinge van deze en gene algemeene ei- 
genfchappen « der Geneesmiddelen? 
‘Waarom zou een Natuuronderzoeker 
niet omzigtig mogen zymin:het aanne- 
men der befchryvingen: vân weinig be- 
kende Dieren en Planten ?ouu 2 
in Be 0D BEL ol AAW P 

zo. Nort mag men te veel. vórtrouwen 
Hellen op de Waar en mnd > 
| ie 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL. 105 


die reeds gemaakt zyn, even als of dezelve 
reeds de hoog fre volmaaktheid bereikten, 
en door geene nadere Waarnemingen en 
Proefondervindingen zouden kunnen of. 
nader opgehelderd, of, in zoo verre zy 
aanleidinge tot Gevolgtrekkinge gaven, te- 
gengefproken worden, Zou men wel oit 
hebben durven denken, dat de zoo me- 
nigmalen herhaalde W aarnemingen van 
het huishouden der Byen, aan welke 
de groote REAUMUR , MARALDI en meni- 
ge andere, van alle tyden , met zoo ve- 
le oplettenheid en naauwkeurigheid, heb- 
ben gearbeid, nu in deze latere dagen, 
op eene gansch andere wyze zouden 
uitkomen: in diervoegen, dat de drie- 
dagige Wormen der Werkbyen, tot 
de waardigheid van Koninginnen kun- 
nen bevorderd worden ; mits men die 
maar plaatze in eene vereischte celle, 
welke, met de gewone celle der By- 
enkoninginne, in grootte , gedaante en 
noodigen voorraad ter fpyzinge over: 
eenftemt? _ Edog, hier van is te voren 
reeds meldinge gemaakt. 


SEI, 2200 dra men ; by de Waarnemin- 
genen Proefondervindingen, iets wonder- 
baars ontdekt ‚dat wan den gemeenen re 
TN ged 


106 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


gel afwykt, en zig opdoet als een wonder- 
werk, tgeen de kragten der Nature te bo- 
wen flreeft , dan mag men er wel aanftonds 
dit Gevolg uit trekken, dat zulk een Na. 
tuurgeheim onze nadere oplettenheid ver- 
dient: en dat men, van wegens zyne te- 
genwòordige onkunde, egter niet moet 
wanhopen aan de witvorfchinge der nog 
onbekende Oorzaken: naaar in tegendeel, 
zig, met eenen verdubbelden yver „op het 
uitdenken en naarfpeuren derzelve mag 
en moet toeleggen. De fchoone Mufa, 
by voorbeeld, welke ten jare 1736 voor 
de eerfte maal in ons Nederland, «op 
Hartekamp , de buitenplaats vanden 
Heer cLiFFORT, bloeide, en voor de 
vierdemaal in Europa , leverde toen aan 
den Heer LINNAUS, die er ons eene 
fraije befchryvinge en heerlyke afgezet- 
te uitbeeldinge van verzorgd heeft, zoo 
vele buitengewone. Verfchynzelen. op, 
dat hy er, als in verrukkinge , over-ûit- 
riep: Jnauditum omnino per tatum veg: 
num wegetabile est ; quod. Planta aliqua 
tam fingularibus gaudeat Sexus et Floris 
attributis. Dat is te zeggen: % Is vol- 
Strekt. ongehoord. in bet. geheel ryk der 
Planten, dat. een Gewas zoo zonderlinge 
eigenfchappen, ten-opzigte zyner Sexeven 

Bloem 


nn 


VRAGE VOOR °TJAAR MDCCLXXlle IO7 


Bloem bezit. In ’teerst lachte hy er om, 
dat de vorige Natuuronderzoekers had- 
den ftaande gehouden, als of de Mufa 
geen zaad opleverde, of ten minften , dat 
zy er alleen de onvrugtbare beginzelen 
van droeg. Zy hadden zig, meende 
hy, aan voorbarige Gevolgtrekkinge 
fchuldig gemaakt, Maar het lagchen 
van onzen Ridder veranderde wel dra 
in ernst, toen hy, met verbaastheid, 
befpeurde, dat de Vrouwebloemen ha- 
re kragt verloren hadden, eer. nog de 
Mannelyke bloemen. haar bevrugten 
konden; alzoo deze te laat kwamen, 
Dit leerde dien voortreffelyken Natuur- 
onderzoeker alstoen, by gevolgtrekkin- 
ge, gisfen, dat misfchien de menfche- 
Iyke voorzorge, of het geval dit gebrek 
zou kunnen verhelpen, als er Mufw’s 
van verfchillenden bloeityd kort naast 
aan elkanderen geplaatst wierden, 400 
dat de Mannelyke bloemen van de eene 
Mufa, met de andere gelyktydig kwa- 
men , en dus eene gefchikte bevrugtinge 
verwekten, Maar wie weet, of ef ook 
geene Inwendige Bezwangeringe plaats 
zou kunnen hebben? “Want, zoo de 
Bloemfteng der Mufa uitkoomt, fchiet 
er ookteffens een fcheutje uit der wortel 


op; 


TOB J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


op: en wanneer de Mufa haren wasdom 
bekomen heeft en aan *tverleppen raakt, 
fneuvelt de oude plant, en ’t gezegd uit- 
fpruitzel volgt zyne moeder op. Maar 
is ’% ook wel te denken, dat de Natuur 
die wonderbare Bloemfteng, alleen tot 
cieraad, aan de Mufa verleend zou heb- 
ben? De Planten, immers zeer vele, 
hebben dit gemeen met de Polypen, dat 
Zy, door een groot gedeelte harer uit- 
wendige omkleedzelen, baarmoeders 
hebben, uit welke zy haars gelyken 
voortbrengen: ’t geen evenwel , zonder 
eene inwendige bevrugtinge, niet wel 
mogelyk fchynt te zyn. 


12. De Gevolgrrekkingen, welke van 
andere Natuurkundigen reeds gemaakt 
zyn, of nog gemaakt worden, mag. men 
niet werwaarloozen; în tegendeel, men 
moet die zorgvuldiglyk byeen wergade- 
ren, al fchynen zy zelve ongerymd te zyn. 
‘Trouwens, het kon wel eens gebeuren, 
dat iemand, ligtvaardiglyk gisfende, als 
by geval, de waarheid trof en uitvond, 
van welke ester de Proefondervindingen 
nog geen voldoenend bewys befchikten, 
Alle de Vooronderftellingen , met dat 
oogmerk van fchrandere lieden uitge- 

| dagt, 


VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL. 109 


dagt, omde, als nog onbekende , Oor- 
zaken der Verfchynzelen, welke zig in 
bepaalde voorwerpen opdoen, te ver- 
klaren, zullen ons ten minften tot eene 
handleidinge kunnen verftrekken , ter be- 
raminge van werktuigen en proeven, 
door welke wy, met meer zekerheid tot 
een befluit zullen komen , nopens de 
Natuurkundige of Werktuigelyke Ver- 
oorzakingen ; en om ook meer Verfchyn- 
zelen uit te vinden, die, of de gemaakte 
Voorondertftellinge verydelen , of dezel- 
ve bevestigen. Want hoe meer Ver- 
fehynzelen, tot eene en dezelfde zaak 
betrekkelyk , door eene Vooronderftel- 
linge kunnen worden opgeloscht, hoe 
waarfchynelyker die Vooronderftellinge 
word, en hoe nader zy bykoomt aan 
de nog onbekende Oorzaken, welke wy 
tragten uit te vorsfchen, Ebbeen vloed , 
by voorbeeld, geven zoo vele onder- 
fcheidene Verfchynzelen op, in ver- 
fchillende {troomen, inhammen en zee- 
boezems, dat men naauwelyks weet, 
waar aan men dezelve toe moet fchry- 
ven. ’tZal derhalven, myns oordeels, 
niet ondienftig zyn, de gevoelens der 
Geleerden daaromtrend by een te fame: 
len, en er eene voorzigtige keuze uit te 
ej doen: 


TIO Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


doen: vooral dan, wanneer zulke ge- 
voelens eenigzints de goedkeuringe van 
vele voortreffelyke Mannen weggedra- 
gen hebben: gelyk de bewuste vier Ver- 
handelingen, welke, in het jaar 1740, 
den Prys, by de Koninglyke Franfche 
Academie te Parys, hebben behaald, Im- 
mers, hoewel de gewone Getyen, meest- 
al, de Middelbeweginge der Mane vol- 
gen, en de bekende Gevolgtrekkingen 
van NEWTON, uit de Zwaartekragt 
der Aarde tot de Maan en de Zon, de 
meestgewone verfchynzelen ongemeen 
wel verklaren ; zoo kan ons nogtans dat 
_ Stelzel, zoo min als de Stelzels van GA- 
LILZEUS en CARTESIUS , de duyzenderleye 
ongeregeldheden van HEbbe en Vloed 
geenzins doen begrypen. Dit blykt 
uit de volmondige getuigenisfe van den 
Heer ruLors, die, hoe zeer hy anders, 
en met regt, het gevoelen van den Rid- 
der NEWTON opvyzele, zonder eens 
de andere gevoelens duidelyk voor te 
ftellen (dat evenwel zou hebben moeten 
zyn, om er zyne Lezers over te laten 
oordeelen) eindelyk, om in eens alle 
de zwarigheden te ontdekken, zig dus 
uitlaat: (6, CCOXVIL bl. 284.) Men 
zou een geheel boek kunnen wuilen, ee 

ût 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, III 


alle byzonderbeden en ongeregeldheden, 
„die in byzondere plaatzen, ten opzigte 
wan Kbbe en Vloed, of befpeurd worden, 
of op zekere tyden befpeurd zyn. Alle die 
ongeregeldheden trouwens moeten aan- 
gemerkt worden, als zoo vele Waarne- 
mingen, die de zekerheid en voldoende 
kragt der Gevolgtrekkingen van NEw- 
TON en andere, min of meer, ontzenue- 
wen. Zoo dat de vermoedelyke Oor- 
zaken van Ebbe en Vloed nog, in zeker 
opzigt, onder de Onbekende te ftellen 
waren: indien EULER en andere Na- 
tuurkenners, na NEWTON, in het uit- 
vorsfchen dier Oorzaken niet verder 
waren voortgegaan. 


13, Zoo men eindelyk daar toe geko- 
men is , dat men alle Waar- en Proefne- 
mingen omtrend zeker onderwerp, vele 
in getal en alle menigvuldigmalen her- 
haald, in dat derde vind overeen te flem- 
men, dat de Verfchynzelen, welke zy op- 
leverden, alle, zonder onderfcheid, en met 
even groot gemak, door eene Wooronder- 
flelde Natuurlyke Oorzake kunnen worden 
verklaard, zonder dat er een enkel Ver- 
Jchynzel is uit te fluiten, dan mag men 
zig ook wel werzekerd houden, dat die 

4. 


II2 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


Natuurlyke Oorzake genoegzaam getroffen 
zy: ja dan kan ook die uitwindinge ver- 
wolgens tot een grondbeginzel werflrekken 
woor verdere Gevolgtrekkingen, en ter 
werwerpinge van alle de daar van afwy- 
kende denkbeelden der Philofopben, In 
de drie eerfte deelen der Uitgezogte 
Verhandelingen, te Amftterdam by HouT- 
TUYN uitgegeven, vinden wy den Blix- 
em, het Weerligt en den Donder, door 
de Zlectriciteit, welke, als *t ware, de 
geheele Nature bezielt, tamelyk opge- 
helderd, En waarlyk! men ítemt het 
thans genoegzaam algemeen toe, alle 
de Verfchynzelen dier ontzagchelyke 
Verhevelingen, laten zig, op verre de 
beste wyze, door de bekende gewrog- 
ten van het Zledrisch Vuur verklaren, 
Zoo dat by gevolg, de neêrvallende en 
losbarftende Vuurbal van MUSSCHEN- 
BROEK, en de uit den grond opfchieten- 
de Blixem van MAFFEI, zoo wel alsde 
ontftokene yswolken van DE LA HIRE, 
en de misfelyke begrippen der Ouden, 
by SENECA vermeld, voor de Gevolg- 
trekkingen van FRANKLIN en NOLLET 
wyken moeten: vooral, daar de Proef- 
„neminge van Leiden die Gevolgtrekkin- 
ge heeft doen maken, en zoo, als ’twa- 
| Te, 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL. 113 


re zelfs de onbekende oorzaak van Don- 
der en Blixem heeft uitgevorscht, of lies 
ver doen vinden. Wel nu, zou het dan 
niet geoorloofd zyn, zoodanige eene uit- 
vindinge , als een deugdelyk grondbe- 
ginzel , te gebruiken, en dezelve zoo 
hoog te waardeeren, ja hooger dan de 
beste Proefnemingen „om dât zy de 
eenvoudige Waarneminge en Ontdek- 
kinge is van het Vernuft ? Want de 
Redeneerkunde leert ons, dat de Znduc- 
tio alsdan volledig is, wanneer men er 
kan en mag byvoegen: nec datur disfi- 
mile exemplum: dat is, niemand kan my 
een voorbeeld van het tegendeel aanwyzen. 
Maar dan moeten ’er ook ettelyke en 
veelvoudige voorbeelden zyn ter toetfe 
gebragt. Trouwens in-dien vorm van 
redeneren bereikt de zekerheid hooger 
en hooger trap en magt van volflagene 
overtuiginge, naar gelang van de aan- 
groeijende menigte der voorbeelden, en 
van de duidelyke vertooninge van het 
verband, dat die voorbeelden hebben, 
met de Algemeene Stellinge, welke men 
betogen wil. Maar hoe menigvuldige 
en byna dagelyks vermenigvuldigende 
voorbeelden heeft men niet van Dons 
der en Blixem, welke alle, zonder on- 
iv. DEEL, H ders 


TI4 Je VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


derfcheid, als gewrogten van een Zleci 
trisch Vuur , alomme door den Damp- 
kring verfpreid „ mogen. en moeten wor- 
den aangezien? 


Maon 


Ziet daar dan ook het Derde Deel 
dér Vrage beantwoord en de voornaam- 
fte Regelen der Natuurkundige Gevolg- 
trekkinge kortelyk opgegeven. Ik ho- 
pe, dat dit voldoen zal, alzoo ik ette- 
lyke onderfcheidene lesfen , ter naarkoo- 
minge van elke Regel in agt te nemen, 
kortheidshalven, heb nagelaten in deze 
Verhandelinge in te eltien ; gelyk ik 
ook maar even, als met den vinger, heb 
durven aanroeren de Stokregelen der 
gezuiverde Kunst van Redeneren, voor 
zoo verre de Znduttio , of Gevolgtrekkinge 
uit-de Voorbeelden , met de uitterfíte 
omzigtigheid behoort behandeld te wor- 
den. Alleenlyk wil ik hier nog hebben 
aangemerkt, dat niet alleen de Werktui- 
gelyke en Willekeurige, maar ook de 
Gewone, Zonderlinge en W onderdadi- 
ge Verfchynzelen hunne byzondere ken- 
merken hebben : en dat zy ook, by het 
uitvorfchen der Oorzaken, elk op eene 

ver- 


‘ VRAGE VOOR °T JAAR MDCELXXE 115 


verfchillende wyze moeten worden ver- 
klaard. Verfchynzelen, in welke de 
Lichamen alleen te pas komen, zyn, 
gelyk van zelf fpreekt , onderfcheiden 
van die, waarin de Willekeurige Ziels- 
neigingen van menfchen of beesten het 
hare toebrengen. Want er valt gemak- 
kelyker oordeel te vellen over het op- 
_ klimmen der Dampen en Uitwaasfemin- 
gen in de Lugt en over het nederdalen 
der regendroppelen en fneeuwvlokken, 
dan wel over hee Noorderligt, de By- 
zonnen, de Staartftarren en foortgely- 
ke vertooningen , die zeldfamer voorko- 
men. Maar nog bezwaarlyker is het; 
de Wonderwerken , daar ons de H. 
Schrift eenige berigten van geeft, onder 
bereik van een Natuurkundig Onder- 
zoek te brengen. Evenwel dit zou wel 
dienftig zyn, wilde men op eene over- 
tuigende wyze uit de Wonderwerken op- 
maken, dat de Propheten eene Godde- 
lyke zendinge hadden en dus onfeilbaar 
waren, De Waarnemingen, welke ons 
de Gewyde Hiftorie daar van heeft na- 
gelaten, moeten in dezen ons dienen tot 
gronden van eene Godgeleerde Gevolg- 
trekkinge, Wy moeten onderzoeken, 
of alle ‚de Verfchynzelen, welke men 
9, H 2 voor 


IIÓ J. VAN IPEREN ANTWOORD OP DE 


voor ware Wonderwerken gehouden 
heeft, waarlyk zoodanige geweest zyn? 
Er is niet aan te twyfelen, of de Waar- 
nemingen der Aloûdheid omtrent dezel- 
ve zyn getrouwelyk geboekt , en dus be- 
hoeft men aan de egtheid en duidelyk- 
heid dier berigten niet te wantrouwen: 
* geen voorwaar! by nader onderzoek 
ongemeen veel helpt. Ja maar de Oos- 
terfche Spreektrant en Digtkunde, mag 
ons niet misleiden: want volgens de- 
ze, en zoo is zy ook, is de gantíche 
Natuur eene aaneenfchakelinge van on- 
begrypelyke wonderen : en die wonde- 
ren worden , onder het oog van een god- 
_ vrugtig Natuuronderzoeker, allengskens 
nog dieper geheimen, onnafpeurelyker 
wonderwerken, naar mate, dat hy, in 
derzelver aaneenfchakelinge, verband en 
veroorzakingen, den verbazenden ryk- 
dom van Gods Almagt, Wysheid en 
Goedheid ontwaar word. En even daar- 
om mag een Christen zig noit vernoe- 
gen en ftyven in zyne onkunde, uit dat 
vooroordeel , als of het verwaarloozen 
van het onderzoeken der Natuur hem 
veiliger ware en hy zig, ten minften met 
_NIEUWENTYD €en DERHAM wel mogte te 
vrede ítellen, alzoo hem die Ee 

eg 


mike 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLSSXIIS 1177 


de Schryvers, vooral indien er HERVEY 
word bygevoegd, genoeg opleiden tot 
verwonderinge en tot het herhalen van 
de bekende fpreuke des Digters ? Hoe 
groot. zyn uwe werken, o Heere? gy hebt- 
ze alle met wysheid gemaakt ! het aardryk 
is vol van uwe goederen! Want die' ver- 
wonderinge zelve verflaauwt, indien men 
niet telkens nieuweontdekkingen, waar- 
nemingen of proeven doet, waar door 
zy ververscht word en de eerbied voor 
den grooten Schepper , nieuwe kragten 
verkrygt. In het Boek der Nature zyn 
nog zoo vele bladeren, welke men of 
nog niet open gehad heeft, of ten min- 
{ten nog maar even heeft ingezien, zon- 
der den vereischten aandagt daar aan te 
koste te leggen, en ondertusfchen is elk 
blad met dat oogmerk befchreven, op 
dat wy er in lezen en er wysheid uit ha- 
len zouden, 


Pedetentim, gradatim € 


circumfpelt, 
zt April 1772. 
AT: 


B AOP 


Bladzs118 | 


OPLOSSING 
DER 
VR Ar Es 
Door het Doortuchtig Genootfchap van 
Vlisfingen opgegeeven ser beantwoor- 
dinge ; voor het Jaar 1772 
D 0 0 R 
Y. PAP DE FAGARAS. 
SS 


k weet niet te. zeggen , door welk 
IL noodlottig ongeval der menfchelyke 
kundigheid het bykoome, dat het too- 
neel der wysgeerte zoo menigwerf ver- 

3 dîl- 


Sil DAN //2 , Wi MZ Sedir, Me DN DAN 
RE AN 5 SA À a oak a Ni all, Ne 


DISCUSSIO QUESTIONIS 
ab 
Ilfuftri Societate Scientiarum Vlisfingana 


2E 


Ne quo humane cognitionis fato fieri din 
LN cam, ut Philofophandifcena totigs hie 
ha aje Pek b ed r ; ù= 


- 


J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD €NZ, 119 


andert?-* Lust my: der wisfelvallighee- 
den , „welke de kennisfe der Natuur, 
byzonderlyk , ondergaan heeft, als in ’t 
voorbygaan, te herdenken. Reeds fe- 
dert detydenvan Ariftoteles bloeide zy : 
toen was ’t eene gelukkige en guldene 
eew voor haar , in welke (zoo. % den 
Goden belieft) uitftekende uitvorfchers 
en handhavers der. waarheid , Leeraars., 
onder den naam van: Scholaflyken of 
Schoolgeleerden bekend, van zelfs en 207 
der wet of regel , zonder Waar- en Proef- 
neemingen , hunne Natuurkunde beoef- 
fenden; wanneer ook-de vruchtbare ak- 
kers der Eilofofy , zonder ploeg of-egge 
te gebruiken, gul uitfchietende en on- 
overzienbare korenvelden van hoedanig- 
heden, van allerley {lag „ uitleverden, De 

H 4 mees- 


oale NM, 
weeen 


Juvabit vicisfitudinum , quas fola Scientia Naturae 
lis fubiit, velut in tranfitu-meminisfe. Viguit, jam 
inde a temporibus Ariftotelis., felix ejus -et-aurea 
Prorfus aetas, qua egregii (fi Diis placet) verita- 
tis vindices, Doétores Scholafticorum nomine no- 
tis fporte fua, fine lege , fine obfervationibus „et ex- 
Perimentis, PhyGcam fham excolebant, et fertiles 
Philofophiae agri, non vomere vel aratro fcisf, 
largas qualitatum cujuscunque generis fegetes ef= 
fandebant, Somniando tum plyrimi peritisfimi Na- 

tu= 


x 


12 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE 


meeste en ervarenfte Natuurverklaarers 
kwamen „ al droomende , aan die be- 
kwaamheid, Want de hoofdfom en het 
pit der W'ysheid was toen daar in gele- 
gen, dat men, wanneer er zich by geval 
een Verfchynzel opdeedt, (want men 
zocht er niet zeer zorgvuldig naar) aan- 
ftonds, ter verklaringe van hetzelve, een 
niew foort. van hoedanigheden te ‘hulp 
riep „ en door. tooverwoorden van Af- 
keer voor ’tydel , Symphathie, Antipa- 
hie en diergelyke , de Gordiaanfche 
knoopen, welke de Natuur gelegd had, 
zeer gelukkig , als met eene heirbyl , 
doorhakte. Dus maakten de Filofofen 
beweginge genoeg, maar vorderden niets 
ter waereld, zy deeden veel en voerden 
niets uit , en zy verkogten, met een 

à _mag- 


ddie 


ture interpretes evadebant, Summaenim, etcom- 
pendium Sapientiae erat: Phoenomeno forte obla- 
to, certe ankie non quefito, novum ad illud expli- 
eandum qualitatum genus advocare, et magicis, 
horrovis wacui, Sympathie, Antipathiee ,nominibus 5 
gordios illos, quos Natura neétit, nodos, velat 
tenedia bipenni, felicisfime disfecare. Ita, mover 
bant equidem fe Philofophi , cognitionem tamen 
veritatis nihil promovebast, multa agendo, nihil 
pgebant, fumums Ct verba magna oftentatione di- 
vendebuar, 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 121 


magtigen ophef , woorden zonder zaken. 
Onder deze harde dwinglandy'werden 
de Wetenfchappen gedrukt en zy zug- 
teden; maar eindelyk heeft haar CARTE- 
srus dat juk van verouderde dienstbaar 
heid afgeligt, en haar éen vaandel als ’t 
ware opgeftooken, om hem , tot het ver- 
krygen der Filofofifche. vrye denkens- 
wyze, te volgen. Want den dienst op- 
gezegd hebbende aan dien vadzigen hoop 
{nappers „ welke het leergeftoelte alom 
vervulde, gaf hy zich uit voor een leids- 
man en uitvinder eener werktuigelyke 
wyze van behandelinge der W ysbegeer- 
te, Hy deedt zyn best, om uit de be- 
kende hoedanigheid der ftoffe, welkede 
uitgebreidheid is, hare overige eigen- 
fchappen afte leiden ; en hy zocht wet- 
ten vast te ftellen, aan welke de licha- 
H 5 men 


7 
odd 


Gemebant oppresfie dura hac Peripateticorum ty- 
rannide Scientie, fed excusfit tandem inveteratae 
fervitutis jugum, et ad libertatem philofophandive- 
lut fignum aliquod fustulie Cartefius. Relicta enim 
ignavailla , que cathedras oecupaverat , garrientium 
turba , mechanicze philofophandi methodi Ducem 
fe, et auftorem prebuit. Ex cognita itaque mate- 
rie qualitare, que extenfio est, reliquas ejus pro- 
prietates deducere , leges, quibus corpora in or” 
: 8 


122 J:PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE 


men, in hunne beweegingen , gehoorza- 
men, en verfchillende hoofdftoffen uit- 


tedenken, om, uit derzelver onderfchei- 


dene gedaanten en ingedrukte beweegin- 
gen, den oorfprong van ’tHeelal en de 
verfchillendheid ‘der verfchynzelen te 
verklaaren, Metregt mag hy zich dien 
lof toeeigenen , dat hy byna de eeríte 
was, die, ontwaakt uit eenen langduri- 
gen flaap ‚ waarin de voorftanders der 
wysheid zoo veele eewen lang hadden 
bedolven gelegen „ eenen aanvang ge- 
maakt heeft van de. wysgeerte met alle 
zorge en naarftigheid , op eene wysgee- 
rige wyze, te behandelen, Daar inech- 
ter heeft hy misgetast, dat hy er niet 
zoo zeer op uit was, om de Natuur te 
raadpleegen , maar dezelve veeleer , hoe 
zeer zy er dikwilsook tegen aan iced 

SE) 


bus fais obtemperant , ftabilire , elementa varia 
comminisci, ex eorum diverfà ftructura, et im- 
presfis motibus , Univerfi originem, ac phoenome- 
norum varietatem explicare conatusest. Idlaudis, 
jure meritoque fibi vindicat, quod primus fere, 
diuturno „ quo per tot fecula confopiti jacebant 
Sapientiae Antiftites, fomno excitatus, cum cu= 
ra, et induftria philofophari inceperit. In eo ta- 
men fuos manes pasfus est, quod mon tam Natu- 
ram 


VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL, 123 


de, te onderwerpen met geweld aan die 
wetten, welke hy haar met een aangee 
maatigd gezag van je doner py had. 
voorgefchreeven.. Hier-door is het by- 

ekoomen, dat de Natuur , die veel fter- 

er was dan onzen Filofoof , het groot 
gevaarte van zyn Natuurkundig Samen- 
ftel, dat hy opgebouwd had, gemakke- 
lyk heeft over hoop geworpen, - Even- 
wel heeft die zelfde Natuur de gedenk- 
teekenen van ’ mans vernuft en verdien- 
{ten in hun’ geheel gelaaten: zoo datmen 
van hem; ale van eenen anderen Filofo- 
fifchen Faëton zou kunnen „zeggen : 
dat hy den wagen der-wysgeerte, van 
welken hy zich tot koetzier had aange- 
geven, gemend heeft, en, fchoon hy 
de teugels niet heeft kunnen houden «en 
bedwingen, dat hy , met al zyn ongeluk, 
echter de eer had van iets groots te hebe 


ben durven onderneemen, E- 
aats 


ram confulere ‚; quam illam , relu&tantem feepe , legí- 
bus , quas diktatoria poreftate fibi arrogata tulerat, 
fubjicere annifus est. Eo evenit, ut Natura Philo- 
fopho potentior , infignem Syftematis , quod exftrux- 
erat , molem facile demolita fit : ingenii tamen, et 
meritorum monumenta falvareliquit, utdeeo, ve= 
lut altero Philofophorum Phaëtonte dici posfit: Cur- 
rum philofophandi, cujus fe autigam profèsfus erat , 
erfì non tennit , magnis baren engidie aufis, Par 


124 J. PAP DEFAGARAS ANTWOORD OP DE 


… Even gelyke zucht tot vryheid bragt 
NEWTON , de ware vader der Natuur- 
kunde aan, omde Wetenfchap , welker 
wisfelvalligheden wy verhalen , uit de 
wieg te nemen en verder op te kweeken ; 
maar zyne vlugheid van inbeelden” was 
onder een ftrenger bedwang, en hy had 
een — doorkneed en allernaawkeurigst 
oordeel. Hy gaf zich meer uit voor 
een Leerling , dan voor een Leermees- 
ter der Natuur ; en hy was de eerfte der 
ftervelingen , (fchoon HUIGENS en KEPLER 
hem vry helder voorgelicht hadden) die 
de ware wetten der beweeginge uitvond, 
en-de-Proefondervindelyke Natuurkun- 
de in eene gelukkige echtvereeniginge 
met de Meetkunde famenpaarde, . Maar 
na dat-hy ettelyke verfchynzelen der 

SE | ERE wac- 


tatei 


Par libertatis {ftudium, fed imaginandí licentiam 
feverius caftigatam, et confumatum judicium, ad 
Scientiam, cujus fata enarramus , e cunis fuis edu= 
cendam attulit , verus ejus parens , Newtonus. 
Discipulum enim Naturge potius, quam Magiftrum 
fe confesfus , primus fere mortalium „ (Hugenio ta= 
men „ Kepleroque , facem non obfcuram preferen- 
tibus) veras motus leges eruit, et experimentalem 
Phyficam cum Geomcetriaj foecundisfimo connubio 
copulavit, Postquam vero. varia Univeríi phoeno- 

me- 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 125 


waereld onder de gemeene wetten. der 
Aantrekkingskragt gebragt had, bleef 
hy daar ftille ftaan, als -aan het uiteinde 
des bekenden aardbodems, aan de pila- 
ren van Herkules; en hy liet, onbeflist, 
in midden, of men de werktuigelyke 
verklaringe van alle die verfchynzelen 
wel kon onderneemen, of verwachten, 
Niemand iser, die alle dingen naar waar- 
de heeft leeren beoordeelen , die ooit in 
twyffel trekken zal, dat déze groote 
man de Natuurkunde, welke noch met 
teedere fchooren onderfchraagd was, op 
een vaster grondflag van Wiskunde en 
Proefnemingen gevestigd heeft, en dat 
hy haar, die op zyn best van tichelen 
en brikken was opgebouwd, als een 
prachtig en fterk gefticht van marmer 
heeft nagelaaten. 5 

e 


NI lead Nele Ull 


mena ad communes Actrationis leges revocasfet, 
in his velut columnis Herculeis fubftitit, idque an 
mechanica illarum explicatio tentari, vel fperari, 
debeat , in medio reliquit. Hoe nemo, qui res fuo 
pretio aeftimare didicit , in dubium revocaverit „ 
quod fcientiam Naturalem, tenui antea fulcro ni- 
xam, folidiori Mathefeos, et Experientie funda- - 
mento fuperftruxerit, eamque, quam vix laterici= 
am invenerat, marmoream reliquerit. 

Suas 


226 J. PAP DE FACARAS ANTWOORD OPDE 


De onvergelykelyke LerBNrrz fpeelde , 
niet zonder veel gerucht en toejuichin- 
ge ‚ zyne rol op het tooneel der Natuur- 

unde, zoo wel als op de tooneelen van 
alle menfchelyke kunften en wetenfchap- 
pen. Want alzoo hy ook eene uitmun- 
tende fchranderheid aanbragt tot het uit- 
vorfchen der Natuurgeheimen, ftemde 
hy daar omtrend met NEWTON geree- 
delyk in, dat de Natuur zelve naar ha- 
re eigene wetten moest ondervraagd en 
zy met de Wiskunde vereenigd worden. 
Maar in ’t bepaalen der Natuurkundige 
oorzaken, poogde hy die uitterfte grens- 
fcheidingen, welke NEw TON als ’*t ware 
ter ftuitinge der menfchelyke onderneem- 
zucht had gézet, te overfchryden, en 
de werktuigelyke wyze van filofofeeren , 
om 


AD 


$ A Wi le ez zeil Ni DEN (DD NN 7 
Gs 
Suas, ut in omnis Eruditionis humane , ita eti= 
am in Phyfices theatro partes, non fine ftrepitu et 
applaufu egit incomparabilis, Leibnitzius. Excel- 
lentisfimum enim ingenium ad rimanda Nature fe- 


creta ille etiam afferens, in eo facile Newtono 


asfenfus est: ipfàm de legibus fuis esfe interrogan- 
dam, et eum Mathefi conjungendam. Sed in Phy- 
ficis rerum caufis asfignandis, ultimas illas, quas 
Newtonus humane induftriee quafi fixerat colum= 
nas, fuperare, et mechanicam philofophandi, vel 

: om 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 127 


om alle gewrochten uit de gedaante en 
famentftellinge der lichamen af te leiden, 
wederom in te roepen én op de baan te 
brengen; zoo dat hy, aan zyne vrucht- 
bare fchranderheid boven mate toegee- 
vende, en nederdaalende tot aan deeer- 
fte oorfprongelykheden der dingen, ein- 
delyk bezweek onder die moeilykheden, 
onder welke alle anderen voor hem be- 
zweeken waren. Menige uitmuntende 
zaken heeft hy te kennen gegeeven : 
nochtans begon hy meer {tukken, dan 
welke hy voltooien kon; en met dat al 
heeft hy, door zyn voorbeeld, raad en 
aanmoediginge ‚ veel nut gedaan. Dit 
alleen is er, tot ongemak der weten- 
{chappen , uit ontftaan: dat hy den ver- 
_maarden worF en bykans alle de ed 
en 


Odie 


omnes effettus, ex figura, ac ftruêtura corporum 
explicandi rationem, revocare conatus est, et fer 
tili ultra modum indylgens ingenio, ad primas us- 
que rerum descendens origines, illis quibus omnes 
alii diffieultatibus fuceubuit.  Egregia multa monu- 
it, plura tamen agresfus est, quam perfecit , exem- 
plo, confiliis , adhortationibus multum profuit. Id 
folum feientiarum incommodo evenit: quod ita in- 
genii et auttoritatis fuae vortice Celebr, Wolfium, 
et omnes fere Germanix Philofophos abripuerit, ut 

con- 


128 j. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE 


fen var Duitschland, zoo, door der 
draykolk van zyn vernuft en gezag , 
vervoerde, dat deze dienloopkring , wel- 
ken hy minder waarfchynelyk , dan 
fchrander befchreven had , als gedurige 
trawanten van eenen grooteren Planeet 
ftantvastiglyk volgden , als zoo veele 
leidftarren, 

Na den dood van dit edel paar Filo- 
fofen, is de Natuurkunde onder eene 
verfchillende gedaante ten voorfchyn ges 
koomen, In Engeland en Nederland is de 
Newtoniaanfche W ysgeerte, met recht, 
altoosin de openbare {maak gevallen , en 
eindelyk, by vervolg van tyd, begon 
zy ook in Frankryk en Italien voor eene 
aangename liefhebbery te worden ge- 
houden, De wysgeeren van Duitsch- 
land , die LEIBNITZ volgden, hadden 

meer- 


NOAD PAL ANU DEU ENUDA PNI DA DAD 
Ker SRT cht ebr co kt ok sake ok ike of 


continuo illi orbite , quam majori ingenio, quam 
verofimilitudine defcripferat , velut perpetui ejus 
fatellites adhererent. _- 
> Varia, post fata nobilis hujus Philofophorum pa- 
ris, facie, Scientia Naturalis apparuit. In Anglia 
et Belgio Newtoniana Philofophiafuo merito pu- 
blici faporisfemper fuit, et procedente demum tem- 
pore , in Gallia etiam , ac Italia in deliciis esfe coe— 
pit. Leibnitzium fequuti Germanie Philofophi, 
ge 


VRÁGE VOOR °T JÁAR MDCCLXXIL. 129 


meermalen die algemeene wetten van 
Aantrekkinge , welke zy wisten „dat, in de 
fchole der Newtonianen , voor algemee- 
ne hoedanigheden der ftoffe werden uit- 
gevent, fchamperlyk uitgelagchen, als 
wisjewasjes der {choolgeleerden; en er 
by, niet zonder verwaandheid, dikwerf 
verklaard, dat men die wetten uit de 
drukkinge eener fyne ftoffe verklaren 
moest; fchoon zy zelve dit nooit ter uit- 
voer bragten. Ondertusfchen heeft men 
het dank te weeten aan de oprichtigen van 
de Akademien der Wetenfchappen, dat 
de Filofofen „uitgenoodigd , tot het naâw- 
keurig aanleeren der Natuur, zoo veele 
niewe zaken hebben ontdekt; zoo veele; 
die noch duifter by de voorzaten bekend 
waren, duidelyker hebben ontvouwd ; 
IP. DEEL P « en 


Ond 


‚ generales illas attraétionis leges, quas in Scholà 
Newtoniana , pro communibus mâterie qualita- 
tibus venditari noverant , velut Scholasticorui 
naenias „ feepius irriferunt, illasque, ex presfione 
fubtilis cujusdam materiae , explicandas estë fepius 
cum fupercilio monuerunt , nunquam tamen“ipfi 
preftiterunt. Id erettis interea Scientiatfum Aca- 
demiis acceptum ‘referendum est} quod“âd @Natu= 
ram accurtatius @discendam invitari Philofophi, tot 
nova detexerint , tot prioribus obfeure eognita, cla=’ 

ïis 


230 J, PAP DE FAGARAS ANTW OORD OP DE 


en eene Wetenfchap, die noch niets an- 
ders uittrichte, dan dat zy der niewsgie- 
righeid voedzel fchafte , zoo gelukkig- 
lyk „ten voordeele en tot gebruik van 
ons leven hebben toegepast. Wy eerbie- 
digen. met regt de onfterfelyke namen, 
dier groote mannen (fchoon wy over- 
vloedig. fchatten. dezelve hier op te 
noemen) en. wy wenfchen ons zelven 
geluk met de vorderingen, welken zy 
in die alleredelfte Wetenfchap hebben 
gemaakt : en echter worden wy ge- 
dwongen, om, in deze, de zwakheid 
van den menfchelyken toeftand te erken- 
nen „ dat noch. de Natuuronderzoekers, 
na dat zy alle hunne krachten vereenigd 
en hunne Îetteroeffeningen by een. gefa= 
meld hebben, geene gemeene endfchreef 
aan de loopbaan, op welke zy allen om 


Prys 
tn 


rius:explicaverint , et Scientiam , que folius curiofi- 
tatis pabulum videri poterat, vite ufibus tam feli- 
citer applicaverint. Magnis Virorum immortalium 
Cquos nominasfe fupervacaneum esfet) nominibus 
merito asfurgimus , et progresfus, quos in Scientia 
nobilisfima fecerunt, gratulamur: in eo tamen hu- 
mane conditionis infirmitatem, agnoscere cogi= 
mury-quod post conjunêtas licet vires, et colleéta 
‚Ítudia , nondum communem aliquam metam „ ad 
quam Nature Serutatores contendere debeant , una- 
nl 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCL&X1, 131 


prys voortftreeven, met algemeene be: 
ftemminge; getrokken hebben; Want 
hier over twisten de Hoofden der Filo. 
fofen en. de rechter moet er zyn woninis 
noch over flryken: te weeten, hoe verre 
men in het uitvorfchen van de oorzaaken 
der dingen voortgaan moge? en waar men 
eindelyk moet blyven ftilftaan? Of men 
uit de Proefnemingen alleen, voor zoo 
verre die onder eene Wiskunttige bereex 
keninge gebragt worden; zich moet laten 
onderrichten, en, langs dien weg, de 
wetten der beweeginge ontdekken? Dan 
of men ook moeite moet aanwenden; 
omde eerfte Natuurwetten, uit de in- 
wendige gefteldheid der lichaamen;, te 
werklaatem 210; zool zois D gode 
Dat nudeze twist , welke, als-doot een 
fcheidsmuur, de F A van onzen ae 
2 ty 


Stitt 


x 


nimi confenfu fixerunt,  Certant enim de eo Phi- 
lofophorum Principes , ee adbie fab zudiea lis est; 
uousque in causfië rerum indagandis fit’ prqgredi- 
endum, et bi demum fubfiftendum? Num exfolis 
Expetimentië, caleùlo Mathematico' fubjettisisfupi= 
enduùiì, et ita legés motus detegende? Aut vero 
operd etiam-in primis Nature légtbus „ex iúteriori 
eórporanr ftruétura'explieandis eollocanda ? 
‚Non vafäm esfehänc litem qu muro quódam 


dia 


132 PAP DE FAGARAS ANT WOORD OPDE 


tydevan een gefcheiden houd, niet vol- 
ftrekt ydel zy, zal elk onpartydig beoor- 
deeler: gaarne belyden. « Want er-wordt 
gehandeld. over den weg, langs welken 
men veiligst tot in-de binnenkameren der 
Nature doordringt, welken deeze byna 
alleen-inde Proefneminge en: Wiskunde, 
gene ín gisfingen en, veronderftellingen , 
fchynente zoeken, Er: wordt gehandeld 
over de “omheinigen, binnen welke-zich 
een Natuuronderzoeker moet houden; 
en niemand is er, die niet weet, dat die 
beperkingen van dezen wyder;, en van 
genenvenger -gefteld. worden. > Derhal- 
ven kon er. niets gefchikter zyn voor de 
tegenwoordige gefteldheid der W'ysbe- 
geerte, dan dat het Doorluchtig-Genoot- 
fchap van'Vlisfingen ‚volgens den; drift, 

DST OM „waat 


h, y 7 NISPEN INDI 
bd ee sd 


7 


dividit eetatis noftre Philofophos , facile equus 
rerum arbiter confitebitur._ Aegitur enim de via, 
qua tutisfime ad Nature penetralia itur ‚quam hi in 
folis ijre experimentis ac Mathefi, illi in conjettu- 
ris ac-*hypothefibus quzserere, videntur.. Agitur de 
cancellis , intra quos Nature ferutator fe contine= 
re debeat , quos ampliores.ab.his, arftiores ab illis 
conftitui nemo nefcic, _Nihilitaque prefenti philo— 
fophaudi fcenze:accomodatius esfe potuit, quam quod 
illust. Societas Vlisfingana, pro€o, quo in Scien- 

Per tLs 


Ld 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 133 


waar door hetzelve tot het uitzetten van 
de grensfcheidingen der Wetenfchappen 
wordt aangefpoord, in het openbaar de- 
ze vrâge ter oplosfchinge voordraagt: 
Mag een Natuuronderzoeker. uit-de reeds 
gemaakte waarnemingen en proefondervin- 
dingen verdere gevolgen trekken ter uit 
worfchinge van de noch onbekende oorzaken 
der-verfchynfelen? zoo ja, hoe verre mag 
hy daar in voortgaan, en welke regelen 
moet hy daar omtrent in acht nemen? En 
terwyl wy nu zullen overgaan, om dat 
Voorftel, zoo veel onze kragten toelaa- 
ten, met alle naawkeurigheid op te los- 
fchen, meenen wy, dat er ons vooreerst 
‘veel aan gelegen is, dat wy alle kmi 
heid, welke de menfchelyke ziel van de 
Natuurgewrochten en hare Oorzaken be- 

13 ___koo- 


\ DAN ly NDA IN 4 , 
Bte 


tiarum fines provehendos fertur, ftudio , publice 
hane Quettionem propofuerit difcutiendam : Num 
debeat Naturae ferutator, ex inftitutis gam obfervationibus, 
et experimentis , ulteriores confeqwentias ducere, ad incog- 
zitas phoenomenorum causfas detegendas, et fi hoc posfit, 
guousque ipfi progredì fit permisfum, et que fint illae regu= 
lae , que ipfi bec agenti incumbant obfervandae ? Ad hoc 
Problema ‚cum omni ‚quam vires noftre permittunt , 
accuratione , refolvendum jam accesfuri, id noftra 
_ primum etiam interesfe arbitramur, ut omnem il- 
lam, quam mens humana de rebus ipfis, earumque 
Caus= 


134 J-PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE 


koomen kan, uit hare eerfte beginzelen 
ophaalen. 


Er is voorwaar! eene onuitdrukkely- 
ke, ja byna oneindige verfchillendheid 
van zaken onder de byzonderheden, wel- 
ke in dit Geheelal voorvallen ; en echter 
zal ieder ligtelyk befpeuren, dat er vele 
gewrochten, als met eenen band , famen 
verbonden worden, en dat het een ver- 
fchynzel uit het ander, volgens eene 
{tantvastige geboortewet, voortgeteeld, 
wordt, Onder ’t gemeen is bekend, dat 
de wind wordt voortgebragt door dam- 
pen, welke door de warmte der zon in 
den dampkring zyn opgeheven, en dat, 
door hun aandryven, de wolken in re- 
genvlagen opgelost, en door dien ed 
| eis 


NN DN 
hee he se 


causfis acquirere potest cognitionem , a primis ejus 
initiis repetamus. 


Immenfa profeéto est corum, que in hac Univer- 
fitate contingunt, varietas , ac prope infinita ; 
plures tamen efteétus , communi quodam vinculo, 
inter fe colligari, unumgue phoenomenon , exalte- 
ro, Conftantí nascendi lege procreari, facile unus- 
quisque deprehendet. Vaporibus calore folis , in 
atmosphaeram elevatis , ventum excitarl , eorum 

I= 


VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXL 135 


de planten verfrist en de lucht gezuiverd 
worden. 

Evenwel wy leerden door de ondervin= 
dinge, dat er zich eenige gewrochten op- 
doen , zoo die dikwyls, als die zeldfaam 
voorkoomen, welke niet gemakkelyk te 
fchakelen en uit dezelfde wetten te ver- 
klaaren zyn, Door ons gezicht weten wy ; 
dat lichamen , aan hunzelven overgelaa- 
ten, in eene loodlyne richtinge tot den 
gezichteinder, nedervallen, en dat de 


wateren der zee, op eene zekere manier, 


nu aanvloeien naar, en dan wederom af- 
vloeijen van de ftranden ; maar niemand 
der ouden was het in zyn verftand ge« 
komen, dat die verfchynzelen, welke , 
by den eerften opflag van het oog , zoo 
verfchillende zyn, Gn volgen uit een 

4 en 


tnt 


impetu nubes in pluvias refolvi, his plantas recrca- 
ri, aêrem depurari, in vulgus notum est. 

‚ Dari tamen effetus quosdam, obvios aeque, ac 
rariores, qui non facile vel inter fe conneéti, vel 
ex iisdem legibusexplicari posfint , experientiaedo- 
cemur. Corpora fibi permisfa, dire&tione ad hori- 
zontem perpendiculari , verfus terrae fuperficiem 
cadere, itemque maris aquas, certa quadam ratio- 
ne, ad lictora nunc affluere, mox refluere, vifu 
cognoscimus, fed phoenomena haec , primo intui- 


„tu tam diverla, ex uno , eodemque gravitationis 


unal- 


136 J. PAP DE FAGARAS ANT WOORD OP DE 


en het zelfde beginzel der Algemeene 
Zwaartekragt. 

__ Nochtans zal elk Waereldbefchouwer, 
die eenige verhevendheid van geest bezit, 
gemakkelyk bevroeden, dat ook die din- 
gen, welke niets onder elkanderen fchy- 
nen gemeens te hebben, eenigzints mis- 
fchien famenhangen; dat ook de ge- 
wrochten, die zich zeldfamer opdoen , 
in den fchakel der Oorzaken en Gewroch- 
ten, mogelyk wel eenige plaats vinden, 
fchoon die wat afgelegen mogt zyn; dat 
dit Geheelal maar een eenig werktuig is, 
welks edelfte verrigtingen, volgens de- 
zelfde wetten, afloopen ; dat er eenige 
fchakelen zyn van de natuurlyke ketting, 
welke de duiftere verfchynzelen met de 
duidelyker bekenden, en de zeldfame 


met 


tst 


univerfalis principio fequi, nemini veterum per= 

fpeétum erat. 
Facile tamen „ eretioris ingenii Univerfi fpeéta- 
tor fufpicabieur , forte ea etiam, quae nil commu- 
ne inter fe habere videantur, aliquo modo coheere- 
re, effetus etiam rariores , locum aliguem in cate- 
a causfarum, et effetuum , licet remotiorem „ 
vel oecultiorem, obtinere, esfe hoc Univerfum u- 
nam quandam machinam , cujus nobiliores funétio= 
nes jisdem legibus peragantur, dari quasdam natu= 
Ta= 


hd 
VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXI, 137 


met de meerwerf voorkomende, ver: 
knochten. „En in deze meeninge wordt 
hy van dag tot dag, door niewe waar- 

nemingen, meer en meer bevestigd. 
Door dit edel vermoeden opgewekt; 
begonnen veelen het tooneel van “deze 
waereld naawkeuriger te begluuren. Zy 
achtteden het van hunnen pligt te zyn, 
niet alleen opmerkzaam toe te luisteren, 
alsde Natuur eenige byzonderheden van 
hare geheimen, ongevergd verhaalde; 
en dan, al wat zy hoorden, met malkan- 
deren te vergelyken, en er niewigheden 
uit te haalen; maar ook, wanneer zy 
zweeg, haar te ondervraagen, en als zy 
niet gul genoeg antwoordde, haar met 
ondervragingen, welke met keurigheid 
en fchranderheid waren opgefteld, in ’ 
| 5 _naaw 


dre 


ralis catene anfas, quae obfcuriora cum claris, ra= 
riora cum obviis, conneêtant. In hac deinde opi- 
nione , novis obfervationibus captis , magis , magis- 
que, in dies confirmatur. 

Nobili hac fufpicione excitati plurimi, inceperunt 
hoe Univerfi theatrum accuratius contemplari, Non 
folum icaque Naturam , quedam de fuis fecretis 
fponte enarrantem, attente audire, audita inter fe 
conferre , nova ex iis elicere; fed et eandem filen= 
„tem inrerrogare, non fatis fincere refpondentem , 

‘ N qur= 


af 
18 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE 


naauw te brengen „en ter beantwoordinge 
uit te lokken; en ook uit die dingen, 
welke zy, uit eigen welgevallen, of na 
herhaalde ondervraginge, uitte, met ee- 
ne fcherpzinnige gisfinge, zulke gehei- 
men op te maaken, welke zy, hardnek- 
kig en wel beraaden, zocht te verzwy- 
gen: 5: 

Op deze wyze hebben, ten laatften, 
aandachtige en oordeelkundige leerlin- 
gen der Natuur kennisfe gekreegen aan 
zoo veele , voormaals onbekende, foorten 
van gewrochten,. welke elkaar in een 
zekere orde opvolgen, of die aan mal- 
kanderen vermaagfchapt zyn. Hier van 
daan «koomt het, dat men, van aloude 
tyden af, waarneemingen gemaakt en 
die dikwyls herhaald heeft: hier ne 

aan 


tin 


quzftionibus „ cum deleêtu et ingenio inftitutis , 
circumvenire, et ex ijs, que vel fuo lubitu, vel 
frepius interrogata protulit, ea etiam , quee obftina- 
to confilio reticere nititur, fugaci conjeêtura collie 
gere, fuarum esfe partium putaverunt. 

Hac demum ratione, attenti, et folertes Naturae 
discipuli „tot anteaincognitas eftettuum „ vel certo fi- 
bi ordine fuccedentium, vel eognatione conjunéto- 
rum familias cognoverunt. Capte inde ab antiquis 
temporibus obfervationes ; egedemque fiepius repeti= 

tac, 


VRAGE VOOR °T JAAR MDECLXXII, 139 


daan, daten, met kunst, proefnee- 
mingen gedaan, dat men door behulp 
der waarneemingen (niewe wetten van 
beweginge ontdekt en door proeven nies 
we werktuigen heeft uitgedacht, en dat 
men door die wederom veele dingen aan 
* licht gebragt , en de harmonifche over- 
eenftemminge van alle zaaken uitgevon- 
den, en ook die, welke noch twyffelach- 
tig konden fchynen, zoo lang voor waar 
gehouden heeft, tot dat zy , door veler- 
hande proefnemingen bewaarheid, eene 
plaats, onder de zekere en beweezene 
waarheden verkreegen. 
_ Waarlyk men is aan deze wyze van 
filofofeeren verfchuldigd, dat men de 
onderlinge verbintenisfe der dingen, wel- 
ke in dit Heelal gebeuren, begreepen 
hebbende, thans de verfchynzels, elk 
on- 


linten 

tae, infkituta cum arte experimenta; eorum ope novae 
motus leges deteftae ; harum auxilio, nova inftru- 
menta excogitata; his multa iterum, in lucem pro= 
trata , harmonicus rerum omnium concentus detec= 
tus; ea etiam , quae dubia videri poterant, pro ve- 
ro tantisper habita, dum variis experimentis con- 

firmata, locum inter certas veritates obtinerent, 
Huic profeéto philofophandi methodo acceptum 
referendum est, quod mutua eorum, que in hoe 
Univerfo eveniunt, affinitate perfpeta; phoenoe 
mee 


14 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE 


onder zyne foorten en rangfchikkingen ; 
welke doch niet zeer menigvuldig zyn, 
gebragt, en de geflagtboomen der na- 
_ tuurlyke waarheden, tot aan hunne eer- 
fte beginzelen en wortelen toe gelukkig- 
lyk gevolgd heeft en opgefpeurd, Heden 
is het openbaar, * geen den ouden niet 
eens in de gedachten kwam, dat door 
„eene en dezelfde wet der byna algemee- 
ne Aantrekkinge, de zwaare lichamen 
naar het middelpunt der aarde gedron- 
gen; de Planeeten binnen hunnen loop- 
kringen gehouden „de vochten in de hair- 
buizen opgeheven worden, en dat het 
licht „als het in een dichter of ylder door- 
fchynend lichaam valt, geknakt wordt. 
Het ftaat, ten onzentyde, by alle wys- 
geeren vast, dat dezelfde veerkragt der 
luchteene blaas, welke men aan het vuur 

brengt, 


Baer 


mena in fuas clasfes „ easque non ita multas, fint 
relata, et genealogicae naturalium veritatum tabu- 
lae, ad prima usque principia feliciter perduêtae. 
Patet hodie, quod antiquis ne in mentem quidem 
veniebat , una eademque fere uuiverfalis attratio- 
nis lege, gravia ad centrum terrae detrudi, plane- 
tas in orbitis fuis contineri, fluida in tubis capillari- 
bus attolli „ lamen in medium denfias rariusque in- 
cidens refringi. Conftat noftro tempore inter om- 
nes „eandem-aëris elaftioitatem veficam igni admotam 

ex- 


— VRÁGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXII, 14E 


brengt, uitzet, eenen kogel uit een {nap- 
haan of luchtroer uitfchiet, de kwik in- 
den Luchtzwaarteweeger doet ryzen, en 
dat zy zich , byna in alle verfchynzelen, 
welke op den aardbodem voorkomen, 
inmengt. | 

Hier door verkrygt men dit voordeel; 
dat, alzoo er zoo veele en zoo verfchil« 
lende gewrochten, uit eenige algemeene 
wetten, verklaard worden, ook de een- 
voudigheid, zoo wel als de duidelykheid 
der Wetenfchap daar. door bevorderd 
wordt ; want die algemeene wetten zyn 
als zoo veele brandpunten, waar in alle 
de ftraalen der natuurlyke waarheden, 
welke, als door het Geheelal verfpreid, 
de oogen ter naawer nood-met een flaaw- 
lichtje troffen, famen. gebragt worden, 
Mot en 


tdi 


à *. ZON 

expandere , globum e felopeto pneumatico ejicere, 

mercurium in barometro attollere , et omnibus fes 

Te, quae in orbe terrarum contingunt, phoenome- 
nis immifceri,. irr 
„Hoe modo obtinetur, utdum tot, tamque diver- 

fieffeétus, ex legibus aliquot generalibus explican= 

tur, Scienttae fimplicitati aeque, ac: claritati con= 

falatur; funt enim eae totidem velut foci, in qui=, 
bus omnes veritatum naturalium radii, qui in toto, 
antea difperû univerfo, vix debili quadam luce ocus 

À n 8 zt los’ 


\ 


142 J. PAP DE FAGARAS ANT WOORD OPDE 


en dus vereeriigd, en op eenc.gefchikte 
wyze, in de oogen der ziele binnen ger 
laaten, ons de beeldkennisfe der geheele 
Natuur, met levendige verwen afgefchil- 
derd, ter befchouwinge aanbieden, Ze 
kerlyk die kundigheid mogt met regt voor 
dé allervolkomenfte gehouden worden, 
welke in een eenig beginzel beftaat, dat 
volmaakt gekend-is, en dat alle waarhe- 
den influit, ROIOW, LIRBLITAH AN 

Edoch de Natuur fchynt. heláas! al 
te afgunstig, met veele moeite te beletten; 
dat geheimen, welke zy verdonkert, zoo 
ligtelyk niet gekenden de wetten welke 
zy volgt, zoo gemakkelyk niet ontdekt 
worden. Zy verandert daarom ,.nu en 
dan, van gelaad; dan koomt zy eens te 
‘woorfchyn met een listig aangezicht, dat 
RER, f - men 


tnt n 


Jos feriebant , colliguntur „ colleétique® ac in men- 
tis oeulos lege debita immisfi, totius Naturae ima- 
ginem , vivis depictam coloribus „nobis contemplan- 
dam: offerunt. Ea certe cognitio, pro'omnibus nu- 
meris abfoluta, jure haberi debet, quae uûo folo 
principio, fed perfeCtisfime cognito ; oftnesqüe ve- 
ritates includente continetur. shed ed 
…-Ipfa tamen. Natura; wimiseheuT ifvidä, magno 
conätu videtuúrimpedire, ne fecretàquêe premit, tam 
facile eognoscantur, legesque, quas fequúitur , dete= 
gantúr. Mautat itägue-fubirtde vultumt, nunc-fronte 

ap= 


VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXI. 143 


men Gezichtkunde noemt, en dus brengt 
zy onbedagtzaamen tot dwalinge, Straks 
neemt zy eene andere gedaante aan, die 
wel hare ware gedaante is, maar Zoo 
onder eenen fluyer verborgen, dat zy 
zonder fcherpziende oogen van redeneer- 
kragt, onmogelyk te bezien is.  ‘Terwyl 
zy met een bedriegelyk aangezicht te 
voorfchyn koomt, vertoont zy in % zel- 
ve den hemel, als een hol halfrond, dat 
met fterretjes, die even verre van ons 
allen afzyn, bezaaid en befchilderd is, 
de zon als in eenen kring rondom den 
aardbol draaiende , en zy maakt het gee 
meen diets, dat de Planeten voortgaan, 
fluks op eene plaats blyven ftilftaan, en 
eindelyk, den weg, welken zy reeds had- 
den afgelegd, wederom te rug komen; 

en 


Sted 


apparet fubdola, quae Optica appellatur , et incautos 
inerrorem inducit. Mox fumit alteram, veram-qui- 
dem , fed ita objefto velo occultatam, ut non nifi 
acutis rationis oculis , cerni posfit. Dum fallaci-fa- 
cie in medium prodic, in hac, Coelum inftar caví 
alicujus hoemispherii, ftellulis , eodem a nobis: in= 
tervallo diftantibus , diftin&i, depiétum nobis ex= 
hibet ; folem: circa terram in gyrum verti, Planes 
tas nunc ire, mox eidem loco alligarï’, tandemque 
viam, quam emeníi erant relegere, vulgw perfua= 
i det et ita miris nos praftigiis deeipit. De 

8 


\ 


T44 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE 


en zoo bedriegt zy ons met wonderlyke: 
toovergreepen en beguichelingen. 
Maar, gelyk de Cretenfer. Visnymf 
Ditynna, zoo wordt ook deze kwaade 
ftiefmoeder in haar eigen wargaren ge- 
vangen: want zy is het met zich zelven 
nieteens, zy fpreekt tegenftrydigheden : 
en terwyl zy daar eeniglyk op uitzis, om 
hen met leugens te bedodden, die haar 
al te keurig naar hare geheimen onder- 
vraagen, is zy, met dit al, zoo weinig 
op hare hoede, dat zy zelve deswaar« 
heid aan den dag brengt. Want daar 


de fchrandere Filofoof, in de trekken. 


van haare tronie, eenige teekenen van 
bedrog opmerkt, begint hy fluks hare 
woorden en antwoorden met elkanderen 
onderling te vergelyken. Hy brengt zich 


in 


edet rt 


At quemadmodum Cretenfis Dito , ita maligna 
haec noverca, fuis dolis capitur, fecum n@mpe díis- 
fidet ipfa, pugnantia loquitur, et dum id unice a- 
git „ut curiofos nimium fuorum fecretorum percunc= 
tatores mendaciis fallat , veritatem incauta pro- 
dit. Dum enim folers Philofophus „ expresfas in 
oris lineamentis fraudum notas animadvertit „ mox 
ejus dia diftis, refponft refponfis , conferre inci= 
pit, et ex iis, quae antea fponte , cum nondun de- 


cipiendi animus ipfi erat, enarraverat, in memori- _ 


am 


Erp wr ve 


4 


_ VRAGE VOOR °T JAAR MDCELXXI, 145 


in gedachten, *t geen zy verhaalde, toert 
hy zelf noch geen bedriegen in den zin 
hadt, en nu haar van vals fpreeken over- 
tuigd hebbende, brengt hy haar onder 
{trenger onderzoek; en denkt bekwame 
werktuigen uit, om ze te pynigen; Ver- 
volgens de otmftandigheden van zaken 
rypelyk overwegende, ontdekt hy ein- 
delyk, met een vernuft, dat tot in de 
verholenste fchuilhoeken . doordringt, 
niet alleen alle hare bedriegeryen en lis- 
ten, maar ook de manier en kunstjes, 
met welke zy ons misleid en voor ons 
veinst: ja zelfs wikt en bereekent hy de- 
grootte van haar bedrog, en brengt het 
onder het bereik van pasfer en cyfferinge. 
Inde daad, door zoo groot eene kunst, 
worden alle de miswyzingen van ’% ge- 

IV: DEEL K zicht, 


Si NIN NR ON NI 2 
ED 


revocatis, eam doli convictam , queftioni fubjicit „ 
excogitatis aptis ad hoc inftrumentis torquet, et 
expeníis accurate rei circumftantiis, penetrante in 
occultiora ingenio, non ipfos tantum ejus dolos„ 
fed et rationem, qua nos decipit, et quas adhibect 


_fimulandi artes detegit, ípfamque fraudis, qua 


utitur, quantítatem, circino et calculo fubjeétam „ 
onderat, fupputatque, Tanta certe arte, ex 
olo angulo optico, et unica reflexionis ac refrac= 
tonis lege, omnes vel vifionis fallaciae „ vel iridis 
ly= 


T46:J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE 


zicht, -alle de fpeelingen des tegenboogs, 
alle dé Bte der fpiegels en vee 
orootslazen verklaard; mits men er al- 
léen ‘defi gezichtshoek en de eenige wet 
der "frraalbuiginge en ftraalknakkinge 
byvoege. Langs dien weg worden de 
ware tegelen der hemelfche beweegin- 
geti’ klaar ten toont gefteld, en wel uit 
verfchiynzelen, die ín den hemel voorval 
leven, naar den uitterlyken fchyn, te- 
gen @lkanderen ftryden. ‘Geen dan 
ván.dit heuggelyk gevolg is, dat de Na- 
tuur ‘van ‘haar momaanzicht beroofd 
worde en dat wy hare ware gedaante 
aanfchouwen kunnen, 

Deze is de ware weg, langs welken 
men veilig mag voortgaan, om van de 
géwrochten tot de oorzaken op te klim- 
meén, Want het aanwyzen en digen 

ef 


nende 


lufus, vel fpeculorum, lentiumque fraudes expli- 

cantur, tam eleganter, ex varlis que in Coelo 

contingunt phoenomenis, fibi iVicem in fpeciem 

contrariis, verae motuum coeleftium fegulae de- 

teguntur, ut detrafta jam Naturae larva, veram ip=" 
fius faciem posfimus contemplari. 

Haec est vera illa via, qua ex effeétibus ad eorum 
Causfas, quam tutisfime „itur. Non profeCto fuavia 
mentis (omnia pro Naturae legibus obtrudere, fed 

ne 


VRAGE VOOR’T JAAR MDCCLXXT, 14% 


der oorzaken van de gebeurtenisfen des 
Heelals is daar niet in gelegen, dat men 
aangename droomen van % vernuft ie- 
mand, voor Natuurwetten, opdringe; 
of het geheugen overftelpe met eene ru- 
we en ongefchikte menigte van proefne- 
mingen: maar hier in beftaat het eigent 
lyk, dat men, met oordeel en verkiezin: 
ge, te werk gaa, in het doen der proef 
nemingen, dat mert die, op verfchillen- 
de wyzen, met elkanderen vergelyke, 
en dus de algemeene wetten der bewees 
ginge en de eigenfchappen derlichaamen 
ontdekke: wyders, dat men,” uit -het 
geen dus reeds bekend geworden was, 
afleide *t geen tot hier toe moeilyk te 
verklaaren fcheen ; dat men de fchynba- 
re uitzonderingen, die dikwyls voorko- 

K 2 men , 


bi 


neque rudi et indigefta experimentorum mole , me- 
moriam obruere, verum illis, eum dele&tu et cera 
to confilio-inftitutis, vario inter fe modo combina= 
tis, generales motus leges ac proprietates corpo= 
rum detegere, ex his jam cognitis, ea etiam, que 
explicatu difficilia videri poterant, deducere, ‘ex« 
ceptiones, quae faepé contingunt, apparentes, 
explicare, occafionem ad nova inftrumentä compo- 
Denda captäre, his iterum ad experimenta nova, 
eum -firecesfu applicatis, alias motus leges, pro= 

: prie= 


148 J;PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE 


mên;-oplosfche; daf men de gelegen: 
heid waarneeme, om niewe werktuigen 
toe -terftellen: dat men die al verder, 
tot niewe, proefneemingen, bezige; en 
dus „als het wel gelukt, niewe wetten en 
eigenfchappen der lichaamen uitvinde, 
of dat;men de naawere verbintenisfe der 
verfchynzelen waarneeme;, de laatfte 
metde: middelfte en. de middelfte met 
de gerfte verbinde, en zoo op den lad- 
„der „der,-oorzaken en gewrochten van 
flap tot ftáp hooger en hooger dagelyks 
-„Zoo: wordt er ten laatfte een fchoon 
famenftel van Natuurkunde uit. „opge- 
bouwd;-ter voltootinge van het welke 
de Wysgeer, de Meetkunftenaar en de 
bloote. toekyker -elkanderen onskahne 
| e 


vennen mu 


prietatesque- corporum detegere, vel arctiorem 
phoenomenorum connexionem obfervare, extrema 
cum mediis, media cum primis colligare, €t ita in 
fcala causfarum et effettuum „ non Interruptis 
gradibus, altius in dies progredi: hoc demum est 
veras eventuum hujus Univerfi causfas asfignare. 
Ita demum pulchrum aliquod Scientiae Naturalis 
Syftema extruitur, ad quod felicius abfolvendum, 
mutuasfibi praeftant operas , Philofophus, Geome- 
tra, et Empiricus. Hic prima ponit GE 
a 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI; 149 


de behulpzame hand bieden. De een: 
voudige Waarneemer. legt de eerfte 
grondvestingen en brengt de bouwftof- 


fe, ter oprichtinge van het huis van 
nooden , by een, De Meetkunftenaar 


legt de fondamenten vast, en zet er het 
gevaarte op: en de Filofoof voegt alle 
de deelen in eene fraaje order famen , 
vult de ledige vakken aan en draagt 
zorge, zoo wel voor het fieraad, als 
voor het gemak der wooninge. 

Op dat men ons niet verdenke, dat 
wy dit zonder grond zeggen, voegen 
wy er een voorbeeld by. De bloote 


“waatneemer bemerkende, dat de voch- 


ten, in een vat beflooten, zich naar de 
lyn van den gezichteinder, of het wa- 


terpas, fchikken , legt, als *t ware, den 


grondflag van het werk. De Wiskun- 
Heb K 3 fte 


OND (PAD 
Bi ss Sad 


at et aptam aedificio quaerit materiam , Ifte funda- 
mentum firmat, et operis molem illi fuperftruit, 
Ille diverfas ejus partes eleganter conneétit, in- 
terititia replet, et ornatui, aeque , ac commoditati 


„ confulit. 


Ne gratis hoc dixisfe videamur , exemplum addi- 
mus: fuida vafi inclufa, ad horizontalem lineam fe 


_componere, obfervans Empiricus, hanc quafi bafin 
_operi ponit. -Totam Hydroftatices molem,. in hoc 


fun- 


250 CPAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE 


{tenaat' zet het geheel gevaarte van de 
Waterweegkunde op dezen grondflag 
neder, en betoogt de regelen van het 
evenwigt; maar de Wysgeer ziet naaw- 
keurig toe, hoe en op wat wyze, die 
wetten uit de gedaante en het famenftel 
der vloeiftoffen te verklaren zyn, of 
hoe men andere Verfchynfelen der Na- 
tuur onder deze wetten brengen kan. 
Middelerwyl, daar de waarnemer zich 
verwondert, als de Theorie aan de on- 
dervindinge niet volkomen beantwoordt , 
of dat erin de Vloeiftoffen iets gebeurt, 
2 geen uit de gemaakte wetten en rege- 
Jen niet kan worden afgeleid, valt hy 
van zelfs op eene niewe eigenfchap der 
-vloeiftoffen, (te weeten op de veerkragt 
der lucht) deze onderzoekt de Wiskun- 
ftenaar en leid er veele andere waarhe- 


den 


, BNI PEN\II2 
endet 


fandamento collocat, et regulas aequilibrii demon- 
ftrat Mathematicus, quomodo vel hae leges, ex 
fivura ac ftrutura fluidorum, explicari , vel alia 
Naturze phoenomena, ad illas revocari posfint 
difpicit Philofophus. Interim, dum vel theoriam 
experientiae non accurate refpondere, vel quaedam „ 
quae in fluidis eveniunt, ex his deduc1 non posfe 
miratur, in novam aliquam fluidí propretatem 
(puta aëris elafticitatem) incidit ille, hanc B 

7 D 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXKIL, 151 


den uit af; maar de Filofoof vorscht uit, 
hoe zoo veele eigenfchappen onder el 
kanderen famen hangen, of daar, toe 
{trekken , om andere zaken, omtrend 
welke hy voormaals gedubt had „ te doen 
begrypen, en zyne niewe uitvindingen 
past hy toe op een voordeelig gebruik; 
in *t menfchelyk leven, of op het ver- 
vaardigen van niewe kunsttuigen, | 


De meeste Wysgeeren onzer eewe 
koten daar in overeen, en zy zeggen 
uit eenen mond, dat het de eenige ma 
nier is, om van de gewrochten tot de 
oorzake op te klimmen, als men door 
Waar-Proefneemingen en Mathematifche 
betogingen de ware eigenfchappen der 

K 4 lichaa- 


oe aal ala Í, 
edt 


nat, et multas alias veritates, ex illa deducit Ifte; 
Hic vero, quomodo, vel tot qualitates, vel inter 
fe cohaereant, vel illis, in quibus antca haeferat, 
intelligendis inferviat , difpicit , easque vitae ufibus 
Et machinis inveniendis applicat. 


„ Confentiunt in haec praecipui feculi noftrí Phí- 
lofophi, qui uno omnes ore asferunt, eam folam 
esfe ex effeCtibus , ad eausfas afcendendi rationem, 
qua, per obfervationes et Experimenta ac de- 
monftrationes mathematicas, verae corporum pro- 

prie= 


152 J. PAP DE FAGARAS ANT WOORD OP DE 


lichaamen en de wetten van beweeginge 
ontdekt, en daarna, uit de zelve, alle 
de veranderingen van % Geheel al, in 
Overeenkomfte met de famentftellinge en 
aard der lichaamen, verklaart, Dit zou 
alleen fchynen in twyffel te kunnen ge- 
trokken worden, of men er ten vollen 
in berusten moet, wanneer de verkla- 
ringe van een verfchynzel tot de alge- 
meene wetten van beweeginge en de ei- 
genfchappen der lichaamen, door proef- 
neemingen, is gebragt geworden? Dan 
of dezelve (gelyk veele {taande houden) 
niet eerder tot hare volkomenheid ge- 
bragt zy, voor. dat men uit de gedaante 
der lichaamen, hunne gefteldheid en 
onderlinge werkinge op elkanderen, 
verklaard hebbe, waarom aan hun de- 

ze 


Kd ehs des se 
prietates et leges motus deteguntur, et ex is 
omnes Univerfi mutationes , ftruêturae corporum 
ac indoli. convenienter, explicantur. Illud folum 
dubium videri posfit, num phoenomeni alicujus ex- 
plicatione „ ad generales motus leges et proprie- 
tates corporpm, per experimenta deteétas, per= 
_ducta, plena et adaequata ejus ratio habeatur? Vel 
potius (quod multi contendunt) ea non prius petr= 
eéte reddita fit, donec clare ex corporum figura, 
Aruêtura mutpaque jn fe invicem operatione fuerit 
KERS ASOR EI ET uE BATEN 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 153 


ze eigenfchappen meer toekomen dan 
anderen: waarom zy in hunne beweegin- 
gen niet zoo wel aan deze, dan wel 
aan verfcheidene anderen onderworpen 
zyn? Zoo, by voorbeeld, als men het 
hangen van de kwik in de buis van 
Torricellius , uit de veerkragt der lucht, 
verklaard heeft, meenen fommige wys- 
geeren, dat zy de volledige oorzaak van 
het verfchynzel hebben. opgegeeven; 
maar anderen zeggen daarentegen, dat 
er geene voldoende reden van gegeeven 
wordt, dan wanneer het duidelyk, uit 
de gedaante en geftalte der luchtdeelen, 
en, uit de inwerkinge van eene zekere 
fyne ftoffe, verklaard wordt, waarom 
der lucht eene veerkragt meer toeko- 
me, dan niet? Het daiirhich Genoot- 
K fchap 


bd ee a dd 


explicatum, cur illis hae proprietates competant 
potius , quam aliae? cur his magis legibus „ in fuis 
motibys , fubjeéta fint, quam diverfis quibuscun- 
que? Ita profeéto fufpenfione mercurii, in tubo 
Torricelliano , ex elafticitate aêris explicata hi qui- 
dem adaequatam phoenomeni causfam fe asfignasfe 
-putant; ili, non prius, rationem ejus reddi con- 
tendunt, quam diftinte, ex figura aëris et ftruc- 
-tura, et operatione fubtilis cujusdam materiae fue- 
‚ tit explicatum, cur aëri competat potius elaftici- 
. tas 


154 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE 


fchap fchynt de oplosfchinge van dit 
verfchil te vorderen, wanneer het vraagt 
Boe werre men in het ontdekken der oor- 
gaaken moet voortgaan? 

Om nu niet voorbarig iets vast te 
ftellen omtrend een Gefchil, dat de 
voornaamfte Filofoofen heeft bezig ge- 
houden; zal het noodig zyn, dat wy 
de eigenfchappen der lichaamen, zoo 
wel als de wetten der beweegingen, on- 
der twee foorten brengen. Onder de 
eerfte rangfchikkinge komen de eigen- 
{chappen , welke allen lichaamen gemeen 
zyn,de Uitgeftrektheid „de Ondoordring- 
baarheid en de Werkledigheid, als ook 
de werktuigelyke wetten van beweegin- 
ge, gelyk deze twee van Newton zyn: 
De lichaamen blyven in hunne flaat van 

rus- 


eee 


tas, quam non? Hujus jam controverfiae excusfi- 
onem flagitare videtur Illuftris Societas „dum quae- 
rit: Ouousque in Causfis detegendis fit progrediendum ? 

Ne quid itaque praecipitantius, de Controverfia, 
quae principes exercuit Philofophos, ftatuamus , 
oportet, ut in duas clasfes tam proprietates corpo= 
rum, quam leges motus referamus. In prima com- 
parent proprietates , omnibus corporibus commu- 
nes, Extenfio, Impenetrabilitas et Inertia; item- 
-gue leges motus mechanicae , quales funt Gat illae 

CWe 


_ VRAGE VOOR °T JAAR-MDCCLXXII. 155 


ruste, of van: rechiftreekfche beweginge 
en aan de dadelyke werkzaamheid is de 
tegenovergeflelde wederwerkinge _gelyk. 
Hier toe behooren ook de regelen van 
de wryvinge der lichaamen, van de fa- 
menftellinge, van de beweeginge en van 
het evenwigt, van zelfs voortvloeiende 
uit de gemeene eigenfchappen der lie 
chaamen, welke zyn de werkledigheid 
en de ondoordringbaarheid, Deze eigen- 
_fchappen hebben de lichaamen, en dee- 
ze beweegings wetten volgen zy, uit 
kracht van het wezen, dat hun toekoomt; 
zoo dat niemand reden vraagen zal, 
waarom die aan de lichaamen toekoo- 
men? ten zy hy teffens vraagen wil, 
waarom een kring rond zy? ' 


51 Tot 
ddr 


Newtonianae: Corpora permanent in flatu fiso quieftendì 
„wel movendi uniformiter in diretum „ itemqne Alioni ae- 
gualis et contraria est Realtio, Huc etiam pertinent 
__regulae collifionis corporum , compofitionis motus, 
et aequilibrij, ex communibus corporum proprie= 
tatibus , inertia ac. impenetrabilitate, prono alveo 
profluentes. Has proprietates habent „ ‘hasque le- 
ges motus fequuntur corpora, vi esfentiae fibi de 
bitae, ut adeo rationem, cur eadem corporibus 
competant? fibi reddi nemo poftulet, nifi eadem 
opera quasrere velit , cur circulus fit rotundus? 


de 


156). PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE 


Tot eene andere rangfchikkinge bren- 
gen wy die eigenfchappen, die aan ee- 
ne byzondere foort van lichaamen eigen 
zyn, als by voorbeeld de veerkragt, 
hardigheid, vloeibaarheid, enz, als ook 
de algemeene wetten der zwaarte, van 
veelen voor algemeene eigenfchappen 
der lichaamen gehouden, maar noch 
van niemand uit de ondoordringbaar- 
heid en “werkledigheid verklaard, Dit 
is uitgemaakt, dat de verfchynzelen, 
welke in ’*t Heelal voorkomen, niets 
anders zyn, dan noodzakelyke gevolgen 
der algemeene wetten van beweeginge 
(zoo wel van het werktuigkunstige, als 
van die der algemeene aantrekkings- 
kragt) zoo als dezelve {trooken met de 
byzondere gefteldheid en aard a ou 

aa- 


nti 


Ad alteram clasfem reducimus, proeprietates pe- 
culiari tantum eorporum clasfi proprias, quales funt 
elafticitas , durities, fluiditas &c: itemque gene- 
rales univerfalis gravitationis leges, a multis pro 
communiíbus corporum proprietatibus habitas, fed 
a nemine ex impenetrabilitate , ac inertia explica= 
tas. Illud in confesfo est, phoenomena quae in 
Univerfo eveniunt, nihil aliud esfe, quam feque- 
las generalium motus legum (tam illarum mechani- 
carum, quam harum attrationis univerfalis) neces- 

Ì ie 


‚_VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 157 


haamen. En daar over is ook geene 
de geringfte twist onder de Filofoofen, 
dat de hoedanigheden der lichaamen, 
voor zoo verre die alleen aan eene by- 
zondere foort eigen zyn, op zekere, 
fchoon dikwerf onbekende, wyze, fa-, 
menhangen met het inwendig geftel en 
werktuigelyke famenbindinge der dee- 
len, zoo dat het tegen de natuur der 
zaaken niet ftryden zou, als er eene 
werktuigkundige verklaringe, uit de by-- 
zondere famenftellinge der lichaamen, 
aan welke die hoedanigheden toekomen, 
ontleend wierd. Maar over de wetten 
der algemeene zwaartekragt is het ge: 
voelen van allen niet het zelfde, Daar 
zyn er, die ftellen, dat deeze, zoo vel 

als 


tinten) 


farias, peculiari corporum ftruêturae, ac indoli 
convenientes.. Neque de eo ulla inter Philofophos 
intercedit Controverfia, qualitates corporum, p€- 
culiari tantum eorum clasfi proprias, certa quadam 
ratione , licet faepe incognita, cum interiore ftruc- 
tura, ac organismo cohaerere , ut adeo earum dari 
explicationem mechanicam , ex peculiari corporum, 
quibus competunt, conformatione repetitam, na- 
turae rerum non repugnet. Sed de gravitationis 
univerfalis legibus, non una eademque omnium 
est fententia, Sunt qui has, aeque ac illas mecha- 
; nl- 


158 Je PAP DE FAGARÁS ANT WOORD OPDE 


als andere werktuigelyke wetten, aan 
de lichaamen wezentlyk eigen zyn. An- 
deren behaagt het meer , dezelve te ‘hou- 
den voor eene algemeene en inwendige 
hoedanigheid. der ftoffe, maar die er 
door de kragt van God aan gegeeven 
en in gedrukt zy. Eindelyk mangelt 
het ook aan zulke niet, die dezelve van 
de drukkinge eener fyne ftoffe, welke 
zy (ether) hemellugt noemen, afleiden. 
* Zal nu onze pligt zyn, dat wy over 
deze verfchillende begrippen ons gevoe« 
len zeggen. | | | 
Gemakkelyk zullen wy de wetter 
der algemeene Aantrekkingskragt, wel- 
ke den lichaamen wezentlyk eigen zyn, 
tegen de Ongodisten en zulken, die 
met hun van het zelfde gevoelen ayn, 
e- 


td 


nicas, corporibus esfentiales esfe ftatuant. Aliis 
easdem pro univerfali equidem ac interna materiae 
qualitate, fed per Dei potentiam illf indita ac im- 
presfa, habere, magis placet. Nec defunt denique’, 
qui has a presfione fubtilis cujusdam materiae 
quam aethera nominant, repetunt, Noftrum jam 
est, ut de diverfis his opinionibus, dicamus fen= 
tentiam, ô 
Nos esfe , has attraétionis univerfalis leges, cor= 
poribus esfentiales, facili opera, contra EE 
elis 


VRAGE VOÓR °T JAAR MDOCLXxn. 159 


bewyzen, Voorwaar! niemand kan loo- 
chenen, dat de wezentlyke eigenfchap- 
pen eener zelfftandigheid, aanhoudend, 
in de zaak blyven, en van haar, zelfs 
niet in onze gedachten, konnen worden 
afgefcheiden ; alhoewel er, buiten haar, 
geene andere zelfftandigheeden aanwe- 
zig waren. Buiten twyftel zou het vier- 
kant der Hypothenufa gelyk zyn aan 
de vierkanten der twee andere zyden; 
of fchoon er alleen driehoeken en gee- 
ne andere figuren beftaan konden. Maar 
wat de zwaarte zy, kan men zelfs niet 
eens begrypen, ten zy men een punt 
ftelle, daar het lichaam, door zyne 
zwaarte, naar toe gedreven wordt, en 
teffens eene ftrekkende lyn, langs welke 
het zwaare, aan zich zelven overgelaa- 

ten ; 


Brrr 


aliosque idem fentientes demonftrabimus. Illud 
profeéto nemo negat, esfentiales fubftantiae cujus- 
cunque proprietates rei ipfi conftanter inesfe, ne= 
que abea, vel cogitatione feparari posfe„ etiamfi 
nullae aliae fubftantiae, praeter illam exifterent. 
Maneret procul dubio Hypothenufae quadratum 
aequale Qquadratis duorum aliorum laterum, etiam 
fi fola triangula, et nullae aliae figurae „ dari pos- 
fent. At gravitas quid fit? ne intelligi quidem 
potest, nifi detur punêtum aliquod, in quod cor= 

pus 


160 J. PAP DE FAGARAS AN T WOORD OP DE 


ten, nedervalt. Vootwaar! indien er ees 
nige kragt van aantrekkinge is, blyft 
zy niet in het onderwerp, tot welks 
wezen zy echter behoort, maar zy ftrekt 
zich - uit--naar iets dat „mensizich. 
verbeeld, buiten het zelve te zyn, en 
eene plaats te beflaan, die: van. des- 
zelfs ruimte onderfcheiden is, Maar , 
„met welk recht, brengt men. die tot 
deszelfs wezentlyke eigenfchappen ? Ge- 
wisfelyk , zoo men de wezentlyke hoe- 
danigheeden met de lydingen niet. ver- 
mengen en verwarren wil, is het noodig, 
dat, als men de toeeigenzels eener zaak 
onderzoekt, men dezelve, in naarvol- 
ginge der Wiskunftenaars, afzonderlyk 
onderfcheiden van alle anderen , befchou- 
we, Derhalven , zoo men een Herer 

ak 


td 


pus gravitet, linea diretionis, juxta quam grave , 
fibi permisfum, cadat. Vis profecto attrahendi fi 
qua est, non manet in fubjetto, ad cujus esfen- 
tiam tamen pertinet, fed tendit in aliquid, quod 
extra illud exiftere, feparatumque ab ejus fpatio 
locum occupare, concipitur. Quo itaque jure il 
lam, ad estentiales proprietates referes? Certe nifi 
esfentiales qualitates, cum pasfionibus permifcere 
volueris, oportet, ut dum in rei attributa inquiris „ 
eam feparatam ab omnibus aliis (Mathematicos imi- 

tan 


VRAGE VOORT JAAR MDCCLXXIL 16E 


alleen in dit of dat gedeelte der ruim: 
te zich voorftelt aanwezig te zyn, hoe 
zalmen, bidde ik u, aan het zelve eene 
gedurig aanhoudende poginge, grootere 
en kleinere, naar de verfchillende dee- 
len der ruimte, toekennen? Bygevolg, 
alzoo de bloote befchouwinge des on= 
derwerps, waar in de Aantrekkings- en 
Zwaartekragt zich opdoen, niet genoeg 
is, om een begrip van die beide kragten 
te leeren vormen; is het ook klaarbly- 
kende, dat zy tot het wezen van de 
aantrekkende zelfftandigheid geenzints 
gebragt kunnen worden, ten zy de 
Tegenftanders beweeren, dat er geene 
wezentlyke eigenfchap van de Parabola ; 
zonder de natuur des Cirkels, ver- 
klaard kan worden. 

IV, DEEL. L Maar 


dd 


tando ) contempleris. Quod fi itaque corpus alí- 
quod folum, in quacunguùe fpatii parte existere co- 
gites, quomodo quaefo ipfi continuum quendam 
nifum, eumque pro diverfis fpatii partibus, majo= 
rem, minoremque attribues, Cum itaque ad has 
attraétionis et gravitatis vires intelligendas, folius 
fubjeêti, cuiinfunt , confideratfo non fufficiat; evi- 
dens est, has ad fubftantiae attrahentis esfentiam „ 
referri neutiguam posfe , nifi esfentialem aliquam 
Parabolae proprietatem, fine circuli natura, expli- 
cari non posfe, contendant Adverfarii, 
At 


162 JePAP DE FAGARAS ANT WOORDOPDE 


Maar wat hebben wy veele woorden 
van-nooden? mogelyk zult gy dit niet 
ontkennen, dat er geene kragt van be- 
weeginge aan een lichaam wezentlyk 
eigen zy. Voorwaar alle de verande- 
ringen der lichaamen, zonder welke de 
beweeginge niet beftaan kan, koomen 
voort van uitwendige oorzaaken, en 
dit is reeds over lange beweezen; daar 
het niet eerder gefchieden kan, dat een 
ding van, wegens en door, zyn wezen 
veranderen zou, voor dat een cirkel 
zyne. ronde gedaante’ in eene vierkante 
verandere, Maar zoo het lichaam gee- 
ne beweegings kragt, uit en van we- 
gens zyn wezen, hebben kan, zal het 
noch zoo veel te minder eene aantrek- 
kende kragt kunnen hebben, Want zoo 


IC 


Sn 


At quid multis opus est? hoc forte non negabis , 
nullam vim movendi corpori esfentialem esfe posfe, 
Omnes profecto corporum mutationes, fine quibus 
motus esfe nequit, abexternis caufis provenire , du- 
dum demonftratum est, cum, utres aliqua per es- 
fentiam faam mutetur , non prius fieri posfit, quam 
Circulus rotundam faam figuram in quadratam mu- 
tet. Atfi corpus vim moventem, per esfentiam 
fuam, habere nequeat, tanto minus habebit vim at- 
trahentem. Quod fi enim quis explicet, quomodo 

Cor=- 


VRAGE VOOR °T. JAAR MDCCLK IL. 163 


iemand verklaart, hoe een lichaam 3 
dat niet veranderd wordt en ftantvas- 
tig blyft op dezelfde plaatze, een an: 
der lichaam in eenen zekeren afftand 
van hem gefteld, beweegen en deszelfs 
ftaat veranderen kan? die zal ook met 
de zelfde moeite verklaaren, hoe een 
volllagen gemis iets werkelyks, en de 
duisternisfe het licht kan voortbrengen 
Want de ruste der deelen, welke nood= 
wendig in een aantrekkend lichaam, 
door mangel van een inwendig begin- 
zel van beweeginge, moet aanwezig 
zyn, is met de eene trap van fnelheid„ 
in de aangetrokkene ftoffe verwekt, 
zoo min verknocht, als met de andere, 
(alzoo zy niets anders is dan een man- 
gel van beweeginge). Nooit zal men 


La by. 
gotten 


corpus aliquod, quod nihil mutatur, et in loco fuo 
conftanter manet, corpus aliud, quolibet a fe fen 
junétum intervallo , loco fuoemovere , et {tatum il- 
ius mutare posfit? eadem opera, quomodo merus 
defeétus aliquid pofitivi , tenebrae lucem producere 
posfent? cxplicabit. Quies profeéto partiurn, quas 
in corpore attraente, per defetum interni motus 
principii, neeesfario adesfe debet ‚ non magis: cunr 
hoe celeritatis, in materia attraéta excitatae „ gra- 
du connexa est, quam cum illo , (cum nihil fr, 
nie 


164: J.PAP DE FAGARAS ANT WOORD OP DE 


__bygevolg, uit den ftaat van een aan- 
trekkend. lichaam, begrypen , waarom 
de‘-aangetrokkene ftoffe , liever met de- 
ze hoegrootheid van fnelte, dan met 
eene andere, in beweeginge worde ge- 
bragt. EEN 

Alle deeze dingen zyn met de waar-- 
heid zoo overeenftemmende, dat men 
zich verwonderen moete, hoe de an- 
derzints zeer oordeelkundige Cotefius , 
in. zyne voorrede voor de beginzelen 
van Newton, meer vergt dan verzoekt 
van zynen leezer, dat hy de zwaarte 
voor even gelyke wezentlyke hoedanig- 
heid der; {toffe houde, als de ondoor- 
dringbaarheid, Maar er zyn al te veel 
dingen tegen, dan dat wy deze harde 
afvorderinge zouden toeftemmen en on- 
md der- 


NDA DAS ANANAS 
ed sds hee se Sd 


nifi defe@tus motus). Nunquam itaque ex corporis 
attrahentis ftatu, intelliges , cur materia attracta, 
hac potius celeritatis quancitate , quam illa, admo- 
tum concitetur. 

Sunt haec omnia veritatitam conformia, ut mira- 
ri fubeat, acutisfimum caetera Cotefium, in Preefa- 
tione , Newtoni principiis preemisfà, poftulare ma- 
gis-aLeêtore fuo, quam petere, utgraviratem, pro 
aeque. esfentiali materiac qualitate habeat, ac ipfaä 
est impenetrabilitas. At multa nimis obftant, quo 
mi= 


VRAGE VOOR °T JÁAR MDCCLXXIL' 165 


derteekenen. Dat zekerlyk is algemeen 
aangenomen, dat men het tegengeftel- 
de, van ’t gunt aan deze of die’ zake 
wezentlyk eigen is, met zyne gedach- 
ten zelfs zich niet kán voorftellen, - of 
met zyne verbeeldinge verzinnen, ten 
Zy iemand eenen berg zonder ‘valley, 
of een driehoek, welks drie hoeken aan 
evenveele rechte hoeken gelyk zyn, 
zich vertegenwoordigen kan. Maar het 
tegengeftelde van die poginge, welke de 
lichaamen uit hoofde van de zwaartekragt 
hebben, kan elk zich gemakkelyk, in 
zyn verftand,voorftellen, Ja zoo gy twee 
lichaamen begrypt, op eenen zekeren 
afftand gefcheiden van elkanderen, en 
niet op elkanderen werkende , door mid- 
del van tusfchen in geftelde lichaamen : 

15 (want 


ee 


minus, duro huie poftulato, fubferibamus.. Illud 
certe in confesfo est, ejus, quod rei cuicunque 
esfentiale est contrarium, nec cogitatione con- 
cipi, nec imaginatione fingi poste, nifi quis mon- 
tem fne valle, aut triangulum, ecujus tres anguli 
totidem rectis fint acquales., fibi reprac{entare quc- 
at. At nifusillius, quem corpora vi gravitationis 
habent, contrarium, facile unusquisque mente 
concipit. Imo fi duo carpora, quolibet afe intervallo 
fejunéta , neque medio corporum oggjedhoruuns 

(hee 


166 j, PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE 


(want dit zou tot de aanftootinge be- 
hooren) zoo zult gy nooit befeffen , hoe 
die. elkanderen tot bewgegen kunnen 
aanporren ; zoo dat zelfs daar uit bly- 
ke, dat dit liever wezentlyk is aan de 
lichaamen, dat zy geene uitwerkinge 
doen in den afftand, Watzeggeik? het 
is eene „algemeene Grondftellinge der 
Wysgeeren, dat het geen, uit zyn eigen 
aard, niet alleen trappen toelaat, maar 
ook zonder bepaalde grenzen van hoe- 
grootheid, welke men altyd in zyne 
gedachten hooger en hooger verzinnen 
kan, niet. kan begreepen worden, niet 
behooren kan tot de wezentlyke ei- 
genfchappen van eene zelfftandigheid, 
Want-in het geen, dat volftrekt nood- 

za 


(2 7, VIN ON DIN 1 NI ANDER , A \ 


(hoc enim ad impulfionem pertineret) in fe invi- 
cem agentia, cogites, ea, fe mutuo in motumcon- 
eitare posfe, nunquam concipies, ut vel ex hoc 
rateat, hoe potius corporibus esfentiale esfe, ut 
nullam in diftantia operationem edant. Quid, quod 
commune Philofophorum Axioma fit: illad, quod 
natura fua, non tantum admittit gradus, verum 
etiam, fine determinatis quantitatis limitibus , quos 
majores cogitando faltim fingere posfis , concipt 
nequit, ad esfentiales Subftantiae alicujus proprie- 
tates pertinere non posfe: Nulli enim in are 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCOLXSEK 16% 


zakelyk is, kunnen geene trappen of 
grenspalen uitgedacht of verzonnen 
worden, ten zy deeze eigenfchap in den 
cirkel in eenen hoogeren trap beftaan 
kon, dat zyne ftralen met de raaklynen 
eenen rechten hoek uitleeveren. Maar 
de Tegenftreevers kunnen zelve niet 
loochenen, dat de zwaartekragt en de 
kragt van Aantrekkinge altyd, met ee- 
ne zekere bepaalde hoegrootheid, voor- 
zien zyn, en dat men daar van het 
dubbele en het driedubbele zich gemak- 
kelyk kan voorftellen. Oneindig zyn 
de wezentlyke eigenfchappen eener za- 
ke, daar zy volftrekt noodzakelyk zyn. 
Waarlyk zoodanige eene eigenfchap is 
de ondoordringbaarheid , om welker 
uitwerkinge te boven te komen geene 

L 4 kragt, 


Gtt 


necesfario gradus, nulli limites, vel cogitandofingi 
posfuünt, nifi posfit circulo magis inesfe haec pro= 
prietas, quam inest, ut radii ejus cum tangente, 
angulum reétum conftituant. At vim gravitatis, 
et attraétionis , certa femper magnitudine, eaque 
determinata esfe preditam, cujusduplam , triplam- 
que facile conceperis , ne ipfi quidem Adverfärii 
diffitentur. Infinita funt rei cujusque esfentialia, 
cum fint abfolute necesfària. Talis vere proprietas 
est impenetrabilitas, cujus- effeCtui fuperando , 

f nul= 


168 j. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE 


kragt, zelfs geen oneindig vermogen ; 
genoegzaam is. Maar de aantrekkings- 
kragten zyn eindig, zy hebben eene 
bepaalde ingefpannenheid, die aanwast 
en afneemt, en die door kragten, in ee- 
ne tegenftrydige ftrekkinge gerigt, ge- 
makkelyk verminderen, ja zelfs zoo, 
dat alle hare uitwerkzelen weggenomen 
worden, De eigenfchappen der dingen, 
welke haar zoo wezentlyk zyn, als de 
ondoordringbaarheid in een lichaam is, 
worden door geene ruimte afgepast, en 
nergens in geene plaatze verfterkt of 
verflapt. De ondoordringbaarheid der 
lichamen is even dezelfde in de Maan, 
welke zy op de Aarde is, Maar de aan- 
trekkingskragt is verfchillende, naar de 
verfchillende deelen der ruimte, Zy 

groeit 


St 


nulla vis, ne quidem infinita, fufficit, At finitae 
funt attrahendi vires, habent eae intenfitatem limi- 
tatam, crefeentem, decrefcentemque, et quae vi- 
ribus, in contrarium direCtis, facile minui, cujus- 
que effeétus omnes tolli posfint. Proprietates 
rerum,-quae ica ipfis funt esfentiales, ac impene- 
trabiticas corpori est, nullo fpatiolimitantur, nullo 
in loco intenduntar, vel remittuntur. Impenetra- 
bilitas corporum eadem prorfus est in Luna, quae 
in Terra, at vis attrahendi, pro variis fpatii pand 

us, 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL. 169 


groeit aan, naar mate dat de afftand 
vermindert, en zy vermindert, naar ma- 
te de nabyheid toeneemt. Zy wordt van 
oorzaken, welke buiten het onderwerp 
zyn, teweeten de plaats, bepaald en be- 
perkt; en zy heeftharen aard, dat is ha- 
re bepaalde fterkte, zonder welke zy 
niet beftaan kan , niet van het wezen zelfs 
der zaken, waar van Zy een toevoeg- 
zel is, maar zy ontleent die van oor- 
zaken, buiten die zaak, dat is van de 
verfchillende deelen der ruimte. Ja dee- 
‚ze wezentlyke eigenfchap van alle de 
_lichaamen fchynt niet, op eene en-de- 
zelfde wyze, aan alle -die lichaamen 
toe te behooren. Zoo dat, als de ver- 
fchynzelen verfchillen ,-de Natuurkun- 
digen verplicht zyn, hunne wetten van 
aantrekkinge insgelyks te veranderen, 

L 5 en 


bus, varia est. Crefcit decrefcente diftantia; des 
crefcit, crefcenteilla. A causfis extra fubjeétum po- 
fits , loco feilieet , determinatur , etlimitatur, na- 
turamque faam, id est determinatam, fine qua este 
non potest, intenfitatem, non ab ipfa rei, cujus 
attributum est , esfentia, verum a causfis extra illam 
pofitis , diverfis nempe fpatii partibus, mutuatur. 
Imo esfentialis haec corporum omnium proprietas , 
non eodem modo corporibus omnibus competere 

vie 


170 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE 


en ook gedwongen worden te belyden, 
dat er veele uitzonderingen van den 
algemeenen regel der aantrekkinge voor- 
vallen; *t geen niemand zal kunnen 
zeggen van de wezentlyke eigenfchap- 
pen der lichaamen, gelyk daar is de 
ondoordringbaarheid,- 

Na dat wy nu getoond hebben, dat 
de algemeene wetten der aantrekkinge 
niet onveranderlyk, maar wisfelvallig 


zyn, fchynt de orde van zaken te eis- 


fchen, dat wy ons gevoelen zeggen 
over het gefchil, dat reeds federt New- 
tons tyden is leevendig gehouden; te 
weeten , of de aantrekkingskragten inwen- 
dige boedanigbeden der lichaamen zyn, 
nochtans hun wan God ingegeeven? of 
diever dat zy alleen verfchynzelen Is 

. WEL= 


Grent 


videtur. Itaut phoenomenis variantibus, fuas eti- 
am attractionis leges , Phyfici fubinde immutare 
debeant, et plurimas , a generali attra&tionis regu- 
la, exceptiones contingere , cogantur confiteri, 
quod de esfentialibus corporum proprietatibus , qua- 
lis est impenetrabilitas, nemo dixerit. 

Oftenfa evidenter generalium attraCtionis legum 
contingentia , ordo jam videtur flagitare , ut de 
Controverfia, inde a Newtoni temporibus agitata: 
Sum foilicet ires attrabendi fint qualitates vorporum ad 

er= 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 171 


mwelke in overeenkoomst met de wetten der 
werktuigkunde en famenftellinge der lic- 
baamen, uit de bewerkingen van uitwen- 
dige oorzaaken moeten verklaard worden? 
Leibnitz heeft menigmaal gezegd, dat 
zy laage Filofoofen zyn, die de toffe 
met inwendige kragten van aantrekkin- 
ge en zwaarte belaaden en alles met 
wonderwerken vervullen , en de herfen- 
fchimmen der Peripatetici en fchool- 
geleerden, van Verulamius met verach- 
tinge uitgebannen, wederom te rug 
roepen , en die befchuldigingen van 
Leibnitz hebben Bernouilli, Wolf en 
anderen onderteekend. De voornaam- 
fte leerlingen van Newton, daar door 
in geenen deele onthutst, verklaarden 
opentlyk, dat zy de zwaarte ee de 

an- 


vnertrt 


ternae, a Deo tamen illis inditae, aut potius fint tantum 
phoenomena, ex operationibus causfarum externarum , legi= 
bus mechanicis, ac flruFurae corporum convenienter expli= 
canda „ noftram dicamus fententiam. Ignâvos hos 
esfe Philofophos , materiam internisattraétionis , et 
gravitatis viribus onerantes, miraculis omnia com- 
plere, explofas a Verulamio Peripateticorum chi- 
mgeras revocare „ faepius dixit Leibnitzius , fubfcrib= 
feruntejus accufationi Bernoullius , Wolfius aliique. 
Nihil his moti praecipui Newtoni Discipuli, De 

Im 


172 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE 


Aantrekkinge zoo lang voor Natuur- 
kundige oorzaaken der verfchynzelen, 
en wel voor volledige oorzaaken der- 
zelve, houden zullen, tot dat iemand, 
door middel van ontwyffelbaare proef- 
neemingen, maar niet uit loutere ver- 
onderftellinge, eene verzonne fyne he- 
mellugt te baat neemende, zal betoogd 
hebben, dat alle beweeginge in de Na- 
tuur door aanftootinge verrigt worde: 
(t geen zy meenden dat zou kunnen 
gefchieden, als de kalveren op het ys 
danfen.) Verder, dat zy met de verbor- 
gene hoedanigheden der Peripatetici 
niets gemeens hebben, maar dat zy tef- 
fens ook de Natuurkennis met geen ver- 
zinfelen van veronderftellingen overlaa- 

den willen, alzoo die meer droomen 
| ï fchy- 


blice declararunt, fe gravitatem et attractionem 
tamdiu pro phyficis phoenomenorum causfis, iis- 
que adaequatis, habere, donec aliquis , ope experi- 
mentorum indubiorum, non ex Hypothefi, fiCtiti- 
um aethera asfumendo , demontftraverit , omnem in 
Natura motum, fieri per impulfionem, (id quod 
ad Calendas graecas preeftari posfe opinati fant) fe 
eum occultis Peripateticorum qualitatibus , nilcom- 
mune habere, fed neque Hypothefium commentis , 
quae febricitantis magis fomnia, quam anar 

° en- 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 173 


fchynen te zyn van kranke herfens, 
dan gevoelens van wysgeeren: en dat zy 
wyders, niet door redeneeringe, maar 
door proefneemingen , onderzoeken, 
welke hoedanigheden een lichaam heb- 
be, alzoo het wezen des lichaams ons 
onbekend is, en alle de kennisfe, wel- 
ke men daar aan heeft, alleen aan de 
ondervindinge moet worden dank ge-- 
weeten. Dat ook zelfs Partyen, om 
de wetten van *t Geheelal te verklaa- 
ren, eindelyk tot Gods wil den toe- 
vlucht neemen, en dat er niets aan ge- 
leegen ligt, of men zulks regtftreeks 
doe, dan of men daar toe veele omwe- 
gen gebruike ? 

“Terwyl wy ons oordeel ín die twis- 
ten mengen zullen, zullen wy ook het 


ge- 
hide dd 


fententiae videri posfint, Scientiam Naturalem one- 
rare velle, neque quas corpus qualitates habeat, 
per ratiocinia, verum per experimenta indagare, 
eum corporis esfentia nobis ignota fit, et omnis de 
ea cognitio, foli experientiae debeatur. Ipfos eti- 
am Adverfarios, ad motus Univerfi explicandos, 
ultimo ad voluntatem Dei recurrere, ad quam an 
en 2 an per quaefitas ambages recurras, nihil in- 
rest, 


Noftrum his litibus interpofituri judicium, pri- 
mo 


174 Je PAP DE FAGARAS ANTWOORD ÓP DE 


gevoelen der Wolfiaanen eerst onder: 
zoeken. Wy fchatten, dat zy zich niet 
gelyk zyn, en dat zy dezelfde oude 
lappen der fcholastyken dragen, welke 
Zy gaarne op de kleederen der Newto- 
niaanen naaien zouden. Laaten wy een 
weinig naar hen luifteren, daar zy te- 
gen de Newtoniaanen zintwisten. De 
Aantrekkinge en zwaarte zyn wonder- 
werken, zoo zy voor inwendige hoeda= 
nigheden der ftoffe gehouden worden, 
Want dit is niet anders, dan eene zoo- 
danige veranderinge in een werktuige- 
lyk lichaam, welke men uit het geftel 
des lichaams, door de wetten der be- 
weeginge, niet verklaaren kan: ’ geen 
omtrend de zwaarte niemand kan ver- 
richten, Maar de Newtoniaanen houden 

de- 


ed 


mmo omnium Wolfianorum fententiam examinabi= 
mus. Non conftare hos fibi, et casdem Scholasti= 
corum lacinias , quas Newtonianis asfuere vellent , 
ipfos gerere arbitramur. Autcultemus tantisper ip- 
fis, contra Newtonianos difputantibus. Attractio 
et gravitas „ fi pro internis materiae qualitatibus 
habeantur, fant miracula. Hoe enim nihil aliud 
est, quam talis in corpore organico mutatio, quam 
ex ftruftura corporis, per regulas motus, explica= 
re non licet, quod circa gravitatem nemo Damen 

ee 


VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL 175 


deze wetten voor regelen van bewee- 
ginge, en dus hebben zy die uit de lyst 
der wonderwerken uitgefchrabt. Dat is 
goed; maar daar moet eene zekere re- 
_den voor handen zyn, waarom de ftof- 
fe meer deeze wetten volgt, dan wel 
andere, en ten zy men die kan ont- 
leenen uit het geftel der lichaamen en 
derzelver famenvoeginge, worden de 
verborgene hoedanigheden der Scholas- 
tyken wederom uit hare ballingfchap 
thuis geroepen. De Newtoniaanen zul- 
len buiten twyffel zeggen , dat men de 
reden derzelven in Gods wille zoeken 
moet. Maar op die wyze voert men 
eene al te gemakkelyke wyze van filo- 
fofeeren in. Want wat is er gemakke- 
lyker, dan God, als werkmeester en 

werk. 


, DDA ON DADA DAN (NZA 
otd 


At, has leges Newtoniani pro ipfis motus regu- 
lis habent, et hoc ipfo, miraculorum catalogo cx- 
punxerunt. Rette vero, fed ratio aliquaadesfe de= 
bet, cur materia has potius fequatur leges, quam 
alias, quae nifi ex ftruêtura corporum , et modo 
compofitionis „ reddi posfit , occultae Scholafticorum 
qualitates revocantur. Rationem proculdubio, in 
Voluntate Dei quaerendam esfe dicent Newtonia- 
ni, Sed, hac ratione , facilis nimium philofophandi 
Methodus introducitur, Quid enim commodius „ 
quam 


176 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE 


werktuigteffens, maar te hulpe te roepen, 
om een verfchynzel uitteleggen ? Voor- 
waar Gods wille is niet onverfchillig , 
maar heeft altoos wyze redenen, ont- 
leend van de Nature des voorwerps; 
dus is het uwe pligt, te verklaaren, hoe 
hy, in het byzetten van die krachten 
aan de ftoffe, hare gedaante en famen- 
ftellinge in aanmerkinge genomen heb- 
be, God kan aan eene zelfftandigheid 
geene andere hoedanigheden byzetten, 
dan die, welke hare natuur dulden kan. 
Mogelyk zal het tot de natuur der ftof- 
fe behooren, dat zy alle andere aan- 
trekt. Met dit te zeggen wint gy niets; 
dezelfde vraage loopt u telkens weêr 
voor uit; waarom dan deze juist meer 
de natuur der lichaamen zy, dat zy an- 

| dere 

sentent 


quam, ad phoenomenun explicanium , Deum e ma- 
china advocare ? Voluntas profetto Dei non est 
arbitraria, fed habet femper rationes fapientes, a 
Natura objeti defumtas: tuumitaqueest explicare , 
quomodo Ipfe , in his viribus materie conferendis , 
figurae ejus, et ftruêturae racionem habuerit. De- 
us non alias fubftantiae cuicunque proprietates in- 
dere potest, quam quas natura ejus patiatur. For- 
te tamen ad naruram materiae pertinet, ut omnem 
aliam attrahact, nihil hoc dicendo proficis: eadem 
ubique te precurrit queeftio-, cur potius-haec fit 

na- 


VRAGE VOOR °T JAAR MDOOLKXH. 197 


dere aantrekken, dan dat zy dit niet 
doen? waarom de zuivere lichaamen ; 
meer naar het middelpunt der aarde, 
dan wel naar hare as neigen? alzoo het 
een, zoo min als het ander, uit hun we- 
zen volgt. Al antwoordt gy duizend- 
maal, het zelfde vraagftuk zal u wederom 
voorgedragen worden; ten zy gy deze 
krachten uit het inwendige ftelzel der 
deelen van de ftoffe „en uit andere werk- 
tuigige oorzaaken verklaart , of rond uit 
bekendt, dat die krachten, aan de hoeda- 
danigheden der Scholastyken vermaag- 
{chapt zyn, Maar de krachten wofden 
uit de uitwerkzelen gekend: en als wy op 
dezelve letten , worden wy onderrigt; 
dat zy in het lichaam: zyn. Moet dan 
een _Hilofoof het oordeel van zyne 

IV, DEEL M zin- 


UM MMA Mrs 
Bh hb 


natura corporum ut fe attrahant „quam non, eur 
gravia, ad centrum terre potius, quam ad axim 
tendant, cum ex esfentia eorum, non magis unum 
fequatur, quam alterum. Millies licet refpondeas „ 
eadem tibi de hovo proponetur quaeftio; nifi vel 
has vires ex interna partum materiae ftru&tura pe 
cacterisque caufis mechanicis explices, aut Schola- f 
{ticorum qualitatibus affines esfe ‚ ingenue fatearis. 
Vires tamen ex effectibus cognoscuntur, ad quos 
fi attendimus, has corpori inesfe docemur, Itane 

vero 


178 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE 


zintuigen en inbeeldinge volgen? Deze 
bieden ons alleen de fchors der dingen 
aan; en men is gehouden, naar de kern 
te zoeken. Zoo koomt het ons voor, 
en wie zal dat loochenen? dat de lí- 
chaamen zich onderling aantrekken, en 
dat zy hunne zwaartekragt op elkan- 
deren oeffenen; maar zoo gy daar uit 
opmaakt, dat ‘er eenige inwendige krach- 
ten in de ftoffe zyn, begaat gy, gelyk 
Wolf het noemt, een misflag van /ub- 
reptie, gelyk als een Kind, dat de 
beeldtenisfen , welke het in een fpiegel 
befchouwt, voor een waar lichaam aan- 
ziet. “Een Wysgeer en een eenvoudig 
Waarneemer, befchouwen het Heelal, 
niet met dezelfde oogen. Zekerlyk de 
‘Waereld is een werktuig, met eene 
| groo- 


rl 


vero Philofophum, fenfuum et imaginationis judi- 
cium, fequi decet? Corticem illa rerum nobis offe- 
runt , fed querendus est nucleus. Ita apparet , 
quis hoc neget, corpora fe mutuo attrahere, in fe 
gravitare , fi tamen ex hoc internas quasdam vires , 
ipfi materíae inesfe colligas, infigne, quod Wolfius 
vocat, fubreptionis vitium commififti, infanti fi- 
milis, imaginem in fpeculo vifam pro vero cor- 
pore habenti. Non iisdem oculis, hoc Univerfum, 
Philofophus , et Empiricus contemplantur. ziee 

us 


VRAGE VOOR °T JAAR MDOCLXXIL 179 


groote kunst vervaardigd , wiens vêfan- 
deringen uit de gefteltehisfe der deelen 
en het werktuigelyke, maar niet uit 
eenige inwendige krachten, verklaard 
moeten worden. | 
Dus praaten bykans alle de Wolfiaa: 
nen. Laten wy nu de wapenen omkee- 
ten, en hen met hunne eigene zwaar- 
den neerfabelen. Wolf heeft reeds lan- 
ge wiskunftig betoogd, (gelyk hy alles 
gewoon is te betoogen) dat ’er in ieder 
lichaam, eene inwendige doenings- of 
beweegingskragt voor handen is; maar 
hy verklaarde nimmer, uit de gedaante 
en famenftellinge, hoe die wonderbaare 
kragt in dezelve zyn kan? Zou dan def 
ze kragt een wonderwerk zyn, of eene 
verborgene hoedanigheid? Niets min- 
M 2 der 


\ k 
Grt 
dus certe est machina , infigni arte fabricata, cujus 
omnes mutationes, ex partium ftruêtura ac. orga= 
mismo, non internis quibusdam viribus funt expli= 
candae. J 
« Ita omnes fere Wolfiani. Convertamus jam ar= 
ma, €t fuis ipfos gladiis jugulemus. Dari in quolie 
bet corpore vim agendi, aut motricem internam, 
mathematice dudum (ut folet omnia) demonftravic 
Wolfius, hegue tamen quomodo mirabilis haec vis 
‚_illisimesfe posfit, ex eorum figura, ac ftruêtura ex- 
Plicavit, Anne itaque haee vis erit miraculum, 
en) aut 


„180 J. PAP DE FAGARASANT WOORD OPDE 


der-dan dat, ‘Daar is in het lichaam 
een beginzel: van alle beweeginge, en 
eene gedurige poginge, om zyne ge- 
„wrochten voort te brengen, Dat is 
recht ! maar veelligt zou iemand begee- 
ren, dat men uit de gedaante en het fa- 
menftelzel verklaarde „ waarom deeze 
kragt inde lichaamen is, en waarom 
niet? -Wiant zoo men dit niet ter uit- 
voer gebragt heeft, fchynt het, dat de 
Wolfiaanfche bepaalinge der verborge- 
ne hoedanigheden, op hem kan worden 
toegepast? De reden is by de hand; 
want deze kragt behoort tot de na- 
tuur van ’t lichaam, welke uit de kragt 
van werkledigheid en dadelykheid be- 
ftaat, en uit welke alle derzelver ver- 
anderingen verklaard kunnen hier 
s Q« 


Bett 


aut occulta queedam qualitas? nihilminus, Estom= 
nis in corpore mutationis principium, nifusque e= 
jus continuus ad effeêtus producendos. Retequi- 
dem! fed vellet fortealiquis, ut ex figura ac ftruce 
tura explicetur , quare haec vis infit potius corpo- 
ribus quam non; ni enim hoc preeftitum fit, vide 
tur Wolfiana occultarum qualitatum Definitio illi 
applicari posfe? In promtucausfa est; pertinet enim 
haec vis ad naturam corporis, quam vis inertie , 
et agendi conftituunt , ex quibus omnes eorum …l 
3 a- 


“._VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 181 


Mogelyk zal iemand zeggen, dat hy 
van eene wonderbare natuur der. ftoffe 
hoort fpreeken, welke geheel en al be- 
ftaat uit twee hoedanigheden , die regt- 
dyns tegen elkanderen ftrydig- zyn, Te 
weeten, een lichaam «poogt „door de 
kragt van werkledigheid , den -ftaat, 
waarin het is, te bewaaren, en, door 
de doeningskragt, denzelfden ftaat, ge- 
duriglyk te veranderen. Aan welke nu 
van die twee krachten, zal de ftoffe ge- 
hoorzaamen? Wolf fchynt hier om- 
trend noch niets zeekers te hebben vast- 
gefteld ; want nu eens, peinzende op de 
doeningskragt, betoogt. hy, dat: alle 
toffe, door eene inwendige doenings- 
kragt in eene gedurige beweeginge. is, 
{op dat niemand zich verbeelde „dat het 
„van uitwendige. oorzaaken voorkoomt) 

M 3 en 


Tl ft Mb Mbeedle Alter 


“tationes posfant explicari, Miram materiae natu- 
‚ram fe audire, dicet forte aliquis , quae duabus ta- 
libus viribus, fibi e diametro contrariis , abfolvatur. 
Vi inertiae feilicet, corpus ftatum quem habet, 
„confervare; vi veroagendi, eundem continuo mu- 
_täre, nititur.. Cui jam materia ex duabus his viri= 
bus obfequetur? Nondum de eo ipfe Wolfius certi 
aliquid videtur ftatnisfe; nunc enim vi agendi in- 
„tentus, omnem materiam in continuo esfe motu , 
„ex interna-agendi vi (ne quis hoc a causfis exter- 

nis 


182 j. PAP DE FAGARAS ANT WOORDOP DE 


en dat wel in zyne Cosmologie, die in 
% jaar 1737 is aan het licht gekoomen, 
Ó 170, alwaar men zich, in eene aantee- 
keninge, op de getuigenisfe van Leib- 
nitz beroept, als zynde, zoo men ’t ge- 
looven wil, een onpartydig getuige in 
dit geval, Straks die dingen vergeeten 
zynde, en alleen der werkledigheid ge- 
dachtig , beweert hy, dat geen rustend 
lichaam, zich zelven in beweeginge kan 
brengen, 6 304. Cosmolog. Maar mo- 
gelyk zal iemand zeggen, dat hy noch 
geene reden ziet, waarom de natuur 
van een lichaam meer beftaan zou in 
de kragt ‚om te werken en te beweegen, 
dan wel in de aantrekkingskragt ; alzoo 
het een, zoo min als het ander, uit de 
__ondoordringbaare uitgeftrektheid volgt, 
Voorwaar, Wolf. zelf, ontkent open- 

lyk, 
nis proficifci putet) demontftrat in Cosmología fua, 
que Ao. 1737. prodiit $. r7o. ubi in Scholio ad Leib- 
nitzii teftimonium, teftis fciiicet in hoc negotio, 
extra partes pofici , provocatur, Mox horum obli- 
tus, et folius inertiae memor , nullum corpus qul- 
efcens, fe ipfum movere posfe asferit $ 304. Cos- 
molog. Sed forte, nullam adhuc fe rationem videre 
dicet aliquis, quare narura corporis, in vi agendi 
potius confiftat, quam in attrahendi; cum horum 
enum non magts ex extenfione impenetrabili fe- 


guatur, quam alterum, Jpfe profeéto Wolfius a- 
De Bon perte 


VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL 183 


dyk, dat de kragt om te werken, tot 
het wezen der {toffe behoort, 6. 147. 
Cosmol, Maar zoo zy niet wezentlyk 
is, dan zal zy toevallig zyn; alzoo ’er , 
met toeftemminge der Wolfianen, al- 
leen twee foorten van eigenfchappen 
zyn, weezenlyken en toevalligen. Ze- 
kerlyk, eene zonderlinge natuur van 
_gen lichaam! die geheel en al, uit eene 
toevallige kragt beftaan zou? Maar zoo 
deeze beweegkragt door het wezen der 
lichaamen niet bepaald wordt, ’t geen 
Wolf zelf bekent, en nochtans in de- 
zelve aanwezig is, wordt ‘er met recht 
gevorderd, dat de. Wolfianen reden gee- 
ven, waarom zy ‘er liever in is, dan 
niet ; en indien zy dit niet te weeg bren- 
gen, hebben zy niets anders gedaan, 

M 4 dan 


nnen 


perte negat, vim agendi ad esfentiam materiae per= 
tinere $ 147. Cosmol. At fiea esfentialis non fit, 
erit accidentalis; cum due folae fint contencienti: 
bus Wolfianis afetionum fpecies, esfentiaies ee 
accidentales. Singularem certe naturam corporis! 
quae vi aliqua accidentali abfolvatur, At fi vis 
haec motrix, per esfentiam corporum , quod Wol- 
fius ipfe agnostit , non-determinetur , er tamer : 
fis infie, jure certe poftulatur, ut racionem r- 
Wolfiani, quare ea potius infit qoam »- 


184 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE 


dan dat zy, na het verwerpen der ver- 
borgene hoedanigheid , van de Aantrek- 
kingskragt, eene andere, die niet veel 
beter is, te weten, die van de beweeg- 
kracht, te hulpe roepen ; en dusfchynt 
de Wysgeerte, het zelfde te. kunnen 
zeggen , dat voormaals de Ezel van /- 
fopuszei: Wat kan 4 my fcheelen, wien 
ik diene, als ik doch overal de pakzadels 
der werborgene boedanigheden dragen 
anoet. | | 

Maar ai lieve! waarom wederfpreekt 
men toch de. bewegingskrachten? welke 
beweezen zyn, zich in de lichamen te ont- 
houden, Verandert dan het een lichaam 
den ftaat van het ander niet? Wat doet 
eene kracht anders, dan dat zy verande 
ringen voortbrengt? Gy aarzelt, zoo ik 

my 


Dirt 


nifi preeftiterint , nihil aliud fecerunt, quam quod, 
occulta vis attrahentis qualitate rejeCta, alteram 
nihilo meliorem vis motricis advocaverint, idem= 
que Philofophia dicere posfe videtur, quod Aefopi 
quondam afinus: Qwid mea refert „ cuò ferviam , dum meas 
occultarum gualstatum clitellas ubique portem, 
Quid tamen quaefo viribus agendi obloqueris, 
quas corpori inesfe accurate demonftratum est @ 
nonne ením corpus unum, ftatum alterius mutat? 
quid vero vis aliud, quam quod mutationes ed 
ë dann D cir? 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 185 


my niet bedrieg, om dit bewys te on- 
derteekenen, uit vreeze, dat men u niet 
verwyte, als gy de krachten uit de 
uitwerkzelen betoogt, dat men te voren 
den Newtonianen verweet: Dat gy de 
zintuigen meer volgt, dan de reden, en 
dat gy eene feil van /ubreptie begaat. 
Houdteop met kwade vooruitzigten te 
maaken; want deeze werkkragt is, niet 

gelyk de kragt van aantrekkinge, uit- 
wendig „ maar inwendig in het lichaam, 
Befchouw eenen bal aan een draad han- 
gende, (}) hoe hy met eene gedurige 
poginge zich uitftrekke naar verande- 
ringe van {taat;en dezelve , zoo dra de 

M 5 hin- 

(f) BAUMEISTER gebruikt reeds dit voorbeeld, 


van eenen bal aan een draad opgehangen, in zyn 
Kort Begrip van de Wolfiaanfche Filofoofy. 


iten 


git? Cunctaris, ni fallor, buic demonftrationi fub- 
feribere, veritus ne idem tibi quod antea Newto- 
nianis, vires ex effettibus demonttrantibus, expro- 
bretur: Senfus te magis, quam rationem {equi et 
vitium fubreptionis commifisfe. Define male omi= 
mari; vis enim hec agendi (non ut illa attractionis) 
corporiest interna. Contempleris globum ex filo fu= 
fpenfum (f), ut continuo nifu ad mutationem dans 
ui 


( Utitur hoc globi e filo fafpenfo exemplo Baumeifteras in 
Compendio Philo; Wolâanae, 5 ús | 


186 j. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE 


hindernis wordt weggenoomen , werke- 
lyk verandert. Deftig voorwaar! kan 
men uit dit voorbeeld, de inwendige 
krachten bewyzen ; maar door een zon- 
derling ongeval gebeurt het, dat die 
kragt, door welke de bal zynen ftaat 
poogt te veranderen, dezelfde zy, met 
de zwaartekragt, welke wy te voren ge- 
last hadden naar de Scholaftyken te 
vertrekken: en hoe zullen wy die dan 
nu wederom inroepen? Maar, let wel ! 
indien het een lichaam op het ander 
valt, dan zal het ten minften inwendige 
blyken geeven, van werkende krachten. 
Hoe het zy, anderen zullen dit liever 
lydinge, dan dadelykheid noemen; 
want het lichaam, indien het van een an- 
der niet was voortgeftuwd, zou nooit op 

t 


wt 


fui tendat , et fubiato impedimento illum actu mu- 
tet. - Egregie profeéto hoc exemplo vitres inter- 
nae comprobari posfent; fed fingulari infortunio 
evenit, ut vis, qua globus ftatum fuum mutare 
nititur , eadem fit cum vi gravitatis, quam anteaad 
Scholasticos abire jusferamus, jamne eandem revo- 
camus? At, at, fl corpus, in alterum incidens, il- 
lius ftatum muter, tune faltim manifefta vírium a- 
gendi indicia prebet. Pasfionem hoc , quicquid fit , 
alii nominabunt potius, quam actionem: Corpus 
enn, nií ab alio impulfum, nunguam in illud nl 

IS= 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXII 187 


dat lichaam gevallen.zyn; maar de vol. 
gende veranderingen, die in hunne ge- 
durige famenraakinge voorvallen, zyn 
gevolgen der noodzakelyke ondoor- 
dringbaarheid; zoo dat het niet door 
hun wezen, maar door eene onbekende 
natuur, welke noch. wezenlyk, noch 
toevallig is, bepaald worde, welke ver- 
anderingen in het zelve moeten. voor- 
vallen, 

Maâr laaten wy een einde. maaken 
van ’t victorie kraaien, eer wy overwon- 
nen hebben; want zoo de beste en ge- 
oeffendfte Soldaten aan den gang raa- 
ken, zal de kans des krygs ligt. veran- 
derd worden. De geoeffende Soldaaten 
van Wolf, noeme ik, zyne eenvoudige 
Monaden, welke geene witgeldendneid. 

o 


wter 


disfet; mutationes vero fequentes in mutuo €o= 
rum contaétu evenientes, funt fequelse impenetra- 
“_bilitatis necesfarie; ut adeo quales in illis mutati- 
ones evenire debeant „ id per eorum esfentiam , 
non per naturam nefcio. quam, quae nec esfentia- 
lis „ nec atcidentalis fit, determinetur. 

Sed definamus triumphum canere ante viétoriam ;- 
quod fi enim res ad triarios redierit, pugnae alca 
inmutabitur. Triarios Wolfii dico monades (im- 
plices, non extenfas, non figuratas,. extenfionis 
- ta 


188 jy. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OF DE 


of gedaante bezitten, maar echter, den 
genoegzamen grond der uitgeftrektheid, 
en gedaante der lichaamen, in zich be- 
vatten , en die, in zonderlinge en eigene 
krachten, van elkanderen verfchillen. 
Niets is er faamgefteld, of «het is eene 
famenzettinge van die eenvoudige we- 
zens, en derhalven hebben de kragten, 
welke wy bevinden in de lichaamen te 
zyn, hunnen genoegzaamen grond in 
derzelver krachten, en wy noemen hun- 
ne inwendige veranderingen, voor zoo 
ver wy die flegts verward kennen, de 
kracht der beweeginge. Dus hebben wy 
gedaan , daar wy te voren om vroegen, 
te weeten, wy hebben de reden gegee- 
ven, waarom er eene werkende kragt 
in een lichaam zyn kan. Maar RT 

) za 


Eee 


tamen et figurae rationem in fe continentes, et 
“peculiaribus propriisque viribusa fe invicem diftin- 
Gas: Nihil est compofitum, nifi horum Gmplicium 
aggregatum, et proinde vires etiam, quas corpori 
inesfe pereipimus, râtionem in horum víribus ha- 
bent, quorum mutationes internas, confufe cog- 
nitas „ vim motricem nominamus. Habemus ita- 
que, quod antea flagitabamus , rationem ejus red= 
ditam, cur vis agendi eorpori inesfe posfit.- At ex 
intrinfecis monadum mutationibus, aeque commo- 
de 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXL. 189 


zal iemand zeggen, dat men even ge< 
makkelyk, de aantrekkingen en afwee- 
ringen, uit de inwendige veranderingen 
der Monaden zou kunnen verklaaren, 
Want gelyk die eenvoudige wezens. 
onderling hunne denkbeelden begeeren, 
of er eenen afkeer van hebben, zoo die- 
nen zy ook, ter voortbrenginge van de 
verfchynzelen der aantrekkinge en der 
afweeringe. Maar ik vreeze, dat de 
Wolfianen, zoo iemand, met zyne aan- 
trekkingskrachten, naar het galgenveld 
zoude wyzen. Want ruimte, afftand, 
aantrekkinge , aanbootzinge, beweegin= 
ge, zyn loutere Verfchynzelen, die ons 
zoo voorkoomen, maar die, zoo men 
ze wel verklaart, niets anders zyn , dan 
die inwendige veranderingen der Magna. 
en, 


td 


de attraCtiones et repulfiones explicari posfe, dicet 


forte aliquis. Prouti enim fimplicia illa fuas mu- 


tuo ideas appetunt vel averfantur , ita attra&tionis „ 
et repulfionis phoenomenis producendis inferviunt. 
At vereor ne in malam rem abire eum jubeant Wol= 
fiani, eum fuis attrahendi viribus. Spatium enim, 
diftantia, attraétio, impulfio, motus funt mera 
phoenomena , que nobis apparent, fed quae, fi 
debite explicentur, nihil funt, nifi internae ille 
monadum mutationes, quae confuft a nobis cogni- 

E Tes 


1go Js PAP DE FAGARAS ANT WOORD OPDE 


‚den, welke, verward en gebrekkig van 
ons begreepen, zoo veele en zoo vee- 
lerhande denkbeelden van verfchynze- 
len verwekken. Maar misfchien, als de 
Newtonianen dit hooten, zullen Zy wils 
len weeten , waat nu die heerlyke woor- 
den blyven, met welke men gelastte; 
dat alle de vitkoomften in-’t Geheeclal, 
uit het inwendig werktuiglyke der lichaa- 
men, door werktuigkundige wetten, voor- 
taan verklaard zouden worden? Want 
zoo is reeds het tooneel van die Mecha- 
nifche Wysgeerte veranderd, en al het 
onderzoek naar de oorzaaken overge- 
bragt, tot de kennisfe van de innerlyke 
krachten der Monaden. Ja zelfs is de 
toevalligheid van de wetten der bewee- 
ginge ook geheel weggenoomen. en. 
alle 


Bd 


te, tot tamque variorum phoesomenorum ideas 
excitant. Sed illud forte haec audientes Newtoni- 
ani fcire vellent, ubi nunc fint magnifica illa ver= 
ba, quibus omnes Univerfi eventus, ex interiore 
corporum organismo „ per leges mechanicas expli- 
candos esfe, jubebatur? Jam enim mechanicae hu- 
jus Philofophiae fcena immutata, et omnis causfùs 
rum inveltigatio, ad internas monadum vires cog- 
nofcendas , translata est. Ipfa etiam legum motus 
eontingentia fublata est. “Omnia enim mundi phoe= 

no= 


VRÄGE VOOR °T JAAR MDCCEXXH. 191 


alle de Verfchynzelen der Waereld 
hebben haren oorfprong uit de inwen= 
dige krachten der Eenvoudige Zelfftan- 
digheden, dewelke, volgens Wolfs leer, 
de Monaden eigen en wezentlyk zyn: 
alzoo door dezelve, de eene van de an« 
dere wordt onderfcheiden: dus zyn alle 
de veranderingen der waereld, uit de 
wezens der zelfftandigheeden voortvloei- 
ende, volftrekt noodzaakelyk , en dus 
kunnen zy door Gods Almagt zelve, 
niet anders wezen. De Wolfianen zel- 
ve mogen toezien, hoe alle die dingen 
met de toevalligheid der wetten van be- 
weeginge, en met de mogelykheid der 
wonderwerken, kunnen vereffend wor- 
den. Ik belyde, dat ik zoo eene Filo- 
fofifche maag niet hebbe, dat ik zoo 

vee- 


nomena, ex intrinfecis fimplicium viribus, oriut- 
tur, quae, ipfo docente Wolfio, monadibus fant 
esfentiales (cum per has una earum diftinguatur ab 
altera) omnes itaque mundi mutationes, ex esfen- 
tijs fubftantiarum profluentes , funt abfolute neges- 
fariae, adeoque nec per divinam Omnipotentiam 
aliter esfe posfunt. Quae omnia, quomodo cum 
legum motus contingentia, et posfibilitate miracu- 
lorum, conciliari posfint, ipfi viderint Wolfiani, 
Ego fateor, me non ita philofophicum habere fto- 

_ mac 


i92 JePAP DE FAGARAS ANT WOORD OPDE 


veele raawe ftellingen zou kunnen ver- 
duwen. Maar tis tyd, dat wy de Wol- 
fianen verlaaten, en overgaan tot die 
Newtonianen, welke meenen,’ dat de 
aantrekkingskrachten in de lichaamen 

huisvesten. ‘ 
Hun gevoelen maakt eene vry goede 
vertooninge, alzoo het zich onder den 
naam van .zedigheid aanpryst, En aan 
de volftrekte willekeur van God de wet- 
ten der beweeginge onderwerpt; maar 
%* een weinig nader en naawkeuriger be- 
kykende, befpeurt men, dat het eenige 
verwantfchap heeft met de hoedanig- 
heden der Schoolgeleerden. Want de- 
ze Wysgeeren, met welke wy thans 
handelen , belyden zelve, dat er in ieder 
lichaam eene kragt van werkledigheid 
is, 


td 


machtm, ut tot cruda asferta ‚ concoquere posfim, 
Sed tempus est, Wolfianis dereliëtis , ad illos New- 
tonianos, qui attraCtionis vires in corporibus ha- 
bitare putant, tranfeundi. 

Speciofa fic fatis est eorum fententia, commen= 
dat fe modeftiae nomine , abfoluto Dei arbitrio 
fabjicit leges motus; attamen, accuratius infpeêta , 
cognationem cum Scholafticorum qualitatibus habe 
re deprehenditur.. Ipfi enim, cum quibus jam agi- 
mus, confitentur Philofophi, dari in quolibet cor= 

Ber: 


is, het-zy dat dezelve eene krhgt Zy s 
met regt Zoo genaamd, het zy dan {legts 
een bloot gemis van dadelyke kragten, 
en derzelver echo of weerklank, gelyk 
KAESTNER haar zeer fchrander noemt , 
de fchelle Nymf; die niet: zwygen kan , 
als iemand tegen haar fpreekt „en-noch- 
tans, hoe weêrklankig zy ook zy, niet 
geleerd heeft eerst te fpreeken: datis, 
zoodanige eene kragt ; die geen gewrocht 
immer uitwerkt, maar alle hare uitwer- 
-kinge verflyt, in tegenftreeven ;-en ook , 
die geene bepaalde hoegrootheid heeft ; 
_maar naar dat de op haar werkende 
kragt ‚ grooter of kleiner zynde, ook 
meer groeit of afneemt, Dus zal geen 
lichaam zynen {taat van beweeginge of 
ruste veranderen, en dus, zoo veel te 
/ SAV: DEEL N min- 


kaan 


„pore vim inertiae, feu fit hae vis veri nominis , 
‚feu merus agendi virium defeêtus , illârumque e= 
‚ého, ut ingeniofe Kacstnerus appellat „ Wocalis Nys 
__phe quae nec reticere loquenti „ nec. prius ipfa loqui didscit , 
“vefönabilis echo, quae nunguam ulfum èfetum exe- 
rit fed omnem efficaciam in refiftendo confumit, 
„quae nullam quantitatem determinatam habet, fed 

„ __prouti vis âgentis major minorque est erefcit vet 
_… decerefeit., Nullum itaque corpus ftatum faum vel 
„movendi, vel quiefcendi immutare potest; tanto 


PEÔAIPKE BEPA GARASÁNT WOORD OPDE 


tiinder, den ftáat van een ‘aûder li 
eha; Want -2ó0 is in ieder)begrip, 
dat wy! kebben:, van ‘het werken op iets 
ánders; ‘òf vat de Werándefingevän des- 
zelfs Abtät, alfóös ‘éénige Vérätideringe 
ván ‘de werkende beftaanlykheid; zoo 
“dat zelfs- de ziel , begaafd metten ver- 
Imogen, ‘bin Het lichaam te beweegen , 
‘deszélfs ftaät nimfner vetdätdert, dan 
„door’énetiewe bepälinge’ván den wil, 
“Indiën Ser ‘eénige ‘dadelykheid, zonder 
vefaridetinge van den’ daader, kan wor- 
„den‘aátigegaan , wie-zal ons dan verzee- 
kefer , ‘dat:Ook de deelen’ der ruimte, 
Hepwelke wy beerypen dat de lichaamen 
geplaatst zyn ,‚-fchóon zy onbeweegelyk 
ên-ötivéranderlyk’ zyh, echter niet op 
sde'ftöffe „zelve werken : ’ geën ee 8e, 
LEEN ì Hj ak el 


minus îtaque ftatum-alterius immutabir. ’ Ita enim 
ofni, Guam de aCtione in alterum, feu ftatus ejus 
“immutatione , häbemus, -notioni , aliqua agentis 
mMmutatio-adheeret, ut vel ipfa anima, vi corpus fu- 
um Móvendi preeditd, illius ftatum nunquam, nifi 
nóva voluúntatis determinatione accedente , mutet. - 
Si quaaftio, fine agentis mutatione, fufcipi po- 


test,-quis nos certos reddet, partes etiam fpatii, _ 


in qúo córpora collocata esfe concipimus „ licet 
fint immobiles et immutabiles, non ‘tamen in Eee 
am 


FRAGE VOOR °T JAAR MDCELSEN.. 295 


fteld zynde , zal het allesin: duigen"val: 
len; wat:er, nopens de beweegingswets 
ten, zonder eenig toeverzicht “tehebs 
ben, op de veranderingen; welke doot 
het ydel zouden “worden aangerecht; 
beweezen is, Wat wil die grondregel 
anders beduiden? De ‘vorzaak vis ges 
êvenredigd aan het gewrocht ; enindien 
de veranderinge, welke de daader, zoo 
wel alsde lyder , ondergaan; geene juiste 
evenredigheid. bewaren; ‘kan mens zonk 
der dit, geene reden. geeven; waarom 
niet alle: werkinge genoegzaam is voof 
het te weeg brengen van allerhande uit 
werkingen, Evenwel moët gy alles ont 
kennen; ‘indien gy ftaande houdt, dat 
er eenig beginzel van aan:rekkinge inde 
lichaamen; als tot het innig bèftaan: ber 
ij N 2 hoos 


tt tet 


fam materiam-agere., quo pofito, ‘ea ofnnia, ‘quae 
de motus regulis ; nullo „ad. mutationes a fpatio 
inducendas ; refpetu habito,demonttrata funti, 
«conciderunts ‘Quíd alimd fibi vult hoc ‘axigma? 
“Causfa proportionalis @st effeui,rnifi quod,’ maë 
tationes ,Qquas agens aeque ac. patiens , fabeunt 
juftam inter fe proportionem. obfervent y fme quo 
nullam rationem reddes, cur:non quaelibet attros, 
_cuilibet veffettui. producendo 9. fufficiat, Haec “ta 
__ men. ofhnia tibi ‘heganda fwnts ofi-domefticum «lin 
„31 quod 


196 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE 


hoorende, zou aanwezig. zyn. Wart 
het lichaam, dat een ander aantrekt, 
verandert deszelfs {taat ; *t geen het niet 
doen kan, ten zy het ook zyn eigen 
ftaat verandere ; maar het zal zynen ei- 
genen {taat nooit; veranderen door de 
kragt van werkledigheid , die aan ’ zel- 
ve altoos toebehoort, Verfier in uwe 
gedachten , dat de Zon, in ’ een of an- 
der deel van *t Ydel, als de Vorst der. 
Pianeeten , aanwezig zy; dan zal het 
gevolg „zyn, dat, op deze-wyze, geen 
lichaam op de. Zon werken kan, en de 
Zon, door eene kragt van werkledig- 
heid; zynen ftaat niet veranderen kan, 
dat zy dan ook rusten moet, Verbeeldt 
u dan, dat in dezen of genen afftand 
vande Zon, eene Planeet gefchaapen 

wordt, 


otd 


quod attratiovum principium, in eorporibus refi= 
dere asferas, Corpus enim, quod alterum attrahit „ 
ftatum ejus mutat, quod facere nequit, nififuum etiam 
immutet ; fuum vero nunquam immutabit, vi inertiae, 
ipfi-femper competentis. Fingas cogitatione, fo- 
lem existere , in quacunque fpatiiparte, Planetarum 
principem ,Qquia nullum corpus hac ratione in folem 
agere , neque ille vi inertiae praeditus , ftatum fuum 
mutare posfit , confequensest ut ille quiefcat, Cone 
cipias jam in quacunque a fole diftantia, Planetam 

í Cit. 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLKXI, 1197 


wordt, zoo zult gy niet zien, dat daardoor 
iets in de Zon veranderd wordt, (Want 
wy handelen nu niet over het geen zy 
van den Planeet zou te lyden hebben, 
maar de vrage is over de dadelykheid, 
met welke zy omtrend den Planeet ver- 
keert). Maar zoo dus de Zon zynen 
eigen ftaat niet verandert, zal zy ook 
den ftaat des Planeets niet veranderen ; 
dat zy evenwel door de aantrekkinge 
behoorde te doen, Te zeggen, dat dit 
door Gods wille gefchiedt, is niet an- 
ders, dan met ydele woorden zich te 
behelpen; want niemand twyffelt, of 
God kan den Planeet wel naar de Zon- 
ne heenen dryven; maar ‘dat de Zon, 
wanneer zy zelfs niet dadelyk werkt, 
of zynen ftant niet veranderde, evenwel 
| pe N 3 ZOO 


Oteinndndn 


ereari, nihil per hoc in fole mutatum vides. (De 
“_€o enim, quod a Planeta pateretur , non agimuuns, 
cum quzeftio fic de aCtione, quam in illum exer= 
cet). Quodfi vero fol hoe modo faum ftatum non 
immutet, neque Planetae frarum quod camen per 
attrationem fieri deberet) immmnrabit. Divero hee 
voluntate Dei ita fieri , est terminis ludere; Deur 

enim planetam verfus folemm impellere poste, ner» 
dubitat; illtud vero ut fol non agens, feu Hoe 
faum non mutans agat, ut Quiefens murerur, vu 


198. RAP DEFAGARAS ANTWOORD OP DE 


zoo werkt, dat.„het geen.rust , veranderd 
worde, en; een ‚ander lichaam verandert , 
kan niemand zeggen dat gefchieden kan, 
al. roept hy de Goddelyke Almagt te 
hulpe, ten zy hy haar tot tegenftrydig- 
Bale hon willen uitftrekken, Ook zou, 
iemand weinig: veld winnen, als hy zei, 
dat de. Zon eenen Planeet aantrok, door 
de. kragt van die beweeginge, welke 
God. haar had. ingedrukt ; want zy zal, 
of hy rust, dan of hy in beweeginge ge« 
bragtis, gedurig haren ftaat bewaaren, 
en, by gevolg de aantrekkinge, waar 
door zy een Planeet aanhoudend naar 
zich-lokt, niet kunnen beoeffenen, zon- 
der even zoo veele veranderingen, als 
er aantrekkingsoogenblikken zyn. Ja 
wat zegge ik! aangezien alle beweegin- 
ge, die van uitwendige oorzaaken voor- 

| koomt, 


botnntee 

terque corpus aliud, nemo vel per Omnipotentiam 
Dei fieri posfe dicet, nifi eam ad contradiétorta 
extendere. velit. Nihil etiam aliquis proficeret , 
dicendo, folem vi motus alicujus, a Deo illi im- 
presfi, planetam attrahere; ille enim , feu quies- 
eens, few commotus, {tatum fuum continuo con= 
fervabit, neque proinde attraétiones, in planetam 
continuas, non fine totidem mutationibus intelli 
gendas, exercebie. Quid quod? cum. motus om- 
pis, 3 causfis externis profettus, ad pasfiones cor= 
(het Poe 


VRAGE VOORST JAAR MGCLEKI, 199, 


koomt,, tot. de lydingen, der lichaamen. 
wordt betrekkelyk gemaakt, zoo. zal 
het ook ligter vallen, water git puim- 
fteen te halen, dan, uit. zoodanigg eene 
beweegies cen inwtenalg Beginzel van, 
dadelykheid, met geweld. uit te perfen, 

Op dat men het ongerymde, waar. 
mede het voorgefteld, BevC elen der New- 
tonianen gedrukt wordt, noch klaarder 
zie, wilde ik gaarne, dat men. dit, ook 
in overweeginge naame, . De. fterkte 


der Aantrekkingskragten, waar door 


een lichaam alle de ftoffe. des Geheel- 
als naar zich trekt, groeit aan, en ver- 
meerdert, volgens de wederzydfche re- 
den, van, de vierkanten. des afftands. 
By gevolg, moeten de verfchillende in- 
nie gefteldheden, en, het aantrekkend 
lichaam, dat is de verfchillende gedaan- 
N 4 te 


porum referatur, longe facilius fit , ex pumice 
aquam „ quam.ex hoc internum aliquod agendi 


‚ principium exprimere, 


Ut abfurda quae hanc premunt fententiam, clari- 

us adhuc videri posfint, haec velim ad animum 
revocemus. Intenfitas virium attraendi, qua cor- 
JUS QUO libet, omnem Univerfi materiam » attrahir, 

cfefeit, in ratione reciproca quadracorum diftan;iac, 
Aut itaque diverfis his quantitatis artraliendi zr 
dibus, quibus corpora, pro diftantiae vane, 
, ug 


200 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE 


te en het onderfcheiden maakzel, of 
beantwoorden aan de verfchillende 
trappen van hoegrootheid der aantrek- 
kinge, met welke de lichaamen, op ee- 
nen en denzelfden tyd, op eene ver- 
‘fchillende wyze, naar elkanderen gelokt 
worden, of dit alles moet onverander- 
lyk blyven, elk oogenblik, Het eerfte 
kan niet gefchieden; want de toeftand 
van elke zelfftandigheid, kan niet, dan 
by opvolginge van tyd, veranderd wor- 
den, om dat iets, niet het zelfde te ge- 
lyk zyn eh niet zyn kan. Maar zoo 
wy het laatlte vastftellen, brengen wy 
ons zelven onder onoverkoomelyke zwa- 
righeden, Want er moet nu verklaard 
worden, hoe, in eenen en denzelfden 
ftaat van een aantrekkend lichaam, zoo 

ver- 


etten 


uno eodemque tempore, modo tam diverfo, folli= 
citancur , diverfi in attrahente refpondent ftatus in- 
terni, id est diverfa figura, ftruêtura &c., aut hoe 
oirne, quolibet inftanti , invariatum mänet. Prius 
fieri nequit; ftatus enim fùubftantiae cujuscunque 
‘ nonmiu frecestu temporis variari potest, cum non 
posfit idem fimul este, et non esfe. At fi pofterius 
asferamus, infqverebilibus nosmet ipfos difficulta- . 
tibgs objecimus, Jam enim explicandum Est, quo= 
roda iu uno eodemqué corporis attrahentis A 
dhl Ì 


VRAGE VOOR ’T JAAR MDECLXXIL 201 


verfchillende uitlokkingen, onderfchei- 
den van grootte, met welke zoo onder- 
fcheidene lichaamen, op het zelfde oo- 
genblik,*worden gedreeven, hare rede- 
nen en oorzaken hebben kunnen? of 
ten minften, zou men moeten aantoo- 
nen, dat men, zonder zich zelven te- 
gen te fpreeken, zeggen kon, dat eene 
kragt, welke niet dan op ééne wyze be- 
paald is, (want zy kan niet te gelyk 
verfchillende bepalingen hebben) tot be- 
weeginge zou kunnen nopen, een gelyk 
gevaarte van een lichaam, op dezelfde 
wyze tot het ontfangen harer bewerkinge 

efchikt, dan eens met eene oneindige, 

an wederom met geene de minfte , en 
dan wederom met eene zekere bepaalde 
pitlokking, zoo ni zoodanig een ge 

ta 


tu, tam diverfae, magnitudine differentes, follici- 
tationes, quibus varia corpora , eodem inftanti, 
urgentur, rationem fuam continere posfint ? aut 
faltim esfet oftendendum, fine contradiétione dic 
posfe, unam, et nonnifi uno modo determinatam 
vim, (neque enim fimul et femel , varias determi- 
nationes habere potest) aequalem corporis masfam „ 
eodemque modo, ad ejus aftionem excipiendam. 
‚_ difpofitam, hic quidem infinita, ülic fere nulla, 
__ Aftic finita quacunque follicitatione , ad motum -ur= 


5e= 


202 J. RAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE 


tal niet zou kunnen worden uitgedacht, 
aan welke niet eene zekere aantrekkinge 
van een gelyken klomp, zoo als die van 
dezelfde kragt, op het zelfde oogenblik 
voorkoomt , beantwoorden zou, Ja de 
ftaat van een aantrekkend lichaam , vol- 
doet zelfs.niet , ter verklaaringe. van die. 
verande en, welke een enkel. Langen 
trokken an er van ontvangt. Te 
weten, het aantrekkend, lichaam, zet 
eenen trap. van, felheid, aan. het aange- 
trokken by. Die trap van. fnelheid, 
heeft derhalven zynen, genoegzaamen 
grond, in.den ftaat van het aantrekkend, 


lichaam. Maar ondertusíchen. heeft het 
aangetrokkene, eene niewe {nelheid ver- 
kregen, waar van men ook reden geven 
moet, Te vergeefs zal men die zoeken, 

in 


gere, ita ut nullus talis numerus concipi posfit, 
cui non aliqua aequalis masfae attractio, ab. eadem 
vi, eodem inftanti profeéta, refpondeat. -Imo, 
ftatus corporis attrahentis, ne illis quidem mutati- 
onibus, quas unum folum corpus attratum, ab co 
accipit, explicandis fufficit. Corpus nempe attra- 
hens, certum celeritatis gradum actraéto confert. 
Ille itaque rationem fuam, in (tatu, attrabentis ha 
bet, At interea attratum novam.celeritatem ac 
cepit, cujas tiam ratio dari debet, Frufira hane 

ter: MTD SNE Se 


VRAGE, VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 203 


in de verfchillende deelen. van het. Ydel; 
want dat kan op. de lichaamen. niets 
werken, en, zyne deelen, zyn onder el 
kanderen, volmaakt gelyk „ zoo dat en 
geene reden, wezen kan, waarom het li. 
chaam, in het een gedeelte des Ydels, 
meer fnelheid zou hebben, dan in het 
ander, Edog, men kan die reden ook 
niet vinden,in, het aantrekkend lichaam, 
Want aan het zelve heeft men de eerfte 
beweeginge dank te wyten, volgens ver- 
onderftellinge ; en-…dus kan men daar 
niet uit ontleenen die aanwas van fnel- 
heid, welke er. in de volgende oogen: 
blikken is bygekoomen. Want, alzoo 
een werkleedig aantrekkend lichaam 
zich, op de volgende oogenblikken, niet 
kon veranderen; kan er ook niets in Iet 

ZEl- 


in diverfis fpatii partibus quaeres; illud enim in 
corpora agere neutiquam potest, partesque €jus 
fant fibi perfeête fimiles, ut nulla ratio esfe posfit, 
cur in hac cjus parte majorem habeat corpus cele= 
Titatem quam in illa. Sed, neque ín, Corpore. attra 
hente, ratio illa inveniri potest. Huie enim ex 
hypothefi debetur celericas prima, adeoque, ab eo 
repetì nequit, quod fequentibus momentis accesfit 
velocitatis incrementum. Cum enim corpus. attra- 
hens iners fe fequentibug illis momentis mutare 

nog 


204 J:PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE 


zelve En waar uit de niewe trappen 
van fnelheid, die by den eerften trap 
zyn RAe ‚ kunnen worden afge- — 
leid. Eenige hulp te zoeken in den ver- 
fchillenden afftand, is vrugteloos, Want 
alzoo deeze niets is, dan de kortfte weg 
tusfchen twee punten , brengt zy , in het 
afgetrokken genoomen, niets te weeg, 
ter vermeerderinge of ter verminderinge 
van de fnelheid des lichaams, ten zy 
het lichaam, naar den verfchillenden 
afftand, op eene verfchillende wyze ge- 
fteld zy. Naawelyks is het noodig , dat 
ik den lezer waarfchouwe, hoe ik myn 
vertand aftrekke van de veranderinge, 
welke het aantrekkend lichaam, gedu- 
rende de beweeginge der aantrekkinge, 
misfchien van andere lichaamen wi 
| en 


rte 


non potuit, nihil in eo esfe potest, ex quo NOVÍ, 
celeritatis gradus , qri primo accesferunt, esfent 
repetendi, In diverik diftantia aliquid adjumenti 
quaerere „ est fruftraneum, Hec enim cum nihil 
aliud fit, quam linea brevisfima inter duo punéta, 
abftraëte ita fumta, nihil ad corporis celeritatem , 
vel augendam, vel imminuendam confert, nifi pro 
varia diftantia corpus attrabens vario modo fit dis- 
pofitum, Vix opusest ut moneam, me animum a 
mutationibus, quas corpus attrahens, durante at- 
traftionis motu , ab aliis forte pasfum est, abftrahe- 

re s 


_WRAGE VOOR ’T JAAR MDOCLXXI. 205 


den heeft; alzoo wy van deszelfs dade- 
Iykheden, en niet van zyne lydingen 
fpreeken, | 

_ % Is naawelyks te zeggen, hoe groo- 
te rampfpoed, op het grondgebied der 
Wysgeerte, gebooren is, uit eene alte 
dubbelzinnige beteekenisfe van kunst- 
woorden, en uit verwarde denkbeelden, 
Zie daar! men heeft. zoo zeer geenen 
toeftel. van redeneeringen noodig, als 
„wel eene duidelyke uitrollinge en ont- 
vouwinge van eenige kunstwoorden, om 
dat gefchil, * geen zoo lang geduurd 
heeft, te beflisfen, . Van alle de Filofoo- 
fen worden er twee-foorten van-hoeda- 
nigheden genoemd. Tot de eerfte foort 
brengt men de inwendige eigenfchappen, 
welke met het wezenlyk denkbeeld ee- 
| ner 


nnn 


re, cum de folis ejus aftionibus ‚ non-pasfionibus, 
loquamur. 

Dici vix potest, quanta fandi philofophici cala= 
mitas, ex ambiguo nimis terminorum: fignificatu, 
et confufis notionibus , enata fit, Eccel‚non-tam 
ratiociniorum apparatu ; quam diftinéta terminorum 
quorundam evolutione opus est; ut Controverfia 
„toties agitata dirimatur. Duae ab omnibus. qualita- 
tum fpecies nominantur. „Ad primam,referuntur 
afetiones interne, cum esfentiali rei conceptu 


CO= 


206 PAP DE FAGARÁS ANT WOORDOP DE 


ner. zäke-famenhângen. Doot-deze is 
de: zaak het geen zy is, en.deeze van 
eene zelfftandigheid te willen. vaffcheu- 
Ten , zou eveneens zyn, alsof men eene 
cirkel van zyne rondte berooven wilde, 
In de tweede rangfchikkinge brengt 
mende gefteldhedén , die niet doot het, 
wezenlyk begrip der zaak bepaald wor- 
den, maar in een bekwaam onderwerp, 
door de bewerkinge-der tweede oorzaa- 
‘ken, zyn voortgebragt, en daarom 1y- 
dingen-of toevalligheeden genaamd wor- 
den, -Deeze veranderingen. worden van 
vreemde oorzaakeh verwekt; maar welk 
eén gewrocht volgt “op derzelver bewer. 
‘kinge? Dit wordt bepaald, door het 
wezen vân het lydend onderwerp; zoo 
dat „deeze veranderingen, fchoon zy, 


uit 


eohaerentes. Per-has res -qualibet est id, quod 
est, has a fubftantia aliqua divellere, idem esfet, 
ac cifeulem fa rotunditate: privare. In fecunda 
clasfe “coilocantur affettiones, non per esfentia- 
tem rei:conteptum determinatae , in fubjetto ido- 
nev, operatione caustaram externaram produête , 
pPasfionds; velractidentia ditte. Excitantur hee mu 
tationes’ à causfis peregrinis„ “qualis vamen earum 
òperätionem effettus-confequatur?-illud per esfen- 
tia fubjeki ‘patientis Beterminätur, davut hae 

mu= 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCEL Kr 207 


uit dien hoofde, gebeurelyk en toevallig 
hieten, om dat zy haten oorfprong aän 
vreemde oorzaaken verfchüldigd zyn: 
nochtans zeekere wetten volgen, die men 
uit de natuur van het lydend onderwerp 
verklaaren moet, Dus worden ,- zoo 
wel de uit-,als de inwendige eigenfchap- 
pen, met de wezenlyke bepalingen der 
zaak verknocht; en zóo wordt geene 
ingebeelde ‘en wild 'uitgedachte bewer- 
kinge- der “uitwendige “oOrzaaken ver 
fierd, maar wel eene zoodanige, welker 
mogelykheid in het wezen der zaëk ver- 
vat wordt, Dat God zülke veranderin- 
gen, van welke wy’ {preëken, ín de lie 
chaamen voortbrengt, dat is, dat.hy de 
werkledige ftoffe beweegen’ kan, wordt 
zoo klaar begrepen; als de en pied 
yk- 


mutationes, licet fint‘hoe nomine contingentes, 
quod ortus earum, Causfis Externis debeatur, fe- 
guuntur tamen leges certas, ex natura fubjeti pa- 
_tientis, intelligendas. Ita internae-aeque, ac ex— 
ternae proprietates, cum esfentialibus rei determi 
_mationibus conneétuntur , et, ‘non ‘vaga quaevis 
caùusfarum externarum operatio, verum talis, ‘cujus 
osfibilitas ‘in -esfentia rei contíineatur , ftatuitùr. 
Tales, ‘de quibus loquimur mutationes, Deum in 
corporibus producere; id est materiam ‘inertem 
commovere posfe , ita clareintelligitur, ut primi 
mo= 


208 j. PAP DE FAGARAS ANT WOORD ORDE 


1ykheid. van eenen eer{ten beweeger be- 
weezen is. Maar ‚uit. de lydingen der 
ftoffe, als waar toe zy alleen bekwaam 
is, de inwendige -werkoorzaaken uitte 
bonfen, en dezelve.niet. tot. de wezen- 
lyke bepalingen te brengen „en noch- 
tans in den rang der lydingen niet te 
plaatzen, noch aan te toonen, hoe zy 
in de lichaamen kunnen, aanwezig zyn, 
is, eveneens, als of men vierkante en 
ronde dingen onder, een mengde. Hoe 
zoudt gy , bidde ik u, hem te-keer gaan; 
die vast ftelde„ dat, door Gods wil, het 
denkensvermogen aan de lichaamen wa- 
re medegedeeld? « Buiten twyffel, zoudt 
gy zeggen, dat God, met geen meerder 
recht, aan zeker onderwerp „eenige in- 
„wendige kragt, welke tot haar. wezen 

niet 


Selene 


motoris - necesfitas „demontftrata fit At. eX, pasfio- 
nibus materiae, ad quas folas habilis-est, internas 
agendi vires extundere, has easdem, non adesfen- 
tiales determinationes referre „ neque tamen in pas 
fionum clasfe collocare , nec quomodo corporibus 
inesfe, posfint, oftendere, est quadrata rotundis 
‚„ permiscere. Ôuomodo quaefo illi occurreres, qui 
virtutem cogitândi, Dei voluntate, cum corpori- 
bus. comniunicatam esfe, ftatueret?. Diceres pro= 
culdubio, non majori jure, Deum vim aliquam in- 
termam, ad ejus esfentiam non pertinentem, fub- 
EU jec- 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI. 206 


niet behoort, kan geeven, dan dat hy 
te weeg: zou brengen, dat een Triangel 
eenige niewe hoedanigheeden verkreeg, 
welke, in het denkbeeld der drie zyden 
en drie hoeken, niet was opgeflooten, 
Want zoo er eenige kracht is, zy moet 
in het onderwerp zyn; en zy is in hete 
zelve niet, ten zy zy tot deszelfs we= 
zen behoort; want door hetzelve heeft 
elke zaak, het geen zy is, en het geen 
het hare is. Doch dat al, ’ geen zy niet 
aan haar wezen, maar aan uitwendige 
oorzaaken verfchuldigd is; brengt men 
tot hare lydingen, welke by haar niet 
‘inwendig zyn kunnen; Dit heb ik aan 
ú te zeggen, die gelooft, dat de in« 
wendige aantrekkingskrachten, door de 
Goddelyke wille, aan de lichaamen zyn 
IV. DEEL. O mes 


eee 


jeëto alicui dare posfe, quam efficere, ut triangu« 
lam, novas quasdam proprietates, ideae trium la= 
terum et angulofum non inclufas, obtineat. Vig 
enim fi qua est, fubjeto inesfe debet, at ipfi nori 
‚inest, nifi ad ejus esfentiam pertineat; per hanc 
enim res omnis est; id quod est, pet hanc habet 
omne id, quod fuum est, iltud autem omne, quod 
non esfentie fuae, verum externis causfis debet; 
ad pasfiones ejus refertur, quae ipfi internae esfe 
nequeunt. - Tibi haec onrnia, fi internas attrahendá 
vires, cum corporibus voluntate Divina communi+ 
ee: 4 ca 


210 J;PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE 


medegedeeld, Zoo min deeze als gee- 
ne denkingskrachten, behooren tot het 
wezen der ftoffe ; en tis niet meer van 
geene, als van deeze getoond, hoe zy 
in de lichaamen hare zitplaats kunnen 
hebben. Voorwaâr men zou het aan- 
wezen moeten betoonen van een derde 
foort van hoedanigheeden , die noch we- 
zenlyk , noch toevallig zy, welke in- 
wendig zyn, en echter in het wezen- 
lyk denkbeeld der zake niet opgelloten - 
zou zyn; eer wy tot haar, in het ver- 
klaaren der verfchynzelen , den toevlugt 
neemen. De Schoolgeleerden werzon- 
nen zonder moeite een niew geflagt van 
hoedanigheeden, te weeten den fchrik 
voor het ydel, om dat zy de opklimmin- 
ge van het water in de. wen \ 

oor 


tt 


catas esfe credas , dia funto. Non magis hae, 
quam ijle cogitandi vires, ad esfentiam materiae 
pertinent, et quomodo corporibus inesfe posfint , 
non magis de his, quam illis oftenfum est, Pro- 
feto tertiae hujus qualitatum clasfis, quae nee es- 
fentialis, nec accidentalis fit, quae interna, neque 
tamen esfentiali rei conceptui inclufa fit, exiftentia 
deberet demonftrari , priufquam ad illam, in expli= 
candis phoenomenis, recurramus. Scholaftici , quia 
'afcenfum aquae in antliis afpirantibus , ex presfione 
aëris explicate aon poterant, novum qualitatum 

8 bd, gen 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXT, 21 


door de drukkinge der lucht, niet vers 
klaaren konden. Maar hedendäags, 
nu men het waar koorn der W ysgeerte 
gevonden heeft, heeft men geenen trek 
meer , om die eekels van hoedanigheeden. 
op te eeten. Zekerlyk zal er eens een 
dag koomen, op welke, by de verkla- 
ringe van de gewrochten der aantreke 
kinge, uit de eigenfchappen en uit de 
bewerkinge van eene fynere ftoffe, dan 
de lucht ís, aan de lichaamen hunne 
ware werkledigheid zal worden weder- 
gegeeven, en zy eindelyk van alle in< 
wendige krachten , met welke zy , fchoon 
weinig in getal , belaaden zyn, zullen ver- 
lost worden. Want de Newtoniaanen 
fchynen hier eindelyk dat plegtanker 
der krachten, *t geen den Scholaftyken 

O 2 Zoo 


Wd 


genus, horrorem fcilicet vacui, nullo negotio ef= 
fingebant. At hodie, reperta vera Philofophiae 
iruge, nemo illis qualitatum glandibus vefci amat, 
Veniet certe dies, quo his etiam attra@tionis eftec= 
tibus, ex proprietatibus, et op@ratione fubtilioris 
cujusdam „ quam aêr est, materiae, explicatis, ve= 
ra corporibus reddatur inertia, eademque omnibus 
tandem internis viribus, quibus jam non ita mul- 
tis „onerata fint, liberentur. Newtoniani eniui 
hie demum videntur, (aeram illam virium ancho= 
r rams 


212 J. PAP DE FAGARAS ANT WOORD OP DE 


zoo dikwyls van nut geweest was, ver- 
worpen te hebben. 


Wy hebben oris wat langer opgehou- 
den, met het wederleggen van de ver- 
fchillende gevoelens, omtrend de alge- 
ineene wetten der aantrekkinge; want 
wy konden zonder dezelve opgelost te 
hebben, onze gedachten niet zeggen 
over deze vraag: of men het fluk wolle- 
dig hebbe afgedaan, als men de werkla- 
ringe der verfchynzelen tot daar aan toe 
gebragt heeft; dan of men liever zyn best 
moete doen, dat ook de wetten der zwaar- 
te, werktuigelyk worden uitgelegd? Wy 
oordeelen dat, uit het geen wy hebben 
bygebragt, reeds genoeg blyke, dat de 
uitkoomften van ’ Geheelal door gee- 

| nen 


ram, quae Scholafticis toties profuerat, projecisfe, 


Diutius, tot diverfis circa generales attraétionis 
leges opinionibus!refellendis, immorati fumus , ne= 
que enim nii his difcusfis, de quaeftione , az phoe- 
nomenì explicatione ad illas perduëta adaequata ejus ratio , 
habeatur, aut potius danda fit opera, ut ipfae etiam gravi= 
tationis leges mechanice explicentur , noftram fententiam 
dicere poteramus. Patere jam ex his, que attuli- 
mus, arbitramur, eventus univerfi, nec geometri- 

ca 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 213 


nen meetkundigen nooddwang worden 
voortgebragt, en dat men ze aan de in- 
wendige krachten niet verfchuldigd is, 
maar dat zy ont{taan uit de-eerfte be- 
weegingen , van den opperften werkmees- 
ter der dingen, in zekere deelen der 
ftoffe ingedrukt, en uit de onderlinge 
aanftootinge der lichaamen tegen elkan- 
deren, overeenkoomftig met de wetten 
der werktuigkunde. Want alzoo de 
werkledige toffe geene beweeginge uit 
haar zelven hebben kan; is dit ook het 
gevolg, dat eenigen van hare deelen, 
buiten twyffel de allerfynfte (als zynde 
allerbekwaamst tot het ontvangen en 
voortzetten der beweeginge) van den 
opperiten bouwmeester der waereld, tot 
beweeginge ine aangezet zyn. Zoo 


. 3 Ei 


PENN Va! DENIZANIS i 
bes a a 


ca necesfitate produci, neque internis quibusdam 
“viribus deberi, verum ex impresfis a fummo rerum 
opifice, quibusdam materiae partibus , primis moti= 
bus, er mutuo corporum in fe invicem impulfu, 
s„convenienter legibus mechanicis, exoriri. Cum 
enim-materia iners nyllum ex fe motum habere 
posfit, confequens est, ut quedam ejus partes, 
fubtilisfimae proculdubio, (utpote recipiendo et 
‘continuando motui aptisfimae) a Summo Univerft 
„Architeéto, in motum concitari debuerint, Ita tan= 

dem, 


214 Js PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE 


hebben dan de verfchillende deelen der 
{toffe , aan ’t beweegen gebragt zynde „ 
en tegen een op eene aardige orde aan- 
geftooten , overeenkoomftig de werktuig- 
wetten , zoo der algemeene „uit de werk- 
ledigheid en ondoordringbaarheid be- 
toogd, als der byzondere, te weten van 
die, welke uit de gedaante en famenzet- 
tinge van elk lichaam voortvloeien, ein- 
-delyk de verfchynzelen van het geheel 
voortgebragt, welke wy aanfchouwen, 
Op deeze wyze eerbiedigen wy God wel 
alseen. wyzen kunstwerker der waereld, 
maar. wy „neemen, in ’t verklaaren der 
uitwerkzelen, den toevlugt niet eerder 
tot, hem , vals dan, wanneer er ons de 
Natuur-henen leidt, -Namentlyk om de 
raderen van dit werktuig te vervaardi- 

k “Gen; 


Dt 


dem, varias materiee partes, commotae, et in fe- 
met eleganti aliquo ordine impulfe , convenienter 
tegibus mechanicis , tam generalibus illis, ex iner- 
tia et impenetrabilicate demonftratis, quam fpeci- 
aiibus, ex peculiari fcilicet corporis cujuscunque 
figura ct ftruêtura, explicandis, haec quae videmus 
Univer phoenomena produxerunt. Hac ratione, 
Depmequidem ut fapientem mundi artificem vene= 

famur, neque tamen ad eum prius, quam ipfa na- 
tura nos-ducat, in effeétibus explicandis , recurri= 
mus, \Scilicet, ad organa hujus machinae gan 

k LIUS 


VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIIL, 215 


gen, om dedeelen van hetzelve voortte: 
brengen, die tot de gewrochten, waar 
toe zy gefchikt zyn, noodig waren, om 
dezelve gemäkkelyk te doen werken , en 
_deeerfte beweegingen aan derzelver fy 
fte deeltjes in te drukken! ’tZaler dan 
maar op aankoomen, welke gedaante 
en famenftellinge de opperfte werkbaas 
der waereld in eenige deelen der {toffe 
gaf, welke de voornaamfte dryfveeren 
van ’ Geheelàl uitmaake? welke fnel- 
heid en welke ftreek van beweeginge hy, 
haar hebbe ingedrukt? Hoe, uit dezel- 
ve de verfehynzelen ontftaan zyn? wel: 
ke. de eerfte ftaat der waereld geweest 
zy? hoe uit die de overige zyn gevolgd? 
welke de voornaamfte ftukken van dit 
werktuig zyn, met welke zyne edelfte 
O 4 wers 


Binnen 


ftruenda, omnes ejus partes efic&tibus , quibus de= 
ftinatee faut, producendis, commode ptandas, et 
primos delicatioribus. ejus partibus motus impris, 
mendos. Qualem iraque fummus mundi opifex, 
quibusdam matcriae partibus, quae precipua quafi 
Univerfi elateria conttituunt, figuram feruêturam= 
quedederit? Qualem motus celeritatem, et dire- 
Ctionem ipfis impresferit? quomodo ex his, hee 
phoenomena exorta fint? quis primus flatus mundi 
faerit? quomodo ex eo, ceteri confecutiP quz 

fiat 


216 J. PAPDE FAGARAS ANTWOORD OPDE 


werkingen worden verrigt? hoe de in- 
wendige deelen zoo gefchikt, en zulke 
beweegingen in dezelve gedrukt zyn, dat 
er de allervolmaakfte orde uit te voor- 
fchyn koome? Alle deze dingen duide- 
lyk te verklaaren, of met Cartefius te 
zeggen: geef my de floffe en de bewee- 

inge, en ik zal u volkomen leeren, hoe 

et. Gebeelal te woorfchyn gekoomen zy: 
dit zou het eindelyk zyn, de laatfte 
oorzaaken der gewrochten op te gee- 
ven: zoo zou eindelyk de ware ketting 
der natuurlyke gebeurtenisfen toegefteld 
Zyn, en zyn laatfte fchakel aan den 
Goddelyken troon zyn vastgemaakt, 
gelyk de Poëeten gewild hebben. | 


Maar 


Nd 


fint precipua hujus machinae organa, quibus no= 
biliarês ejus operationes peraguntur? quomodo 
interiores eorum partes, ita fint difpofitae „ tales= 
que illis impresfi motus , ut ordo omnium puicher- 
rimus exurgat? Haec omnia clare explicare , feu cum 
Cartefio dicere: da mihi materiam et motum et quomodo 
Uuiverfùum exortum fit edocebo , hoc demum esfet; ulti= 
mas effettuum causfas asfignare, ita demum, vera 
eventuum naturalium catena conftructa esfet, 
ejufque extremus annulus, quad Poëtge volebant, 
{oli divino alligatus, | 
vs as ride ed 


en  n 


VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXI. 217 


Maar misfchien zal het roekeloos 
fchynen, dat men daar op hoopt, ty- 
rannisch, dat men het vordert, en 
dwaas, dat men het onderneemt. Want 
hoe! zyn wy geheimfchryvers van den 
Werkmeester der Natuur geweest? of 
gelooven wy, dat de Hemel een uitge- 
{pannen perkament is, in welke de ver- 
borgendheeden der Natuur zyn inge- 
fchreeven , om van ons geleezen te wor- 
„den? De Natuur gaf eene eindige 
grootheid aan alle zaaken: zy zelve 
heeft een perk voor de menfchelyke 
wetenfchap , zy zelve heeft grenzen aan 
die roekeloosheid voorgefchreeven, de 
meeste dingen van onder de fterfelyke 
oogen weggedooken, en de uiteinden 
der dingen , onder eene eeuwige nacht, 
bedolven. De Natuurgebeurtenisfen 

Os van 


rt 


Sed haec forte fperare temerarium, poftulare ty= 
rannicum, aggredi infanum videatur. Num enim 
Naturae rerum opifici fuimus a fecretis? aut Coe- 
lum pellem extenfam este arbitramur ‚ cui infcripta 
Univerfi arcana , a nobis legiposfint? Finitam cui= 
que rei magnitudinem Natura dedit: ipfà termi-= 
num cognitioni humane, ipfa limites temeritati 
pofuit: plurima mortalibus fubduxit oculis, et 
Extrema rerum note aeterma obruit, Implicantur 

___ even- 


218 J,PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE 


van ’t Heelal zyn zoo ingewikkeld, om 
dat de famenknoopingen der oorzaaken 
verholen zyn, en de ftrikken en famen- 
bindzelen zoo verborgen blyven, dat 
men noch door de reden, noch door 
het gezicht kan te weeten koomen, waar 
zy beginnen ,of waar zy eindigen, Men 
moet voorwaar! belyden, dat de men- 
fchelyke zinnen. plomp zyn, dat de oo- 
gen der ziele bot „en dat de werktui- 
gen, met welke wy hunne zwakheid te 
hulpe komen, onvolmaakt zyn. De 
fynheid der geesten, waar door het Ge- 
heelal in beweeginge gehouden wordt, 
entfnapt onze oplettenheid en onzen 
vlyt; en hoe zullen wy dan de gedaante 
en innige gefteltenisfe derzelve ontdek- 
ken? en door welke kunstgreep. zullen 


eerde 


eventus Univerfi, latentibus causfarum nadis, 
nexus ita celantibus, ut ubi incipiant, et ubi de- 
finant, nec ratione. nec vifu cognofcatur, Confi- 
‘tendum profeéto est, rudiores ecsfe humanos fen- 
fus „ hebetes mentis: oculos, imperfeéta etiam, qui- 
bus: imbecillitati illorum fubvenimus, inftrumenta: 
eludit noftram induftriam fpirituum, quibus Uni- 
verfum agitavur., fubtilicass quomodo figuram et 
ftruêturanv eorum, detegemus? qua arte „ex eo- 
Téin: motibus „ ceeteras mundi mutationes. explir 

-… Câ= 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 219 


wy uit hunne beweegingen , de overige 
veranderingen der waereld verklaaren2 
Zelfs de allergrootíte. lichaamen van * 
Heelal zyn ons onbekend, en niemand 
heeft toegang tot het befchouwen van 
derzelver innige gefteldheid. Daar wy 
derhalven naawelyks den toegang heb- 
ben tot het voorhof der Natuur; waar- 
om zouden wy dan ons laaten voor- 
ftaan, dat wy in haar binnenfte vertrek 
kunnen intreeden ?. Aan den Onderzoe- 
ker der Natuur zyn zekere grenspalen 
‚ voorgefchreeven, buiten welke niets be- 
ftaan-kan, dat recht is, en binnen wel- 
ke Newton, die Herkules der Filofoo- 
fen, den Hemel verdiende. Voor de 
menfchen, «die als veroordeeld fchynen 
om onkundig te blyven van de innerly- 
ke gefteldheid der lichaamen, fchynt: 


al- 
era ra ed 


cabimus? Ipfa vaftisfima Univerfi corpora, nobis 
„fant incognita, nemini interior eorum ftruura 
patet. Cum itaque vix in-atrium Naturae admisfi 
fimus, cur ingresfam in interius conclavc-affete- 
mus? Sunt certi Nature Scrutatori praeferiptifines 
guos ultra citrague meguit oonfifbere relum , intra quos, 
Philofophorum ille Hercules, Newtonus coelum 
meruit, „Hominibus ad ignorandam  interiorem 
“Gorporum {ruêturam velut condemnatis, ge fo- 
di um 


220 J,PÁP DE FAGÁRAS ANTWOORD OP DE 


alleen deze toevlugt over te fchieten , 
dat zy gelooven alles te hebben verrigt, 
wat van eenen wysgeer gevorderd wordt , 
als zy de orde van ’tGeheelal hebben 
leeren kennen, velerhande gewrochten 
met elkanderen vergeleeken en tot nut 
van het leeven toegepast en overge 
bragt hebben. Deeze dingen zyn ge- 
noegzaam, om het leeven gemakkelyk 
en vermakelyk door te brengen: ja wat 
zegge ik, waarom zouden zy ook aan 
de nieuwsgierigheid niet voldoen ? Want 
wy zelven zyn een groot fchouwtooneel 
genoeg. Laaten wy eerst ons zelven 

ennen, en dan eerst begeeren naar de 
kennisfe van verafgelegene zaaken, Hoe 
koomt het te pas, dat men, met eene 
{toutheid van Ikarus, buiten den Zon- 
neweg wil omzwerven, en van de zit- 

| plaats 


Grid 


lum fuperesfe videtur refugium „ut ordine Uniwerfi 
cognito, effeétibus variis; inter fe combinatis , et 
vitge uûbus applicatis,-officio Philofophi fe per- 
funétos putent. Haec, ad vitam commode et ju= 
cunde tranfigendam, faris unt, quidni etiam cu- 
riofitati fufficiant? Quin ipfi nobis fatis magnum 
theatrum fumus. Primum nosmet ipfos cognoíca- 
mus, et itademum , quae remotiora funt, concupi= 
fcamus. Quid sttinet, Icario-gufù „ ultra folis vias 

eva- 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXxn, 221 


plaats zelve der ziele, als eene onbeken- 
de kust, niets weete? Waarom moeten 
wy de ingewanden der Natuur opvroe- 
ten, en van de onze geene kennis draa- 
gen. Staa hier ftil, o Wysgeer ! uw eie 
gen lichaam roept u te rug, De voet- 
_ftappen van Cartefius zelve en van alle 
de anderen, die tot de uiterfte grens 
fcheidingen der Natuur zyn doorgeto- 
gen, kunnen ons affchrikken, alzoo zy 
alle vooruitflaan, en men er geene vind, 
die te rug gekeerd zyn. Onkundig te 
zyn in fommige dingen, welke de beste 
_ Meester niet heeft willen hebben dat 
wy wisten, is eene befchaafde en wy- 

ze onkunde. | 
Zoo fpreeken zy bykans allen, die 
de Filofoofen van het dj org ei 
| or- 


Kn 


evagari, ipfàamque anirhae noftre fedem, velut 
terram aliquam incoggitam , ignorare ? Quid Nature 
vifcera rimari, nefcire noftra? Refifte Philofophe! 
tuum corpus te revocat. Ipfa certe Cartefii , alio= 
rumque omnium, qui ad extremos ufque Nature 
fines progresfi funt, veftigia, nos terrere posfunt 
omnia antrorfum fpettantia nulla retrorfam, Nefcire quz- 
dam, que Magifter optimus nefcire nos voluit, 
erudita infcitiaeft, 

Ita fere omnes, qui Philofophos , a causfis inda- 


gan, 


392}. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE 


Oorzaaken willen té rug toepen ; om 
liever de Gewrochten te befchouwen, 
Ik bekenne het: hunne redenkavelinge 
is zedig; maar hunne al te groote ze- 
digheid is ook verdacht. Zy, die niets 
willen weeten, ee met nochi groo- 
tére verwaandheid ; de verwaandheid 
van anderen met de voeten; want zy 
brengen de misdaad, welke men aan de 
vadzigheid der menfchen verfchuldigd is, 
voor reekeninge van de Natuur zelve: 
en, ’t geen zy zelve niet weeten, mee- 
nen zy ; dat niet geweeten kan worden. 
Met hun klein voetmaatje meeten zy 
alle andere menfchen af, ook die, wel- 
ke in de toekoomende eewen {taan gez 
boren te worden, Maar watvoeren dan 
die Leermeesters eener geleerde onkun- 
de in den {child? Gelooven zy ia ol 

a 


ritt 


gandis, ad effeêta potius contemplanda, revocare 
connituntur, Modetta fateor eft eorum oratios 
fed ipfa etiam nimia modeftia fufpe&a eft. Calcant 
hi fatum aliorum, qui nihil nefcire volunt, fed 
majore faftu; culpamenim, quae hominum ignaviee 
debetur, in Naturam ipfam transferunt, et quod 
ipfi nefciunt, pe feiri quidem posfe putant. Suo 
modulo , faoque pede, omnes alios, etiam futuris 
feculis nafcituros, metiuntur. Sed quid demum; 
hi eruditae ignorantiae Magiftri fibi volunt?- id 

a 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 223 


Natuur alle hare geheimen, die zy wil 
openbaaren, reeds nu ten besten gaf? 
elooven zy dat het menfchelyk vere 
nuft reeds is uitgemergeld, en dat zyne 
krachten verteerd zyn ?. Maar laaten zy 
dan naar SENECA luisteren, die daar 
over veel beter oordeelt. De Natuur 
der dingen, zegt hy, geeft alle hare hei 
ligdommen niet in eens over; groote din- 
gen koomen traagelyk te woorfchyn; in de 
daad de waereld is een klein ding , indien 
de arbeid der Filofoofen ophoudt , indien 
de ganfche waereld niets in zich heeft, 
daar men naar zoekt ; en de geheimen der 
Natuur flaan zoo gereedelyk voor allen 
niet open. Mogelyk zyn zy bang, dat 
de geheimen, welke God wil dat voor 
ons zullen verborgen blyven , «al te 
fchielyk ontdekt worden, als wy over« 
| gaan 


Naturam , omnia quae volebat myfteria profudis(e? 
An efoetum humanum ingenium, et confumtas 
ejus vires esfe? At audiant Senecam longe reCtius 
fentientem ; Nox fima! , inquit ille „ rerum Natura facra 
fwa tradit „ Barde magna proveniunt „ utique fi labor cesfat, 
pufilla res mundus est, nifì in illo quod querat omnis mun- 
dus babeat „-arcana Nature nec ag he nec omnibus pa- 
tent. Allud forte metuunt, ne , fi ad perferutandas 
rerum causfas accedamus„ fecreta,quae Deus latere 

, nos 


224 J, PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE 


aan tot het uitvorsfchen van de oorzaas 
en der dingen, Maar kunnen zy dan 
een juist meetperk bepaalen voor de 
menfchelyke naarftigheid, dat noch te 
naby, noch te afgelegen is? Hoe veel 
beter doen dus die wysgeeren, die de 
grenzen der verpligtingen, naar Cicero’s 
etuigenisfe, veel verder dan billyk was, 
ebben uitgeftrekt, op dat wy, wan- 
neer wy met onzen geest naar het einde 
ftreeven , daar nochtans blyven ftilftaan, 
daar het betamelyk is. _ | 
*Is een gladde en fteile weg, ik be- 
kenne ‘t, waar langs men naar de oor« 
zaaken der dingen voortwandelt „ en zy 
is belemmerd met groote klippen. Maar 
alles wat fchoon is, is ook moeilyk te 
verkrygen; en de Ouden hebben reeds 


ge- 


rS 4 Ne, Nl, ONIN (2 
Nn 


nos voluit, jufto citius detegantur. An metam 
humane induftrie juttam quae nec nimis propin= 

ua, nec remota fit figere posfunt? Quanto melius 
illi Philofophi, qui fines officiorum „ tefte Cicero- 
ne, longius quam par erat protulerunt, ut dum ad 
extremum animo Contendisfemus, ibi tamen, u= 
bi oportet , confifteremus. 

Lubrica fateor , et preeceps est via, qua ad rerum 
causfas itur, ac ingentibus impedita fcopulis. Sed 
ardua femper esfe quae pulcra, nec dari ad verita- 

tes 


VRAGE VOOR ’T JAAR MDCELKXi. 533 


gezegd, dat er geene breede heirbaan 
naar de waarheeden heenloopt. Zy is 
geen kloek en dapper man, Zegt SENECA; 
die den arbeid ontloopt; maar de moed 
ryst berm, hoe moeilyker zich de Zaaken 
woordoen, Door deezen edelen drift ver= 
voerd, heeft Archimedes de eerfte wet- 
ten aan het evenwigt gegeeven , Gali 
leus de fluitboomen der Lichtkûnde ge< 
opend, en Newton de geheimen van 
de beweeginge der Planeetén ontdekt. 
In deezen en ândeten vindt een Nat 
tuurondetzoeker iets, daar hy zich over 
verwondeten, en ’t geen hy naarvolgen 
mag. Met meer recht wordt hy door 
de gedenkftukken der fchranderheid van 
zoodanige mannen aangefpoord, dan, 
‘Fhemistoeles voormaals door de zeges 

IV, DEEL P tees 


tet dt 


tes viam regiam, jam Veteres agnoverunit. Nod - 
estille, ait Senecd , vir fortiset frernúns , qui ldborem fugit ; 
verum ibi crefcit illi animus , ipfa rerum difficultate, Ge= 
nerofo hoc impetu duéti, Archimedes, primus lex 
ges equilibrio dedit, Galitaeus; phoronomiae 
clauftra referavit, Newtonus myfteria motus Plas 
netarum detexit. In his, aliisque, Naturae fcru- 
tator, et quod miretur, et quod imitetur, haber, 
Horum ingenii monumentis, majori jure, quam 
Themiftocles olim Miliciadis tropoeis, excitaturs 
as Fuit 


226 Je PAP DE FAGARAS ANT WOORD OP DE 


teekenen van Miltiades, Er is een tyd 
geweest, toen het gemeen de {taartftar 
voor een droevig voorfpook aanzag, 
en de wyze man haar voor eene fchand- 
vlek der Filofofen hield; en Seneca noch- 
tans, den moed niet laatende zakken, 
voorfpelde ten zynen tyd reeds, *t geen 
er naderhand gebeurde, Zr zalf noch 
wel eens iemand zyn, zegt hy in het 
zevende boek zyner Natuurlyke Vraag- 

ftukken, die bewyzen zal, in welke dee- 
len wan den hemel de Comeeten omzwer- 


wen, hoe zy zoo afgefcheiden van de ove- 


‘rige flarren woordloopen? hoe groot en 
hoedanige zy zyn? Dat dit vooruitzigt 
niet ydel geweest zy , heeft de uitkom- 
Île eerst in onze eewe beweezen. Voor- 
waar! er zal eens een tyd koomen’, wan- 
neer de dag en de vlyt van een lan- 

ger 


SOHN 


Fuit quando, Cometam vulgus pro ferali praecone „ 
fapiens, pro opprobrio Philofophorum, habuit. 
Seneca tamen animum non defpondens, jam tunc id, 
quodevenit praedixit. Erit, inquit Natur. Quztt. 
Libr. 7. qui demonftret aliquando, in quibus Co- 
metee partibus errent? Cur tam feduti a ceteris 
eant? quanti qualesque fint? Non vanum fuisfa 
hoc augurium , eventus, noftro demum feculo ,com= 
probavit, Veniet profeéto tempus, quo ifta etiant 

quae 


VRAGE VOOR °T JAAR MDOCLXxi, 229 


ger leeven die dingen, welke noch vet: 
borgen zyn , aan het licht zal brengen ; 
en misfchien zal er een tyd zyn, wan- 
neer onze nakomelingen zich zullen ver- 
wonderen, dat wy dingen ; die zoo opens 
baar zullen zyn, niet geweeten hebben, 
Want, door een zonderling gebrek van 
*menfchelyk vernuft, gebeurt het, dat ; 
wanneer iets nog niet ís uitgevonden, 
wy teffens denken, dät het niet kan 
uitgevonden worden ; en dat wy teffens 
oordeelen, dat de dingen, die uitge- 
vonden zyn, zoo gemakkelyk waren , 
dat wy ons verwonderen, dat dezelve 
aan de naawkeurige oplettenheid der 
Ouden ontfnapt is. Alle deeze dingen 
leiden my op tot gene zeer groote ho- 
pe, dat eens, zoo wy er met âlle on- 
ze pogingen en kragten ons op toe- 

Pa leg- 


Hind 


guäe nunc latent in lucem dies extrahat, ef longia 
oris aevi diligentia, Erit forte, quando pofteri nos 
tam aperta nefcivisfe mirentur. Singulari enim ali= 
quo humani ingenii vitio evenit, ut, eum aliquid 
nondum inveätum fit, idem ne inveniri quidem 
posfe cogitemus, et que inventa funt, tam faci- 
lia judieemus, ut, quomodo Veterum induftriam 
effugerint, admiremur. Haec omnia in fpem ma- 
kimam me adducunt fore, ut, fi in hoe gmnibus 
vi 


928 j, PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE 


legsen, eindelyk alle dingen zullen 
worden uitgevonden, welke de Ouden, 
doof mangel van onderzoek, hebben 
overgelaaten, en dat men tot den grond, 
in welke de waarheid geplaatst is, koo- 
men zal, vdahds | 

Dat ik myne hope niet telle onder 
de dangenaame droomen, veroorzaaken 
voornamentlyk die verbaazende vorde- 
ringen, welke de Wiskunst in dezen 
tyd ontvangen heeft, Deze Goddely- 
ke wetenfchap is reeds al van de oudfte 
tyden af beoeffend, De eigenfchappen 
der figuren en lichaamen zyn bewee- 
zen. Toen zy daarna, van Cartefius 
en anderen, verder bevorderd werd, 
zyn de kromme lynen in de Geome- 
trie ingevoerd, en de manier der Kek 

ye 


4 


UIN ZN ON ZAND SUZAN NID 
endif 


“viribus incumbamus, inveniantur tandem omnia, 
que parum inveftigata Veteres reliquerunt, etad 
fundum, in quo veritas est pofita, veniatur. 

Ne fpem meam fuavibus fomniis annumerem, 
faciunt vel maxime ftupendi illi progresfus, quos 
Mathefis his temporibus accepit. Divina haec 
fcientia, jam inde abantiquis temporibus, exculta 
est. Figurarum et folidorum proprietates demon- 
Îtratae, Ulterius deinde a Cartefio, aliisque, pro= 
mota, lineae curvae in Geometriam introdute, 

is 


WRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 229 


Iynen. en -smaxima gevonden, *t Blykt 
van zelfs, dat deeze eenvormig zyn met 
die, welke tot hier toe: in de (Phyfica) 
Natuurkunde zyn te voorfchyn gebragt. 
De kromme lynen ontfnappen het ‚ge- 
zigt niet: hare toerichtinge gefchiedt op 
verfcheide wyzen: de werktuigen; met 
welke zy befchreeven worden, vervan: 
gen de werktuigen, welke men tot het 
neemen van proeven gebruiken moet, 
Maar alle deeze dingen verdwynen; 
zoo dra zy vergeleeken. worden met 
die, welke men in deze en in de voo- 
rige eewe ontdekt heeft. Ziet daar 
de wetten van eene gedurige verfnel- 
lende beweeginge! welke niet {cheer 
nen te kunnen begreepen worden, 
zonder eene duidelyke kennisfe van de 
op elkanderen he volgende oo- 


3 gen. 
eed 


invente tangentium , maximorùmque methodi. 
Analoga hec iis esfe, que adhucdum in Phyficis » 
preftita funt, fponte patet. Non eludunt vifum 
lineae curvae , earum conftruêtio vario modo pera- 
gitur, inftrumenta quibus defcribuntur , vicem fu= 
beunt machinarum, quibus ad experimenta infti- 
tuenda utimur. At evanefeunt heec omnia, fi cum 
dis, quae noftro, et priori feculo, detecta funt, 
conferantur. Motus ecce accelerati leges! quae, 
fine diftinta momentorum fe mutuo excipientium 

Cog= 


230 Je PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE 


genblikken, en nu echter tot eene ge- 
lykmatige beweeginge gebragt zyn, 
Ziet daar de uitterfte beginzelen der 
kromme lynen, die zich in eewigheid 
aan het gezicht en de zintuigen ontdui- 
ken zullen , worden nu in rechte lynen ge- 
daantewisfeld , makkelyk tot eene hoofd- 
fom gebragt, en de hoeken der krom- 
te zelve, naawelyks voor het verftand 
van eenen engel kenbaar, worden met 
elkanderen vergeleeken, Maar de woor- 
den zouden my eer ontbteeken, eer 
ik mangel zou vinden aan niewe uit- 
vindingen der. Wiskunftenaars. Archi- 
medes zou by den onveranderlyken 
Jupiter gezwooren hebben, dat die din- 
gen, welke men thans al fpeelende ont- 
dekt, in eewigheid het menfchelyk zi 

hade km nuft 


dd 
cognitione, intelliei non posfe videbantur, ad 
motum aequabilem funt redute : ultima curyarum 
clementa, que vifui, fenfibusque fe in eternum 
Tubdugent, in reétas lineas transformata, in fum- 
mam facile rediguntur: ipfi curvedinis anguli, vix 
Angelico intelleêtui cogniti, inter fe conferuntur. 
Sed citius me verba, quam nova Mathematicorum 
inventa, deficient. Aeternum haec humano intel= 
leétui impervia futura, jurasfet Iovem lapidém 
Archimedes, gu hodie ludendo deteguntur, Pri- 

EW dens er er | ip | ne + … - … es Sims, Wir aib dt ese mi 


21 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL. 23E 


nuft ondoorgrondbaar en onbekend zou- 
den blyven. De eerfte der ftervelingen, 
welke er den toegang toe openden, wa- 
ren NEW TON €En LEIBNITZ ; maar de 
ouden waren er reeds naby geweest, en 
zy zouden mogelyk tot die groote ont- 
dekkingen gekoomen zyn, hadden zy 
er hun verftand op gevestigd. Archi 
medes had er reeds eenige zaaden van 
geftrooid , Paschalius en Barovius had- 
den de uitfpruitzels gezien, Newton 
heeft er den oogst van ingezaameld ; 
die nochtans voor de nakomelingen ee- 
ne groote nalezinge genoeg overliet. 
Maar waartoe zal dit dienen? De Wis- 
kunftenaars hebben zich mannelyk ge- 
kweeten: zy hebben voltooid, ’t geen 
door geene peo magt fcheen 

| P 4 te 


br re he hi shad 


mi mortalium aditum ad haec paraverunt Newto- 
mus et Leibnitzius; fed in vicinia corum jam erant 
vetercs, et pervenisfent proculdubio, fi animum 
advertistent. Iecerat aliqua femina jam Archime- 
des, viderunt plantas Pafchalins, et Barovius , lar- 
gam mesfem collegit Newtonus ; qui tamen pofie- 
ris fatis magnum reliquit fpicilegium. Sed quor- 
{um haec?- Preftiterunt Mathematici fe Viros; ab= 
folverunt que humana opera vix incipi posfe vide= 
‘banturz ad prima usque curvarum elementa, per- 

frac= 


232J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE 
| 

te kunnnen begonnen worden; zy zyn 
‚tot de eerfte beginzelen der kromme 
Iynen nedergedaald , en hebben de {luit- 
boomen : der Natuur doorgebrooken, 
Waarom zouden wy dan wanhoopen;, 
dat dit ook niet in; de Beginzelen der 
Natuurkunde. zou ‘kunnen, worden te 
weeg gebragt? ’t Koomt op een uit, de 
Natuur beginzelen ontfnappen onze zin- 
nen «door hunne-kleinheid,. maar zy 
worden aan wetten. onderworpen door 
de fynheid van ’t vernuft, (welke veel 
grooter is.) De “Natuur zelve fchynt 
reeds,eenige voorboden vooruit gezan- 
den te. hebben, die verwittigen zullen, 
dat-zy gezind is,om teeniger. tyd, al 
wat zy zich aangetrokken en: in haren 
fchoot opgeflooten heeft, daar uit te 
ftorten, Door de: proefneeminge zelve 

| er 


Goten 


frais Nature clauftris, descenderunt. Idem in 
Phyficis rerum Elementis pfeeftari posfe, cur defpe- 
remus? Par horum est ratio, tenuitate fua fenfi= 
bus elabuntur, at ingenii fubtilitate (que longe 
major est) legibus fubmittuntur, Ipfâà jam Natu- 
ra, preenuncios aliquot mifisfe vilaest, qui indi- 
cent, fe eo esfe animo, ut quicquid reduêtum, et 
“ nteriore finu claufum habuit, tandem aliquando 
eftundet, Ipfis electrigis experimentis non tgntum 


Îtus 


VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL; 23% 


der: Electriciteit: volgen wy niet flegts 
„de verbazende uitwerkzels- van den blie 
xem naar; maar daarblikt ook/geene 
geringe-hope aan, dat de beweegingen 
der Planeeten eens door de wetten der 
Electriciteit zullen verklaard worden. 
De beweegingen der-vloeiftoffen, om 
hare moeilykheid van. de. Ouden ver- 
waarloosd, beginnen in onzen tyd zich 
aan de bereekeninge en- zeekere wetten 
te onderwerpen, waar door het gebeu- 
ren. zal, dat. wy de teederfte deelen 
van het Heelal dagelyks meer en meer 
zullen leeren kennen. Wat is er-fyner 
dan de lichtdeelen ? evenwel uit derzel 
ver. breekbaarheid, is: de natuur der 
koleuren , welke, voor dentyd van New- 
ton ‚de Filofofen meer tot razerny ver- 
rs Ps voer: 


Benddtdhddnt 


ftupendos fu!minis effectus imitamur; verum eti= 
am fpes non levis affulget , ut motus Planetarii „ eX 
legibus ele@ricitatis explicentur: Motus fuido- 
rum, negleéti ob difficultatem a Veteribus, noftro 
tempore , calculo certisque legibus fubjicí coepe- 
runt, quo fiet, ut delicatiores. Univerfi partes, 
magis magisque in dies, cognoscamus. … Quid 
particulis lucis fubtilius? ex eorum tamen diverfa 
refrangibilitate , tam feliciter natura colorum, qui 
Philofophos magis, quam taurum, ante Newtoni 

% tem= 


934 Je PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE 


voerden, grooter dan van eenen ftier, 
zoo verklaard , dat er niets meer voor 
ons verftand ondoordringbaar fchynt 
te zyn, Waarom fammelen wy dan? 
De ouden lagen in eenen diepen flaa 

bedommeld: Cartefius, die by na de 
eerfte was , die waakende in de binnen- 
kamer der Natuur: binnen trad, heeft 
hun de vaak uit de oogen verdreeven. 


Hy is van de meetpaal afgedwaald; 


maar anderen hebben den rechten weg 
gevonden , en , binnen den tyd van twee 
eewen, hebben zy reeds de helft van 
den weg afgelegd, Laten wy derhal- 
ven uitfcheiden met kwade voorfpoo- 
ken te maaken: laaten wy liever aan- 
pakken het geen voorhanden is, en % 
geen eenen Filofoof betaamt: laten wy 
| | naar 


karel da 


tempora, in rabiem agebant, explicataest, ut nihil 
noftro intelletui impervium este videatur. Quid 
itaque cunamur? Alto Veteres fomno confopiti 
jacebant, excusfic tllis veternum Cartefius, qui 
primus fere vigilans ad Nature conclave ire ce- 
pit. Aberravit ille a meta; at invenerunt reétam 
viam aliì, et, duorum teculorum patio, dimidium 
‘fere itineris emenfi funt. Defnamus proinde male 


‘Ominari, quin portus hoe quod inftat, quad Philoe 


fophum decet , agamus, in caustas rerum inquiramus, 
Pra- 


VRAGE VOOR °T JAAR MDECLXXI, 235 


naar de ootzaaken der dingen onderzoek 
doen. Gewisfelyk het is best, dat wy 
daar over niet zintwisten , wat wy kun- 
nen uitvoeren: maar laaten wy ’t be- 
proeven. Zoo gy een wysgeer zyt, 
doet dan al wat u voorkomt, Daar 
mag wan komen wat. er van wil, * zou 
ny tot fchande flrekken, indien ik anyn 
werk liet fleeken! 


Nu fchynt er niets over te blyven , 
ter voldoeninge van de bevelen des 
Doorluchtigen Genootfchaps, dan dat 
wy de beste wyze, op welke men van 
de gewrochten tot de oorzaaken op- 
klimt, aantoonen, en eenige nuttige re- 
gels te berde brengen, welke van de 
Onderzoekers der Natuur moeten wor- 
den in acht genoomen. Wy laaten ons 

Zoo 


rrd 


Preftat certe de eo quid posfimus non difputare, 
fed experiri. Hoc itaque, fi Philofophus fis, age, 
Occupet extremum frabies mihi turpe relinqui est \ 


Nihil, ad jusfa Illuftris Societatis exequenda, 
videtur fuperesfe , quam ut optimum, quo, ex ef- 
fetibus ad Causfas afcenditur , modum oftendamus, 
et utiles quasdam regulas , a Naturae Scrutatoribus 
obfervandas, in medium proferamus. Tantum en 

is 


236 J,PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE 


zoo veel niet voorftaan, dat wy alles, 
wat hier toe behoort, zouden meenen 
te kunnen aanraaken met onze lippen; 
want van uitputten zal ik niet {preeken ; 
nochtans zullen wy eenige dingen, die 
ik naawelyks weet, of niet van de ge« 
meenfte foort zyn, in bedenkinge gee- 
ven ;. fchoon wy voelen, dat.ons dit 
met recht kan verweeten worden: Gy 
zyt te gering, om zulke verhevene vers 

maningen te. doen. FH 
De Wiskunstenaars zyn ’t byna al 
leen, die behoorlyk hunne taak afge- 
weeven, „hunne wingewesten op eene 
wonderbaarlyke wyze uitgebreid, en de 
verfchanfingen der uitgevondene waar: 
heeden, op eenen vasten en onbeweege- 
lyken grond, gevestigd hebben, pe. ge 
___… WEiOr 


Wendt 


bis non famimus , ut omnia, quae hanc in rem per= 
tinent, non dicam exhaurire , fed primis labiis de- 
libare posfe arbitremur, quaedam tamen , nefcio an 
non proletaria, monebimus „ licet nobis etiam ju- 
re illud , Es monitis tu minor ipfe tuis, exprobrari posfe 

fentiamus. E5 
Soli fere Mathematici rite fuis partibus perfun- 
Éti fant, provinciae fue fines, mirum in modum, 
dilatarunt, et Veritatum inventarum munimenta, 
in folo firmo et (tabili collocarunt, Alia longe, 
pro- 


WRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 2 37 


{teldheid der Natuurkunde en van alle 
andere wetenfchappen is geheel anders, 
Al wat in dezelve wel gefchikt is, dit 
alles willen de Wiskunde en de orider- 
vindinge, dat men op haare rekeninge 
ftelle, Al het overige, vooral het geen 
de oorzaaken zelve betreft, is op ee- 
nen zoo losfen grondflag gebouwd, en 
zoo kwalyk in een getimmerd , dat het, 
met den eerften niewen wind van Filo- 
fofy, gefchud, overhoop valle, of ook 
“wel van zelfs in een puinhoop ftorte, 
* Zal niet te onpasfe zyn, dat wy naar 
de oorzaaken van dit kwaad onderzoek 
doen; want die oorzaaken zullen ons 
regelen aan de handgeeven, welke, met 
groot voordeel, in het uitvorfchen der 
waarheid, kunnen ín. acht genoomen 
worden. 


| De 


ed 


prouti omnium, ita et Naturalis Scientiee condi- 
tio. Quod in ea bene conftitutum est, id totum 
Mathefis et Experientia fibi vindicant. Cetera 
omnia, ipfas potisfimum causfas concernentia, tam 
debili fundamento fuperftruêta, et ita male colli- 
gata funt , ut, novo quovis Philofophie vento agi- 
tata, prolabantur, vel faepe fua fponte corruant. 
Non abs re alienum erit „ in causfas hujus mali in- 
quifivisfe; eaedem enim fuppeditabunt regulas, in 
veritate ernenda, magna utilitate ed é 
ni= 


258 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE 


De Wiskunftenaars voltooien hunne 
kunst, met vereenigde kragten en vlyt, 


De een vind eene niewe waarheid uit, 


de ander leidt er andere waarheeden 
uit af, en een derde voegt er het be- 
wys by, dat de uitvinders dikwerf over 
%* hoofd zagen. By hen zyn aan elk, 
naar zyne verdienften , bedieningen toe- 
gefchikt. Veelen haalen het verborgen 
voor den dag. Meer anderen verzame- 
len de dingen, die gints en herwaards 
verftrooidliggen, te gader , en verknoch- 
ten ze aan elkanderen. Het ontbreekt 
er ook niet aan zulken, die, het geen 
niet vast genoeg is, verfterken , of licht 
by zetten aan het geen noch duister- 
lyk was voorgedragen, En eindelyk 
brengen zy allen, naar hun vermogen; 

iets 
U, 


(ONZ NN ZN IZA PND ON sl ig 


NI ( (OND 
EP gt gt Pr nt net 


Unitis viribus, et induftria, artem fuam_perfi= 
ciunt Mathematici. Hic novam aliquam Verita- 
tem invenit, Ifte alias ex ea deducit. Ille, de- 
monftrationem quam inventores fäepe negligunt, ad= 
dit. Sua, apud eos cuique, pro meriti ratione, 
munera asfignata funt. Multi latentia in lucem 
protrahunt. Plures disperfa, hic et illie , colli= 
gunt, et inter fe conneétunt. Nec defunt, qui 
ea, quae non fatis firma funt, muniunt , obfcuri= 


us propofitis lucem affundunt , omnes denique, ad 


umt= 


ESS 


VRAGE VOOR °T JAAR MDOCLXXm, 239 


iets toe tot het hoogfte welzyn van ’% 
Gemeenebest ; en men zou de vereenig- 
de burgers van de Verbondene Wis- 
kunfte kunnen zeggen de geenen te zyn; 
welker zinfpreuk is, Bendracht maakt 
macht. Maar zoo gy, dat vreedzaam 
gewest, 'twelk zy bezitten, verlaatende, 
wilt gaan fpanfeeren in het naburig land 
der Filofoofy, zult gy het daar, als 
door inwendigen tweefpalt, beroerd vin- 
den, en er de ploegyzers zien verfimee- 
den in wapentuig. Deez verzoekt u 
zyne party te volgen, en hy vertelt u; 
welke overwinningen. hy over de ande- 
re fecten behaald heeft; een ander zal 
u bidden, dat gy u zyne zaak, als ee- 
ne gemeene zaak, aantrekt; om dat hy 
meent, dat de macht van zynen na« 
; buur 


ord 


_fummum Reipublice bonum, aliquid pro virili cone 
ferunt, unitos foedcrataee Mathefeos cives, Eos, 
dicere posfes, quorum Symbolum , Concordia res para 
ve crefcunt.. Quod fi vero relita pacata, quam ill 
posfident, regione, in vicinam illi Philofophiam 
exfpatiari velis, omnia ibi inteftinis disfidiis agi- 
tari, ipfos vomeres in arma recudi comperies, 
Hic ad fuas te partes vocat, et quos de omnibus 
fectis egit triumphos, narrat. Ille crefcentem ni- 
mium vicini potentiam coercendam putans, ut 

com= 


DAD f. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE 


buur, welke te geweldig aangroëit, be: 
hoorde gefnuikt te worden, Ondertus- 
fchen, terwyl de legerhoofden hunne 
eigene belangens wel waaárneemen, 
wordt het geletterd gemeen, niet we: 
tende waar zich te keeren, in verfchil- 
lende begrippen en bedoeling van één 
gereeten; en, naâr dat ieders noodlot 
medebrengt, onderwerpen zy hun ver- 
nuft aan het gebied van dezen of den; 
en zy verflyten hun leven , dat zy vry 
beter konden befteeden , in °*t verdedi= 
gen van hunne eigene, en in *t bevech: 
ten wan vreemde begrippen. 

Is waar de afgunst teelt‘ en koestert 
deeze: gefchillen; maar zyn de Wiskun: 
digen minder aan hertstogten bloot ge: 
fteld? Het mangelt hen zeeker aan gee- 

nen 


A DAIL 1 EN AUD IZA 1 S 
EPE 


communem fecum causfam facias, orat. Intercá 
dum belli duces fuarum rerum fatagunt, feizditur 
incertum frudia in contraria valgus eruditorum, et pro- 
ut Cujusque fata ferunt, hujus, vel illfus impe= 
rio, ingenium fuum mancipant, et vitam, quam 
longe re@ius collocare poterant, in defendendis 
fais, ac impugnandis alienis , confumunt, ís 

Procreat quidem, et fovet, hec jurgia invidia, 
fed num minus aftetibus obnoxii Mathematici ? 
non animus eerte illis, fed materia rixandi We 

y E 


VRAGE VOORT JAAR MDCCLXXn, 24E 


nen lust, maar wel aan ftoffe van ge= 
kyf. Want, op dat wy nu niets mel- 
den van de naawkeurige manier van be- 
paalen der kunstwoorden; waar door 
zy woordenftryden voorkoomen, wordt 
dit hun, voorwaar! tot lof aangereekend, 
dat zy een naawkeurig onderfcheid maa- 
ken, tusfchen zeekere en onzeekere 
dingen, tusfchen bewyzen en gisfingen, 
Dikwyls vallen zy op eene waarheid, 
welke zy nochtans helden niet te kun- 
nen bewyzen. Dikwerf vestigen zy ee« 
ne bereekeninge op eene waarfchynely- 
ke veronderftellinge, maat zy willen 
niet, dat men haar daarom voor zeker 
houde. Daar geene zekere kundigheid 
plaats kan hebben, zoeken zy die ook 
niet, maar zy meeten de trappen der 

waar: 


Wi N edele we, (AAD 
\ 


Ut ehim nihil, de accurata terminos definiendi ras 
tione, quibus verborum pugnas evitare ftudent, 
moneamus ; laudi profeéto illis ducitur, quod accu= 
rate, certa ab incertis, demontftrationes a conjec- 
turis diftinxerint, Saepe in veritacem aliquam in= 
cidunt, quam tamen fe demonttrare non posfe con- 
fitentur. Saepe calculum. fuperftruunt hypothefi 
verofimili, fed neque ipfi eam pro certa habere vo= 
lunt, Ubi nullus cognitioni certae locus est, ibi_ 
eam non querunt, fed probabilitatis gradus meti- 

Lt 


„ 


242 J.PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE 


waarfchynelykheid. Zoo zy een Voor- 
ftel niet naawkeurig kunnen oplosfen;, 
nieemen zy hunnen toevlugt tot nader- 
hisfen , welke zy echter niemand voor 
volledige oplosfingen opdringen, _ In- 
dien iets niet volkomen blykt, gaan zy 
niet voorbarig tot deeeneof andere par- 
ty over, maar zy fchikken er hunne 
bereekeninge zoo naar, dat beide de 
twistende partyen hunne bevindinge, 
voor waarheid , moeten aanneemen. Zoo 
veronderftellen zy in de Gezichtkunde, 
dat een lichtend lichaam in de daad 
ftraalen uitfchiet ; maar zy gebruiken 
die veronderftellinge in die voege, dat, 
offchoon ‘het cht van het lichtend li- 
chaam niet voorkoome, maar in eene 
zekere beroeringe van de kenminE be- 

| aa, 


eddie 


utur. Si Problema aliquod accurate refolvere nou 
posfint, ad approximationes confugiunt, quas ta- 
men pro completis folutionibus nemini obtru= 
dunt. Si aliquid non liqueat, non precipitantet, 
in hanc, vel illam partem abeunt, fed ita fuos cal- 
culos attemperant „ ut, quod illis inventum fit, u= 
traque litigantium pars, pro vero agnoscere tenea- 
tur. Ita fumunt in Opticis corpus lucidum radi- 
os aftu emittere, fed ita hoc asfumto utuntur, 
at etiam& lumen, non a corporg lucido proyeniat 


es 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 243 


{laa , de waatheid daar door geene fcha- 
de lyde, Maar by-de Filofoofen kunt 
gy dat niet weeten, of alle dingen ze- 
ker, dan of zy twyffelachtig zyn, en 
wat men Onder deeze, of die foort te 
brengen hebbe? Dees rmeent,dat hy van 
alles reden gegeeven heeft, en gene be- 
bolwerkt zyne twyffelingen met de. eer- 
fte beginzelen der menfchelyke kundig- 
heid, Er zyn er ook, die, om de uit- 
muntenheid hunner veronderftellingen 
aan te pryzen, de allerzekerfte waar- 
heeden uit dezelve afleiden. Dus heb- 
ben de Wolfiaanen dikwyls het aanwe- 
zen van God, uit de voorbeftemde 
Harmonie, betoogd, Maar anderen, dit 
ziende, begonnen argwaan op ‘te vat- 
ten, of niet wel die zeekere waadrhee- 

Q 2 des 


Sh, Ge (2 Nu ALORS ZN NULLENS N 
Kabe hee ss ad 


verum in certa aetheris agitatione confiltat, veri- 
tas nihil detrimenti patiatur, At, apud Philofo- 
phos, id ipfum fcire non posfis, an omnia certa, 
an omnia dubia, an quaedam iilis accenfenda fint ? 
Hie omnium prorfus a fe rationem redditam pus 
«tat, Ille, fuis dubiis, vel prima eognitionis huma- 
ne principia, obvolvít. Sunt qui, ut hypothefk- 
os fue preftantiam commendent, certisfimas eti- 
am veritates ex ea educunt. Ita Wolfiani ex -Har- 
monia preeftabilita exiftentiam Dei faepius- demon- 
ofirarunt. <A alit hoe videntes, ne certae illa ve- 
„09 rie 


244 J. PAP DE FAGARAS ANT WOORDOP DE 


den, aan welke zy te voren niet ge- 
twyffeld hadden, ‘met de veronderftel- 
linge gelyk ftonden. Hier is er een, die 
{norkt , dat hy den Liydifchen fteen ge- 
vonden heeft, aan welken men alle waar- 
heeden toetzen moet: Gints koomt er 
een ter baan, die zegt, dat dit eene re- 
gel van Lesbosis, en hy geeft eene an- 
dere, die niets beter ís, Een Uitvinder 
meer aan zyn ftelzel verbonden, dan 
‘een kreupele aan de kruk, ziet nergens 
de Natuur, maar overal zyne uitvindin- 
“gen, gelyk- een zot de vermiste fchee- 
“pen in zee ziet: en wat de Verfchynze- 
Jen betreft, welke tegen zyne grondbe- 
ginzelen ftryden, -deeze loochent hy, 
of indien hy zulks vermag, dan fleept 
hy ze, hun ondanks, naar zich, àl 
p Ca 


Std tdi 


ritates, de quibus nihil antea dubitabant , cum hy= 
pothefi pari pasfu ambulent , fufpicari incipiunt. 
Hic, fe Lydium aliquem lapidem , ad quem omnis 
veritas exigenda fit, habere jactat. Ille, Lesbiam 
eam esfe regulam dicit, et aliam, nihilo melio- 
rem offert. Autor Syftemati fuo, magis quam 
claudus pilae alligatus , non Naturam , fed fua ubi-= 
que invenra, ut deperditas, ftultus, in Oceana 
maves videt. Phoenomena, que fuis principiis ad= 
verfantur, aut negat , aut {id gon post , ie je 


Gad 


VRAGE VOOR °T JAAR: MDCCLXNL, 245 


bevestiginge-“zyner- denkbeelden : hy 
meent alles gewiste. zyn, ’t geen. uit 
zyne veronderftellingen volgt ; en al het 
overige houdt hy voor -onzeekerheeden 
en voor valfche opvattingen, „Niets is 
er zoo verre van de zintuigen: verwy- 
derd „of voor de-menfchelyke, kundig- 
heid zoo ongenaakbaar, ’t geen hy niet 
gemakkelyk uit zyne-byzondere, begin: 
zelen afleid. „Maar; een’ ander, terwyl 
hy merkt; dat deman ‘fomtyds- eens 
liegt, geeft-hem geen, geloof meer, al 
fpreekt hy de waarheid: fchat zyne: be- 
wyzen-en-beginzelen. zyns onderzoeks 
onwaardig: „en. misfchien befluit, hy 
ftrengelykdat men alles aan Vulkaan 
moet, opofferen; fchoon, er echter, on- 
der zooveel ongelukkig onkruid en 


dirt 


collovad faa confirmanda, trabit „que ex fuis hypo= 
thefibus confequuntur , certa-putat, cetera pro in- 
certis et falfis habet. _ Nihil, tam, vel a fenûbus re- 
motum „vel cognitioni humane, fabdu@um est; 
‘quod non.Îlle ex fuis principiis commode deduxe- 
zit. Ar alter, dum eum aliguando mentiri animad- 
wertit „alias. ipli, ne vera-quidem dicenti credit, 
demonftrationes ejus, et principia examine indi- 
gna putat,‚et forte, licet inter tot infaufta opinies 
“ onum lolia, quwdam etiam bonae frugis esfe Dor 


sal | Gat. 


B46 BAP DEFAGARAS ANTWOORD OPDE 


losfe meeningen „wel eens een goede 
koofhalm zich verbergen kan, Mid: 
delerwyl koomt er uit deze as{che een 
wreeker te voorfchyn, die het verval- 
len Pergamus weder ophaalt, het vers 
vällenftelzel verniewt, en alles omver 
fmye) “wat vánr anderen” gebouwd is; 
_zoó veel als ‘maar in zyn vermogen is, 
Maar op: die wyze vorderen: de Filofoo- 
fer weinig met hunnê fchermutzelingen; 
en zy voeren! niets uit, dan dat zy den 
draád vän Penelope voortweëven en uit- 
Dit bragt ‘ook zeer veel teweeg tot 
de vorderingen,-welke de Wiskunde, 
gemaakt heêft, dat” derzelver ‘beoeffe- 
naars op hufr duimtje ‘hebben, welke 
waärheeden van: de. ouden en welke van 
Ede on- 


hb de ed 


fent , omnia tamen Vulcano tradenda esfe, fevere 
decernit. Interea, ex ifto cinere äliquis ultor (ur= 
‘ git, gui recidiva Pergama ponit, collapfum Syftema 
reftaúrat ; et qüicquid ab aliis exfiruétum est, 
quantum in fe est, demolitur. At, hac ratione, 
parfum mutuis velitationibus proficiunt, fed non= 
nii telam Penelopes texunt ac retexunt Philofopht, 
“'Plurimum, illud etiam ad: progresfus- Mathefeos 
econtulic, quod in numerato quafl habeant illius 
gultores, que veritates a Veteribus, que a ir 
KAARS OKE 2 tr NN eN NE, za BON - » A8 int 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 247 


onze tydgenooten zyn uitgevonden, en, 
welke men van de naarftigheid der na« 
neeven nog te wachten hebbe? Zy, 
weeten net, waar de ouden zyn blyven 
fteeken? waar Cartefius begonnen heeft 2 
hoe ver Newton is voortgegaan? wat 
anderen by deszelfs uitvindingen hebben, 
bygevoegd? en welke de fteenen des 
aanftoots zyn, welke noch uit den weg 
niet hebben kunnen geruimd worden, 
Dus worden tyd, bereekening, vernuft 
altoos befteed, om niewe dingen uit te 
vinden, of om eenige dingen, die nog 
zwak zyn, te verfterken. Maar in de 
Wysgeerte, en wel in dat gedeelte, ’ 
geen omtrend het kennen van de oor 
zaaken der verfchynzelen verkeert, is 
de gant{che leeftyd. niet lang genoeg, 
est Q 4 om 


Oren, 


fint'invente, et que a fola pofterorum diligentia 
exfpeétandae? Sciunt accurate, ubi Veteres hefe- 
tint? ubi Carcefius inceperic? quousque Newtos= 
nus progresfus fic? quid hujus inventis alii addie 
derint? qui fint ili offenfionis lapides, qui non- 
dum e medio removeri potuerunt. Ita tempus, 
calculus, ingenium, wel ad nova femper queren- 
da, velad quedam, que debilia adhuc funt, mu- 
nienda, impenduntur, „At in Philofophia, illaque 
ejus parte, que. in causfis phoegomenorum cogno- 

rr Ícen= 


248 j:PAP DE FAGARAS ANT WOORD OP DE 


om te weeten, wat er reeds uitgevonden 
en wat er noch te zoeken zy? Want 
de een, meenende dat het beneden de 
waardigheid van een Filofoof is, zyne 
onkunde in eenige dingen te bekennen, 
verbeeldt zich, dat alles van anderen, 
of ten minften van hem uitgevondenis: 
een ander beweert, dat er niets door 
het menfchelyk verftand kan uitgevon- 
den worden, Indien er by geval zich 
iemand opdoet, die uit de bewerkinge 
eener fyne lugtftoffe, eene niet ongevoe- 
gelyke verklaaringe van een zeeker ver- 
fchynzel afleidt, dan houdt- de ander 
ftaande, dat zulke eene fyne ftoffe:, 
buiten de herfens, nergens aanwezig is. 
*Is.de gewoonte, dat men by de kóól 
der ‘aloude veronderftellinge een ep 

LaU5- 


Bb en 


feendis verfatur, tota eetas ad fciendum non fuffi- 
Lic, quid jam inventum ft? quidve querendum? 
Hie enim, fuam in quibusdam ignorantiam , confi= 
teri , Philofopho indignum putans, omnia, vel ab 
atiis, velafe inventa esfe putat. Ille nihil ab hu- 
mano ingenio inveniri posfe contendit. Si forte, 
nius, phoenomeni cujusdam explicationem non 
incommodam, ex fubtilis aetheris atione deduxe- 
He, alter tÉnuem illam materiam, nullibi extra ce- 
rebryjm ejus exiltere, contendit, Veterum er 
" \ , $ J= 


VRAGE VOOR °T JAAR MDOCLXXIL 249. 


fausje by doe, en die dus opwarme; en 
wederom herhaale; dat reeds duizend-= 
maal gezegd is. Die eene niewe: feête 
voortbrengt , verwerpt alle de uitvin- 
dingen der ouden, zoo dat men zwee- 
ren zou, dat alle wysheid, hoe ge- 
naamd, nu eerst van hem uit de wieg 
genoomen, gebakerd en opgekweekt 
wierde. En hier gebeurt dan iets zon« 
derlings, en ’t geen onze opmerkzaam- 
heid verdient, De voortgangen der Ma-= 
thefis zyn altoos traag geweest, en dog 
na dat er zich de werken-der Meetkun- 
de hebben bygevoegd, kunt gy naaw- 
Iyks, in eenig gedeelte van -de W'is- 
kunst, verkeeren , daar zich niet onbe: 
kende landen opdoen; Men ‘zou den- 
ken dat alle Wiskundigenfchild padden, 


. Q5 zyn; 
TT 


hypothefium cramben, novo affufo jure recoqui, 
dicta fexcenties repeci, confuetgm est. Qui no- 
vam Seétam condit4 omnia Veterum inventa-reji- 
cit, ut omnem fapientiam ab eo, cunis edutam', 
fotam, et adultam credas, Et híc aliquid fingula- 
re , dignumque attentione, evenit. Tarda femper 
fuerunt Mathefeos incrementa: post conjunêtos 
licet Geometrarum labores , vix in aliqua Matheft= 
os parte verleris, ubi non terrae incognitae oc= 
currant. Teftugines certe omnes manage 

4 ej 


259 J.PAP DE FAGARAS ANT WOORD OPDE 


zyn, indien men hen. met de vliegende 


vernuften der Filofoofen vergelykt, Hun 
is zoo-een vroegryp verftand te beurt 
gevallen „ -dat -gy> in eenen enkelen 
mensch aantreft ‚dat hy alle. waarhee- 
den «uitgevonden, in orde gebragt, 
ftrikt beweezen, ja zelfs er ftraks eeni- 
ge--uitgeworpen, «en andere fchalmen 
in -den-fchakel-der waarheeden ingelast, 
en. :teffens. alle -de veronderftellinge van 
anderen hebbe wederlegd. Zoofchielyk 
re voortgangen. van allerhande he- 
lendaagfche W ysgeerten: zoo fchielyk 
neemen zy ook af : zoo dat men, het zelf. 
de van-haar zou kunnen zeggen „’t geen 
men van Lodewyk den-Tweeden, Ko- 
ning van Hongaryen zei: Zy is te vroeg 
geboren, te vroeg met een baard. voors 
IVS dk zien, 


Ed rn dd 


eredas, fi cum volantibus- Philofophorum ingeniis 
conferantur. Tam praecox his contigit ingenium, 
ut ab eodem fiepe homine,, omnes veritates in= 
ventas ; in ordinem redaCtas, rigide demonftratas, 
imo mox multas ex kis rejeêtas, novasque illi de- 
monftrationum catenae infertas, omniumque alio- 
zum-hypothefes refutatas videas. Tam rapida funt 
recentioris cujusque. Philofophie incrementa aeque 
ac deerementa, ut idem de illis, quod de Ludovi- 
col, Hungaria Rege dici posfit: Ante diem natus, 
a an 


PCERERG 


“ VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLKXI, 251 


ziens te vroeg getrouwd, te vroeg grys 
geweest en te vroeg. geflorven,;> Want 
var die voorbarige-verftanderr , zegt het 
fpreekwoord : 01: myn jongen!: ik vreeze, 
dat gy niet lang leeven zult. Naawelyks 
opent eenig’ niew Filofoof zyne fchole;, 
of ftraks komen er ontelbare leerlin- 
gen;'als uit het“paard van: Troïen , 
onverwagts uit voor den dag fpringen, 
die geenzints, in naarvolginge ván Ax 
lexarrder. den Grooten, al fchreiende, 
maar” met gejuich, “tot hunne makkers 
zeggen: De meester heeft ons niets over- 
gelaaten, om uit te vinden! Maar voor- 
zeker ! de Natuur zou onze luyheid zyn 
te gemoet: gekoomen, indien’de waar- 
heeden zoo gemakkelyk konden worden 
uitgevonden. _ Galileus zou déeze: mis- 
3 fchien 


ddie 


ante diem barbatus , ante diem uxoratus , ante diem tanus, 
ante dier mortuus, De praecocibus enim di&tum est: 
O! puer ut fis witalis, metuo. Vix novus âliquis Phi= 
‘Tofophus Scholam áperit , confeftim prodeunt ex câ, 
velut ex equo Trojano, innumero numero -disci- 
puli, qui non Alexandrum- Mag. imitati flentes , 
fed eum tripudio illud ad commilitones fuos di- 
cunt: Preceptor zibil nobis’ religuit inveniendam. At 
profeto! ipfa ignavie noftree natura voluisfet 
confulere, fi tam facile veritates invenirt Pe 
riad È 


282. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE 


fchien uitgelachen hebben, die hem had 
willen op de proef brengen, met de 
moeilykfte voorftellen, die hedendaags 
gemakkelyk opgelost. worden ; want het 
ys was toen noch niet gebrooken, en 
er waren-noch geene hulpmiddelen ‚die 
aan zulke: pogingen, geëvenredigd waren, 
Veele dingen zyn er; welke de. Meet- 
kundigen van onzen tyd nietaanraaken, 
maar van. welke ‚zy meenen, dat die 
eerst zullen opgelost worden, als men 
de grenzen der Analyfis verder zal uit- 
brengen,. Maar wat-ie er zoo: verbor- 
gen, dat niet fchielyk van de Filofoofen 
verklaard ‚kan worden? Hoe zeldfaam 
blyven./zy er in fteeken? Wieeten zy, 
die den dof hebben van zedigheid onder 
„hen ‚wat, men hedendaags zonder. roe- 

HIS | ke- 


Rifu forte -illum Galileeus: excepisfet, qui ipfum, 
difficillimis „que hodie facile folvuntur, Proble- 
„matibus; exercere voluisfet; nondum enim glacies 
frata erat, nec digna tantis conatibus aderant au- 
_xilia. Multa funt , que. Geometre noftro tempore „ 
ne attingunt quidem , fed-tum demum ea folvenda 
fore putant, cum fines Analyfeos longius. profe- 
rentur.. .Át quid tam reconditum est, quod a Phi- 
lofophis non, posfit fubito explicari?. Quam raro il= 
lis aqua heret? An ipfi, qui modeftiee’ laudem. in- 

ne ter 


VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXI, 253 


keloosheid beproeven moetomtrend de 
oorzaaken der dingen „en wat men aan 
de naarftigheid der nakomelingen moet 
aanbeveelen? Neen geenzins! zy wee« 
ten niets‘anders, dan dat de hedendaag- 
fche alles, en de anderen niets onderneen 

men willen. 
Maar het grootfte van alle de voor- 
rechten, dat de Wiskunftenaars boven 
de Filofoofen hebben, is, dat zy, ter 
wyl zy in ’tontdekken der waarheeden 
bezig zyn, altoos door een zeekeren 
draad van. bereekeninge beftuurd wors 
den. Hy moet de natuur van de men- 
fchelyke ziel niet genoeg doorkeeken 
hebben, die niet weet, hoe zeer zy, 
door eenige naawkeurige regelen gehol- 
pen wordt, Daar een Analyticus zyne 
Tes 


ter illos habent, fciunt, quid hodie, circa rerum 
causfàs, fine temeritate tentari, quid pofterorum 
diligentiae commendari, debeat? Non prorfus  ni= 

fi quod hi omnia, ill nihil, aggredi velint. 
Maxima vero omnium , quas Mathematici ,-pree 
Philotophis habent, praerogativarum est: quod, 
„dum in veritatibus incognitis detegendis verfan= 
tur, ce@rto femper calculi filo dirigantur. Natu- 
ram mentis humanae non fätis oportet perfpexis= 
fe illam, qui ignoret, quantum, eaj.accuratis ali- 
quot 


254 Js PAP DE FAGARAS ANT WOORD OPDE 


regels ‚in het zoeken eener onbekende 
grootheid volgt, bekleeden deeze alleen 
het ampt van een Filofoof: zy -over- 
weegen de ofnftandigheeden van het ver- 
fchynzel: zy leiden-het een uit het ‚an- 
der af, en daar wy ’tniet merken, koo- 
men zy door veele redenkavelingen tot 
de oplosfinge van het. vraagftuk, Laat 
iemand het vierkant van de,Parabola, 
door Archimedes bewerkt; leezen , en 
laat-hy-er by voegen, *t geen Pafchalius 
alleen, door de krachten van zyn ver- 
ftand, ontdekt nopens de vierkanten 
der-kromme lynen; laat‚hy dit alles ver- 
gelyken met de -bereekeningen , welke 
na het uitvinden-van ‚de-regelen der A- 
nalyfes van de oneindigen, «al fpeelende 
“worden volbragt; en-dan zal:hy kun- 

nen 


nt 


quot regulis„adjuvetur. Dum Analyticus regulas 
fuas, in invenienda quantitate incognita fequitur , 
ille {ole funguntur officio Philofophi, Problematis 
circumftantias:expendunt, unum ex altero elici- 
unt , et „nobis non animadvertentibus , per multas 
ratiocinationes „ad quaefitum perveniunt. „Legat 
quis vArchimedeam Parabolae quadraturam: -addat 
Allis, que Pafchalius , fola ingenii vi, detexit ; cir- 
-€a curvarum quadraturas: conferat cum iis „ que 
„post:inventas Amnalyfeos nn 
) Cll= 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 255 


nen-opmaaken , wat verfchil er is, tus- 
fchen hem, die, in het ontdekken van 
waarheeden;, alleen zyn vernuft volgt, 
en tusfchen hem, die zeekere vaste re- 
gelen in acht neemt. Te regt fchynt 
Bernouille hun geantwoord te hebben, 
die zich over de vaardigheid van New- 
ton verwonderden , in de oplosfinge van 
zyn voorftel, wegens de allerfnelfte ne- 
derdalinge: dat voor iemand, die de 
regte manier weet, een uur genoeg is; 
daar veele jaaren te weinig zyn, voor 
hem die des onkundig is, Voorwaar 
het is een oud gezegde: dat een kreupe- 
le op den weg eenen looper woorby flreeft, 
die buiten den weg geraakt ês. Maar 
welke regelen volgen wy in het uitvor- 
Íchen van de oorzaaken der dingen? met 
welke fleutel openen wy de deuren 05 

a- 


Kh a ed 
dendo abfolvuntur, et quangum interfit inter eum, 
qui folum ingenium, et qui certas regulas, in de- 
tegendis veritatibus fequitur „deprehendet : Rete 
„Bernoullius , Newtoni promtitudinem, in fuo ce= 
lerrimi defcenfus Problemate refolvendo , admiran- 
‚tibus „„videtur refpondisfe : fcienti -veram- metho- 
dum unam horam fufficere „non fcienti nec annos 
„Áatis.esfe, Vetus profeto ditum est: Claudum in 
„vig antevertere curforem extra viam, Quas vero nos in 
-Apdagandis rerum causfis regulas fequimur?. qua 
Clan 


256 J.PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE 


Natuur? Alle die, welke aan hun vers 
nuft zyn overgelaaten , en van allen by- 
ftand van de regelen der uitvindingen 
ontbloot zyn, en evenwel, tot het op- 
zoeken der oorzaaken, zich begeeven;, 
worden door de moeilykheid der onder- 
neeminge afgefchrikt, of buiten den weg 
omdolende, befpeuren zy wel haast, 
dat zy van de eindpaal zyn afgedwaald, 
Die eene onbekende oorzaak van een 
gewrocht wil opgeeven , ziet, dater niets 
anders voor hem overfchiet, dan dat 
hy, na alle de omftandigheeden van 
geval, overwoogen te hebben, zynen be- 
fchermengel aanroepe, gelyk de Poë- 
ten hunne Zanggodinnen, en dat hy 
beproeve, of hy door eene gelukkige 
gisfinge, na zoo vele vrugtelooze pogin- 
gen van anderen, die oorzaak ded 

en 


clave fores Nature recludemus? Suo ingenio de- 
teliëti, omni regularum inveniendi fubfidio defti— 
tuti , omnes illi, qui ad perferutandas caufas acce- 
dunt, vel difficultate rei deterrentur, vel fine via 
divagati, a meta fe aberrasfe deprehendunt. Qui 
effeétus causfam incognitam reddere cupit, nihil 
fibi reliftum videt, quam ut perpenfis omnibus 
fati circumftantiis, faum genium, ut Poëta Mu- 
fas invocet, et tentet, an felici quadam conjectu- 
ra, eam, post tot-irritos aliorum conatus, dete- 

D gee 


=_VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXI. 257 


ken kan? Maar, recht ter fnee, zegt de 

Groote Kanfelier van Engeland: Het is 

iets zots en tegen zich zelven flrydende;, 

de gelooven, dat die dingen, die nooit ges 

beurd zyn, gebeurenkunnen, zonder mid- 

een ‚ welke men te voren nooit beproefd 
ad, 

Maar welke is dan de weg, om iets 
uit te vinden, welke te voren noch door 
geenen fterveling betreeden is? Waar 
zyn die middelen, welke te voren niet 
beproefd werden? De kunst om uit te 
vinden, dat is, om bekende waarhee- 
den uitdeonbekende , om oorzaaken uit 
de gewrochten te ontdekken, zou het 
eenig en waar middel zyn, tot dit alles, 
In het ontdekken van de oorzaaken der 
verfchynzelen , is men alles verfchuldigd 

IV. DEEL. R aan, 


ont 


gere posfit? At rete Magnus Angliee Cancellarí= 
US: Infanum quiddam est , et in fe contrarium , exiftimare 
ea, qua adbuc nunguam falla fuut, fieri posfe, nifi per 
modos nunqtam tentatos. 

Sed que demum est illa inveniendì via, nullius 
antea mortalis veftigio trita? Ubi modi illi nun= 
quam tentati? Ars inveniendi, id est, ex cognitis 
veritatibus.incognitas, ex effetibus causfas dete- 
gendi, esfetr unum verumque ad heec omnia medium, 
In detegendis phoenomenorum causfis , omnia con- 
jeCturis , verofimilicudinibus , opinionibus, deben» 

tur 


258 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE 


aân gisfingen, waaffchynelykheeden en 
meeningen. Maar alzoo deeze weg; 
door veele kronkelpaaden, dan hier 
dan daar, zich verdeelt, zyn wy daar 
billyk bedroefd over, dat wy geenen 
draad hebben (gelyk de Analysten en 
Wiskunftenaars), welke wy moeten 
volgen. Dat deeze zeer naarby koomt 
aan de Aigebraifche Analyfis, is blyk- 
baar, en waarom zou zy dan niet op 
dezelfde wyze, alsdie beoeffend is, ook 
kunnen beoeffend worden? Indien, 
voor het uitvinden van de wetten der 
 Letterbereekeninge, of Algebra, een 
Cyfferkundig voorftel, aan iemand van 
een verheven vernuft was voorgefteld , 
ter oplosfinge, hy zou gezien hebben, 
dat er geen andere weg open ware, om 
dat raadzel te ontbinden, dan eene 
| | | proef 


Odd 


tur. At cum hac via fit, mille flexibus an- 
ceps, illud merito dolemus, nullum nos (ut Ana- 
tyftee) filum cujus duftum fequamur, habere. Af= 
finem hanc artem esfe ipfi Analyfi patet, quidni 
itaque eadem ratione, qua hec exculta est, perfici 
posfit? Si ante inventas calculi litteralis leges, 
Problema aliquod Arithmeticum, cuidam erectioris 
ingenii fuisfet propofitum, nullam ipfe aliam, ad 
folvendumillud ; viam patere vidisfet , quam tenta= 

î men 


VRAGE VOORT JAAR MDCCLXXIL 259 


proef te neemen door fchranderheid, 
of mogelyk een zeeker getal, naar bes 
lieven genoomen , aan de omftandighee- 
den van de vraag voldeede? ‘Toen 
derhalven had men alleen alles toete- 
fchryven , aan de fcherpzinnigheid van 
den oplosfer, van welke men echter; 
naawlyks, de oplosfinge van de allerge: 
makkelykíte punten verwachten kans 
Maar terwyl, by geval, by de voorge: 
ftelde kunstvragen , dezelfde ‘werkzaam: 
heeden der ziele herhaald moesten wor: 
den, fchynen de menfchen daar uit ge- 
legenheid te hebben genoomen , om ee: 
ne zeekere algemeene manier van ont: 
bindinge der vraagftukken op te fpoo: 
ren. Zoo zyn er eenige algemeene re- 
gelen van ZEguatien uitgevonden, welke 

Rs. niets 


A N ENOR ZON AN NWN AMI, i ZN 
herdr 


men ingenio inftitutum, num forte numerus ali- 
quis, pro arbitrio asfumtus , queftionis circumf{tan- 
tis fatisfaciat ? Soli itaque folutoris fagacitati tum 
debebantur omnia, a qua vix facillimorum refoluti= 
onem expeftare posfis. At, dum nobis forte quz- 
‘ftionibus propofitis, eaedem mentis operationés 
denuo esfent repetendae, occafionem videntur 
‘fumfisfe homines, ad generalem aliquem, fimiles 
quzftiones folvendi modutm, inveftigandum. Ita 
invente generales aliquot aequationum. regule, 

que 


260 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE 


niets anders zyn, dan gevoegelyke uit- 
rollingen vande order , welke de ziele, ín 
het opzoeken eener onbekende groot- 
heid, volgt. Maar gaat dan de ziel al- 
leen , op eene zeekere en vastgaande wy- 
ze, tewerk, in het ontdekken der groot- 
heeden? Voorwaar zy verkeert, op ee- 
ne en dezelfde wyze , omtrend allerhan- 
de foort van waarheeden: op dezelfde 
manier ‘haalt zy uit de eene waarheid de 
andere voort, Dan dit valt haar wat 
ongemakkelyk, dat zy in het afleiden 
der verfchynzelen uit hunne oorzaaken, 
juist-altoos gedwongen wordt, denzelf- 
den weg op niew in teflaan. Na de uit- 
vindinge van de wetten der Algebra, 
kunnen oneindig veele vragen, iu 

zelf- 


Kek eds ed 


que nihil fant, nifi ordinis, quem mens in inda- 
ganda incognita quantitate fequitur, debitae evo- 
lutiones. Át num, in folis quantitatibus detegen- 
dis, mens certa procedit lege? Eodem profeêto 
modo illa, circa omnis generis veritates verfatur: 
eadem ratione ex una colligit aliam: hoc folum ip= 
fi incommodum evenit, quod dum in phoenome- 
nis, ex fuis causfis,deducendis, verfatur, defici= 
entibus regulis , eandem femper viam repetere co= 
gatur. Post inventas Algebreleges, infinitae quz- 
ftiones, per idem Problema, generalius enuncia- 


tum 


VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL 261 


zelfde voorftel in *t gemeen úitgedrukt, 
worden opgeloste Ja ieder byzonder ge- 
val; wel ontwikkeld; brengt meer aan, 
dan-men: verlangd-had,… Want: het ver- 
fchaft eenen algemeenen regel „om de ver- 
maagfchapte Problemaas op ‘te. losfen. 
Voorwaar | zoo wy: ook de. manier en or-- 
der waarnamen, welke de-ziel volgde, 
in ’tverklaaren van-’teen of ander ge- 
wrocht uit deszelfs „oorzaaken „ zouden, 
wy veele regelen van uitvindinge. kun- 
nen ontdekken, welke men, in andere 
gevallen, met groot voordeel, in: aan- 
merkinge-zou kunnen neemen, „Maar 
dan zou men veele genomene waarnee- 
mingen noodig hebben, en opmerk- 
zaamheid ‘op de byzondere voorbeel- 
den. Dit is waar, dat de gevallen, die 
3 in 


hbe 


tum, folví posfant. Imo, cafus quilibet fpecialis, 
rite refolutus, plus quam defiderabatur, praftat ; 
fuppeditat enim regulam generalem , affinia Proble 
„mata refolvendi. Profeéto fi,nos etiam modum 
et ordinem, quem mens in eftettu quolibet, ex 
fais, causfis explicando, fequitur, obfervaremus, 
plures inveniendi regulas in aliis cafibus maena 
utilitate obfervandas, posfemus detegere, Sed ad 
hoe pluribus obfervationibus captis, et attentionc 
ad exempla fpecialia, opus esfet. Illud verum Est, 
PY ca- 


262 Js PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE 


in ’t Heelal gebeuren, ingewikkelder zyn , 
dan die, welke aan de Analysten wor- 
den voorgefteld, Maar hier koomt de 
regel der Staatkundigen te pas: werdeel, 
en gy zult overwinnen, Zy, die de Al- 
gebraifche Analyfis behandelen, bewer- 
ken, indien de omftandigheeden van ’t 
Vraagftuk te veel ingewikkeld zyn, elke 
omftandigheid afzonderlyk, wanneer de 
krachten van de kunst niet voltrekken 
zouden, om allen te gelyk te overmees- 
teren. Deezen mogen wy naarvolgen. 
Maar: hier zouden wy wederom regelen 
van nooden hebben, hoe men de faam- 
verknochte deelen, als het noodig is, 
van elkanderen zou kunnen fcheuren, en 
dezelve wederom by een binden en fa- 
menvoegen. — 

| Wel 


ge 


eafus illos, qui in Univerfo eveniunt, intricatio= 
res esfe, quam ij funt, qui Analvftis proponun- 
tur. At hic obtinet Policicorum regula: divide ef 
winces. Analvfte, fl circumftantiae Problematis ni= 
mis fint complicatee „ illas feorfim traCtant , quibus 
eonjunêtim fuperandis vires artis non fufficerent, 
Hos licet nobis imitari, At hic novis iterum regu=- 
lis opus esfet , quomodo connexas partes à fe in- 
vicem, ubi opus est, divellere , easdemque rurfus 
cutiedre posktius, 170) SA rs eenn OA 

he Oet Ee RER Ves 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 263 


Wel is waar, dat de kunst van uitvin- 
den niet anders, dan met de uitvindin- 
gen te gelyk, tot volkomenheid kan 
worden gebragt, Edog ik voor my wil 
niet, dat men dezelve aanftonds tot vol- 
komenheid brenge, maar alleen, dat 
wy eraan beginnen. Want men moet 
flegts zoo veel wenfchen „ als men kry- 
gen kan, wanneer men zoo veel niet 
kan te weeg brengen, als men wel zou 
wenfchen, Waarom zouden wy die 
dingen, welke wy reeds in onze magt 
hebben, niet gebruiken, tot behulp voor 
aderen, welke wy van wegens hunne 
moeilykheid, noch niet hebben aange- 
roerd? Wy zien, dat er veele en ver- 
fchillende waarheeden van de W'iskuns- 
tenaars zyn uitgevonden, en nog van 
dag tot dag uitgevonden worden; en wy 

R 4 keu- 


onsen 


Verum equidem est, artem inveniendi non nifi 


‘eum inventionibus fimul posfe perfici. At ego, 


„non ut eam abfolvamus, verum ut incipiamus , vo= 
lo. Tantum enim velis, quantum posfis, fi tan= 

tum non posfis, quantum velis. Quidni ex is, 
que jam in poteftate habemus, fubfidia eorum fu- 

mamus, que ob difficultacem ne quidem attigimus ? 

Multas variasque veritates, a Mathematicis in- 

ventas esfe, ac in dies inveniri, videmus et ap- 

plau= 


264 J. PAP DE FAGARAS ANT WOORD OP BE 


keuren het goed , met handgeklap en toe- 
juichinge, Maar zoo een fchryver, of 
uitfchryver der Redeneerkunde eens 
dacht, dat hem deeze taak ware opge- 
legd, dat hy onderzoek moest doen ; 
hoe zoo veele en zoo verfchillende waar- 
heeden zyn uitgevonden? hoe er, vande 
eene tot de andere, een overgang ge- 
maakt zy? wat, by geval, aanleidinge 
tot deeze of die dingen op te fpooren, 
gegeeven hebbe? welke drift en luim de 
menfchen op deezen weg gebragt heb- 
be? hoedit, nuendan, hunin de gedag- 
ten kon koomen? dan iser geenzints aan. 
te twyffelen, of de uitvindingen en der- 
zelver manieren, wel overwoogen zyn-. 
de, zouden de beste uitvindings regelen: 

aan 


ed a et desc 


laudimus, Art fi quis Logices fcriptor, vel ex= 
criptor, id fibi negotii- datum putarer, ut quaere- 
ret, quomodo tot tamque diverfie veritates, fint 
inventae? qui, ex tna earum, tranfitus fit faétus in 
alteram? quid forte occafionem, ad haec, vel illa 
guerenda, dederit? quis genius in hanc viam ho- 
mines induxerit? quomodo hoc, vel illud, illis 
in mentem veníre potuerit? nihil dubitandum est, - 
quin inventiones, earumque modi debite perpenfi, 
vptimas inveniendi regulas fuppeditarent. Sed ves 
peor ae nimium a plerisque Logicis petierim. Res 
ì KN cers 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 265 


aan de hand geeven. Edoch ik vreeze ; 
dat ik veel te veel van de meeste Rede- 
neerkundigen eisfche, De zaak zeeker 
is zoo moeilyk niet, dat zy niet zou kun- 
nen beproefd worden; want de «eene 
waarheid, als ’twaare by de hand ge- 
greepen, leidt ons tot de andere; en daar 
is niets anders noodig, dan dat wy den 
weg, welke onze voorouders hebben af- 
gelegd, weer op nieuw inflaan. ‘Op de 
eene ftreek zouden wy doorgaande voet= 
paden, op de andere, omwegen, langs 
welke men heeft moeten gaan, eer de 
regte weg in het oog gevallen was, en 
wederom op eene derde , kreupelbosfen, 
gemakkelyk ontwaar worden, welke wy 
dan met veel nut aan anderen zouden 
kunnen aanwyzen.. IRO TEL 
Maar , nopensde kunst van uitvinden , 
R 5 __wacht 


Gd 


eerte non ita est difficilis, ut tentari nequeat; una 
enim veritas homines, prehenfa quafi manu , duxit 
in alteram, nullaque alia re opus esfet, quam ut 
viam; quam priores emenfi funt, vellemus relege- 
“re. Hic continuos femitarum traëtus, iftic amba= 
ges, per quas via reéta nondum in oculos incur= 
rente procedendum fuit, illie forte quosdam faltus 
facile detegeremus, quos magna utilitate posfemus 

aliis commonftrare. 
Plurimum vero, circa artem inveniendi, ab ipfis 
ju. 


266 J,PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE 


wacht men met recht zeer veel van hun, 
die dikwyls op dien weg gewandeld heb- 
ben. Gelykeenoud matroos, die alle de 
dagen zyns leevens, tusfchen de golven 
der zee, verfleeten heeft, heilzaamen 
raad-aan eenen jongeren geeft: zoo zou 
hy onder de Filofoofen, die grys ge- 
worden is in.’ neemen van proeven, in 
“zoeken, in *t gisfen, en die door veele 
woelende.zeën van meenigen, gisfingen , 
ja zelfs van dwaalingen, geflingerd is, 
veele gefchikte dingen daaromtrend 
kunnen berichten. Die wetten zyn ons, 
voor het grootst gedeelte, onbekend, 
welke ziel en lichaam volgen, in het 
voortbrengen hunner gewrochten, De 
oogappel verwydert en vernaawt zich, 
naar mate, dat het licht fterker is, De 


fpic- 
rrd 


jure expettatur , qui fiepius in hac vía funt verfati. 
Ut fenex nauta, quï omnes vite dies, inter flus 
Eus maris, confumfit „Bfa'ubria juniori confilia fup= 
peditat. Ita ille inter Philofophos, qui in tentan= 
do, querendo, divinando confenuit, multisque 
epinionum, conjeturarum, imo ctiam errorum 
fiutibus jaétatus est, multa hanc in rem accommo- 
data monere posfet. Ignote nobisfunt, maximam 
partem, ille leges, quibus corpus acque ac 
anima fuos effeétus perficiunt, Dilatat et co- 
artat fe pupilla, pro majori minorique lucis 

Co= 


- VRAGE VOOR °T JAAR MDOCLXXIL 267 


{pieren worden buiten ons weeten;, 
faamgetrokken en uitgerekt, naar dat 
het de noodzaakelykheid vordert. Niet 
ongelyk fchynt de ziel, in haare wer- 
kingen, gefteld te zyn. Wanneer zy 
haare krachten befteedt , ter uitvoeringe 
van behoorlyke gewrochten, verfterkt 
en verflapt zy die, naar dat het noodig 
is, enterwyl zy, van onbekende dingen, 
tot bekende overgaat, terwyl zy uit de 
gewrochten opmaakt, hoedanige de oor- 
zaaken zyn, en gist, en de gelykvor- 
migheeden onderzoekt; is zy aan zee- 
kere wetten onderworpen, zonder dat 
wy het opmerken. Maar zoo de uit- 
vinders hunne aandacht op die wetten 
vestigen wilden, indien zy de wyze in 
aan- 


dn 


copia, _Contrahuntur extendunturque musculi , 
pro ut necesfitas exigit , nobis nefeientibus. Haud 
fecus anima, in fais operationibus „ videtur esfe 
conftituta. Dum vires fuas debitis effeétibus pro= 
ducendis applicat, intendic illas , remittitque , ubi 
opus est, et dum ex cognitis, procedit ad incog- 
nita, dum ex effeCtibus , quales esfe debeant caus- 
fae, colligit, conjicitque , et fimilitudines fcrutatur, 
legibus fubjefta est certis , nobis illud non animad- 
vertentibus, At fi ad has attendere vellent. inven- 

to 


268 ; PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE 


aanmerkinge naamen , op welke de zie- 
le uit het een tot hetander overgaat, en 
dikwyls uit de minfte omftandigheeden 
alles weet, wat zy zoekt; zoo zou het 
gebeuren, dat zy de order , welke de ziel 
houdt, zouden zien; en zoo zouden wy, 
deeze order kennende, en! dezelve tot 
zeekere regelen gebragt hebbende, zoo 
dikwerf het ons behaagde , die zelfde 
werkinge der ziel herhaalen, welke de 
ziel nu, naar haar byzonder goedvin- 
den, en niet naar het onze, volvoert, 
Misfchien twyffelt gy, of demanier, op 
welke de ziel werkt, wel onder zeekere 
wetten konne of moge gebragt worden? 
Want, gelyk een Poëet, zoo wordt ook 
een:Uitvinder niet gemaakt maar gebo- 
efusé ren ; 


Ort 


tores; fi modum,-quo mens ex uno, in alterum 
tranfit ‚ex minímis fmepe circumftantiis, omne id 
quod-queerit, cognofcit, obfervarent: ita fieret, 
ut ordinem , quem illa in inveniendo fequitur per- 
fpicerent , quo cognito; in certasque regulas re- 
dato, easdem intelle&tus operationes, quas nune 
mens fuo, non noftro „ arbitrio peragit, quoties lu- 
bitum esfet, repeteremus. Modum tamen, quo 
anima operatur, legibus comprehendi posfe, vel 
debere „forte dubitas? Uti-enim Poêta, ita Inven= 
tor 


VRAGE VÒOR °T JAAR MDCCLXXn. 269 


ren; en, door een vryen geest zyns ge- 
moeds, wordt hy aangezet tot het ont. 
dekken van onbekende waarheeden; en 
zoo gy hem in voetkluisters van regelen 
zoudt willen verwarren, zoudt gy hem 
onbekwaam maaken, Waarom zou ik 
loochenen, dat my dit zoo voorkoomt? 
Want alzoo de weg noch niet ontdekt 
is, langs welke de ziele in het uitvinden 
der waarheeden, voortgaat; fchiet er 
niets over, dan dat elk aan zynen {maak 
worde overgelaaten , om derwaards ge- 
leid te worden , waar hem zyn noodlot 
henen dryft. Dit moet men belyden, 
dat de ziel niet altoos in eene bedaarde 
en eenparige beweeginge voortfpoedt;, 
maar dat zy dikwyls van het een uitter- 
{te tot het ander overgaat, dat zy Weg 

íchil- 


eh de ee 


tor, hon fit fed nafcitur, et ad detegendas veritas 
tes incognitas, liberiore mentis fpiritu excitatur, 
quem, fi regularum compedibus irretire volueris, 
inhabilem effeceris, Ita hoc videri quid negem? 
Nondum enim deteta illa via, quam mens in inve-= 
niendis Veritatibus fequitur; nihil relittum est, 
„quam ut fuo quisque genio ducendus, quo fata fe= 
rant, relinquatur. Illudequidem confitendum est, 
non femper animum procedere motu compofitos 
tranfit ile ex uno faepe extremo in alterum, per= 

Wlse 


90 J. PAP DE FAGARAS ANT WOORD OP DE 


fchillende denkbeelden ondereen mengt; 
gelyk een kok zyne verfchillende vlees: 
foppen. Echter ontmoeten wy in haar 
grootere kenteekenen van de Goddelyke 
Wysheid, dan dat wy *tzoo zouden op- 
vatten, even, of hare werkingen, by ge: 
valen zonder eenige order , ondernomert 
en volbragt wierden. Voorwaar! indien 
die groote verftanden, welke geleerd 
hebben; zonder kurk te zwemmen, in 
hunnen boezem nederdaalen wilden; 
indien zy de wetten van eenen geest- 
dryvenden luim, door welke zy dik- 
wyls beftraft worden, uit hunnen ei- 
genen grond, opdolven; indien zy 
den weg naarftig teekenden, welke zy; 
op aanraadinge van hunne fmaak, ge- 
vonden hebben, enons, die zoo door- 
zichtig van vernuft niet zyn, En 

zel- 


brt 

miscet ideas diverfas , ut varia jura coquus: at ma- 
jora tamen Sapientiae Divine indicia in ea depre- 
hendimus, quam ut ejus operationes, cafu_nullo- 
que certo ordine, fufcipi et perfici, arbitremur, 
Profe&to! fi magna illa ingenia , que fine cortice na- 
tare didicerunt , in finum fuum defcenderent, fi en= 
thufiasmi , quo feepe corripiuntur, leges, e proprio 
fando , eruêrent , fi viam illam , quam ipíi, fuo genio 
admoniti, invenerunt, diligenter notarent, nobisque, 
quibus tam perfpicax genius non est, contmon s 

rent, 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCULKXN, 29% 


gelven aanweezen; dan zouden zy niet 
minder dienst doen aan den openbaa- 
ren voorfpoed der weetenfchappen, dan 
aan zoo veele Goddelyke uitvindingen. 
Maar nu de Geleerden van den eerften 
rang, die op dien weg meermaalen zich 
bevonden hebben , den arbeid , om dien 
zelven weg aan te wyzen, overdraagen 
aan anderen, die hem nimmer zagen; 
en zy het werk van ’ fchryven eener 
Logica, gemeenlyk altoos, gelyk de 
Bisfchoppen het prediken op de Bedel- 
monniken, op de fchouders van gemee- 
ne breekebeenen fchuiven, geeven die 
menfchen regelen op, die * verftand 
niet bezig hielden in het overpeinzen 
maar flegts de hand inhet fchryven; ter- 
wyl zy, die nimmermeer eene ef 
| ei 


rent, non minus de publico fcientiarum bono; 
quam detot Divinis inventis mererentur. At,dum 
primi ordinis Eruditi, qui in hac via faepius funt 
verfati , ejus oftendende laborem aliis, qui nun= 
quam eam viderunt, demandant, et feribende Lo= 
gices operam, fere fémper in proletarios, ut Epise 
copi concionandi munus in fratres mendicantes, 
transfefunt, dum de modo cogitandi, ili regulas 
fuppeditant, qui non ingenium in meditando, ve= 
rum matius in feribendo, exercuerunt , dum quo= 

moe 


272 J.PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE 


heid hebben gezogt, veel minder uit- 
gevonden , leeraaren, hoe men iets 
uitvinden moet: en zoo zal de kunst 
van uitvinden eewig in de wieg moeten 
verholen blyven, Waarom volgen de 
Letterhelden die Groote Krygsoverften 
niet, die het voor fchoon reekenen, niet 
alleen het werk van eenen Veldheer, maar 
ook dat van een gemeen foldaat te 
doen ? | 


Maar ondertusfchen, terwyl de Wys- 
geeren noch in gebreeke blyven, om dit 
alles te voltooien, zouden wy daarom, 
dan eens op het een, dan eens op het 
ander oorvadzig blyven {laapen? of af 
wachten, tot dat de Goden het, buiten 
ons weeten , tot volkomenheid bai 

aa- 


seen 


modo aliquidfit inveniendum , illi docent, qui nul- 
lam unquam veritatem quefiverunt, tanto minus 
invencrunt; ita Ars inveniendi, eeternum, in cu= 
nis fuis delitefcet. Cur non Heroes litterarii imi- 
tantur magnos illos belli Duces, qui, et Ducis et 
gregarii militis munia fungi, pulerum putant? 


AtdumPhilofophi haec omnia perfecerint, nose 
ne interea fecure in utramque aurem dormiemus? 
aut ut Dii hec nobis nefcientibus abfolvant , ex- 

pecta= 


_ VRAGE VOOR °T JAAR MDECLXXI, 25 


Laaten wy liever, een goed gebruik 
maakende van ‘tgeen wy reeds verkree- 
gen hebben, hulpmiddelen zoeken, ter 
erlanginge dier dingen, welke wy , noch 
alleen met onze wenfchen, begeeren 
machtig te worden. Want eene werk- 
tuigelyke verklaaringe van de algemee- 
ne wetten der beweeginge kan naawe: 
lyks zonder eenige baldadigheid; onder- 
noomen worden, voor zoo ver men die 
uit het innig geftel der lichaamen afleidt; 
voor dat eerst dat gedeelte van de Na- 
tuurkunde, ’tgeen , feedert twee eewen;, 
met zoo veel drift, van de Filofoofen is 
begonnen beoeffend te worden, en dat 
zich verledigt tot het brengen van by- 
zondere verfchynzelen onder eenige al- 
gemeene wetten, tot zyne hoogfte vol- 

1V. DEEL. 9 maakt 


lk Melee elle ille 


Bae ablmnus ? Imo potius is, que jam confecuti 
famus, bene utentes, queramus fubfidia eorum, 
que folis adhuedum votis concupiscimus. Vix 
enim antea mechanica generalium motus legum ex- 
plieatio; ex interna corporum ftruêtura repetita, 
fine temeritate aliqua tentari potest; quam ea Sci- 
„entiae Naturalis pars, tanto Philofophorum ftudio 
-aduobus fere feculis excoli coepta, que, in phoeno= 
„menis fingularibus ad generales aliquot leges redu- 
cendis, occupätur, ad fummam-perfeétionem per- 
ib, dug= 


174J-PAP DE FAGARAS ANT WOORD OPDE 


maaktheid gebragt zal zyn. Maar het 
is bekend, dat in het zelve zich noch 
eenige hinderpaalen voordoen , die weg- 
geruimd moeten worden, Wy moeten 
van de wyze, op welke dat gefchieden 
moest , noch iets weinigs zeggen. 

_Daar zyn drie voornaame Leidslieden, 
welke wy volgen moeten, willen wy, 
vit de verfchillende gewrochten der Na- 
tuur; voortgaan tot de algemeene wet- 
ten. De Bereekeninge, de Waarnee- 
ringen en de Proefneemingen, ook de 
Gisfingen en de veronderftellingen, Hoe 
men de Bereekeninge gebruiken moet, 
zullen wy niet zeggen; want dit zou bui- 
ten ons beftek loopen. Alleen zullen 
wy iets van de Waar- en Proefneemin- 
gen berichten. 

bk | Men 


edp 


duéta fit. At in hae quedam adhue oceurrere ob- 
ftacula notum est, que, quomodo tolli debeant , 
de eo jam pauca dicenda funt. 

Tres funt praecipui Duces, quos , ex variis na= 
turae effettibus ad generales leges progredientes, 
fequithur. Calculus, obfervationes et experi= 
menta, itemque conjeéturae, ac hypothefes. Quo= 
modo calculo utendum fit, de eo agere, esfet ex- 
tra oleas evagari, Nonnifi de iftis, ac his, que 
dam monenda funt, A 

Wb Aut 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLEXI. 295 


Men is de Proefondervindingen fchul: 
dig of aan ’t Geval, of aan de Naarftig- 
heid. Het Geval kan wel aan geene re. 
gelen onderworpen worden , maat men 
kan nochtans met opzet herhaalen, ‘ 
geen, by geval, gebeurd was. PICART 
zag gevallig, dat de Kwik licht van 
zich gaf; maar de fchranderheid van 
BERNOULLI echter werkte uit, dat 
de ligtende Merkurius, die men te vo« 
ren alleen bygeval gekreegen had, naar 
welgevallen kon worden toebereid. De 
vermaarde proefneminge van de Leid- 
fche Fles is men ook, zoo wel aan 
geval, als aan de behendigheid verfchul- 
digd, Gelyk het altoos de pligt van ee- 
nen voorzigtigen veldheer geoordeeld 
is, aan de Fortuin wat toe te geeven, 

S 2 ZOO 


han ac 


Aut cafui debentur experimenta, aut induftriae, 
Cafus equidem regulis fubmitti nequit, ut tamens 
dees catu evenit; confilio repetatur, fieri. potest. 

ortuito Picartus Mercurium lucere vidit, ut ta- 
men Lucifer Mercurius, qui antea nonnifi-cafu ha- 
bebatur ; pro arbitrio parari posfit , Bernoullii Saga- 
citas effecit. Celebre eciam lagenae Leydenfis rex- 
perimentum , cafui aeque; «ac induftriae-debetur. 
Ut prudentis belli ducis femper ‘habitum fuit; lo - 
cum fortunae dare, ita folertis naturae fcrutatoris 
bp Est, 


276 j-PAP DE FAGARAS ANT WOORD OP DE 


zoo is hetook de pligt van eenen fnedí- 
gen Natuuronderzoeker , gebruik te 
maaken van ‘tgeen ’ Geval hem van 
zelfs: aanbiedt. *tGeluk hadt den ou- 
den. reeds ettelyke verfchynzelen der 
EleCtriciteit aangeboden , en nochtans 
hebben, zelfs in onze dagen,de menfchen 
dezelve ter naawer nood opgemerkt. 
Edog, indien wy eenige zeldfame geval- 
len niet ftraks tot onder de uitzonderin- 

gen der ‚Natuurregelen bragten, of uit 
deze. of die oorzaken gereedelyk ver- 
klaarden, om niet te fchynen van iets 
onkundig te zyn, maar liever op de her- 
halinge- derzelve, met naawkeurige in 
acht neminge van alle de omftandighee- 
den, bedagt ‘waren „ behoefden wy niet 
te-twyffelen „of -wy zouden, door de ge 
hi Gal 


onned 


est, illis quae cafus-fponte obtulit, in rem foam 
uti. Multa cletricitatis phoenomena jam vetc= 
ribus fortuna obtulerat , vix tamen noftro tempore, 
haec ad animum homines revocarunt. At; fi rario- 
res quosdam cafus, non ftatim vel inter excepti- 
ones referremus, vel-ex-causfis quibuscunque ; ne 
aliquid nefcire videamur „ explicaremus, fed de eo- 
dem repetendo, perpenfis accurate facti-circum- 
ftantiis , vellemus cogitare, nil dubitandum-est, 
quin „ eventibus fortuitis,-ad magni-momenti ve- 

2 Ïl= 


VRAGE VOOR ’T JAAR-MDCCLXXIL' 277 


vallige’ gebeurtenisfen „ tot’ het ontdek. 
ken van zeer gewigtige waarheden, zyn 
gebragt geworden. -Dikwyls ís men’het 
overwinnen niet. verfchuldigd: aande 
wakkerheid- van eenen veldheer „maar 
altoos is men het er: aan verfchuldigd;, 
zoo er een goed gebruik van de over- 
winningegemaakt wordt. Waarom zou 
een Natuurkundige niet> even “zoo veel 
kunnen doen, als ‘eer oplosfcher van 
Wiskunftige Vraagftukken? ’tGebeurt 
hem dikwerf , vooral in Diophantifche of 
ingewikkelde vraagftukken „dat hy „door 
de kunst,” geen een: bekend getal “kan 
uitvinden , *twelk aan de vraag voldoet, 
maar zoo hy er gevallig-een ‘gevonden 
heeft, dan wordt het hem gemakkelyk , 
om ‚daaruit, oneindig veele -anderen 
afte leiden, welke aan de Vrage voldoen, 
9.3 _Even- 


Re Ta Ct EEN Pa 
hei he de ded 
‘ Ì { Á ) pe 
ritates., perduêti fuistemus.. Saepe non belli-ducis 
induftriaesdebetur „ vincere.„at femper illi „ viéto- 
ria bene uti7Cur non tantum facere posfit Phyfi- 
eus, quaatunr Analytieus? Contingit illifaepe, in 
problematibus. praefertim Diophanteis, ut nullum 
numerum arte invenire posfit; qui quaeftioni fa- 
tisfaciat, at ‚fi unum forte repererit , facile ei est, 
ex illo „ infinitos alios,-quaeftioni fatisfacientes 
deducere, ian. 
Plus 


278 J.PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE 


Evenwel moet men veel meer van 
die Proefondervindingen verwachten, 
welke, met rp ak raade , wor- 
den in: ’t werk gefteld, Wel hoe „ zou- 
den menfchen ‚die iets anders bedoelen 
en op den regten: weg niet gefteld zyn; 
zoo veel kunnen uitvinden, als er van 
anderen, die er zich op toeleggen, en 
ophet regte fpoor voortgaan, kan wor- 
den uitgevonden? „Hunne arbeid is ge- 
lykedan de omtâstingen by nachte, die 
flegts van de eene proefneminge , zon- 
der eenige orde, waar te nemen, tot de 
andere: overgaan. Gy moet een getrou- 
wen leidsman volgen , wanneer gy in een 
vreemd land verkeert, Maar gy vraagt; 
welken gids ik zou raaden te volgen in 
het maken van Proeven? ik antwoorde, 

E6- 


endet 


Plus tamen longe expeétandum est, ab experi- 
mentis, certo confilio inftitutis. Quid enim? 
homines aliud agentes ‚ neque in via reéta confti- 
tuti posfenthe tam maulca reperire , quanta, ab aliis 
huie negotio intentis, veramque femitam ingres- 
fis, inveniri posfunt? Paipitationibus noéturnis fis 
miles funt corum labores , qui ex uno experimen- 
to in aliud, nullo ordine obfervato, tranfeunt. Fis 
dum ducem fequaris oporter, fi in regione igno= 
ta verferis. At quem, in experimentis,- ducem 
Teguendem fuadeam, quaeris? Veritatem aliquam; 
vR en tet 4 ink eek aak quam 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 279 


eenige waarheid, welke gy door die proef. 
nemingen wilt bevestigen of duidelyker 
maaken: maar waar fchuilt die waar- 
heid? Zy is niet verre van uaf, zoo 
gy oplettend toeziet, 

Men kan alle de Experimenten, wel- 
ker oorzaak onbekend is, brengen tot 
twee hoofdfoorten: want of wy zien de 
uitkoomtte niet, welke wy meenden dat 
er by moest zyn, of wy zien de uit- 
koomfte zoo, dat ons de Oorzaak on- 
bekend blyve, door welke dezelve wordt 
voortgebragt, Daar de uitwerkinge, wel 
ker oorzaak aanwezig is, niet gezien 
wordt, is het natuurlyk te befluiten , dat 
Zy, door de bewerking van andere oor- 
zaken, weggenomen is, Derhalven. moet 
men, door niewe Proefnemingen, on- 
0 S 4 der: 


dd 


quam per illa vel confirmare, vel manifeftiorem 
reddere velis: at ubi latet ea veritas? non longe 
a te abest, fi animum advertas. 

In duas clasfes , omnia illa experimenta, quorum” 
Causfa incognita est, revocari posfunt; aut enim 
effettum non videmus, quem adesfe debere putaba- 
„mus , aùteventum confpicimus, ita ut causfam „per 
„ quam fit produétus, ignoremus. Ubi effetus, cu- 
jus causfa adest, non confpicitur, naturale est 
colligere „eum aliarum causfarum operacione, fu- 
blatum esfe, Harum itaque , quas adesfe fuspica- 
oud ‚mur 


280 j. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE 


derzoek doen naar de gewrochten dier 
Oorzaken, welke wy vermoeden, dat 
er by aanwezig zyn. Dus wanneer de 
kwik, tegen de regel der Zwaarte, in 
de buis van Torricellius hangen blyft, 
is het gevoegelyk de uitwerkinge aan 
de zwaarte der Lugt toe te fchryven, 
Men moest derhalven weeten, hoeda- 
nige en-hoegroot die Zwaarte zy; en 
om dat zy, alleen befchoud , niet altoos 
fcheentoe te reiken tot het voortbrengen 
vanditgewrochte , moest men voortgaan 
toteeneandere eigenfchap van de Lucht, 
namtentlyk hare veerkragt, welke ge- 
legenheid gegeven heeft tot het toerter 
len van de Lugtpomp , door welker hul- 
pe, alle: die eigenfchappen naawkeurií- 
ger konden onderzocht worden dan te 
ki 4 Vvg- 


Gede 
mur effe@tus , novis experimentis examinandi funt. 
Ita cum , in tubo Toricellii, mercurius contra gravie 
tatis legem fufpenfus haefit, rei conveniens erat, 
hune eftettum aëêris gravitatí adfcribere, -Ea itaque, 
qualis, et quanta fit ?scognoscendum erat , et quias, 
fola, huic effe&tui producendo non femper futfice- 
re videbatur, ad aliam ejus proprietatem , feilicet 
elafticitatem erat procedendum, “quae occafionem 
dedit, ad antliam Pneumaticam conftruendam, cu- 
jus ope, omnes aêris proprietates, accuratius adr 


hug 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 28r: 


voren , ja zelfs de kragten der Lugt wor- 
den opgewogen. | kaisdin 

“Op verfchillende wyzen gebeurt het, 
dat wy de gewrochten verdweenen zien, 
daar zy behoorden aangetroffen te wor- 
den. ‘Somtyds worden zy in ’t geheel, 
fomtyds ten deele, weggenomen, Dan 
eens maken de Oorzaken tegen elkan- 
deren een gelyk evenwigt, dan eens is 
de eene zwakker dan de andere, en: be- 
lemmert dus een gedeelte van haar ge- 
wrocht, - Zou de uitwerkinge wel weg- 
genomen zyn, door de Werkeloosheid 
van een andere ftoffe ?-of door de Zwaar- 
tekragt?of door de Aantrekkinge? Alle 
die bedenkingen leiden ons op tot nie- 
we Proefnemingen. De Oorzaken, die, 
famenwerkende, elkanderen in den weg. 
î „95 Zyn, 


inttrin 


hue quam antea, examinari ejusque vitres ponde= 
rari potuerünt. an 
_Variis modisevenit, ut êffe&tus, qui adesfe debebant, 
adesfe videamus. Saepe illi in totum , faepe'in parte, 
tolluntur,. Nunc enim causfae inter fe aequilibri- 
um tenent, mox una altera debilior, illius partem 
impedit. Ad omnia haec'attendendum est. Num 
effectus fublatus fit, per materiae alterius inertiam ? 
vel per gravitatem? aut attraétionem? Haee om- 
nia ad nova experimenta nos ducent, * Causfae’, 
quae 


282 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE 


zyn, moeten dan gefcheiden worden, 
op dat wy weeten, wat er van de ee- 
ne, en wat er van de andere voorko- 
me, Straks moet men wederom meer 
dingen, zoo ’t noodig is, famenvoegen, 
Gelyk, wanneer de gekoleurde ftralen 
onderling elkanderen , de verwen fchee:- 
nen weg te neemen of te verdooven;, 
raadde ons de natuur der zake, dat zy 
op niew van een moesten gefcheiden en 
elke dier ftralen afzonderlyk behandeld, 
en ftraks wederom met andere faamge- 
voegd worden, Dikwerf fchynen de 
vloeiftoffen aan de Wetten der Water- 
weginge niet te gehoorzaamen, en de 
Experimenten. aan de Befchouwende 
kundigheden niet juist te beantwoorden, 
In dat geval moet men onderzoeken, 


EEEN 


quae conjunêtim feimpediunt, feparandae, ut quid 
ab unaquaque proficifcatur, cognofcamus. Mox 
plura iterum, wbi-opus est, conjungenda. Ita 
cum radii colorati, fuos mutuo colores tollere vi- 
debantur, ipfa rei natura fuadebat „ utii a fe invi= 
cem iterum feparentur, ut unusquisqueeorum 
feorfim tratetur „ et mox cum aliis conjungatur. 
Saepe fluida legibus hydroftaticis non obedire, et 
experimenta theoriae, non accurate respondere vi- 
dentur., In illo calu experiendum est „ an forte at- 

tra= 


4 


of 


VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXX1, 283 


of misfchien de aantrekkinge of de af- 
ftootinge van eene andere vloeiftoffe, 
hare byzondere zwaarte te boven gaa? 
In dezen moet men toezien wat er ver* 
anderd zy door de wryvinge , de weer- 
ftandbiedinge van de middelruimte, de 
aanftootinge der deelen op elkanderen, 
en. door de famenkleeving? Zoo zullen 
de Experimenten niet alleen verftrek- 
ken tot bevestiginge der Theorie; maar 
zullen ook aanleidinge geeven tot het 
uitvinden van niewe Proefnemingen. 
Meermaalen gebeurt het, dat wy een 
gewrocht - zien te voorfchyn komen, 
van ’t-welk de oorzaak geenzints blykt, 
Barnfteen of Glas krygen, door wryvin- 
ge „eene kragt , om ligte lichaamtjes naar 
zich te trekken en van zich af te ftoo- 
ten. 


Kd de 


tratio, vel repulfio altérius fluidi gravitatem hu- 
jus fuperent. In hoc difpiciendum, quid per fri- 
ctionem, refiftentiam medii , partiumin fe invicem 
impulfionem , tenacitatem, mutatum fit? ira expe- 
rimenta non ad confirmandam folum theoriam fer- 
evi verum novis etiam occafionem fuppedita- 
unt, ê | 
Evenit faepe; ut effetum adesfe videgmus , ita 
ut causfà ejus non appareat. Succinum, vel vi- 
trum, afriéta, vim aquirunt corpora. levia. ge 
he Jen= 


284 JPAPDE FAGARAS ANTWOORD OPDE 


ten. In ’t begin fcheen ’t als of de wege 
ftootinge op de Aantrekkinge, en deze 
wederom , op hare beurt , de Wegftoo- 
tinge volgde, zonder eenige zekere. wet- 
ten in acht te neemen, Maar: de Na- 
tuur volgt eene fraaiere orde, dan dat 
iets by geval „of zonder eenige vaste re- 
gels, gefchieden zou, gelyk wy anders, 
met de vuile leerlingen- van: Epikurus;, 
zoude:moeten vastftellen, Eerst en voor- 
al moet men er zich dan op toeleggen, 
dat..wy deze of geene hoofdwet ont- 
dekken; volgens welke zulke-uitwerk- 
zelen opkoomen.: Deeze zal--ons «tot 
eenen leidsman: verftrekken, -dierons tot 
niewe Proefnemingen, ja zelfs“tot het 
uitvinden der oorzake van het gewrocht 
zal op leiden,: Zekerlyk nimmermeer 
1153 zou 


oost 


hehdi-repellendique. Nulla certalegeattrationem 
repulfio ; ethancilla „initio , excipere videbatur, Sed 
elegantiorem natura fervat ordinem , quam.ut aliquid 
cafu , vel fine certis regulis fieri, cumsEpicuri de 
grege porcis. ftatuamus. Primo itaque omnium id 
agendum:est ‚… ut-principalem aliquam legem dete- 
gamus, qua effeêtus ifti oriuntur. Illa erit inftar 
ducis,-quae-nos adsnova experimenta, imo faepe 
ad causfam effeétus , -ducet. Nunguam Certe tam 
diverfi in: ele&ricitate-efiegtus detetti:esfent, ze 
ADA a 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXxI, 285 


zou men. zoo vele verfchillende ge 
wrochten van de Electriciteit ontdekt 
hebben, hadden de Natuurkundigen niet 
gelet op de wyze der verftoringe van 
het evenwigt, In de beweegingen, wel- 
ker Oorzaak wy niet zien, is het bil- 
lyk, dat, zoo de Lucht ter verklarin- 
ge derzelve niet volftrekt, dat wy het 
aanwezen van eene fynere ftoffe ver- 
__„moeden. ‘Nochtans moet men dit hier 
opmerken, dat niet allerhande bewee- 

ginge van de fynere hemelftoffe, naar 
welgevallen aangepakt, genoegzaam zy, 
om allerley. gewrochten voort te bren- 
gen. Er kan geene beweeginge opkoo- 
men , indien de verfchillende deelen der 
fynere hemelftoffe in evenwigt ftaan! 
%* Is derhalven de vrage , wat toch dat 
evenwigt hebbe weggenomen? of hf 
e 


dd 


ad aequilibrii turbati modum attendisfent Phyfici. 
In motibus, quorum causfam non videmus, ae= 
quum est, ut fi aêr illis explicandis non fufficiat, 
„praefentiam fubtilioris alicujus materiae fuspice- 
mur. Illud tamen hic obfervandumest , non quem- 
libet aetheris motum, pro arbitrio asfumptum, 
„cuilibet effeétui producendo, fufficere, _Nullus 
„motus oriri potest, fi diverfae fubtilioris materiae 
„partes, fint in aequilibrio, Quaerendum-itaque 
“quid 


286 nPAP DE FAGARÁS ANTWOORD OPDE 


de veerkragt zy? de zwaarte? of-de 
aantrekkinge? hoe het by gekomen zy:; 
dat het één deel der {toffe meer faam: 
gedrukt zy, dan het ander? volgens 
welke wet zy zich poogt uit te zetten? 
In de vloeiftoffen, welke onder elkande= 
ren vermengd zyn, moet de werkeloos- 
heid , ftootinge der deelen , verfchillen- 
de famenkleevinge, en afzonderlyk en 
te famen, in overweeginge koomen, 
Daar de gewrochten, ten fterkften , van 
elkanderen verfchillen, moet men zyn 
best doen , dat men eenige betrekkinge 
van de eene op de andere ontdekke: 
en men moet beproeven , of misfchien 
verfchillende uitwerkingen onder eene 
wet kunnen gebragt worden? De fa- 
menhang tusfchen dezelve, wel waar- 
genomen , zal ons vele dingen leeren. 

Die, 

wierd 


quid illud fuftulerit? an elafticitas? an gravitas? 
an attractio? qui evenerit, ut una pars matertiae , 
magis compresfa fit quam altera? qua lege, illa, 
fe expandere nítatur? in fluidis, feeum invicem 
permixtis, inertia, impattio particulafum, diverfa 
cohaefio, feorfim , conjun&timque funt-confideran- 
da, Ubi effeCtus maxime funt diverfi, opera dan- 
da, ut aliqua inter ea relatio detegatur, tentan- 
dumque, an effeftus diverfi, eaedem forte legi 
fabjici posfint? connexio, inter ea obfervata;, ee 

ä 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 2829 


Die, welke ons toefchynen, van de 
voornaamfte wet, welke wy ontdekt heb- 
ben, af te wyken, of zonder orde af 
te loopen, moet men naarftiglyk optee- 
kenen. Mogelyk zal men, door niewe 
proefnemingen, welke men naderhand 
maken zal, reden van hun beftaan kun- 
nen geven, of ten minften hunnen fa- 
menhang met de overigen leeren ken- 
nen. 

’ Geval, de waarnemingen, de proef- 
ondervindingen, de gisfingen worden 
dikwyls, by het uitvinden van niewigs 
heden, onder elkanderen vermengd, De 
verbazende uitwerkzelen van den blix- 
em hebben reeds de vernuften der ou- 
den gepynigd. Dat de dieren daar door, 
zonder eenig uitterlyk teeken van kwet- . 

zin- 


ed sd 


ta nos docebit. Ea, quae a principali, quam de- 
teximus , lege recedere, vel nullo ordine procedere 
videntur, diligenter connotanda, Forte novis ex= 
perimentis, in pofterum inftituendis , eorum eti= 
am vel ratio reddetur, vel faltim cum reliquis 
connexio cognofcetur. 

Cafus , obfervationes, experimenta, conjettu- 
ra@ „ fecum invicem, in novis detegendis „faepe per- 
mifcentur. Stupendi fulminis effettus, jam vetc- 
rum torferunt ingenia, Quod, eo, amimalia, abs- 

que 


288 j.PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE 


zinge, gedood worden, daar van. zogt 


PLUTARCHUS de reden hier in, dat 
de ziel door vreeze verfchrikt, uit het 
lichaam wegvliegt; en dat het zwaerd 
fmelt, zonder dat de fcheede benadeeld 
wordt , is menigwerf uit de natuur van het 
gemeen vuur verklaard geworden. Maar 
voorzeker , het verbazend. geval dat; in 
de ftad Lany gebeurd is, hadt genoeg 
kunnen leeren, dat zwavel- en joden- 
lymdampen niet in ftaat zyn , om zulke 
verfchynzelen te verklaren. Middeler= 
wyl, nu de Electrifche Proefondervin- 
dingen, by geval, zyn uitgevonden en 
door vlyt en behendigheid, tot eene ze- 
kere volmaaktheid gebragt, zou iemand 
gemakkelyk kunnen bevroeden, dat de- 
zelve met de uitwerkzelen van den blix- 
em 


ee 


bd 


que ulla-laefionis nota intereant, quaefivit Plutar= 
chus in eo rationem, quod. anima, metu pertersie 
ta, e corpore avolet; et quod, illaefa vagina, col- 
liquefcat gladius, ex natura vulgaris ignis faepius 
explicatum est. At profecto, vel ftupendus, qui 
in urbe Lanyi cafus contigit, poterat @docere , 
vapores “fulphureos et bituminofes;, ad haec ex- 
-plicanda , non fufficere, » Interea cafu deteétis, et 
induftria perfeCtis experimentis ele@ricis, «facile 
haec. cum fulmineis'effetibus affinivatem haber 
- u= 


* 


_ VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXxm, 289 


em eenige gemeenfchap hebben; - Dit 
was genoeg, om de Natuur te onder- 
vragen, welke, door deze lichtvaar- 
digheid der ftervelingen gefard, den al 
te niewsgierigen onderzoeker Richman 
fneuvelen deedt ; maar zy kon echtef niet 
beletten, dat men al wat ef noch ge- 
heims in fchuilde, wel haast wist te 
ontdekken, Men was reeds zeker we- 
gens de waarheid der zake; maar de 
wyze, hoe de Electriciteit in de Lugt 
wierde voortgebragt, bleek niet, Er 
was eenige grond van vermoeden, dat 
mogelyk door de warmte, zoo wel als 
door de wryvinge, de Electriciteit zou 
kunnen aan ’t gaan geholpen worden; 
alzoo dit uit hare algemeene wet fcheen 
voort te vloeien, Derhälven niewe’po+ 
17. DEEL. Éà gin: 


Beet 


fufpieari aliquis poterat, Hoc ad interrogandatt 
_ näturam fatis erat, quae hac mortalium temericate 
quafi irritata, curiofum nimis perctún&atorem 
Richmannum occidit, neque tameh, quo minus 
hoe quicquid est fecreti detegatur, impedire po= 
tuit. Jam de veritate tei conftabat, fed modus, 
quo in aêre eleCtricitas excitetur, non patébar. 
Sufpicioni locus erat, forte calore, aeque ác af- 
friCtione, ele&ricitatem excitari posfe , cum hoc 
ex generali ejus lege fluere videretuf. Novis ita- 

que 


200 Je PAP DE FAGARAS ANT WOORDOPDE 


ingen-doende om dit te weeten, ont» 
Kelne men ‚ dat eenige Lichaamen. (ge- 
lyk, de Turmalynfche fteen of Asfchen- 
trekker) alleen door de warmte. Elec- 
trisch konden gemaakt worden; waar 
uit dan verklaard.kon worden, hoe door 
de warmte van,de Zon de Electrici- 
teit inde. Lucht wierde. voortgebragt. 
Maar, ondertusfchen , dacht iemand 
aan het. dwaalligt en andere vuurver- 
hevelingen ; en dus moest men beproe- 
ven, of ook niet de dampen, welke wy 
weeten., dat, in menigte, uit de aarde 
opklimmen, door eene Electrifche vonk 
konden worden aan brand geftooken: 
Men beproefde het, en ’gelukte. Op 
deze wyze worden. wy, door toevallen 
en „waarnemingen, gebragt tot, proef 

rie on- 


GED. 


que-ad hoc cognoscendum tentaminibus fais, de= 
teetum est, quaedam, corpora (ut lapidem turma- 
linum) folo calore ele@&rica reddi posfe, ex quo 
explicari poterat, quomodo calore folis eletricitas 
in aêre excitetur. At, interea, aliquis ignis fatui 
et reliquorum meteororum meminit; tentandum 
itaque erat, an non vapores, quos copiofe ex terra 
afcendere fcimus, fcintilla eleêtrica accendi posfint, 
quod tentatum fuccesfu non caruit. Hac ratione , 
gafibus et obfervationibus, ad-experimenta, ed 
7 a 


VRAGE VOOR °T.JAAR MDCCLXXI. 20Y 


ondervindingen , en door deeze) tot vers 
moedens ; en, om dezelve te bevestigen, 
gebruiken wy wederom niewe proefne« 
mingen: ja de Natuur-zelve brengt er 
ons toe, als zy, in de aardbevingen en 
andere verfchynzelen, zekere aanwy- 
zinge doet van de ftoffe „ welke zy ge- 
bruikt, en daar door ons, als ’t ware; 
noodigt, om hare werkingen dòor’ on= 
ze proefnemingen opte volgen.» 
_ Laat het my geoorloofd zyn noch 
iets aante merken, Wy zynvaan de 
Experimenten, nu federt twee eewerì 
genomen, verfchuldigd, dat. wy.beter 
geleerd hebben over. de Natuur te fid 
lofopheeren:. dan wy hebben flegts: cérv 
bloot geraamte van die Proefnemingen. 
Maar hoe men uit dezelve ,zoo-als zy: 
n EN door 


U DSD NMDDU 


ad fufpicionesdeducimur jet, ad;eas confirmandas; 
novis iterum ecxperimentis utimur: imo‚ipfa faepe 
naturanosad ea ducit , cum, in terrae motibus alis= 
que phoenomenis „certa materiae „qua utitur , indie 
cia praebet, ect hoe ipfo' nos quafiinvitat, ut-ejus 
operationes. noftris experimentis imitemur. 
Aliquid adhuc monere liceat, Experimentis, in= 
tra: duo fecula inftitutis , debemus, quod-desrerum 
_natura-melius- philofophari didtcerimus:: at nndum 
plerumgue, eorum fceleton habemus, _ Quomodo 
ven 


% 


KA 


02J.PÄRDE FAGARAS ANT WOORD OPDE 


door «°° Geval ontdekt zyn, meer din» 
genchebbeáafgeleid? hoe men van de: 
eene, tot; deandere zy overgegaan ? wat 
aanleidinge’“totzeenige gelukkige -gisfin- 
gen:gegeven hebbe? en hoe dezelve na- 
derhand door -miewe Proefnemingen zyn 
bevestigd? daaromttend zyn wy meest- 
akonkundig. . Maar waarom volgen zy „ 
dies of,hunne eigene proefnemingen, of 
die van aridere; verhalen , die deftige 
Hiftoriefchryvers niet naar, dewelke 
daar::zy de veranderingen: van: {taten 
en koningrykén, hun: toe en afnemen. 
vertellen, dezelve zoo levendig vuitdruk- 
ken, dat, zy. de, gebeurtenisfen onder 
elkanderen famenfchakelen „en kortbon- 
dig , dog welfprekende, uit hare oorza- 
ken afleiden , zoo zelfs , dat niet flegts de. 
zoob Te- 


veror ex iis, cafu'detettis, plura deduêta fint? 
quomodo ex unoeorum icum fic-in aliud? quid oc- 
cafionem felicibus quibusdam conjeêturis dederit? 
guomodo ille deinde per nova experimenta con= 
firmatae fint? plerumque ignoramus. At cur non 
ii, qui fua, vel aliena, experimenta enarrant 
imitantur graves illos hiftoricos ‚qui dum mutatio- 
nes regnorum, incrementa ac decrementa eorum 
enarrant, ita ad vivum illa exprimunt, et eventus 
intere conne&ant „ex fuisque causfis , wind 2 
-e e 


VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCL XXII, „293 


redenen’ van zoo vele” veranderingen 
„door anderen begrepen worden, maar 
dat men er ook «de: ware regelen der 
voorzigtigheid, welke men , met groot 
voordeel, in foortgelyke ‘gevallen moet 
waarneemen, uit opmaakt, Deze is de 
egte wyze, om met de daden van-an- 
deren winst te doen, zoo zy de-eenig- 
fte niet-is: zoo zelfs. dat wy, ook-uit de 
verrigtingen, weeten., wat ons verder te 
doen ftaat, 


Nu moeten wy noch iets zeggen ter 
ophelderinge van deze Vrage;, in hoe 
verre wy, in het kennen der Nature, 
door Vooronderftellingen en Gisfingen 
geholpen worden. Veele houden ftaan- 
de, dat deeze de appelen van Atalante 

13 Zyn, 


EE EE) 


fed diferte deducunt, ut non tantum rationes 
tot mutationum, ab aliis cognofcantur, fed et 
verae prudentiae regulae , magna utilitate, in fimi- 
bus cafibus obfervandae, colligantur. Ea vera, 
ex faétisaliorum , proficiendiratio est, fi non ea fo- 
la, ut etiam, ex iis, quid nobis faciendum fit, 
_ cognofcamus, ' BOS 


Dicendum jam de ea est aliquid, quantum hypo- 
thefibus, vel conje&turis, in natura cognofcenda 
adjuvemur. Poma Atalantae esfe illas „quae ad cer- 

tam 


A04 JePAP DE FAGARAS ANT WOORDOP DE 


zyn, „welke’ ons ophouden in onzen 
loop naar eene zekere endpaal der waar- 
heid ; veelen daarentegen zyn van «een 
geheel ander begrip, welke, terwyl zy 
in dezelve, als in tenten onder weg op- 
geflagen, vertoeven, zoo door derzel- 
ver.fraaïheid bevangen worden, dat zy 
met Petrus zeggen: het is goed hier te 
blyven woonen. Ja, door eene wonder- 
Lyke dwalinge, meenen zy, al ftraks in 
de binnenkameren der Natuur toege- 
laten te zyn. Cartefius en anderen ver- 
tellen ons, even of zy in den derden 
hemel waren opgetrokken, zulke zaken, 
welke bet oog niet gezien, nog het oor 
geboord beeft ‚ nog in °s menfchen. gedach- 
ten ooit gekomen is. Daarentegen ande- 
ren, op dat zy niet te wys fchynen 
zouden, hebben dit zeggen van THO- 

MAS 


ososnob 


tam veritatis metam contendentes, remorentur, 
asferunt multi: in alia omnia eunt plures, gui dum 
in his, velut tabernaculis in via pofitis, conqui- 
escere volunt, ita eorum elegantia capiuntur, ut 
illud Petri dicant: bozum est hic habitare. Imo , miro 
errore, mox in ipfum naturae conclave fe delatos 
putant. Enarrant nobis Cartefius aliique, ac fi in 
tertium eoelum rapti esfent , ea, quae zec oculus widit 
nec auris andivit , mec homo cogitavit. Contra alii, ne 
nimium fapientes videantur , illud Thomae dicunt: 

in 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLX%I 295 


„MAS in den mond: indien ik het lidtee- 
ken niet zie, indien ik het- met mynen 
winger niet aanrake, of met myne hand 
betaste, ik zal geenzints gelooven, Maar 
ik oordeele, dat men in de Natuurkun- 
de voornamentlyk moet opgeeven, % 
geen wy zelve gezien of gehoord hebben ; 
maar echter ook, dat er geloof plaats 
moet hebben. Gewisfelyk alle de New- 
tonianen zouden hunne eigene glazen 
uitfmyten, indien zy, in de Natuur- 
kennis, geene plaats aan de Vooron- 
‚ derftellingen wilden verleenen, Nooit 
heeft de groote NEW TON, noch door 
Wiskunde, noch door Proefnemingen, 
beweezen, dat elk deel der ftoffe door 
een ander deel wordt aangetrokken ; 
maar toen hem zyn vernuft dit inlui- 
fterde, gaf hy er geloof aan, en nam 

T 4 het 


pd 


zrifì widero weltigium , nifi dizito tetigero, vel manu palba- 
vero, neguicquam credam. Ego vero exiftimo, ea ma- 
xime in Phyficis enarranda esfe , gwae vel ipf? vidimus , 
wel audivimus; fidei tamen etiam locum esfe, Sua 
certe vineta finguli Newtoniani caederent, fi nul- 
lum hypothefibus locum , in Scientia naturali asfig- 
nare vellent. Nunquam magnus Newtonus, vel 
per mathefim, vel experimentis, demonftravit, 
omnem materiae partem attrahi ab"alia, fed admo- 
nenti hoe genio fidem adhibens, illud ad ene, 

â 


296 J;PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE 


het aan, ter verklaringe der Sterre: 
loopkundige Verfchynzelen; en toen de 
uitkoomfte aan zyne pogingen beants 
woordde, ontdekte hy de wetten der 
hemelfche bewegingen, Evenwel om 
dat de waarnemingen niet, dan by ver= 
loop: van tyd, konden genomen wor- 
den, was het noodig, dat de Gisfinge , 
fchoon zeer waarfchynelyk, eene zit- 
plaats kreeg onder de zekere waarhee:- 
den, Wy zouden al te onregtmatig met 
de Vooronderftellingen handelen , zoo 
wy uit het voordeel, dat de meeste 
verfchaffen , over het noodlot van alle 
zouden willen beflisfen, Want hoe zeld- 
faam het ook gebeurd zy, dat zy niet 
dezen of genen van het regt fpoor der 
waarheid hebben afgeleid ; nochtans zou 
dit genoegzaam zyn, om haar het bur- 


GED 


da motus aftrorum phoenomena asfumfit , et, eventu 
conatuì refpondente, leges motuum coeleftium 
detexit. Obfervationibus tamen non nifì fuccesfu 
temporis inftitutis,opus erat, ut conjectura, licet 
valde verofimilis, locum, inter. veritates certas obti= 
nerêt, Inique nimis cum hypothefibus ageremus, 
fj ecxutilitate, quam pleraeque praeftant, fata om- 
nium vellemus decidere. Ut ut enim raro conti= 
gerit, ut non illae aliquem a reto veritatis tra= 
mite abJuxerints illud tamen, ad eas, civitate phi 

oe 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 29% 


gerregt in de Wysgeerte op te draa- 
gen, om dat door haar dees en die tot 
de waarheid gekommen is,en dat zonder 
haar niemand dezelve heeft kunnen uit- 
vinden. De Natuur heeft ons met zul- 
ke fcherpziende oogen niet begifted, 
dat wy aanftonds, by het eerst aanky- 
ken, den weg, welke naar eene zekere 
wetenfchap heenenleidt, zouden. zien, 
en in geenerleye bypaden van gisfin- 
gen vervallen. En voorwaar, % is be- 
ter, dat men, door het zoeken van 
de waarheid, in eene dwalinge vervalt, 
dan dat men die in ’t geheel niet zoe- 
ken zou; want eene dwalinge kan mert 
kennen en verbeteren, maar de waar- 
heid kan men niet vinden, zoo men 
haar niet opzoeke, Ik betuige, dat zoo 
dikwerf ik de Newtonianen tegen de on- 

| T 5 mas 


bea 


lafophiea donandas, fufficeret, per illas aliquem, 
ad veritatem pervenisfe, et fine illis neminem po- 
tuisfe. Non ita acutis nos natura donavit oculis, 
ut primo ftatim intuitu, viam, qua ad certam 
cognitioncm itur , videamus , et in nulla conjeétu= 
rarum diverticula incidamus. Et profeéto, praeftat 
quaerendo veritatem in errorem incidere, quam 
eam non quaerere ; error enim cognofci et emen- 
dari , fed veritas nifi quaefita inveniri nequit, Ego 
fateor, me, quoties Newtonianos contra me 
Our le 


- 


298 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE 


matige vryheid der Vooronderftellingen 
veele dingen hoore waarfchuwen, ik 
hun geloof geeve; maar terwyl ik overs 
fegge , hoe ons ligt in eene zware duis- 
ternisfe zou omzwachteld zyn, indien 
Newton geenerhande Voorondertftellin- 
ge gebezigd hadde, zoo betuige ik ook, 
dat men een graantje zout gebruiken 
moet, om die Newtoniaanfche verma= 

ningen behoorlyk te verduwen. 
Nochtans zou het flegt met ons ge- 
fteld zyn, zoo wy gedrongen wierden, 
om alle Vooronderftellingen , welke de 
verwilderde inbeeldingskragt zich voor- 
ftelt, te aanvaarden. Hier is een ern- 
ftige keuze noodig. Waarom zou ech- 
ter een Wysgeer zyne Vooronderftel. 
lingen zoo niet kunnen gebruiken, als 
eene Wiskunftenaar de regel der zaet 
val- 


Ohe 


dicam hypothefium licentiam multa monentes au- 
dio, illis fidem adhibere; at dum illud perpendo, 
quanta fab note jaceret noftra dies, fi nulla Newtonus 
hypothefi-ufus esfet, ea cum grano falis accipien= 
da esfe arbitrari. 
Male tamen nobifcum ageretur, fi omnes, quas 
luxurians effingit imaginatio, hypothefes, admittere 
cogeremur. Deleétu hic, eoque fevero, opus est. 
Qüidni tamen Philofophus ita fuis hypothefibus, 
ut Arithmeticus regula falfi, uti posfit? Sumit ille 
pro 


VRAGE VOORT JAAR, MDCCLXXIL, 299 


valfche pofitien? In plaats van een on- 
bekend getal neemt hy onverfchillig 
de eene of de andere hoegrootheid , en 
hy overweegt, of deeze aan de omftan- 
digheeden van het vraagftuk voldoe? 
en alzoo dit zeldfaam gebeurt, gebruikt 
hy de dwalinge zelve ter bevorderinge 
der Oplosfinge, Dat zoo ook een Na- 
tuuronderzoeker, in plaats der onbe- 
kende oorzaak van °t Verfchynzel , deze 
of gene oorzaak aanneme, die hem het 
gefchikfte toefchynt; en laat hy toe- 
zien, welke gewrochten er uit moeten 
ontftaan, als hy die voor de ware oor- 
zaak aanneemt; welke dan, indien zy 
met de ware gewrochten overeenko- 
men, een blyk opleveren, dat wy op 
de ware reden van het gewrocht geval- 
len zyn ; maar zoo niet, dan moet men 


be- 
LED 


pro incognito numero, quantitatem quameunque, 
et expendit, an illa quaeftionis circumftantiis fa= 
tisfaciat: quod cum raro contingat, ipfo errore ad 
veram folutionem utitur. Ita Phyficus, pro incog= 
nita phoenomeni causfà fumat aliquam, Quae. vide 
tur convenientisfima, et difpiciat, quales effettus., 
illa pro vero asfumta, oriri debeant, qui fi cum 
veris conveniant, indicio est, nos in juitam even- 
tus rationem incidisfe; fin minus, de hypothefi 
vel emendanda, vel abjicienda, vat 

a 


300 Je PAP DE FAGARAS ANTWOORD OPDE 


bedacht wezen op het verbeteren; of het 
verwerpen der Vooronderftellingen , of 
wel op het uitvinden van eene andere, 
Wie zou derhalven zulke Vooronder- 
ftellingen verwerpen, die zoo zyn in- 
gericht, dat zy zekere kenteekenen in 
zich bevatten, om door den tyd, dui- 
delyk te weeten, of zy al of niet met 
de Natuur overeenftemmen. Wy wee- 
ten, dat zoodanig Newtons Vooron- 
derftellinge is, wegens de Algemeene 
Aantrekkinge, uit welker wet, door de 
bereekeninge alleen, kan ‘worden: be- 
paald, hoe de bewegingen der Planee- 
ten moeten gefteld zyn, welke dan, om 
dat zy met de Waarnemingen overeen- 
komen, veroorzaken, dat niemand lan- 
ger hare waarheid in twyffel trekt. On- 
der die foort kan ook de Copernicaan- 

fche 


Oirinddt 


da cogitandum est. Quis itaque tales hypothefes 
rejiciat, quae ita funt comparatae , ut certa in fe 
contineant criteria, evidenter fuccesfu temporis 
cognofcendi „ an illae naturae fint conformes, nec 
ne? Talem este Newtonianam , de univerfali attrac- 
tione, hvpothefin, fcimus, ex cujus lege, folo cal- 
eulo definiri potest, quales planetarum motus esfe 
debeant , qui quia cum obfervationibus confentiunt , 
nemo amplius.de veritate illius dubitat. In hanc 
etiam clasfem referri potest Copernicana rd 

ls, 


VRAGE VOOR °T'JAAR MDCCLXXIL, 30E 


fche Vooronderftellinge gebragt worden ; 
aan welke „als zynde door zoo vele waar-= 
nemingen bevestigd, eene plaats onder 
de Wiskundige waarlteden gegeeven is, 
„Zoo nu de Voorondertftellingen naar 
dat rigtfnoer gefchikt worden , zullen 
zy niet alleen onfchadelyk, maar ook 
zelfs zeer nuttig zyn; want zy zullen 
ons opleiden tot waarheden, tot wel- 
ke wy anders nimmermeer zouden ge- 
koomen zyn. ‘Want zoo wy uit deze 
Vooronderftellingen gevolgen trekken, 
zullen wy aanftonds-bedagt worden, 
om dezelve naderhand. uit de onder- 
vindinge te bevestigen. Zoo zal de 
Vooronderftellinge gelyk zyn aan eenen 
getrouwen leermeester „die ons leert, 
hoe wy de Proefnemingen voor ons zel- 
ven tot voordeel moeten aanleggen. 


Maar 
Mende 


fis, cui tot jam obfervationibus confirmatae, locus 

inter veritates mathematicas adfignatus est. í 
Quodfi ad hane normam hypothefes exigantur ; 
erunt eae, non tantum innocentes, verum etiam 
utilisfimae, ducent enim nos ad veritates , ad quas 
fine illis nunquam pervenisfemus. Cum enim ex 
his confe&eria elicimus , mox de illis „a pofteriori 
confirmandis, cogitamus. _ Ita hypothefis eric in= 
ftar magiftri fidi, qui, quomodo experimentis ad 

noftram utilitatem utamur , edocebit, Q 
ua 


302 PAP DE FAGARAS'ANT WOORD'OP DE 


„Maardenkelyk zaliemand vragen, hoe 
moet men de overeenkoomfte der Voor- 
onderftellinge met de Natuur orderzoee 
ken? Hier meene ik , dat deze “Fheolo- 
gifche zetregel kan te {tade komen, dat 
men een onderfcheid make, tusfchen het 
geen boven , en het geen tegen de'Reden 
is, Indien er eenige Verfchynzelen niet te 
gemakkelyk uit kunnen verklaard wor= 
den , ener evenwel niet tegen fchynen 
te ftryden, denke ik, dat men zooda- 
nige Vooronderftellinge dulden mag 
(zoo zy voor ’t overige gemak” aan- 
brengt). Want dikwyls zyn die-dingen, 
die uit de Vooronderftellinge niet fchy- 
nen te volgen, noodzakelyke- gevolgen 


derzelve; maar. verre af, zoo dat wy 


die niet eerder kunnen befpeuren,-voor 
dat wy verderen voortgang gemaakt 
heb- 


etende 


Qua vero ratione „ examinanda fit hypothefeos 
cum natura’ convenientia? quaeret aliquis.  Illud. 
Theologorum hic obtinere putem, difinguendum 
esfe inter id, quod est fupra, et quod est contra 
rationem.… Si quaedam phoenomena non fatis com= 
mode ex eaexplicari „neque tamen illi repugnare vi= 
deantur „ferendam eam esfe, (ficetera-commoda fit) 
puto.. Saepe enim ea, quae non fequi videntur ex 
hypothefi, funt fequelae ejus necesfâriae , at remo= 
tiores , quas non nifi ulterius progresfuri obfërva= 

mus 3 


Koreaan 


VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL, 303 


hebben; en fomtyds zyn zy zelfs zoo 
naby,dat zy, door hunne al te groote na« 
byheid, onze oogen verbyfteren. Maar 
het is niet noodig, dat ik waarfchouwe, 
dat als maar een zeer gering gewrocht 
met de Vooronderftellinge ftrydt, men 
dezelve, even daarom,aanftonds verwer- 
pen moet; want hier heeft de zetregel 
plaats, die in iets gezondigd heeft „is fchul- 
dig aan alles, Dusalhoewel het W aereld- 
‘ftelzel van Ptolemaeus ook fcheen te 
voldoen aan de waarnemingen van zy- 
nen leeftyd, zoo volftrekten nochtans 
de bewegingen van Venus en Mercuri- 
us, die tegen dit ftelzel {treeden, om 
het zelve geheel en al te verwoesten en 

over hoop te werpen. | 
Maar wie zal ons leeren, hoe en waar 
wy zulke Vooronderftellingen zoeken 
MOE 


Gete 
mus; faepeita propinquae, ut ipfa vicinitate ocu- 
los eludant. At fi vel minimus effetus cum hy- 
pothefi pugnet, eam protinus rejiciendam esfe, 
non opus est ut moneam; obtinet enim hie regula: 
…_ qui in uno peccaverit , reus est omnium. Ita licet fyitema 
Pcolemaicum reliquis ejus temporis obfervationi- 
bus fätisfacere videbatur, foli tamen Veneris, et 
Mercurii motus, illi repugnantes, ad illuddeftruen-= 
dum, fuffieiebant, 
Quis. vero nos docebit, ubi- tales hypothefes et 
qug= 


304.J: PAP DE FAGARAS ANT WOORD OPDE 


moeten ? of wy die alleen in de binnenka: 
meren van ’smenfchen ziele, dan of wy 
die in ’ geheelal zullen vinden? Onge- 
lukkig voorwaar zyn alle die Gisfingen 
geweest, welke de Filofophen uit de 
voorraadkas van hun vernuft. gelangd 
hebben.  Derhalven moeten wy; in de 
ruimere waereld , de oorzaken der din- 
gen opfpeuren , de deelen van ’t geheel: 
al onderzoeken, de werkinge der oor- 
zaken, die wy weeten dat aanwezig zyn; 
uitvorsfchen , en uit dezelve, volgens 
de billyke wet der overeenftemminge ;, 
gisfinge maken, tot het uitvinden van 
dingen, welke ons hoch onbekend zyns 
Dus, alzoo het zeker is, dat het Ge- 
Juid ontftaat, niet uit deeltjes, welke 
uit een -klinkend lichaam -uitvloeien ; 
maar uit de lucht, welke in beweginge 


5e 
Grete 


quomodo quaeramas?. an. in folis mentis humanae 
cellulis, an in univerfo eas reperiemus? Infelices 
profecto, fuerunt omnes conjeéturae, quas ex in- 
genij fuí penu deprompferùnt philofophi. In ma= 
jore itaque mundo , rerum causfae funt.quaerendae „ 
examinandae univerfi partes „caustàrum , quas-adesfe 
fcimus , operatio indaganda, et ex iis, juíta analo= 
giae lege, conjeêturae adilla, quae ignoramus „ fä- 
ciendae. Ita cum conftet, fonums; non particu= 
lis ex corpore fonante emisfis, fed aëri in motum 

con= 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI 305 


gebragt is, heeft Cartefius met rederi 
kunnen vermoeden, dat ook de deeltjes 
van het licht, niet uit het lichtend. lic« 
haam, voortvloeien „maar dat het licht ; 
beftaat, in eene zekere beweginge der 
fynere ftoffe, Dus moest men de ei< 
genfchappen van het licht en deszelfs 
uitwerkzelen, naawkeuriger onderzoe: 
ken; op dat het bleeke, of er iets of 
niets van de waarheid, in die gisfinge, 
ware opgewonden. Zoo verre is heter 
van daan, dat men den Geest zou mo- 
gen bedwingen en uitblusfchen, die uit 
de gelykvormigheden gisfingen vormt,en 
het een uit het ander, zonder tegenzeg- 
_ gen der overeenftemminge, afleidt, dat 

wy liever met reden daar over bedroefd. 
zyn, dat de uitvinders in eene algemeex 
“IV. DEEL. V ne 


obese 


Concitato, deberi, jure Cartefius fufpicari poterat; 
lucis etiam particulas, non ex ipfo corpore lucide 
emanare, fed , in certa materiae fubtilioris agiratio= 
ne, confiftere, Erant itaque lucis proprietates, 
effeétusque accuratius examinandi, ut appareret , 
num fua conftet conjeêturae veritas, aut minus, 
Tantum profetto abest; ut liberior, ex fimilibus 
aliquid conjiciendi,-unumque ex alio, non invita 
analogia, colligendi fpiritus, coerceri debeat; ut 
‚potius merito doleamus, inventis naturae non re= 


pug= 


306 J„PAP DE FAGARAS ANT WOORD OP DE 


ne gelykheid berust hebben, by het 
maaken van natuurlyke uitvindingen, 
daar: de overeenftemminge niet tegen 
aanliep; en dat zy die uitvindinge, als 
eene -aaneengefchakelde Allegorie ; niet 
hebben vervolgd. DESCARTES hadt reeds 
vermoed, dat er eene overeenftemmin- 
ge was tusfchen het licht en ’ geluid. 
Maar: ’t is nog niet lang geleden, dat 
EULER; de voornaamfte Wiskunftenaar 
onzer eewe , die overeenkoomst verder 
uitftrekte; en er ook de manier uit ver- 
klaarde ‚op welke de duistere lichamen 
licht kunnen - voortbrengen ; en er de 
groote verzwageringe tusíchen de ko- 
leuren en de klanken, die tweeledige 
zangkunde der fpeelende Natuur, in 
ontdekte, Voorzeker! indien men eene 
dr juis- 


Se 


pugnantibus analogis, in generali aliqua fimilitu= 
dine, inventores ejus fubftitisfe, neque illam , ve- 
lut continuam quandam allegoriam , longius profe- 
quutos esfe. Analogiam, inter lucem et fonum, 
jam Cartefius fufpicatus erat. At non diu fatum 
est, ut ulterius eam extenderit „ et modum etiam, 
quo corpora opaca lumen producere posfint, ex 
ea explicaverit, infignemque , inter colores et fo= 
nos, affinicatem, geminam naturae ludentis mufi= 
cam, detexerit, princeps feculi noftri DRE 
Á cus 


VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL 30 


juiste gelykvormigheid befpeurt onder 
de dingen welke met elkanderen ver- 
knocht zyn, zal er niets Zyn, dat ons 
zou kunnen affchrikken van het verder 
uitftrekken derzelve: want de Natuur is 
aan haar zelven gelyk. 

Zelfs de eenvoudigheid der Natuur, 
wel overwogen zynde, zal ons veel, no- 
pens de oorzaken der dingen, leeren. 
Zoo wy naar haar luifteren, zullen wy 
niet te verre henen loopen, om de re« 
den van een Verfchynzel uit te vinden 
want wy zullen haar in het Verfchyn- 
zel zelf, en in zyne omftandigheden, 
wel overwogen, zoeken, Ook zullen 
wy dan de oorzaken niet vermenigvul- 
digen, naar onze zinnelykheid. ’ Was 
den ouden wel zeer gemakkelyk, tot 
het verklaaren van alle niewe waarne- 

EA. min= 


ed 


cus Eulerus. Profeto, fi jufta videatur, rerum 
inter fe connexarum, fimilitudo , nihil est, quod 
nos, ab ea longius extendenda, deterreat; natura 
enim fibi conftat. 

Ipfa nature fimplicitas , rite perpenfa , multa nos, 
de causfis rerum edocebit. Hanc fi audiamus, ad 
Phoenomeni rationem inveniendam, non longe 
nimis, procedemus, fed eam in ipfo, et ejus cir= 
cumftantiis, rite perpenfis, quaeremus. Neque caus= 
_Áäs pro lubituw multiplicabimus, Facile equidem erat 

N Vve= 


308 PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE 


mingen kringen en kronkels en, niewe 
krystalynen hemelen teftichten; en ’% 
was BULFINGER niet ongemakkelyk, het 
getal der draaikolken te verdubbelen; 
fchoon die van Cartefius alleen reeds 
tot een zwaren last voor de Natuur- 
kunde begonnen waren te worden, Maar 
de Natuur is eenvoudiger, dan dat zy 
zoo vele oorzaken te gelyk zou kun- 
nen dulden. By gevolg, onder zoo me- 
nigvuldige Vooronderftellingen, moet 
men die, aan eene andere, voortrek- 
ken ‚dewelke verfchillende uitwerkzelen 
door eene. eenige werkinge, ter uitvoer 
brengt. Derhalven moet men eerst 
beproeven, of de Electrifche Gewroch- 
ten niet kunnen worden verklaard, uit 
de bewerkinge van die hemelftoffe, in 
welke het Licht beftaat ; en men moet 


te 


PED 
veteribus, ad novas quasvis obfervationes expli= 
candas novos Epicyclos, novos que coelos cryítal- 
linos condere; nec difficile Bulfingero, vorticum 
numerum, (licet foli Cartefiani oneri fcientiae na- 
turali esfe jam inceperant) duplicare. Sed fimpli= 
cior natura est, quam ut tot causfas ferre posfit. 
Inter plures itaque hypothefes, ca alceri praeferen- 
da, quae diverfos effeétus eadem operatione prae= 
ftat, Ira primo tendandum est, an non, ex illius 
aetheris, in qua lux confiitit, operatione , effeétus 
ele&rici expligari posfint; neque antea aliae caus- 

ed laea 


VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXII, 309 


te vooren geene andere oorzaken te hulp 
roepen , om een verfchillend gewrocht, 
dat men, zoo’ zyn kan , onder eene en 
dezelfde wet. moet zien te brengen, te 
verklaaren , maar liever zyn best doen, 
om het uit eene en dezelfde werkzaam: 
heid, uit te leggen. | 
_—_ “Zou noodig zyn, om den aard van 
eenige Verfchynzelen naawkeuriglyk te 
doorzien, dat de inwendige gefteldheid 
der lichamen, in welke zy voorvallen 
ons bekend ware. Men moet -derhal- 
ven zyn best doen, om te zien, of 
men die niet, of door eene Gisfinge, 
of door andere gewrochten, ontdekken 
kan, en door de wetten der overeen- 
ftemminge, by wettig gevolg , bepaalen? 
Of men misfchien niet, door het wil- 
lekeurig aanneemen. van eene gedaante, 

V 3 of 


suse 


fae ad hoe advocandae, ut diverfi effe&tus, ad 
eandem fi fieri posfit legem revocandi , eadem ope- 
ratione explicentur. 

Ut Phoenomenorum quorundam ratio accuratius 
perfpeêta esfer, oporteret, ut interior corporum, 
in quibus eveniunt,ftruêturanota esfet, Tendandum 
itaque, num forte ea, vel conjeêtura detegi, vel 
ex effectibus aliis, per leges analogiae , colligi pos- 
fit? Num forte, ex asfumta pro arbitrio figura 
ftru&turaque,-phoenemenon explicari posfit? aut 

fi 


3IO Je PAP DE FAGARAS ANT WOORD OP DE 


of fimenftellinge, het verfchynzel zou 
kunnen uitleggen? Of, zoo dit niet 
gelukt, zal dit echter tot troost ver- 
ftrekken, dat men door proefnemingen, 
op grovere deelen der ftoffe toege- 
past, aantoone, hoe die uitwerkinge, 
uit de algemeene wetten der Natuur, 
kon geboren worden, offchoon-wy de 
geheele manier, op welke dezelve ver- 
oorzaakt is, niet dridelijk genoeg kun- 
nen doorzien, Waarom zou ook de 
Natuurkunde. hare nadernisfen niet mo- 
gen hebben? | 
_ Dikwyls worden wy op eenen twee- 
Íprong van Vooronderftellingen gezet, 
alzoo de eene, naar het fchynt zoo veel 
alsde andere, voldoet, Maar *kan niet 
zyn , dat dezelfde uitwerkingen uit ver- 
fchillende oorzaken , met het zelfde ge 

en 


nt 


ry, MIP Mr, Nr DAN N 
omni 


fi id minus fuccedat, illud faltim folacii loco erit, 
experimenta, in crasfioribus materiae partibus in= 
fticuta, oftendere, quomodo effeétus ille, ex ge= 
neralibus naturae legibus procreari potuerit, licet 
omnaem rationem , qua exortus fit, non fatis per- 
fpeétam habeamus. Quidni fuas etiam fcientia na- 

turalis habeat approximationes @ Tk 
Ín bivio faepe hypothefinm, conftituimur, hac 
acque, ac illa, in fpeciem fàtisfaciente. Sed fieri 
nequit, ut iidem effv&tus, ex diverfis causfis part 
a 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXII. 31E 


mak,zouden verklaard worden. Men moet 
by gevolg de Vooronderftellingen met el- 
kanderen en met de Verfchynzelen ver- 
gelyken, van alle kanten befchouwen, 
en op de fchaal der waarfchynelykheid 
weegen , zoo er de zekerheid aan ont- 
breekt, Men moet allerhande foort van 
beweginge, ter verklaringe der gewroch- 
ten, aan de fynere ftoffen niet toe- 
fchryven, maar men moet er altoos de 
reden bydoen, waarom dat gewrocht, 
en wel op zoodanige en geene ändere 
wyze ‚voortgekomen zy. In geene Voor- 
onderftellingen byna, door welke men 
de opbruifchingen en _opklimmingen 
der vloeiftoffen in de hairbuizen, uit 
de bewegingen der fynere ftoffe, ver- 
klaard heeft, isdit waargenoomen. Men 
moet ook toezien, of eene al te groo- 

V 4 te 


Mr, Ma, iz Us 
PEPE 


facilitate explicentur, Ipfae itaque hypothefes fe- 
cum invicem, et cum Phoenomenis conferendae, 
ex utreque latere fpeftandae, et ad bilancem vero= 
fimilitudinis, fi certidudo deficiat, exigendae. Ne- 
que ad.effectus explicandos, qualiscunque fuberili 
materiae motus adferibendus, fed ratio femper ad- 
fignanda, quareille, et cur hoe potius modo, quam 
alio exortus fit? In nullis fere hy pothefibus , qui= 
bns effervefcentiae et afcenfiones fluidorum in tu= 
bis capillgribus , ex motu fubtilis materiae, unt ex= 


pli- 


312 J. PAP DE FAGARAS ANTWOORD OP DE 


te getrouwheid der Vooronderftellinge 
geen achterdocht moet geeven? Men 
moet dan die uitwerkzelen veranderen, 
men moet omftandigheden verzinnen, 
ftrydig met die, welke gebeuren, wel- 
ke, zoo-zy uit die Vooronderftellinge- 
gemakkelyk verklaard kunnen worden, 
ten bewyze vertrekken , dat de Voor- 
onderftellinge niet naawkeurig is … Men 
moet ook zyn best doen, dat de Voor- 
onderftellinge het Vraagftuk opgeeve, 
op dat wy niet duizendmalen genood- 
zaakt, zyn met het zelfde antwoord het 
zelfde -Vraagftuk te gemoette gaan. Dit 
fchynen zy niet opgemerkt te hebben, 
die loochenen, dat er een ydel is: want, 
in het opgeeven van de reden der vloei- 
baarheid, gaan zy voort tot in het on« 

kt ein= 


DN PDA DAN PDN 
Br cao sio a> cha saken sako Soho Cf 


Be ST GT Sl 


p'icatae , hoe obfervatum est. Videndum etiam, 
an non nimia hypothefeos fidelitas fufpecta esfe 
debeat? mutandi itaque effeétus, fingendae contra- 
riae illis, quae evéniunt, circumftantiae , quae , fi 
commode ex ea explicari posfint, indicio est, hy- 
pothefmn non esfe accuratam. Danda etiam opera, 
ut bypothefis quaeftionem fignat, ne, millies ean- 
dem repetenti, toties eadem refponfione cogamur 
eceurrere, Non videntur ad hoc attendisfe, qui 
vacuum exiftere negant, in ratione fluidicatis ex- 


pli= 


_VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 313 


eindige, en zy hebben telkens niewe 
vloeiftoffen noodig, om de porien der 
vorige te vervullen: (want men kan 
geene vloeiftoffen zonder porien begry- 
pen.) Men moet ook den Cirkel my- 
den, in welken de Cartefianen verval- 
len zyn, toen zy de mogelykheid der 
beweginge, zonder ydele ruimte, ver- 
klaaren zouden, De uitzonderingen, 
welke in de natuur voorvallen , moet 
men naawkeuriglyk onderzoeken, of 
zy ware uitzonderingen zyn? dan alleen 
in fchyn?. Zoo kan men voor geene 
uitzonderinge houden, dat de Electrí- 
fche toffe, gewoon den kortíten weg te 
kiezen, indien er meer wegen te gelyk 
zyn, langs den weg van metaal, hoe 
wel die langer is, voortgaat ; want die 

V weg 


ee ad 


plicanda, procedunt enim in infinitum, et novis 
femper fluidis, ad poros prioris. complendos, (ne= 
que enim fluida fine poris concipi posfunt) opus 
habent. Vitandus etiam circulus, in quem incide= 
runt Cartefiani , in posfibilicate motus, fine vacuo 
fpatio, explicanda. Exceptiones, quae in natura 
contingunt, accurate examinandae , an fint verae ? 
an apparentes? Ita pro exceptione haberi nequit, 
quod materia ele&rica, breviori viae eligendge as+ 
fueta, fi plures fimuladfint , metallicae , licet longiori, 

in. 


314 J.PAPDE FAGARAS ANTWOORD OPDE 


weg is haar de gemakkelykfte. Dik- 
wyls hebben de wetten, welke de Na- 
tuur anders gemeenelyk. volgt, geene 
plaats. Tot een voorbeeld is de wet 
der gedurige aanvoeginge, welke in de 
famenwryvinge van harde lichamen, ge- 
fchonden wordt, na dat deeze de on- 
mogelykheid van zoodanige lichamen, 
anderen de deelbaarheid der {toffe tot 
in “* oneindige, en wederom anderen 
de valschheid van die wet begreepen 
hebben. Misfchien heeft elk hunner 
daar in. te voorbarig gehandeld: want 
men moest uit den eigen aard der wet 
bepaald hebben, in welke gevallen zy 
ftand grype, in welke gevallen zy uit- 
zonderinge lyde, Voorwaar de Regts- 
geleerden hebben hunne regelen, we- 

| gens 


Bnn 


infiftat; haec enim ipfi est commodisfima. Saepe 
Jeges , quas ut plurimum natura obfervat, non ob- 
tinent. Exemplo est lex continuitatis, quae in 
collifione corporum durorum violatur, ex quo, hi 
imposfibilitatem talium corporum, ifti divifibilita= 
tem materiae in infinitum, illi legis falfitatem col= 
legerunt. Jufto forte praecipitantius finguli; ex 
ipfa enim legis indole, determinandum esfet, qui= 
bus in cafibys obtineat, quibus fuas exceptiones 


pa 


VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL 315 


gens. de tegenftrydigheid der wetten; 
beweezen, 

„In dezen moet men; noch te roeke- 
loos, noch te vreesachtig, te werk gaan. 
„En voorwaar! er is eene groote ver- 
fchillendheid van Natuurlyke Gewroch- 
ten. Maar is zy wel grooter, dan die 
der Differentiaal Formulieren? Blykt 
het niet aanftonds, hoe zoo vele ver 
fchillende Verfchynzelen, uit de. alge- 
meene wetten van beweginge, kunnen 
verklaard worden? Het fcheen even on- 
doenlyk, om de oneindige differentiaal 
formulieren, welke ons voorkomen ; tot 
zekere hoofdfoorten te brengen. Een 
Algebraisch Oplosfer moet hier denzelf- 
den weg betreeden, welke een Natuur- 
onderzoeker betreeden moet ; door be- 
, proe- 


atiatur. Juris confulti profecto, fuas de, collifione 
egum regulas habent demontftratas. É 
__Nee temere in his, neque tamen nimis timide, 
procedendum. Est profeéto. ingens naturae effec- 
tuum varietas. At num major, quam formularum 
differentalium? non ftatim apparet, quomodo tot 
diverfa phoenomena, ex generalibus aliquot motus 
regulis explicetur. Aeque arduum videbatur, in- 
finitas, quae occurrunt „ differentiales formulas , ad 
fuas glastes, referre, Eadem hic analyftae, quae 
° nâ= 


316 J.PAP DE FAGARAS ANTWOORDOP DE 


proeven, gisfen, in plaats ftellen „ moet 
eene ingewikkelde formule tot een een- 
voudigere, eene moeilykere tot eene ge- 
makkelykere, worden gebragt; Dikwyls 
moet er eene in veelen verdeeld ,en dan 
weer eens moeten er veele faamgevoegd 
worden, om er een geheel uit op te 
maaken. Maar de Analytifche Cyffe- 
raars hebben, uit hunne proeven, ja 
zelfs uit hunne dwalingen , uitmunten- 
de regelen van Integratie gevonden, en 
hunne ‘kunst, die veel meer, dan de 
Wetenfchap der Natuurlyke Oorzaken, 
door beproevingen alleen fcheen te kun- 
nen bevorderd worden , onder vaste re- 
gelen gebragt, En waarom zouden de 
Filofophen het zelfde niet kunnen doen, 
door het vergelyken en famenftellen van 

| ver- 


heee 


naturae fcrutatori via emetienda erat, tentando , 
conjiciendo, fubftituendo, formula complicata 
ad fimpliciorem, difficilior-ad faciliorem revo- 
canda; faepe úna in plures dividenda, mox plures 
conjungendae, ut integratio fuccedat. At ipfi 
analyftae, ex fuis tentaminibus, imo faepe errori= 
bus, egregias integrandi regulas invenerunt, ar«= 
temque {uam, quae longe magis, quam cognitio 
causfarum ,folis tentaminibus perfici posfe videba= 
tur, regulis comprehenderunt. Quidni idem pin 

O= 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLEXI, 317 


verfchillende gewrochten met elkande- 
ren en door dezelve onder algemeene 
‘regelen te brengen ? 

Ondertusfchen moet men dit altoos 
in zyn gemoed overweegen, zoo lang 
wy dit deel van Gods werk, dat de 
Befchikker der Natuur, voor onze oo- 
gen heeft opengelegd, befchouwen, dat 
er vele dingen in de Natuur zyn, wel- 
ke door fterfelyke oogen niet kunnen 
bezien worden, en dat er niet alleen 
een fchouwtooneel geopend is voor de 
menfchelyke fchranderheid, maar ook 
voor onze zedigheid en ingetoogenheid. 
Derhalven vergenoegd zynde hier me- 
de, dat wy dag by dag der waarheid 
nader koomen, waarom zouden wy het 
zelfde van dit geheelal niet zeggen kun- 

| nen, 


eddie 

lofophi, in effetibus variis inter fe combinandis, 

et ad generales leges reducendis prereftare posfint 
Illud interim, dum hanc operis divini partem, 
naturae Arbiter , noftris fubmifit oculis , contempla« : 
mur, animo femper volvendum est; dari multa in 
natura, quae mortalibus oculis cerni nequeant, et 
non foli induftriae humanae, verum etiam mode- 
ftiae, theatrum apertum esfe. Contenti itaque hoc 
ipfo,-fi veritati propius in dies accedamus, quid- 
ni idem, de hac rerum univerfitate „ quod er 
EE 


318 J.PAP DE FAGARAS ANTW OORD enz. 


% geen SOCRATES zeide vandefchrif. 
ten van Heraklitus: de dingen, welke _ 
ik begreepen heb, zyn fraai, en zoo 
denke ik ook dat die zaken zyn, welke 

ik niet begreepen heb. 


Mallada! NDSS ZE 


de Heracliti fcriptis, dicamus: quae intellexi pulcra 
funt, talia etiam esfe puto , quae non intellexi. 


VRAAG 


VR A A G: 


Mag een Natwuronderzoeker uit de reeds gea 
maakte waarnemingen en proefondervindin= 
_gen verdere gevolgen trekken ter uitvorfchinge 
wan de nog onbekende oorzaken der verfchyn- 
felen? zoo ja, hoe verre mag hy daar in 

‘_woortgaan, en welke regelen moet hy daar- 
omtrent in acht nemen ? 


BEANTWOORD DOOR 


PHILIPPE FERMIN. 


HAIER 
De Waarnemingen en_Proefonder- 
vindingen van een Natuuronder- 
; ZOE- 


SSSSSSSSSSSSSSSSSS 


QUESTION: 


Un Naturalifte, peut-àl tirer des obfervations 
EF des expériences déja faites, des confé= 
guences ultérièures qui fervent à découvrir 
bes caufes encore inconnuës des Phénomenes s 
fu le peut, jusqwou le peut-il; & quelles 
règles doit-ib obferver en ce cas? 

Nunc alio, nune rurfum alio fit obvia Vultu. 

HOM. 


B kk kak kad 


Les Obfervatians & les Experiences d'un Natu= 
ras 


320 P. FERMIN ANTWOORD OPDE 


zoeker zouden van minder nuttigheid 
zyn, indien men zich aan de enkele ge- 
volgen hieldt, die uit dezelve rechtftreeks 
voortvloeijen, of aan een bepaald. getal 
van hunne zamenfchikkingen, al ware 
men fchoon verzekerd dezelve wel ge- 
trokken te hebben; wyl het blykbaar ís, 
dat zelfs in zulk een geval, (dat waarfchy- 
nelyk ’er niet is) deze waarnemingen 
en ondervindingen, by nieuwe waarne- 
mingen en ondervindingen gevoegd, of 
zelfs flechts by nieuwe bedenkingen, 
nog andere meerdere en meer ophel- 
derende gevolgen zouden verfchaffer,; 
van verdere waarheden , die dienen zou- 
den ter ontdekking van de nog onbe- 
kende oorzaken der verfchynzelen, zon- 
der dat het echter mogelyk is, vooraf 
juist te bepalen, tot hoe verre zulks 

InO- 


SSSSSSSSSS ES 


ralifte{eroient moins utiles, fi Ponfeborhoit aux 
fimples conféquences qui en derivent.diretement , 
ouà unnombre limité de leurs combinaifons , quand 
même lon feroit certain de les avoir toutes bien 
faifies; puisqu Evidemment même dans ce cas qui 
vraifemblablement n’exifte point, ces obfervations 
& ces expériences recombineës avee-de nouvelles 
obfervations & de nouvelles expériences ou feule- 
ment avec de nouvelles reflexions , pouroient four- 

nir 


VRAGE VOOR °T JAAR MDECLXXIL 32% 


mogelyk is, wyl die eindpaal noch te 
onzeker is, om er zich duidelyk om- 
trent te konnen verklaren. , 
__ Ik hoop, dat wanneer men de moeite 
wil nemen van den voortgang van on- 
‚ze kundigheden, en de regels van waar- 
nemen in onze nafpooringen nategaan, 
men zich meer ten vollen van myn 
gezegde zal overtuigen. 5 
_ Alle onze kundigheden vloeïen uit 
twee bronnen voort; ondervinding en 
redenering: De eene kan zonderde 
andere van geen nut zyn, Redene- 
rèn zonder op ondervindingen te {teu« 
nen, is in de lucht fchermen, en zich 
AV, DEEL. X met 


SSSSSSSSSSS 

fNir encore d'autres faites & plus nombreufes & 
plus lumineufes de vérité ulrérieures qu: ferviroient à 
detouvrir les caufes encore inconnnues des Phenomenes; fans 
neanmoins qu'il foit posfible de déterminer d'avan= 
ee avec précifion gusqu’où cela fe peut; ce terme cant 
encore trop incertain pour en pouvoir parler per= 
tinemment. 

Jefpere qu'en daignant examiner la marche de 
nos connoistances & les règles a obferver dans nos 
recherches, on pourra fe convaincre plus intimg= 
ment de ce que je viens d’avancer. 

Toutes. nos connoisfances derivent de deux 
fources, Pexpérience & le raifonhement: L’un-ne 
fert- à rien fans laucre: Raifonner fans fe fonder 
fur des experiences c'est raifonner en lair; c'est 
donner dans la chimère. 

Faire 


322 P, FERMIN ANTWOORD OP DE 


met hersfen fchimmen bezig te houden, 

Proeven te nemen zonder te redene- 
ren, is het werk van een opperman, 
die onbekwaam is om ooit bouwmees- 
ter te worden, 

Men kan nooit weten wat ons de 
proefnemingen leeren, dan na dat men 
dezelve genomen heeft. Men heeft geen 
denkbeeld van het geen gefchied is, 
en men kan het ook niet hebben, voor 
dat een onzer zintuigen door het zel- 
ve aangedaan is. | 

Indien de kundigfte wysgeer, uit de 
wolken op een kloot nederviel, op wel- 
ken alle de gebeurende zaken (\facta) voor 
hem nieuw waren, zoude hy geen een 
van dezelve konnen gisfen: Men Ee. 

e 


SSSSSSSSSSS: 


Faire des experiences fans raifonner, c'est le 
mêtier d'un manceuvre incapable de devenir jamais 
architecte. Ô 

Tout ce que expérience nous enfeigne ne peut 
être connu qu’après qu’on la expérimenté. On 
n'a & l'on ne peut avoir aucune idée des chofes de 
ied ‚ jusqu'à ce quelqu’uns des fens foit affeété par 
elles, 


Le plus grand philofophe qui tomberois des nuês 
fur un globe dont tous les faits feroient nouveaux 
pour luy, n'en pourroit deviner aucun; Il faudroit 


qu'on 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 323 


de het van dezelve moeten onderrich= 
ten, hem de eigenfchappen der zaken 
leeren, en de betrekking tusfchen de 
oorzaken en uitwerkingen; hy zoude 
zelf dezelve moeten ondervinden, of hy 
zoude ten minften dezelfde zaken een 
zeker getal reizen in achtervolging van 
andere moeten zien en herzien weder- 
komen; Dit is het geen men waarne« 
ming noemt. 

Men kan de waereld aanmerken ; 
als iets enkel eenfoortigs (individu). 
De duuring der eeuwen, als een enkel 
leven. Van ’s waerelds eerfte jeugd af 
aan heeft men waarnemingen gedaan: 
men is met dezelve tot heden toe be- 
zig, De eerfte voortgang was traag; 
het oordeel der menfchen was nog niet 
X 2 ges 


SSISSSISSSSSS 


qu'on Pen inftruifit, qu’on luy fit connoitre les 
proprietés des chofes, les relations entre les cau= 
fes & les effets, ou qu'il les Éprouvát lui même, 
ou du moins, qu'il vier & revit un certain nombre 
_de fois les mêmes chofes arriver à la fuite d’autres, 
C'est ce qu'on appelle obfervation. 

Le monde peut etre confideré comme un feul 
individu. La durée des fiecles comme une feule 
vie. Dès l'enfance du monde on a obfervé: on a 
continué jusqu'à ce jour. Les progrès ont d’abord 
èté très lents, Le jugement des. hommes n’étoit 

pas 


324 P. FERMIN ANTWOORD OP DE 


gevormd; hunne lichtgelovigheid deed 
hen deonwaarfchynelykfte berichten gre- 
tig omhelzen ; en hunne verbeelding gaf 
er de vreemdfte verklaringen van. Het 
ontbrak hun vooral aan werktuigen, 

De uitvinding van die werktuigen, 
en de volmaaktheid tot welke zy ge- 
bracht zyn, hebben eene geheele om= 
wenteling gemaakt ; en in de konst van 
waarnemen een beflisfend tydperk ge- 
fkelearan s 

De werken van veele groote Natuur- 
kundigen, en de verhandelingen van de 
voornaamfte Academien dragen hier van 
getuigenis. 

De. verzameling der waarnemingen; 
word dagelyks grooter en bsten s 

en 


SSSSSSSSSSS 


pas formé 3; Leur erédulite les portoit à adopter les 
recits les plus fabuleux, leur imagination en for- 
moit les explications les plus bizarres; fur tout 
les inftrumens leur manquoient. 

L'invention de ces inftrumens & la perfetion à 
la quelle ils ont été conduits ont fait une révolu- 
tion totale, une époque decifive dans l'art d’ob- 
ferver. 

Les ouvrages d'une foule de phyficiens illutres, 
5 mémoires des principales Academies en font 
Oy. - 

Le dépot des obfervations grosfit & Pépure de 

jour 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 325 


Men ziet oneindig beter, en oneindig 
meer dan de ouden zagen. | 
Maar heeft men met dit alles groote 
voortgangen gemaakt in de kennis der 
oorzaken! en kan men zich vleien van 
er in het vervolg aanmerkelyker te 
doen? Dit is de ftaat der voorgeftelde 
vraag, | 1 
Eene oorzaak in den juisten en {trike 
ften zin genomen, is de verborgen flag- 
veer der Natuur, in de voortbrenging 
van eenig uitwerkzel. Men heeft nu 
geen van deze flagveeren kunnen ont- 
dekken, en zy kunnen ook nooit ont- 
dekt worden. 
Laten wy met de grootfte van allen 
beginnen ‚met die „welke het beweegrad 
X-3 van 


SSSSSSSSSSS 


jour en jour: On voit infiniment plus et infini- 
ment mieux que n'ont vû les anciens. 

Mais avec tout cela a t'on fait de grands progrès 
dans la connoisfance des caufes & peut-on fe pro= 
mettre d'en faire encore de plus confiderables dans 
la fuite? C?est là Pétat de la queftion propofëe, 

Une cauf? dans le fens precis & rigoureux, c?est 
le resfort fecret de la nature dans la produCtion 
d'un éffet quelconque, Or il n’y a aucun de ces 
mear qui ait jamais été appercû ni qui puisfe 

tre. 

Commengons par le plus grand de tous, par te 

u 


326 P. FERMIN ANTWOORD OP DE 


van het Heelal is, Dit is zegt men 
de zwaarteweging en aantrekking, 
Hoe naauwkeurig de rekeningen ook 
zyn mogen, die op deze onderftelling 
fteunen, vraag ik echter of het moge- 
lyk is een denkbeeld aan de fpreekwy- 
ze te hechten, van zich lichamen te 
verbeelden, die op elkander wegen, 
en zich onderling aantrekken, En het 
is immers een befliste zaak, dat men 
nooit verder zal kunnen komen, en de 
ontzichtbare banden ontdekken welke de 
groote lichamen, op verfcheiden afftan- 
den hangende, en die in loopkringen 
bewogen worden, van welke zy nooit 
afwyken; ophouden? Hoe maakt de 
Natuur fteenen en metalen? Wat is de 
voortteeling? Men grave vry in my- 

nen 


luy qui fait aller la machine de univers. C’est 
dit-on la gravication , latcraétion. Quelque juftesfe 
qu'il y ait dans les calculs fandés fur cette fupofi- 
tion, est-il posfible d’actacher une ideé au terme, 
de fe repréfenter des corps qui gravitent & f’acti= 
rent? Et m’esr-il pas decide que jamais on ne fera 
en état d'aller plus loin, & d’obferver les liens in- 
vifibles que tiennent les grands corps fufpendus à 
des diftances & müs dans des orbites dont ils ne 
Pecartent jamais. Comment la nature fait= elle les 
metgux & les pierres? Qu'est-ce que lg génera- 

ti= 


_VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 327 


nen en fteengroeven, men opene den 
buik der hinden, en men befchouwe 
den tred van het ei, zo lang het ge- 
broeid word: Wat heeft men gezien 2 
en wat zal men zien? een Aheetval ng 
van gebeurde zaken, maar geen íchyn 
van oorzaak, 

Men verzamele alle de verfchynzelen 
der electriciteit; verkrygt men daar 
door beter kennis van. de electrifche 
ftoffe: hoe zy werkt, en waar van daan 
het verfchil harer uitwerkzelen beoor 
deeld word? | 

Al het tegenswoordig en aanftaand 
nut der waarnemingen derhalven, ‘om 
de kennis der gewrochten uit te brei- 
den, en te verbeteren, en dezelve de 
eene aan de andere te onderfchikken, 

X 4 Zoo 


SSSSSSSSSSIS 


N 
tion? on a beau fouiller dans les carrieres, ouvrir 
le ventre des biches, confiderer le. germe de loeuf 
pendant incubation: Qu’a t'=on vû? que verra- 
ton? une fuite de faits, pas l'ombre d'une cauftc. 

Rasfemblez tous les phénomenes de lelectrici- 
te, en fggqurez vous mieux ce qu’est la matière 
electrique: comment elle agit & d'où vient la dif- 
ference de fes effets ? 

Tous les fruits préfens & futurs de lobfervation 
fe reduifent donc à étendre & rectifier la connois- 
fance des faics, 8 à les fubordonner les uns aux 

au- 


328 P, FERMIN ANTWOORD OP DE - 


zoo dat het eene verfchynzel door het 
ander verklaard word, en dit weder 
door een derde;-en deze rei voortzet- 
tende zoo ver zy gaan kan, terwyl men 
altoos a priori verzekerd is, dat zy ftil 
zal ftaan eer men de oorzaak vindt, 
Onderftellingen zyn wysgeerige {pe= 
lingen, kaarten-huisjes , die ligt om ver 
geblazen worden. Men moet redene- 
ren over het geen men ziet, zoo lang - 
En ‘Ziet, PEW 00 d 
Hoe zùllen wy het werktuigelyke van 
het binnenfte der andere voorwerpen 
ontdekken, daar ons eigen innerlyk ge- 
ftel niet verklaard, ja zelf niet nage- 
gaan kan worden? 
… Het fchouwtooneel der Natuur, ver- 
2,57 toond 
SKS SSSSSISSS 
autres, de facon, qu'un Phénomene foit expliqué 
par un autre; celui-ci par un troifieme; en pous- 
fant cette progresfion ausfi loin qu'elle peut aller, 
avec la certitude a priori, qu'elle f'arrêtera toûjours 
avant qu'on ait trouvé la cauft. 3 
Les hypochêfes ne font que des jeux pbilofo- 
phiques, des chateaux de cartes qu’un fouffle ren- 
“verle, Il fart raifonner fur ce qw’on voit, tant 
qu’on voit„ &5pas au delà, 
Comment dézouvrirons nous le mechanisme in- 
tericur des autres objets, puisque le notre propre 
est inexplicable & même inobfervable ? dike: 
Le fpeétacle de la nature offie une complication 
Ed Dd À vee sn ……… ‘ vs & ke -_ .t < x des 


WRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 320 


toond ons een ingewikkeld zamentftel 
van raadzelen, die. aan ons vernuft 
voorgefteld worden; ieder onzer heeft 
evenwel recht om het zyne te zeggen, 
De wyzen, onze voorgangers en mees- 
ters, hebben vryelyk van dit voorrecht 
gebruik: gemaakt. Hun voorbeeld noo- 
digd ons om van die onfchuldige vry- 
heid gebruik te maken. Die ons vol- 
gen, door dezelve drift weggefleept , zul- 
len zich nog bezig houden, met de 
befchouwing der voorwerpen, die maar 
ter helft bedekt fchynen, om aan de 
geleerden van alle eeuwen het uitgezoch- 
te vermaak te gunnen, hunne nieuws- 
gierigheid te oefenen, en de bedrieg- 
lyke hoop te ftreelen van dezelve te 


voldoen, 
X5 In 


SSISSSISNISISSSS 


denigmes livrges à notre fagacité. Chacun de 
nous a un droit pareil de dire fon mot. Les fages 
nos predecesfeurs & nos maîtres, ont ufé libre= 
ment de ce privilège. Leur exemple nous invite 
a prendre cette innocente liberté. Ceux qui nous 
fuivront, entraînés par la même démangeaifon de 
deviner, fgmuferont encore à contempler des ob- 
Jets qui ne femblent à demi-voilés, que pour 
menager aux fcavans dans tous les âges le plaifir 
exquis d'exercer leur curiofité et l'efpoir trompeur 
de ja fatisfaire, en 


Dans 


330 P. FERMIN ANTWOORD OP DE 


In de verklaring der natuurlyke ver- 
fchynzelen, kan het vernuft alleen van 
eene onderftelling beginnen: Men ga 
dan voort met gisfen , tot dat het geval, 
vruchtbarer dan het vernuft, eene on- 
derftelling aan de hand geve, die alle 
de uitwerkingen by elkander fchikken- 
de, buitengemeenste niet uitgezonderd , 
dezelve ten eersten tot een algemeen 
uicwerkzel brenge, en alle de byzon- 
derheden, uit dezelve afleide, 

Niet is meer te achten, dan een goed 
oordeel , en juist vernuft, in het onder- 
fcheiden van waarheid en valfcheid, 
Alle de andere eigenfchappen van het 
verftand , hebben een bepaald gebruik, 
maar eene naauwkeurige reden is van 

een 


SSSSSSSSSSS 


Dans lexplication des phénomenes naturels, le 
génie ne peut que partir d'une fuppofition quel- 
conque: Qu'il ne fe lasfe donc pas de fuppofer, 
jusqu à ce que le hazard, plus fécond que le genie 
lui prefente une hypothèfe qui en combinant tous 
les effets; je n'en excepte pas les plus extraordi= 
naires; les reduifent d’abord à un feul éffet gene- 
ral & derive enfuite de celui-ci tous les details 
particuliers. 

Il n’y a rien de plus eftimable que le bon fens & 
la juitesfe de lefpric dans le discernement du vrai 
‚& du faux, Toutes les autres qualites de Vefprit 
ont des ufages bornes, mais lPexaCtitude de la B 

on 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL. 331 


een algemeen nut, in alle de deelen en 
bezigheden des levens, Het is niet al 
leen in de wetenfchappen, dat men 
moeite heeft om het ware van het val- 
fche te onderfcheiden: maar ook in de 
meeste onderwerpen over welke de men- 
fchen fpreken, en in alle de zaken die 
zy behandelen. 

Byna alom vindt men verfchillende 
wegen, van welke fommige waar en 
andere valsch zyn, en hier moet de 
rede kiezen; die wel kiezen hebben een 
goed oordeel, en die kwalyk kiezen 
een valsch vernuft; dit is het eerfte 
en gewichtigfte verfchil tusfchen de hoe- 
danigheden van het vernuft der men- 
fchen, 

Het 


fon est généralement utile dans toutes les parties 
& dans tous les emploits de la vie. Ce n’est pas 
feulement dans les fciences qu’il est difficile de di= 
ftinguer la véritg de erreur; c’est ausfi dans la 
plupart des fujets dont les hommes parlent & dans 
les affaires qu’ils craitent. 

Il y a presque par tout des routes differentes, 
les unes vraies, les autres fausfes, & c'est à la rai= 
fon d'en faire le choix, Ceux qui choifisfent bien 
font ceux qui ont lefprit jufte: ceux qui prennent 
le mauvais parti, font ceux qui ont lefprit faux 
& est la premiere & la plus importante differen- 
ce qu'on peut mettre entre les qualités de Vefprit 
„des hommes, Ain 


3352 P. FERMIN ANTWOORD OP DE 


Het voornaamfte derhalven, waar 
voor men moest zorgdragen, zoude 
moeten beftaan in zyn oordeel te vor- 
men, en het zelve zoo naauwkeurig te 
maken als het mogelyk is; en hier heen 
voornamenlyk moeten zich alle onze 
verrichtingen. richten. 

De grootfte mannen, zy die het 
meest in de wetenfchappen uitmunten, 
aan welke zy. zich gewyd hebben, be- 
kennen openhartig, dat ’er veele zaken 
boven hun begrip zyn, en tot welke het 
menfchelyk vernuft nooit kan reiken. 
Het is zeker, dat zy door dit getuige- 
nis veele zwarigheden wegnemen, die 
anders bekwaam waren,,om hen, die 
dezelve doorgronden wilden, nutteloos 


op 
sssssssssss 


Ainfi la principale application qu’oú devroit 
avoir „ feroit de former fon jugement & de le ren— 
dre. ausû exact qu’il le- peut: être; & c'est à quoi 
devroient tendre principalement nos études. 

Les-plus grands hommes, ceux qui fe diftingu- 
ent:le plas dans les-{giences auxquelles ils (’appit- 
quent, avouent naturelement qu’ii est un grand 
nombre de chofes au desfus de leur connoisfance & 
aux quelles lefprie humain ne fgauroit jamais at- 

steindre. Il est certain que par cet avcu, ils abré- 
gent un nombre.de- difficultés propres a arreter 
inutilement ceux qui veulent les apetofondis ait 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 333 


op te houden; en die, naar langen tyd 
zich geöeffend te hebben, meenen, dat 
zy wat weten, daar zy flechts het ver- 
mogen hebben, van hunne denkbeelden 
te verwarren, en ‘hunne onwetendheid. 
en verwaandheid ten toon te ftellen , by 
degenen die zoo ongelukkig zyn, van 
door hen onderricht te worden. 

Zulke menfchen hebben waarfchyne- 
lyk nooit begrepen, dat het volftrekt 
noodzakelyk is, of in dwalingen te ver- 
vallen, of alleen aan blykbare zaken 
eene volkomene toeftemming te geven. 
“In de gemeene wysgeerte heerfchen 
> valschheid en verwarring” zegt Vader 
MALLEBRANCHE, ”om dat de wys- 
> geeren, met eene lichtelyk te vinden 
> gelykenis, die zoo gemakkelyk voor 

bh | hun- 


SSSSSSSSSSS 


qui après avoir étudië longtems croyent fcavoir 
quelque chofe, lors qu’ils n'ont acquis que le ta- 
lent d’embrouiller leurs idées , & de communiqter 
leur ignorance & leur prévention à ceux qui font 
asfez malheureux pour recevoir leurs inftruétions, 

Ces gens n’ont apparemment jamais compris 
qu’il est abfolument nécesfaire ou de tomber dans 
Yerreur, ou de n’accorder un entier confente- 
ment qu’à des chofes evidentes. La fausferé dit le 
„‚ Pere MALEBRANCHE,& la confufion règnent 
2) dans la philofophie ordinaire, à caufe que les 


22 phi= 


334 P. FERMIN ANTWOORD OP DE 


hunne verwaandheid en voor hunne 
„ belangens is, zich te vreden houden; 
s vindt men niet alom eene oneindige 
» verfcheidenheid van gevoelens over de: 
zelve onderwerpen, en derhalven ee- 
ne oneindige menigte dwalingen? Een 
„zeer groot getal van leerlingen laten 
zich intusfchen misleiden , en onder- 
» werpen zich blindeling , aan het ge- 
> zag van die wysgeeren, zonder hun-_ 
» ne gevoelens te begrypen.” (a) _ 

| Licht- 


(a) Ter behandeling vaneen onderwerp van dit gewicht, 
beb ik geen zwarigheid gemaakt, gebruik te maaken van 
hetgeen de wysgeeren, die men als meesters in de kunst 
van waarnemen kan aanmerken , ten dezen opzichte geleerd 
hebben, en zelfs fomtyds hunne uitdrukkingen te gebruiken, 
Ik hoop, dat deze verklaring my buiten verwyt van let= 
terdievery flellen zal, 


SISI SIEN 


„‚ Philofophes fe contentent d'une resfemblance 
„, fort facile à trouver & fi commode pour leur 
»» vanité & pour leurs interêts, N’y trouve=t’on 
„> pas presque partout une infinie diverfité de fen- 
», timens fur les mêmes fujets & par confequent 
‚‚ une infinite d’erreurs? Cependant un trés grand 
», nombre de disciples fe laisfent féduire, & fe fou- 
> mettent aveuglement à l'authorite de ces philo- 
„> fophes fans comprendre leurs fentimens. (a) E 

a 


(a) Poar ztraiter un fujet de cette importance, je n'ai pas 
difficulté de m'approprier, ce que les philofophes, qu'on peut ree 
garder comme maîtres dans l "art d'obferver, ont enfeigné à cet 
égard @ d'emploier même guelque fois leurs expresfions. Fefpere 
que vette déclaration me meitra à labri du reproche du plagiat, 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL. 335 


Lichtgelovigheid en verwaandheid van 
alles te willen weten, zyn de twee bron- 
nen van dwaling en onwetendheid. Ver- 
ftandige lieden fpreken van twyffelach= 
tige zaken, twyffelachtig, en bekennen 
hunne onbekwaamheid, in zaken die 
boven het menfchelyk vernuft gaan, 
Het is waar, zy geloven veel minder te 
weten dan zulke, die alles meenen te 
kennen: maar het geen zy weten, we- 
ten zy ten minften zeker , en kennen de 
trappen van de waarfchynelykheid der 
andere ; terwyl diegene, die zoo ftellig 
fpreeken, zelf onkundig zyn van die 

ingen, die zy meenen grondig te we- 
ten, 

Er zyn ‘er, die door hoogmoed of 

vers 


SSSSSSSSSS& 


La facilité à croire & la vanité de vouloir tout 
connoître font les deux fources de lerreur & de 
ignorance. Les gens eclairés parlent douteufe- 
ment des chofes douteufes & avoùüent leur incapa- 
cité touchant celles qui pasfent la portée de lefprit 
humain. Il est vrai qu’ils croient fcavoir beaucoup 
moins de chofes que ceux qui prétendent les con- 
noître toutes: mais du moins ils font certains de 
celles qu’ils fravent, & connoisfent le dégré de 
probabilité des autres, tandis que les dogmariques 

‚ignorent celles mêmes qu’ils croient le mieux 

Cconnoitre,. 
ll en est qui fouvent par orgüeil ou ee 
Tas= 


336 Ps FERMIN ANTWOORD OP DE 


verwaandheid dikwerf gevoelens omhêl: 
zen en {taande houden, die zy weten 
dat bezyden de waarheid zyn, en die 
zy maar: voorftaan, om dat zy zich on- 
gevoelig tot dezelve verbonden hebben, 
en de fchande niet willen dragen van 
zichzelven tegen te fpreken, of iets te 
ontkennen, dat zyin den yver van eene 
redentwist gefteld hebben , of dat zy te 
ligtvaerdig gewaagd hebben in hunne 
fchriften te {tellen. Zy begrypen niet, 
dat het hun tot oneindig meer eere 
ftrekken zoude, te bekennen, dat zy 
misleid zyn in eene dwaling te willen 
goed maaken, door een groot getal an- 
dere. Zy maken verfcheiden onders 
ftellingen, en door middel van een groot 

getal drogredenen, komen zy eindelyk 
Zoo 


SSSSSSSSSSE 


brasfent & foutiennent des opinions qu’ils ne def= 
fendent que. parce qu’ils f’y font infenfiblement 
engagés & qu’ils ne veulent point avoir la honte 
de fe contredire, ou de désavouer ce qu’ils ont 
avance dans la chaleur, de la difpute, ou qu'ils 
ont hazarde trop légerement dans leurs &crits: Ils 
ne comprennent pas qu’il leur feroit infiniment 
Plus glorieux d’avoüer qu’ils fe font trompés que 
de vouloir juftifier une erreur par un grand nom- 
bre d'autres. Ils forment plufieurs hypothèfes & à 
Paide d'un nombre de fophismes, ils vie à 

out 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 337 


zo ver, dat zy de waarheid verduistes 
ren. Deze feilen zyn te duidelyk, dan 
dat men dezelve niet zoude aanzien, 
als tegen de vordering en voortgang on= 
zer kundigheden ftrydende, 

De ftyfhoofdigheid van fommige 
geleerden voor de famenftellen , die zy 
aangenomen of van hunne meesters ge: 
leerd hebben, vermindert het gezag 
hunner gevoelens ook grootelyks, 

De Wysgeeren vallen dikwyls in zeer 
grove dwalingen, door al te fyn te wil 
len redeneren. Door geheimen, die on- 
doorgrondelyk zyn; te willen zoeken en 
ontdekken, vallen zy in gevoelens, die 
zichzelven tegenípreken, en worden 

IP. DEEL. Y ‚door 


SSSSSSSSSSS 


bout d'obfeurcir la veritg. Ces défauts font trop 
fenfibles pour ne pas les regarder comme conrrai= 
res à lavancemenrt & aux progrès de nos connois= 
fances. 
_ L’entêtement de quelques fgavans pour les fy- 
ftêmes qu’ils ont adoptés , ou qu’ils ont appris de 
leurs maicres diminuê encore beaucoup |’ autoricé 
de leurs fentimens., \ d 
Les Philofophes donnent fouvent dans des erreurs 
monftrueufes pour vouloif trop fubcilifer. A force 
de chercher à découvrir des fecrèêts qui font impé- 
nétrables , ils donnent dans des fentimens contra- 
/ di= 


338 Py FERMIN ANTWOORD OPDE 


door hunne eigen verhitte vérbeelding 
misleid, | 
Indien men met een Cartefiaan {preekt 
van «een voorftel, dat niet overeenkomt 
met de gevoelens die hy koestert, zal 
hy veel minder denken, Om te Over- 
teggen,„ of %* gene men hem ts 
overeenkomt met de reden, dan om 
bewyzen te vinden, om het tegen te 
gaan. Andten men een navolger van 
afriftoteles wan enige dwaaling wil 
dvertuigen ‚ meent hy ten eerften, dat 
zyne roem aan dien van Ariftoteles ver- 
bonden is; hy verweert zyn eigen be- 
langens, in het voorftaan van die van 
zyn meester, en verre van zich moei- 
te te geven , om nategaan, of ‘er ook 
waar- 


sssSSsSsSsSsSsS 


ditoires & deviennent la dupe de leur imagination 
Echauffée. 

“Si Ton parle a un Cartéfien d'une propofition qui 
ne f' accorde pas avec les principes dont il est pré 
ocupé, Ïl penfera bien moins a examiner fi ce 
qu’on lui dit, est conforme à la raifon , qu’à trou- 
ver des argumens pour le combattre. Si Pon veut 
convaincre un Peripatéticien de quelque erreur, il 
_fonge d'abord que fa gloire est attachée à celle d’ 
Hrifbote: il defend fes interêts en défandant ceux 
de fon maître & loin de fonger a pénétrer ce qu’il 
pourroit y avoir de vray dans les argumens wien 
jie ad- 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI. 836 


waarheid in de redenen van zynen tes 
genftrever is, houdt hy zich alleen bes 
zig, met antwoorden te zoeken, om 
dezelve te ontwyken of te verydelen 5 
hy gelooft, dat men in de Peripate. 
tifche wysgeerte niet kan dwalen; en 
trekt niet eens in twyflel, dat hy nooit 
_ongelyk gehad heeft; hy ontflaat zich 
ook van den grond der vrage te bes 
fchouwen ; en houdt zich geheel en al 
op met bewyzen: op de bewyzen, die 
tegen hem zyn, geeft hy geen acht, 
en ftelt zich, door zyne verwaandheid, 
buiten ftaat om zich van de waarheid 

te verzekeren, 
Verfcheiden wysgeeren, en de na- 
tuuronderzoekers in de eerfte plaats, 
Y 2 zyn 


SSSSSSS SEE 


adverfaire, il n’est occupé qu’ à chercher des re« 
ponfes pour les éluder: il eroit qu’on ne peut er= 
rer dans la philofophie Peripatéticienne et ne met 
point en doute qu’il n’ait toûjours cû raifon: il fe 
difpenfe ausfi d’ examiner le fond de la queftion: il 
@st tout occupeé de fes preuves: il ne donne aucu= 
ne attention à celles qui lui fofict contraires & il fe 
met dans l'imposfibilité, par fa prévention de pou 

voir jamais f’ asiurer de la vérité. 
Plufieurs philofophes & fur tout les naturaliftes 
font très fujets a ces defauts. Aveuglament dn 
le 


349 P., FERMIN ANTWOORD OP DE _ 


zyn aan deze feil zeer onderhevig. De 
verblindheid fchynt hun eigen, en een 
noodzakelyk gevolg van hun beroep: 
_ dit goed gevoelen van hun eigen wy- 
ze van denken, en die wonderbaare 
{tyfhoofdigheid voor hunne famenftel- 
len, zyn het, die Bayle de onzeker- 
heid van zo veele grondbeginzelen , die 
men voor ontbetwistbaar hieldt, deed 
aantoonen. Hy bewees zeer gaarne dat 
veele zaken , die men voor klaar en dui- 
delyk hieldt, van alle kanten met zwa- 
righeden omringd zyn, die haar ten 
hoogften twyffelachtig , en dikwyls te- 
genítrydende tegen de reden en eerfte 

kundigheden maken. 
Ten allen tyde hebben gevoelens de 
overhand gehad, en zy zullen ik ted 
di 


SSSSSSSSSSS 


ble être leur attribut, & une fuite de leur profes- 
fion: c'est cette bonne opinion qu’ils ont de leurs 
fentimens & cet entetement prodigieux de leurs 
fyfièmes, qui avoit porté Bayle à démontrer lin- 
certitude de tant de principes qu’on regardoit com= 
me inconteftables. Il aimoit à faire connoître que 
bien des chofes qu’on donne pour évidentes font 
environnées de difficultés qui les rendent très dou= 
teufes & quelquefois contraires à la raifon & aux 

prémieres notions. 
Les opinions ont regné & rêgneront de tout 
tems. 


VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL -34T 


altoos hebben. Hunne heerfchappy is 
zo uitgebreid, als volftrekt. Ik tarte een 
ieder, een eenig befchouwend voorftel 
te voorfchyn te brengen, omtrent za- 
ken die gebeurd zyn, die niet in het 
geval van gevoelens zyn. Konnen wy 
met grond zeggen, dat wy iets, (wat 
het ook zyn moge) ftelligs van de 
ziel, van het lichaam, van het geheim 
der voortteeling weten? Noch afge- 
trokken kundigheden, noch rekenkun« 
dige of meetkundige waarheden. enz. 
‚konnen eenige hersfenfchimmen wee 
zenlykheid byzetten. Dus konnen wy 
de gevoelens, in welke wy eenigszins 
verzonken zyn, vergelyken met de 
lucht die wy inademen; een grove 

OE ANN lucht, 


SSSSSSSSSSE 


tems. Leur empire est ausfi étendû, qu’abfolû. Je 
defie qu’on produife une feule propofition théoréti= 
que fur des chofes de fait qui ne font pas dans le 
cas des opinions. Pouvons nous dire avec fonde= 
ment que nous fachions quoyque ce foit de pofitif, 
fur Pame; fur le corps, fur le myftère de la géne- 
ration ? Les notions abftraites, les véritgs arithmd= 
tiques , géométriques ete. ne fgauroient convertir 
des fantômes quelconques en réali:ks, Ainú lon 
peut comparer les opinions dans lesquelles nous 
fommes en quelque forte plongés, à l'air que nous 
refpirons, air grosfier & chargé de toutes fortes 
d’im- 


342 P. FERMIN ANTWOORD OP DE 


lucht, met allerley foort van uitwaas: 
feningen bezwangerd, maar die wy 
echter niet konnen misfen , en die indien 
zy tefyn was, ons nadeelig zoude zyn. 
Hoe belagchelyk ook {ommige ge- 
voelens zyn mogen , vallen de genen die 
dezelve trachten te ontgaan, fchoon met 
grond ,„ in een niet wel begrepen by- 
zonderheid , in eene volkomen dwaas- 
heid, en in eene ware uitzinnigheid. 
Laten wy ons dan veel eer bepa- 
len, om die gevoelens uit onze ziel te 
verbannen, en onze hersfenen van de- 
zelve te zuiveren, indien wy ons in 
omftandigheden bevinden ‚om dit werk 
te ondernemen en ter uitvoer te bren- 


Ben, 
| Maar 
sssssssssSs st 


d'impuretes , mais dont nous ne pouvons néan- 
moins nous pasfer , vu même qui trop fubtil , nous 
deviendroit nuifible. 

Quelgues ridieules que foient certaines opinions, 
ceux qui prenent à tache de les fronder, quand 
même ils auroient raifon , donnent dans une fingu- 
laritg mal entenduë, dans un pur travers, dans 
une vraie folie, Bornons-nous plutôt à bannir ces 
opinions de notre efprit, à en nettoyer notre cer= 
yeau fi nous nous trouvons dans des conjonétures 
propres à entreprendre & a exdcuter, ce Ene ì 

ais 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCERxI 345 


„Maar laten wy de algemeene“gevoe> 
haan daar laten, en ons toeleggen-om 
de waarheid te zoeken , om “onszelver 
wille,-om dezelve als een fchat te-bet 
zitten, daar het gemeen misbruik van 
zoude maken, UE, 8 
_ Onze kundieheden würden: alleen 3 
door de vergelykingen, die wy-tusfchen 
onze gevoelige denkbeelden malen, vit 
gebreid en volmaakt. - 

Wy vergelyken verfchbiden zakiade van 
hetzelfde foort met elkander , ‘en wy 
zien, tgene uit die vergelykirfgvolgt, en 
indien zy alle in hetzelfde punt famen- 
loopen, befluiten wy , dat het waarfchy- 
nelyk kan zyn, dat dit punt eene waar: 
heid is; daar plaatfen wy onze’ ' aati- 

Y 4 —_ Idacht 


RN 


Mais laisfons les Salnians steg en paix, & 
appliquons=nous à la recherche de la vérité pour 
amour de nous-mêmes , pour la posfeder en pros 
pre comme un tréfor dont le vulgaire abuferoic. 

Nos connoisfances ne f'etendent & ne fe pers 
fetionnent que par les comparaifons que nous éta- 
blisfons entre nos idées fenfibles. Nous comparons 
entr'eux plufieurs faits de même genre , nous voy- 
ons ce qui refulte de cette comparaifon , &fitous 
convergent vers le même point, nous en inferons 
qu’il est probable que ce point est une vérité: nous 
y concentrons notre attention, & nous en voyons 

ded par= 


„ 


344 Re -FERMIN ANTWOORD OP DE 


dacht als in een middelpunt,en van daar 
zenden-wy nieuwe ftralen, die het voor: 
werp, van alle zyden licht byzetten. Dus 
komen wy zo ver, dat wy nieuwe ge- 
yalgen trekken , (die meer of min alge- 
meen zyn) uit onze eigen waarnemin= 
gen;/of uit die van anderen, Op deze 
wyz@-komen wy fomtyds, tot. de ont- 
dekking van verfchynzelen, die aange: 
merkt als eenvoudiger, oorzaken konnen 
genoemd. worden „-na dat men dezelve 
aandachtiger befchouwd , en de uitwer- 
kingenvof reingelele verfchynzelen 
trapsgewyze ontbonden heeft, ; 
Zodra men maar-de Natuur wat aan- 
dachtig. nagaat, ziet men welhaast, dat 
hare verfcheiden deelen, door verfcheiden 
overeenkomften naauw verbonden zyn: 


| het 
SSSSSSSSS SS 


partir de nouveaux-rayons qui éclairent divers cô- 
tés del'objet. Ctest ainfi que nous parvenons à 
tirer. des refultats plas ou moins generaux de nos 
propres obfervations ou des obfervations d’autrui, 
C'est ainfi que nous arrivons quelquefois à la de 
couverte des phénomènes qui en:tant que plus 
fimples-peuvent êcre appellgs-caufes, après un ex-, 
amen rèfléchi & une, décompofition graduelle des, 
effets, ou phénomènes plus compofës. 
> Pour peu qu?on -écudie la nature ‘on f’appergoit. 
bientôt que toutes fes parties font Etroitement lin, 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 345 


het is het werk van den natuuronder- 
zoeker dit verband en deze overeenkom- 
ften na te gaan; dewyl hy weet, dat 
de oorzaak, die hem onbekend is, en 
die hy zoekt, door eenige geheime 
overeenkomst verbonden is aan het- 
gene hy kent, klimt hy langs den fcha- 
kel der zaken, zo ver het hem moge- 
lyk is, weder op, hy hecht zich aan 
dezelve, en volgt met geduld alle de 
omwegen, hy dringt tot ín derzelver 
diepfte fchuilhoeken, en indien hy niet 
langs dien moeilyken weg zyn. oog- 
merk verkrygt, zelfs indien hy ‘er niet 
zeer naby komt, loopt hy ten minften 
geen gevaar van in een nacht van gis- 
fingen te verdwalen, Kobi 


Y 5 Hoe 
SSSSSSSSS SE 


ges par divers rapports: c'est la recherche de ces 
liaifons de ces rapports qui doit oecuper le phyfi= 
cien: comfme il fgait- que la caufe qu’il ignore & 
qu'il cherche, tient par quelque rapport fécret à 
__ge qu’il connoit, il remonte autant qui lui est pos- 
fible, le long de la chaîne des faits, il fy cram= 
poue, il en fuit patiemment tous les détours, ilen 
parcourt tous les plis & replis, & fi par cette mar= 
che laborieufe il n’arrive pas au but, fi même il 
n'en approche pas de bien près , au moins ne court= 
il pas le rifque de f’egarer dans la nuit des conjec- 
_ tures. be 

Plas 


346 .P.-FERMIN ANTWOORD OP DE / 


„Hoe meer het getal der gemeene be- 
kende betrekkingen aangroeit, hoe meer 
zekerheid, juistheid, en uitgeftrektheid, 
onze natuurkundige kennisfen verkry» 
gen. Ik verfta hier onder het woord 
besrekkingen, die hoedanigheden en be; 
palingen , “uit krachte van welke ver- 
fcheiden wezens tot hetzelve oogmerk 
femneriltopeino it vil sqo Toba 
Indien wy alle de foorten van bet 
trekkingen kenden, die de planten ver- 
binden: aan. de aarde, het water, de 
lucht „het vuur, en alle, de licha- 
men ;-die op hetzelve werken, of aan 
derzelver werking anderworpen” zyn, 
indien=wy verder,de overeenkom{ten 
kenden, dewelke verfcheiden wezens 
a … on- 


SSSSSSSSSSE 


Plus le hombre des rappefts eonnûs f’decroîrra 
& plus nos connoisfances phyfigues acquéreront de 
certitude, de précifion & d'etenduë. Je nomme 
ici wapports, ces qualités, ces dérerminacions, en 
vertus desquelles differens êtres confpitent au mê- 
me but general. 

Si nous connoisfions les rapports de tous genres, 
he lient la plante à la terre, à Veau, à Pair, au 

us êrà tous les corps qui agisfent fur elle, ou 
qui font foumis à fon ation, fi neus eonnoisfiens 
encore-les rapports qui lient entr'eux ces divers 
êtres, notre théorie de la végetation feroit complet- 
va BE» 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIk 347 


onderling verbinden, zoude de befchou- 
wing der groeiïng volkomen zyn, dan 
zouden wy zo duidelyk zien, hoe:eee 
ne „plant groeit, als wy zien hoe de 
wyzer van een horloge zich beweegt ; 
wy zouden niet door reden, maar door 
een zeker inzien oordeelen, en de kunst 
van gisfen zoude op het voorwerp geen 
toepasfing meer vinden. 59 0 ON 
„Maar zo ver zyn wy in de’ Natuur- 
kunde niet; de wetenfchap der. natuur- 
lyke betrekkingen: is nog zo onvol- 
maakt, dat ’er geen een voortbrengzel 
der natuur is, zelfs onder die allerge- 
ringst fchynen , dat zyne duistere zyde 
niet heeft, en het vernuft van den be-= 
kwaamften natuuronderzoeker wel haast 
uit- 
SSSSSSSSSSS 


te „„Snous verrions ausfi diftin&tement comment la 
plante végête , que nous voyons comment l’aiguille 
d'une montre fe meûr;s Nous ne jugerions pas par 
raifonnement ; nous jugerions par une-forte d'in= 
tuition & l'art des conje@utes ne trouveroit plus. 
fon application dans cet objet. artan 
Nous n’en fommes pas là en phyfique: la fcience 
des rapports naturels est encore fi imparfaite „qu'il 
n'est pas une feule produétion.de la nature parmi 
les plus chétives en apparence, qui ne nous pre= 
fente des côÔtés obfcurs ê-n’épuife bientôt la faga= 
cité du plus habile phyficien, ‚Une molécule de 
4e terre 


348 P.-FERMIN ANTWOORD OP DE 


uitput, Eene kluitje aarde, een korrel 
zout, een mosplantje , een wormtje, 
worden doolhoven voor hem, in welke 
hy zich zoude verliezen, indien hy een 
ogenblik maar het gulden koord der on- 
dervinding losliet, Het hoe is dat zo van 
eene zaak te zoeken, is dan eigenlyk 
de geheime overeenkomften te zoeken, 
die de eene zaak met andere heeft: Het 
is geen enkel verbeelden, en nog veel 
minder gisfen ; ine is, de zaken van den 
zelven aart en die ‘er mede overeenko- 
men tot elkander te brengen; dezel- 
ve te ontbinden tot in hare -kleinfte 
deelen ;- nategaan, wat zy onderling 
gemeen hebben, wat haar byzonder ei- 
gen is, wat zy ftandvastigs hebben, en 

| waar 


SSSSSSSSSSS 


terre ‚, un grain de fel, un lychen, un vermisfeau;, 
deviennent pour luy de vrais dédales, où il fe per- 
droit, f’il abandonnoit un moment le fil précieux 
de lexpérience. Chercher le comment d'une chofe , 
eest done proprement chercher les rapports fecrêts 
qui tient cette chofe ad’autres: ce n'est pas fimple- 


ment imaginer, bien moins encore deviner; c'est 


rapprocher les faits de même genre & de genres 
analogues; les décompofer jusques dans leurs 


moindres parties, examiner ce qu’ils ont de com- . 


mun & ce qu’ils ont de conftant & ce qu’ils ont 


de variable; donner toute fon attention aux réful= 
tats 


S 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 349 


waar in zy veranderen: alle zyne aan- 
dacht aan de uitkomften te koste te leg- 
gen, zich dus door eene agtereenvolging 
van elkander voortbrengende gevolgen 
opte heffen ‚tot een algemeen beginzel , 
dat het middelpunt moet zyn tot alle 
die byzondere waarheden, of als de 
fleutel van het verwulf. 

Indien onder alle de zaken, die men 
onder het oog heeft, ’er eene is, die ge- 
wichtiger is of meer gevolgen heeft ‚dan 
eenige andere, is het op deze zaak, en 
de meer onmiddelyke gevolgen, dat 
men vooral zyne aandacht vestigen 
moet, Ik zeg de meer onmiddelyke ge- 
volgen , om dat naar mate zy zulks wor- 
den, de keten zo veel te minder krachts 

ver. 


SKNSSSSSS SSS 


tats eux-mêmes, percer dans les réfultats de ces 
rélultats, & f’elever ainfi par une fuite de confé- 
quences génératrices à quelque principe général 
qui foit comme le centre de toutes les vérités par- 
ticulieres ou comme la clef de la voute. 
__ Si parmi les faits qu'on a fous les yeux, il en 
est un qui paroisfe plus important ou plus fecond 
en conféquences que tout autre, c’est fur ce fait 
& fur fes conféquences les plus immédiates , qu’on 
doit fur tout porter fon attention. Je dis fes con- 
fequences les plus immédiates, parcequ’à mefure 
qwelles le deviennent, moins la chaîne perd de fa 
orce 


356 PD. FERMIN ANTWÖORD op DE 


verliest, de fehakels zoeken zich vart 
de vreemde ftoffen aftefcheiden, die 
tusfchen twee derzelver inglyden, en 
de keten breekt, zodra men denzelven 
gebruiken wil, 

Niets ís ’er in de Natuur hoe gering 
het ook fchynen moge, tgene aan een 
oplettend oog, dat het zelve zoekt te 
doorgronden , geen wonderen toont: ver- 
re van dat dit beneden de waardigheid 
van éen mensch zyn zoude, is deze 
oeffening hem zelfs nuttig en noodzake- 
lyk, om dat zy hem zo veele gelegen- 
heden &an de hand geeft, om zynen 
fchepper te loven, als hy voorwerpen 
vindt, die hem toebehooren. Hoe meer 
de mensch dezelve befchouwt, hoe 

meer 


sssssSsSssSSr 


force, les chainons tendent à fe féparer des matië- 
res héterogènes qui fe glisfent entre deux chaînons 
& la chaine romp au moment qu'on veut f'en 
fervir. 

Il n'est rien dans la nature quelqu’abjet qu’il 
paroîsfe qui ne foit une merveille aux yeux de ce- 
lat qui f’attache à le connoître; loin d'être indig= 
ne de l'homme cette application lui est aucontraire 
utile & nécesfaire, puisqu'elle lui fournit autant 
d'’occafions de loüer fon Créateur, qu’il trouve 
d'objèts qui luí appartiennent, Chaque efpèce a 
fes beautés naturelles: plus l'homme les be 2e s 

plus 


: 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI. 35T 


meer hy door dezelve tot verheerlyking 
van den grooten fchepper der Natuur ge- 
noopt wordt. Hy ziet dat die alles met 
wysheid gemaakt heeft, dat alles aan 
zyne macht onderworpen is, en hy al- 
les met goedheid regeert. Hy ontdekt 
dien groten Maker in de geringlté 
diertjes, die door hunne natuur ge- 
fchikt zyn, en welker ontbinding ons 
verbaast: Het is waar, zy zyn klein, 
maar de tederheid en de fchikking hun: 
ner deelen zyn wonderbaar, Indien wy 
eene vlieg in hare vlucht met aandacht 
befchouwen, zal hare vlugheid ons 
wonderbaarder voorkomen, dan van 
een voortgaand lastbeest; en met de- 
zelve aandacht zal de kracht van een 

5, ke- 


sssssssssest 


plus elles Vengagent à loücr l'auteur de la nature, 
Ilf'appercoitqu’il a tout fait avec fagesfe ; que tout 
est foumis à ton pouvoir & qu’il gouverne tout 
avec bonté. Il le découvre jusquês dans le plus 
vil des animaux deftines par leur nature à perir, 
& dont la disfolution nous éffraye: ils font petits 
H est vray , mais la delicatesfe & l’arrangement de 
leurs parties font admirables. Si nous examinons 
avec attention une mouche qui vole, fon agileté 
nous paroîtra plus furprenante que la grandeur d'u- 
ne bête de omme qui. marche „ 8 avec la même ate 

ten= 


352 P. FERMIN ANTWOORD OP DE 


kemel ons minder verwonderlyk voor: 
komen , dan die van een mier. 

Indien men van een vloo, van een 
mier, van een mug, van een bye 
fpreekt, ziet men in dezelve de macht 
niet van hem, die hen gemaakt heeft 2 
Want het vernuft van een werkman 
blinkt meest in het kleinfte werk uit, 
Hy die de Hemelen uitgebreid heeft; 
en de zee een bedde bereid, is dezel- 
ve, die den angel van een bye door- 
boord heeft, om doortocht aan het ver- 
gift te geven. Van de andere zyde, 
het is niet alleen door de fchepping 
van den hemel, de aarde, de zon, 
de maan, de zee, den olyphant, den 
kemel , het paard, den os, den tyger 8 

eer 


SSSSSSSSSSS 


tention la force d'un chameau nous paroîtra moins 
admirable que le travail d'une fourmi. ‚ 

Si vous parlez d'une puce , d'une fourmi, d'un 
houcheron , d'une abeille , n'y voit-on pas la puis- 
fance de celui qui les a formés, car, la fagesfe de 
Pouvrier fe manifefte pour Pordinaire dansce qui . 
est le plus plus petit. Celui qui a Etendu les cieux 
& qui a creufé le lit de la mer, n’est point diffe- 
rent de celui qui a percé l'aiguillon d'une abeille, 
afin de donner pasfage à fon venin. d’Un autre 
côté, ce n'est pas uniquement dans la création du 
ciel, de la terre, du foleil, de la mer, des ele= 

phans, 


VRAGE VOOR ’T JAAR MDCCLXXIL 353 


beer of leeuw, dat zich de Schepper 
wonderbaar vertoont, Hy is niet min- 
der groot in de fchepping der kleinfte 
dieren, gelyk muggen; wormtjes en an« 
dere gekorvene, die wy zo by naam 
als by gezicht kennen; …_ _… 
Indien de historie der dieren van 
Ariftoteles met grooter naauwkeurigheid 
en juistheid befchreven was, zoude men 
‘er zonder twyffel meer voordeel mede 
gedaan hebben, Zy bevat zeker een 
groot getal zaken: en die hy beweert 
zelve gezien te hebben, ‘zouden nog 
geloof verdienen, maar hy heeft ons 
niet in ftaat gefteld van dezelve te on- 
derfcheiden van andere; alles wordt op 
IV, DEEL. Z de. 


SN SSIS SESSIES 


phans, des chameaux, des chevaux, des beeufs, 
des leopards, des ours & des Iyons, que le Créa- 
teur fest rendu admirable, il ne paroit pas moins 
grand dans la prodution des plus petits ánimaux 
tels que les moucherons , les vermisfeaux & les au- 
tres iniectes que -nous connoisfons tans de nom 
que de vuë, 

Si Phiftoire des animaux d’ Ariffote eût été écrite 
avec plus de juftesfe & de précifion, on auroit fans: 
doute beaucoup plus profit: elle contient à la vé- 
rité une très grande quantité de faits; ceux qu’il 
auroit asfuré avoir vû lui même, mériteroient en- 
core croyance; mais il ne nous a point mis en état 
… de les diftinguer des autres; tous y font rapportes 

de 


354 Ps FERMIN ANTWOORD OP DE 


dezelfde wyze verhaald , behalve eenige, 
welke hy maar voor een men zegt opgeeft, 

Dezelve feilen vindt men in de histo- 
rie der dieren van Plinius: die van Ari- 
floteles trekt dezelve ten grondflag. De 
order welke Plinius in de fchikking der 
zaken gebracht heeft ‚is ook de bekwaam- 
fte niet om dezelve te doen onthouden, 
zo door de langwylige optelling der die- 
ren; als door gebrek van gelykenis. 

Geduurende dien langen reeks van 
eeuwen, in welke de barbaarscheid de 
overhand hadde, had de natuurlyke 
historie hetzelfde lot, als de andere 
wetenfchappen. Zy is ook behandeld 
gelyk de andere, wanneer de fmaak 
van wetenfchap begon te herleven. Men 

meen=- 
SNISISISNISISISISISEHS 
de la même manière excepté quelques-uns qu’il ne 
donne que comme des oz dit, 

Les mêmes défauts fe trouvent dans l’hiftoire 
des animaux de Pline; celle d’ Ariffote en est la 
baze: ordre que celui-cy a fuivi dans l'arrange- 
ment des faits, n'est pas ausfi le plus propre à les 
faire retenir, tant par rapport à la longue énume- 
tation des animaux, que par rapport au défaut de 
resfemblance. 

Pendant cette longue fuite de fiecles ou la barba= 
rie a regné, l’hiftoire naturelle a eu le même fort 
que les autres fgiences, Elle a ausfi eté traitée com= 
me les autres, quand le goût du fgavoir a a je 

c 


VRAGE VOOR °T JAAR MDOELXxú, 355 


meende dat men in de oude fchryvers 
alle de waarheden vinden moest, dat 
zy alles geweten en gekend hädden, 
Het is voornamentlyk in Ariftoteles , 
dat men de historie der dieren gezocht 
heeft. Indien Aldrovandus, Gesnerus en 
veele anderen, zich zo yverig op de ha- 
tuur toegelegd hadden, als op de oude 
natuurkenners, zoude de geduurige ar 
beid van zo veel goede vernuften fchie- 
lyker en grooter voortgang in deze we- 
tenfchap gemaakt hebben, Men nam 
toen alleen de natuur waar, om ‘er in 
te zien, hetgene men by de ouden 
gelezen had, Indien hun werk.verder 
niet beter ingericht was, moet met 
zulks, niet zoo zeef aan hun vernuft 

E23 wy- 


SSISIDISNISISISEIES 


cé àrenaitre; on a crû que toutes les véritds de- 
voient êrre retrovees dans les anciens; qu’ils avoi- 
ent tout fcû, tout connû, C'est principalement 
dans Ariffote qu'on a cherche l’hiftoire des animaux, 
fi Aldrovande , Gesner & bien d'autres auteurs eûsfent 
autant &tudië la Nature elle même „ qu’ils ont étu- 
dié les anciens naturaliftes, le travail asfidû de tant 
de bons efprits eût fait faire de plus grands & de 
plus prompts progrês à cette frience. On n’obfer- 
voit alors la nature, que pour y voir ce qu’on a- 
voit lû dans les anciens. Au reíte fi leurs travaux 
n'ont pas été mieux dirigés, il ne faut pas tant 

Pen 


356 P, FERMIN ANTWOORD OP DE 


wyten, dan aan de eeuw, in welke 
zy leefden, Men achtte toen niets dan 
*gene men by de ouden vondt; het 
fcheen, dat men de hedendaagfchen on- 
bekwaam rekende om te denken en zelfs 
om iets te zien, ten minften wat nieuws. 
Indien ’er echter wetenfchappen zyn, 
waar in wy hen konnen, en moeten 
overtreffen, zyn het die der waarne- 
mingen. De natuur eindelyk opende 
zelve de oogen aan hun, die er niets 
in zochten , dan het geen zy in dristote- 
les en Plinius gezien hadden: zy toon- 
de hen opmerkenswaardige zaken, die 
Zy te vergeefs in die boeken zochten, 
die alles moesten behelzen; zy toonde 
‘er hen ook andere, die hen een recht- 
mna- 
SSS SISISIEISISISS 


fen prendre à leur genie qu’a celuy du fiecle où 
ils ont vécû: on ne faifvit cas alors que de ce qui 
fe trouvoit dans les anciens; il fembloit que lon 
a crû les modernes incapables de penfer & même de 
voir au moins rien de nouveau. 

S'il est pourtant des fgiences dans les quelles 
nous puisfions & nous devioris l'emporter fur eux , 
ce font celles d’obfervations. La Nature enfin ou- 
vrit les yeux à ceux mêmes qui ne cherchoient à y 
voir que ce qu’ils avoient vù dans Ariffote & Pline : 
elle leur montra des faits dignes d'être remarques, 
qu’ils cherchoient inutilement dans ces livres qui 
devoient tout contenir: elle leur en fit voir d’'au- 

tres , 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 357 


matig mistrouwen moesten inboezemen, 
omtrent de waarheid van die geene, die 
hen overgeleverd waren. 

Na dat men trapsgewyze en misfchien 
in ten grooten mate, de achting verlo- 
ren had, die men aan de ouden ver- 
fchuldigd was, begon men te gelooven, 
dat men zich op nieuw op de natuur 
zelve moest toeleggen , alles wat gezegd 
was bewyzen, en meer zoeken te we- 
ten. Dus handelden Malpighi, Zwam- 
merdam, Redi, en zo veele andere 
doorluchtige oude en nieuwe fchryvers, 

Indien het lezen van Ariftoteles en 
Plinius een grooten fmaak voor het be: 
oefenen der natuurlyke historie geeft, 
moet men bekennen, dat deze fmaak, 
ie in 


SSSSSSSSSES 


tres, qui leur donnerent de juftes défiances fur la 
véritë-de ceux qui leur avoient été transmis, 
Après avoir perdu par degré & peut être trop , 
du refpeêt qu’on devoit aux anciens, on est venu 
à penfer qu’il falloit Etudier de nouveau la nature 
elle même, vérifier tout ce qui a été rapporté & 
chercher à apprendre d’avantage, C'est ainfi qu'en 
ont ufé Malpighi, Swanmmerdam, Redi, & tant d’au- 
tres auteurs illuttres foit anciens, foit modernes. 
Si la le&ture d° ariftore & de’ Pline donne un 
grand goût pour etude de l’hiftoire naturelle , il 
faut avoùer que ce goût n'est plus le même dans 
í les 


359 P, FERMIN ANTWOORD OP DE 


in de werken, die na hen gefchreven 
zyn, veranderd is, door de duisterheid. 
in de zaken, en het valfche dat onder 
het watre gemengd is. Hier van daan 
de moeite en het geduld , dat men oef- 
fenen moet, om het eene dier van het 
andere te onderfcheiden, en deszelfs 
levenswyze en zeden na te gaan, Dit 
is nog niet alles: de Grieken gaven, 
aan de dieren die zy kenden, gepaste 
namen, Plinius bracht dezelve in het 
latyn. De fchryvers der latere eeuwen , 
en de reizigers hebben ’er, na de lan- 
den in welke zy fchreven, andere byge- 
voegd, en door de vermenigvuldiging 
der namen , hebben zy dikwyls hetzelf- 
de dier vermenigvuldigd , hetwelke mon 

Lal 


les ouvrages &crits depuis eux, par Pobscurité 
dans les faits, l'inexaêtitude dans les deferiptions, 
& le faux qui f’y trouve mêlé avec le vray. De là, 
la peine & la patience qu'il faut esfuyer pour di- 
ftinguer un animal d’'avec un autre & en connoître 
la vie & les mceurs. Ce n’est pas tout: les Grecs - 
ont donné aux animaux qui leur €toient connûs 
des noms convenables. Plize les a latinifs. Les 
ecrivains des derniers fiëcles & les voyageurs, fui- 
want les pays où ils ont Ecris, y en ont ajoutés 
d'autres, & en multipliant les voms, ont fouvent 
ausfi mulciplië le même animal, & lont repréfenté 

ou 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 359 


dan onder verfcheiden namen en ver- 
fcheiden kenteekens opgeeft. 

De eerfteftap en eene der gewichtig- 
fte die men heeft moeten doen in de 
hiftorie der infecten , was het denkbeeld 
te hervormen, dat de ouden ingeboe- 
zemd hadden, nopens de wyze, op 
welke de meeste van die diertjes voort- 
teelen. Zy meenden dezelven uit ver- 
rotting van verfcheiden lichamen te 
konnen doen geboren worden. Deze 
ftap fcheen zo moeilyk niet, zy was 
het echter, en niets bewyst meer, dat 
alles in ftaat is om ons op te houden ; 
maar om alle ongerymdheden uit den 
weg te nemen, had men veele waarne- 
mingen en redeneringen noodig, 


B Ook 
N SSSSISSISSSISS: 


ou fous differentes formes, ou fous differens carac- 
têrcs. 

Le premier pas est un des plus importans qu’il a 
fatlu faire dans lhiftoire des Infetes, a été de défa. 
bufer de l'idée que les anciens avoient donneée, de 
la maniere dont f’engendroient une grande partie 
de ces petits animaux. Ils avoient crû les pouvoir 
faire naître de la pourriture de corps de differentes 
efpèces. Ce pas ne fembloit pas bien difficile il 
Va été cependant & rien ne prouve mieux que tout 
est capable de nous arrêter, mais pour détruire 
toutes les. abfurdites il afallu bien des obfervations 
& bien des raifonnemens. On 


460 P, FERMIN ANTWOORD OP DE * 


Ook kan men niet in twyffel trekken, 
dat het vernuft der waarneming toont 
het geen aan anderen ontfnapt is. Dit 
doet de overeenkomften vatten, die ’er 
tusfchen zaken is, die geheel van elkan- 
der verfchillen, of het toont verfchil- 
len, tusfchen zaken, die dezelfde fchy- 
nen, Men loscht de zwaarfte voorftellen 
der wiskunde niet op, dan na dat men 
de overeenkomften liefe weten te vat- 
ten , die zich niet ontdekken, dan aan 
een wezentlyk waarnemend en oplet- 
tend vernuft, Zonder tegenfpraak zyn 
het de waarnemingen, die ons in ftaat 
ftellen , om de voorftellen der natuurkun- 
de, zo wel als die der natuurlyke hiftorie- 
op te losfchen ; want de natuurlyke hifto- 


fe, 


On ne fauroit non plus revoquer en doute que 
Pefprit d’ obtervarion fait appercevoir ce qui a 
Echappé aux autres; il fait faifir des rapports qui 
font entre des chofes qui femblent être differenres, 
ou 1l fait trouver les differences qui font entre cel- 
les qui paroisfent femblabies, On ne refout les 
problêmes les plus Epinenx de la géometrie, qu’ 
après avoir fcû obferver des rapports qui ne fe dé- 
couvrent qu’à un efprit véricablement obfervateur 
& attentif.. Ce font fans contredit des obfervations 
qui mettent en état de refoudre les problêmes de 
phyfique comme ceux d’hiftoire naturelle; car l’hi- 
ftoire naturelle a fes problêmes à refoydre & elle 

hi 0e en 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 361 


rie ‚heeft ook hare voorftellen om op te 
losfchen , en zy heeft ’er zelve te veel, die 
niet opgeloscht zyn. Een gekorven dier 
toont ons een werk van cen byzonder 
famenftel, en fomtyds is het een voor- 
ftel gelyk die der wiskunde, om uit te 
vinden, hoe dit werk kan gemaakt wor= 
den, en het zyn gemeenlyk zulke voor. 
ftellen, die het dier zelf ons moet op- 
losfchen. 
_Dewyl de natuurlyke hiftorie thans 
zeer in zwang is, hebben zich verfchei- 
den fchryvers toegelegd , om het een of 
ander van deszelfs deelen op te helde- 
ren. ‘Eris, die het geheel algemeen 
famenftel der natuur bevat hebben ; ee- 
nigen, alleen voor hun land fchryvende, 


As heb- 
SISI ENIEISIEIEN 


en a même que trop qui ne font pas encore refolus. 
Un infeéte nous fait voir un ouvrage d'une con- 
ftraêtion finguliere; c'est quelquefois un problême 
tel que ceux de mathéematique, que de trouver 
comment cet ouvrage a pû être conftruit & ce font 
ordinairement des problêmes dont il faut que l’in- 
fette lui même nous donne la folution. 

Comme letude de l’hiftoire naturelle est de nos 
jours fort à la mode, une multitude d’ecrivains fe 
font appliqugs a Eclaircir lune ou l'autre de fes par- 
ties: Il en est quiont embrasfé tout le fyftème gêne- 

ral de la nature, Quelques uns travailiant pour leur 


Pays 


362 P, FERMIN ANTWOORD OP DE, 


hebben zich in den kring van deszelfs 
voortbrengfelen befloten, Maar hier ge- 
fchiedde hetzelfde als in de kruidkunde; 
deder noemde de zaken na zyne onder- 
{telling ,of na zynewyze van verdeeling , 

ja dikwils volgens zyne zinnelykheid. 
De verfcheiden benamingen der ver- 
fchillendefchryvers, en verfchillende vol- 
keren te verzamelen, de geflachtskentee- 
kens en verfchilsmerken der foorten,de 
verdeelingen en onderverdeelingen te ver- 
minderen, de zaken, die elkander gelyken, 
by elkander te brengen, de rangfchikkin- 
gen te verkorten, en de namen der by- 
zondere wezens vast te ftellen, zoude 
zonder tegenfpraak, de oeffening der 
natuurlyke hiftorie veel verlichten, daar 
zich 

SSSSSSSISSSEH 


pays fe font renfermes dans le cercle de fes pro- 
ductions. Ici il est arrivé comme dans la botani- 
que, chacun a nomme les chofes felon fon hypo- 
thèfe on fa methode diftributive;s fouvent même 
felon fon caprice. 
Rasfembler fimplement les divers fynonimes des 

divers auteurs & des differentes nations, faifir les 
caratères génériques & les principales differences 
fpecifiques; diminuer les divifions & les fubdivifions; 
rapprocherles chofes qui fe resfemblent ; abréger les 
methodes & fixer les noms des individus, ce feroit 
fans contredit faciliter de beaucoup l’étude de Y'hi- 
ftoire. naturelle , à la quelle tant de gens f’appli- 

quent 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 363 


zich zo veele menfchen op toeleggen, 
en over welke zy klagen, zo veel af- 
keers en moeilykheden daar in te vinden, 
__ Hoe veele geleerden bedrogen door 
waarfchynlykheid, hebben onderftel- 
lingen aangenomen, wanneer zy hun- 
ne verbeelding boven de ondervinding 
en redeneering ftelden. Dikwerf zien 
zy de zaken niet, dan volgens hunne 
onderftelling. Zich aan de zaken te be- 
palen, die te bewyzen, zich aan geen 
party te binden, zich niet te houden 
aan de voortbrengzelen van een land, 
dat is het oogmerk van eenen natuur- 
kenner te bereiken, die de aarde als zyn 
heerfchappy aanziet, en de zuivre waar- 
heid, op vaste gewrochten waa ad 4 

als 


SSSSSSSSSISS 


quent & dans laquelle ils fe plaignent de trouver 
tant de dégoûts & de difficultés. 

Combien de fgavans n’ont pas adoptés des hypo- 
thèfes trompés par la vraifemblance, parce qu’ils 
ont econfulté leur imagination préferablement à 
Pexpérience & aw raifonnement. Ils ne voyent 
bien fouvent les chofes que conformément à Íeurs 
fuppofitions. Se borner aux faits & à les vérifier, 
ne f'actacher a aucun parti, & ne pas fe fixer aux 
produêtions d'une feule contre; c'est remplir le 
but un naturalifte qui regarde toute la terre com- 
me (on domaine, & la verité feule écablie eerd 

aits 


364 P. FERMIN ANTWOORD OP DE 


als waardig hem bezig te houden. Proef- 
nemingen te doen zonder redeneren, 
is het rechte middel om niets te weten. 
Indien wy nooit gedacht, indien wy nooit 
geredeneerd hadden, zouden wy niets 
weten, ja zelfs niet in {taat zyn, om iets 
te leeren, en onze domheid zoude ons 
byna aan die der dieren gelyk ftellen, 

Door denken leeren wy fpreken, le- 
zen en fchryven, voordeel doen, het- 
gene onze gezondheid voordeelig of na- 
deelig is onderfcheiden, een onderfcheid 
te maken tusfchen goed en kwaad, 
waarheid en dwaling, deugd en ondeugd; 
de rede was onze eerfte gids, het is aan 
haar, dat wy de meeste kje 


SISI SIESISISISISIENS 


faits certains, comme digne de loccuper. Faire 
des experiences fans raifonner c'est le moven de 
ne rien fgavoir,. Si nous n’avions jamais reflechi, 
fi nous n’avions jamais raifonné , nous ne faurions 
rien, & nous ne ferions pas feulement en état 
d'apprendre quelque chofe; notre ftupiditeé egalc- 
roit à peu près celle des bêtes. C'est en refiechis- 
fant que nous apprenons à parler, à lire, a écrire, 
à profiter, à diftinguer ce qui est propre à con- 
ferver da fanté d’avec ge qui laltêre: a mettre la 
difference entre le bien & le mal, entre la vérité 
& lerreur, la vertu & le vice. La raifon a été 
notre prémier guide; c'est a elle que nous avons 
nos premieres obligations: la quitterons nous dn 

un 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 365 


hebben: zullen wy haar dan eensklaps 
verlaten, om eenen anderen weg in te 
flaan, dien wy by haar licht zien, dat 
zo vol gevaren is, 

Hoe veele ontwyffelbaare waarheden 
ontdekt het menfchelyk vernuft niet 
door redenering? De rede ontdekt en 
betoogt het beftaan van een Opperwe- 
zen. De rede doet ons de uitmuntende 
fchoonheid van zyne werken zien; zy 
is het, die er ons de wonderen in toont, 
zy ontdekt van tydtot tyd ‘er de grond- 
beginzelen van; en hoe verre breidt zy 
onze kundigheden niet uit in de getal- 
len, gedaanten en evenredigheden? zy 
toont ons onze plichten, en noopt ons, 
door verheven beweegredenen , om de- 
zelve te vervullen, en helpt ons door 

ha- 
ENEN ENEN 
dun coup pour prendre une autre route „ où tou- 
tes fes lumieres nous font voir tant de dangers? 

Combien de vérités indubitables l'efprict humain 
‚ne decouvre t'ìl pas par le raifonnement? la raifon 
découvre < démontre lexiftence de VEtre fuprême. 
La raifon nous fait connoître lexcellence de fes ou- 
vrages, elle nous en fait de plus remarquer les merveil- 
les: elle nous en developpe peu à peu les principes & 
jusqu’où ne pousfe-t’elle pas nos connoisfances fur 
les nombres; fur les figures, & fur les proporti- 
ons? elle nous manifefte nos devoirs; elle nous 


follicite de les remplir, par d’auguftes motifs & 
nous 


366 P, FERMIN ANTWOORD OP DE 


haren raad, om ’er de uitvoering ge- 
makkelyker en zekerder van te maken, 
Waarom dan een gids geweigerd, 
die ons zulk een groot aantal van waar- 
heden aantoont? Dat een mensch hem 
geftadig volge, dan zal hy nooit gevaar 
van misleiding loopen : dart de liefde tot 
waarheid in zyn hart heerfche: dat het 
hem tot wezentlyk vermaak zy, dezel- 
ve te zoeken, en haar alle aandacht te 
verleenen. Hy zy vooral op zyne hoe- 
de tegens zyne driften; hy geve zich 
alleen aan de duidelyke blykbaarheid 
over, en alle andere beweegreden zy 
hem verdacht. | 
Sommige wysgeeren hebben in hun- 
ne onfterftelyke fchriften, ons de rie 
en 


SSSSS ESSE 


nous aide de fes avis pour nous en rendre la pratí— 
que plus aifée & plus fure. 

Pourquoy donc renoncer à un guide qui nous 
conduit dans un fi grand nombre de vérités? Ou’un 
homme fuive conftamment ce guide il'ne fera pas 
expofé à fe tromper: Quel’ amour de la vérité do- 
mine dans fon cceur; qu’il fe fasfe un vray plaifir 
de la rechercher & de lui donner toute fon atten- 
tion: Qu’ il foit fur tout en garde contre fes pasfi= 
ons, qu'il ne fe rende qu’à Pévidence & que tout 
autre motif lui foit fufpett. 

Quelgues philofophes nous ont tracés dans leurs 

crits 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI 367 


len der konst van waarnemen en proef: 
nemingen te doen nagelaten, zy hebben 
ons teffens het voorbeeld en de les gege- 
ven: zy hebben ons aangetoond, met 
welke wyze omzichtigheid, men de wy- 
zen van onderftellen moet gebruiken, 
en hoe zeer men zich moet toeleggen 
op het nagaan der gewrochten, zy heb- 
ben zich hier over verwonderlyk fchoon 
uitgelaten, ’tgene men niet genoeg kan 
overdenken. Ook bedienen ‘er zich 
veelen van deze wysgeerige grondlesfen , 
zy keeren, wenden en herhalen dezelve 
met vermaak, maar maken ’er niet al- 

tyd eene naauwkeurige toepasfing van. 
Men zoude niet konnen ontkennen, 
dat de wysgeeren zich niet zee d 
wa- 


SSSSSSSSSSIE 


Ecrits immortels les régles de l'art d’obferver & 
d'expeérimenter: ils nous ont donnés à la fois l'ex- 
emple & le precepte: ils nous ont montrés avec 
quelle fage circonfpeétion l'on doit ufer des mé= 
thodes hypothetiques, & combien l'on doit f’atta= 
cher à lerude des faits, ils ont dit fur cela des 
chofes admirables qu'on ne peut trop meéditer, 
Ausfi, bien des gens fe faisfisfent de ces maximes 
philofophiques, les tournent & les retournent, 
les repètent même avec complaifance, mais n’en 

font pas toûjours une application exate. 
On ne fgauroit disconvenir que les philofophes 
ne 


368 P. FERMIN ANTWOORD OP DE 


dwalen in de gewesten der gisfingen; 
en dat ’er niets zekerder is, dan de blyk- 
baarheid van zaken; die wel gezien en 
herzien zyn, | | BET? 
Het echte middel om tot de kennis der 
waarheid te komen, is zaken in handen 
te hebben, die fterk bevestigd zyn; en 
zeer bepalend, Men moet dezelve ont- 
binden, ontleden, onder elkander ver: 
gelyken met reeds bekende zaken; de 
gevolgen aandachtig nagaan, die uit dit 
diep onderzoek volgen: waarna men den 
rei der gevolgen net opmaakt; en aan 
elkander verbindt, of liever dan verbin- 

den zy zich onderling. 
_ De overeenkomst ontlast ons van de 
moeite van nieuwe dingen uit te vinden, 
en 

SSISISISIESISIEESS 


ne f’egarent fouvent dans la région des conje&ures 
Sz qu'il n’y a rien de plus certain que Vévidence 
des faics qui ont &té bien vû & revûs. 

Le veritable moyen de parvenir à la connoisfance 
de la vérité, c'est d'avoir en main des faits très 
conftatés & très décififs; il faut les analvfer, les 
anatomifer, les comparer entr’eux aux faits déja 
connûs, être attentif aux conféquences immediates 
qui refültent de cet examen approfondi. Après 
quoy, on expoft avec neteté la fuite de ces con!é- 
quences, on les enchaîne les unes aux autres, ou 
plutôt elles fenchaînent d’elles mêmes, ; 

L’analogie nous délivre de la peine d’imaginer 
des chofes nouvelles, & d'une peine encore plus 

grande 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 369 


en van eené nog grootere moeite, nas 
mentlyk van in het onzekere der zaken 
te blyven; zy behaagt aan ons vernuft; 
maar behaagt zy aande fiatuur? 
Er is zonder twyffel eenigé overeen= 
komst inde middelen, die de dieren ge- 
bruiken om hun geflacht voorttezetten. 
Want niettegenftaande de oneirdige 
verfcheidenheid die in de natuur plaats 
heeft, gefchieden de veranderingen in 
de natuur nooit op eenmaal, maar in 
de onzekerheid, in welke wy ons bes 
vinden, loopen wy altyd gevaar, van 
voor nabykomende foorten, zulke ver- 
re van elkander afftaande te nemen, 
dat deze overeenkomst „die van het eéne 
foort tot het andere, alleen door on- 
IP, DEEL. Aaot: > merks 


SSSSSSssSssss 


grande, qui est de demeurer dans lincertitude des 

faits. Elle plait à notre efprit, mais plait elle à 
la nature? 

Il y a fans doute quelqu’analogie dans les moyens 
que les differences efpêces d'animaux employent 
pour feperpétuer ; car, malgré la varicté infinie. qui 
est dans la nature, les changemens n’y font jamais, 
fubits. Mais, dans lignorance où nous fommes, 
nous coutofis tofijours risque de. prendre pour des 
efpèces vaifines, des efpèces fi éloignèes, que cer 
te analogie, qui d'une efpêéce à l'autre, ne change 
que par des nuances feufidles, fe perd ou dumoins 

ESE 


872 Pe FERMIN ANTWOORD OP DE 


merkbaare ineen{meltingen overgaat; 
niet kennelyk is, in de foorten die wy 
willen vergelyken, : 

Onder alle onze vermogens is de aan- 
dacht, zonder twyfiel, die, by welke 
wy het meeste belang hebben, om ons 
toeteleggen. … Zy is de moeder van 
het vernuft, en indien het geval, dat 
men voor den eenigen bron van zo vee- 
le ontdekkingen aanziet, niet door de 
aandacht vruchtbaar. ware, gemaakt, 
zouden de ontdekkingen in haare ge- 
boorte, gefmoord geweest zyn en geene 
gevolgen gehad hebben. | 
__Het is van de aandacht, dat het na- 
zoek der waarheid afhangt: zy is-nood- 
zakelyk om de blykbaarheid in onze 
kundigheden te houden, Die meester van 

zyne 


SSSSSSSSSSS 


est meéconnoisfable dans les efpêces que nous vou= 
ons comparer. 

De toutes nos facultés , l'attention est fans con- 
tredit celle que nous avons le plus d’interêt à cul- 
tiver: elle est la mère du génie & fi le hazard qu’on 
regarde comme unique auteur de tant de décou= 
vertes, n’avoit pas été fecondé par l'attention , 
ces découvertes auroient péri en naisfânt & n’au= 
roient eu aucune fuite. 

_C’st de lattention que dépend la recherche de la 
vérité; elle est nécesfaire pour conferver belas 
dans 


VRAGE VOOR * JAAR MDCEEK XN. 35% 


zyne gedachten wil blyven, moet de: 
zelve op een onderwerp bepalen. Zon= 
der een zekeren trap van aandacht, kan 
men geenen voortgang hopen ; men ziet 
de waarheid niet altoos met den eerften 
opflag , zy vertoont zich niet altoos even 
fchitterende ; dikwyls heeft men tyd en 
onafgebroken aandacht noodig, omtotde 
blykbare duidelykheid te komen’, en het 
is by gebrek van genoegzame zoófgvul- 
digheid ten dezen opzichte , dat men van 
duizenden van zaken kwalyk oordeelt, 
Men bepaalt zich in haast, op een op“ 
pervlakkig gezicht, Men geeft zyne 
goedkeuring aan gisfingen, door een 
enkelen fchyn opgeleverd; en oordeel 
vellende, op oppervlakkige en verwar- 

Aa 2 de 

SSSSSSESSSS 

dans hos connoisfances. Celuy ui veut fe rendre 
maître des fes penfêes doit f’accoûtumer à les fixer. 
fur un objet. Sans un certain dégré d'attention 
point de progrès à efperer. La vérité rie fe-mani- 
feste ed toûjours au premier. coup d’oeil & ne 
vous frappe pas toûjours du mêtne éclat; il faut 
fouvent du tems & une application foutenüe pour” 
artiver à l'évidence: & c'est faüte de fe donner uu: 
föin fufifant à cet égard qu’on juge fi mal de millé 
cltofes, On fe.hâte de fe déterminer fur une vüe 
faperficielle., On. approuve des conjeétüres qu’une 
fiinple appärerice a függerées. Et portant ur ju- 

| je 


372 „Pe FERMIN, ANTWOORD, OPDE 


SSSSSSSSSs 


gement „„tandis. qu'on n’a encore que des notions 
vagues & confufts du fujet, on fe plonge comme 
ihfailliblement dans Perreur, Tel ur homme qui, 
marche dans un broüillard épais, ou qui est encore. 
à utie,diftance confiderable d'un objet„en diftingue. 
mal -la couleur, la, fituation ou la figure, & prend’ 
quelque fois une chofe pour lautre; erreurs, qu'il 
aùroit gvitées (’il avoie fufpendu fon jugement, 
jüsqu’à ce qu’il eût &tÉ dans un jour plus favorableg, 
on-plus à portée de bien discerner ce qu’il voyoit. 
„Pour acquërir plus de facilitg à fixer fon atten— 
tion, il faut commencer par, cahuilla Shot gok, 
kknd AARD a á aa ea en ed we bieindher or Sed ede hed 


VRAGEÉ YÓOR *TJAARMBCCLE sn 873 


hebben? willen , te befchöuwen ,°madr 
voor af; ‘moet ‘tien salleés it den we 
ruimen, wat de aandacht kan hi , 
ren; “en “daarna náar niiddelenroimdien 
Ótm) dezelvete hulp te kömefig se 105 
«Zórider möcite” kan" ten zyne aan! 
dacht áän Zäken' geven tôt welker ken: 
nis “men! groete ‘begeêrtd’ Heeft vöoral 
indien het is vöorwerpen zjn’, 
óf defikbeelden ,"die-de werbeeldingttef- 
fen: Terwyl wyonze°aandaëht óp ee 
nie zaak vestigen, möeteten’ alles-döën 
verdrjmien 5! dàt onze ziëlvreenide dek. 
beelden kaninboezemen, ‘omtfen het 
soorwerp’ dat meù*onder hander’ tieeftg 
Ey“ vooral ""îndietr ° deze’ vdenkbeelde 
rieuw “zyn. '““Tot «dit foört” behooren 
„1oorov svissob iehAgnegioov Jed 1agie 


SNN ISIN 
ENEN Nn KNN NL 
est hors de nous & dont nous voulons avoir une 
idée: mais: ib-faut dvant\tout écarter ce qui-pour- 
roit:troubler l'attentiong.; enfuice il faut chercher 
des-fecòurepaurolaiders vo Brinsv al an oderordsar 
voOn n’avaucune peine à.donner {on attention.aux 
chofes que l'on défirebeaugoup de connoître:. fur 
eut fisce) font, des objets,fenfibles ou des-idées qui 
rappent Pimagination.: Pendantogque,nous (ommes 
attentifs &ùne :chof8 „il; faut ‚éviter, tout, ce qui 
peut coMmùuniquer,À notre ame-des idées Étrangè- 
res au/fajewdont il Pagic,8 partieulieremene.fice5 
idées font nouvelles, „Dêvce genre, font tous is 
1 ob« 


f 


jl 


nd 


874 Bs-FERMIN ANTWOORD. OP-DE 


alle de tot dien tyd „onbekende. voor: 
Werpen, die onze gäptuigen fterk aan? 


„Wanneer men zich in het onderzoek 
der waarheid. wil inlaten, en zich toe: 
leggen; „om zyne rede te. volmaken , 
moet, men ‚nooit door eene te. fterke 
verbinding aan de zichtbare dingen be: 
heerscht. worden, … 

„Een mensch, door liefde, vreeze, 
toorn, of knagende zorgen „of hevige 
pynen overmeesterd, is zo weinig mees- 
ter „over zichzelven, dat hy zyne ge- 
dachten niet kan-by- elkander houden 

ophet. tan. zyner - „overdenking, 
De drift, die hem. overheert, zal hem 
geduurig. wegflepen,, «en, zelfs. ontydig, 
agr het voorwerp;dat dezelve je 
zaakt 


vn nn 


essscesssen 


gtje ts zisqu rato inconnûs qui frappent nos 5 ns 
Ine faut pas quand. on veut fengager: dans Ja 
echerche de la vérité ou travailler: à perfectionner 
B raïfon , êcre doming par aucun attachement trop 
fort, our les chofes fenfibles, tl 
“Un homme qu’agite , ou l'amour, ou la crainte, 
ou la colére , ou des foucis rongeants , où une vive 
douleur „ est fi peu maître de lui même qu’il ne 
peut tenir fes penfées recücillies fur le fyjet de fa 
meditation; la’ pasflon qui le domine entraînera 
fâns cesfe' $% avec importunité vers Pobjet qui l’au- 
ra 


VRAGE VÓÓR °F JAAR MDEEL KEN. 395 


zaakt heeft; en indien fen zich dikwyls 
aan dergelyke aftrekkingen toegeeft, en 
zyne driften niet breidelt, zal meén een 
luchtig carater krygen, en onbekwaam 
tot aandacht. oNEPE 
Het is tmoeilyk voor een mensch; 
vooral wanneer hy ‘er niet aan gewoon 
is, om zyne aandacht ter zelver tyd 
op verfcheiden afgetrokken denkbeel: 
den te vestigen, en vooral wanneer men 
dan de eene en dán de andere fatnerì 
moet vergelyken, en zich telkens die 
herinnefen, die hy befchouwen moet; 
het geen dikwyls noodzaäkelyk is. — … 
_ In zulk een geval moet men doot eet 
nige teekens de voornaamtfte denkbeelf 
den aanduiden, over welke men trede: 
Âa 4 ne- 


ra excite; & fi Pon fe permet fouvent de pareilles 
diftraétions en ne tenant pas fes pasfions en bride, 
on deviendra d'ún caraétère léger & incapable d’at= 
tention. Ad PI 
„Hest difficile à un homme, fur tout quand il n'y 
est pas accoûtumeé de faire attention en même tems 
à plufieurs idéés abftraites , particulierement quand 
il faut comparer enfemble, tantôt les unes, & tan- 
tôt les autres & fe rappeller à chaq’inftant celles 
qu'il doit eonfiderer; opération qui est très fou- 
vert: méeesfaire “> rh be 

En ce casil faut défigner par quelques marques les 

dk prin- 


376 ;P‚ FERMIN- ANTWOORD-OP:DE » 


neren moet,‚en deze kentekens op het 

apier-zetten ‚-om dezelve, dus onder 
ie oogen hebbende, zo veel te gemak- 

elyker te herinneren, wanneer.men de: 
zelve nodig heeft, Het is ook-noodza- 
kelyk van zich, aan die letteroeffeningen 
te bepalen „ die een-natuurlyk en naauw 

erband hebben ;-tusfchen- de verfcheis 
ht se der „onderwerpen; die-men 
behandelt ; zodat het eene zonder moei, 
te, uithet ander: voortvloeit, …, - hb 
3;-Dit -is-eene,eigenfchap: van, verfchei, 
den der wiskundige weteníchappen, zo 
niet van alle, „Deze famenhang. en achs 
tereenvolging behagen aan eenredelyk 
vernuft, en vestigen de aandacht fterk 
door. het vermaak zelve „dat men in dash 


IA 


priacinele idees fur lesqueiles on doit raifonnerg 
T tracer, ces, marqu@s fur le papier, afin que les, 
ayant par ce moyen toutes devant les yeux,; on 
puisfe fe rappeller fans peines celles dont on a be» 
foin.. Il est ansfi.nécesfaire de fattacher aux €tu- 
des qui mettent une. líaifon naturelle & étroite en, 
tre les diverfes patties des fujers traïtes, enforte. 
que, Pune, découlg fans peine d’ l'autre, C'est là 
le propre de plufieurs d'entre les fGiences mathéma-, 
tiques, fi ce n?est de toutes, „Cet,enchaînement, 
cette fubordination plairont à un efprit raiton=, 
nable &fixeront puisfamment fon attention, Dai 
Hr PE grs 


VRAGE VOOR °T:JAAR. MDCCLXXI. 377 


oefening: vindt, die. zó natuurlyk is‘aan 
onze vermogens; … ‚tE A 
„Men verhaaste -zich: ook niet» met 
een befluitende bepaling temaken in 
moeilyke len gewichtige ftukken ; men 
denke datde waarheid‘werdient „dat men 
moeite doêt om dezelve te vinden; men 
fchorte zyn oordeel-op ;:tot. dat de trap 
van duidelykheid genoegzame bewyzen 
aande hand geeft „ voor het een of 
voor! hetander, soin besb vab ni nom 305 
„Al waremen met een volkomen-door- 
zicht begaafd, zoude -de aandacht: al: 
leen niet, bekwaam zyn-om ornis de voor« 
werpen „die voor ónze oogen verborgen 
zyn te-ontdekken; indien wy; by-on- 
geluk,- van. ons gezicht beroofd waren; 
roi} Aa 5 ; Al- 
grement même qu’il trouvera dans cet exercice fi 
naturel de fes facultés. Ne vous précipitez pas 
non plus d'en venir à une détermination fidale fur 
les „points difficiles. & importans. Penfez-quê la 
vérité. merite-que vous':vous- donniez (lä'‘peine de 
la trouver. Sufpendez votre jugement jusqu’à ce 
que le degré de evidence vous ait fait trouvef des 
preuves fuffifantes, foit pour Pun foit pour l'autre, 
Quand même on. fetoitsdoùë d'une intelligence 
parfaite „ attentionsfeutem?est pas-scapablede 
nous faire appercevoir les objets qui fort cachés à 
nos „yeux; fi, par malheur-nous fommés privés de 
iik Ds Roti ae 


la vùes ze 
ALDE out 


378 -P, FERMIN ANTWOORD OP DE 


„Alles hangt derhalven van de hulp 
der aandacht af, en van het vernuft, 
en-dewyl de laatfte dezer vermogens 
de noodzakelyk{té is van alle voor den 
mensch, moeten wy ons tot‚het onder- 
zoek. bepalen, wat weg men moet in- 
{laan :om dezelve te doen geboren wor- 
den, -&n:te doen aangroeien. 


‚Het VERNUFT is een vermogen, 
dat men in der daad niet dan door konst 
kan verkrygen. Wy hebben in het al- 
gemeen geen vermogen, ’twelk zyne 
volkomenheid niet verfchuldigd is «aan 
konst én oeffening. De dagelykfche on- 
dervinding leert ons ‚dat hetgene ons 
in het begin moeilyk fchynt,-en mis- 

N - EN fchien 


__ SSSSSSSSsSn 


Tout dépend done‚du concours de l'attention & 


de Pintelligence ; &comme la derniere.de ces fa- 
cultes est la: plus nécesfaire de toutes à Phomme, 
attachons nous à examiner comment il faut f’y 
prendre. pour la faire naîcre & lui procurer dés ac= 
croisftmens, shanog 310 gt 
L’-intelligence estotne- faculté qui ne peut à la 
veritë f’acquerir quêspar lart, Nous f’avons en 
éneral aucune faculté,qui ne doive toute fà pers 
etion.à Vart-& à Vekercickt, …L'expériencesjours 
naliere nous enfcigne que ce qui au commencé 
1:0T ment 


z 


NRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 399 
fchien „onmogelyk, door oeffening; ges 
makkelyk wordt. nos |ea 
„Ik:beken , dat ?er natuurlyke bekwaam: 
heden vereischt worden, en wanneer 
deze. ontbteken , doet de kunst: niets; 
maar de vermogens, die de natuur ons 

eft, konnen zeer vermeerderd “wor: 

en door de oeffening, hetgene in kor- 
ter tyd gefchiedt, indien deze oeffening 
gefchikt wordt naar zekere regels, dat 
is volgens de kunst. | 
„Om ons vernuft “wel uittebreiden; 
moet men-beginnen-met een klein’ getal 
denkbeelden te gelyk te befchouwen ; 
wanneer onze ziel de gewoonte gekregen 
heeft, vande denkbeelden te befchou- 
wen; en dezelve onderling te Ka 


ment nous paroit difficile & peut être imposfible, 
devient aifé à force d’exercice. 

Javoüe qu’il faut des difpofitions naturelles, 
quand: ces dernieres manquent, l'art ne fert de 
rien; mais-les talens que la nature nous donne, 
peuvent être prodigieufement augmentés par. lexe 
ercice; ce‚qui fe fait & en moins de tems, fi cet 
exercice est dirigé fuivant certaines règles, c'est 
à dire avec art. Hótc 

Pour bien étendre notre intelligence, il faut 
commencer par examiner un petit nombre d’idées 
àla fois:,quand notre ame-aura pris l’habitude de 
confiderer cesidees & de les comparer enfemble; 

on 


380 Ps FERMIN/ ANT WOORDCOP-DE “7 


ken „zoude men-dezelve een grooter ge: 
tal konnen aanbieden „ om ten hunnen 
opzichte dezelve: ‘gewoonte. ‘te verkry- 
gen;en dus fteedsvervolgens;7 « 
«eiWy brengen dezen regel ino oeffe- 
ning 3 wanneer ‘wy ons toeleggenbop ee: 
ne wetenfchap::die “ons geleerd is, in 
zulk eene order , at de-gemakkelykfte 
zaken -ons-hetreërfte. geleerderworden; 
er naderhands-de andere ;die moeily: 
ker zyn, en dat opeche°wyze; die 
niet:totseen voorftel- overgaat, “voor 
datrdeiwaarheid:der“voorgaande voor: 
ftelten owel>begrepen: is. otor bisadareb 
ssDoórrdit middel ‘breidt men zniet: al: 
leen/‘het, vermogenduit vanbveele denk? 
beëldenvte:gelyk te befchouwen; maar 
cod ook 


SNS SSS SSESSS 


of potrra'lui en offrir un-plus grand nombre , afin 
qu'elle prenne à leúr égard la même habitude & 
ainfi toûjours-de fuite.” t APOP IUONEE 
SNóüs ‘réduifons- cétte règle en pratique’ lorsquê 
nòùs mous. appliquons à une fgienee , qûï Hous est 
ehfeigùëe “dans untel‘ordre que les chófes faites 
nous foïënt propofées les premieres & enfuite d’aus 
érös” phús' difficiles Se “cela: de maniere; “qu'on he 
asfe jamais à une propofition avant qúe d’avoit 
ien. compris la vérité ‘dê”toutes les propofitions 
qì Pónt 'précedeé, 7 KEES 1 36 ed epen 23 
SL Par ce “moyen of! wetend pas feulement la faculs 
té A8 cónfiderer enfemblesplufieurs -idéés ; ‘mais Pas 
no me 


VRAGE. VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 385 


ook vestigt-zich de ziel in de bekwaame 
heid van; zich niet. dan-aan de-blyke 
baerpelderorteBeven.n tr _issaosW 
„In der daad „de natuur heeft aan de men 
{chen geen vernuft gefchonken ;-*t gene 
iemand;bunner , hoezeer, hy zich ook 
toelegge , in ftaat ftelt „tot een algemee- 
ne kennis ; yder moet zich voornament- 
lyk toeleggen op die wetenfchap;, door 
welke hy. zich kan vleien het. meeste 
nut aan de, menfchelyke. famenleving; 
toetebrengen, … . Maar behalven … dat, 
moet, men:,…-zo- veel : men kan „ook. 
trachten, andere ‘kundigheden ‘te, wer- 
krygen. Eene zaak echter moet men. 
hier, aanmerken, en het is goed ’er: 
een byzondere aandacht op te vesie 
Ben; 


SSISSIS SISSI 


me f’affèrnift ausfi dans la difpoftion de nefe ren= 
dre qu’à evidence. gep n 
A la vérité, la nature n’a point donné aux hom-, 
mes une intelligence qui puisfe mettre aucun d’eux 
quelque diligence qu'il y employe, en état’ d’ac= 
qüêérir un fcavoir univerfel; chacun doit f’applie 
quer principalement à la fcience par laquel e il 
peut fe flatter de procurêr le plus d’utilité au gen-_ 
re humain, . Mais outre cela il doit autant qu’il lui 
est posfible tâcher d’acquérir d'autres connoisfan= ’ 
ces. Il ya cependant une chofe à remârquer ici &- 
il est bon d’y faire une attention’ patticuliere, : 
er ' AJAERS VAR Jow J gea ld alai ed b ijd « Test’ 


982 HK FERMIN ANTWOORD óp Di” 


gen, namentlyk onzen geest te geweris 

nen aan afpetrokherd befpiegelingen,. 
Wanneer men denkbeelden — moet 
vergelyken, konten wy nooit meer 
voordeel trekken, dan wanneer wy die 
denkbeelden van elkander fcheiden , omt 

dezelve te beter te befchouwen, 
_ Hoe meer wy ons vernuft en Onze 
aandacht aankweeken, hoe meer wy de 
blykbaarheid ín het nazoeken der za- 
ken vinden zullen, door een vérband: 
wan overeenkomften, dat- ons “begrip 
ontwinden zal. In der daad, de blyke 
baarheid is het-onderfcheidend ken- 
merk van waarheid, of om beter ‘te 
zeggen, het is eene onderfcheiding in 
de wyze, op welke zich de ies 
| en 


c'est, que nous devons -accoûtumer notre efprit à 
des confidérations abftraites. 

Lorsqu’il est queftion de comparer enfemble des 
idées nous ne tirons jamais plus d’avantage de ces 
förtes de comparaifons, que quand nous féparons 
ces idées de toutes les autres pour les mieux exa- 
miner. fs 

Plus, trous cultiverons notre intelligence & no- 
tre. attention, plus. nous apperccvrons l’évidence 
dans. la recherche des faits par une liaifon, de rap= 
ports que notre entendement developpera. En ef= 

ët. lévidence est la. marque caraêtériftique, de la 
vérité, ou pour mieux dire, c'est une mie 
ans 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXI 383 


den aan ons verftand vertoonen, die 
ons eene volkomen of ten minfte- ge- 
noegzame kennis verfchaft, om ons te 
overtuigén, dat hetgene wy kennen, 
wel kennen, en dat wy ons hetzelve. 
verbeelden, zo als het in der daad is, 
De moeilykheid nu beftaat, in zich te 
verzekeren van hetgene ‘er is, en ‘er 
zich zo volmaakt van te verzekeren , dat: 
het niet mogelyk is, dat, men. zich be- 
driege, want die verzekering die: vol- 
komen gerustheid, is het geen men blyk. 
baarheid noemt. | 
Men moet derhalven zoeken te: bes 
alen, waarin eigentlyk de blykbaarheid. 
helaas, wanneer men dit woord voor 
eene „zo volmaakte kennis neemt, dat 
et 


U 


dans la maniere dont les idées f’offrent à notre 
efprit, qui nous en procure une connoisfance com 
plette, ou du moins fuffifante pour nous convain- 
cre, que nous connoisfons bien ce que nous con= 
noisfons; que nous nous le repréfentons tel qu’il 
est. 

La queftion maintenant est de f’asfürer. de.ce quù 
est, & de f'en asfurer fi parfaitement, qu?il ne- 
foit pas posfible qu’on fe trompe: car, c'est cette: 
asfurance, cette certitude parfaite, qu’on appelle 
Evidence, BOM 

‚ Déterminer donc en quoy confifte précifement: 

Evidence en _prenant. ce terme pour une: ee 

an= 


394: PSFERMIN ANTWOORD OP DE “7 


het onmogelyk: is; dat men’ dwale in 
hetgene dusdanig gekend wordt, 
Men noemt de onmiddelyke ‘bemer- 
king blykbaarheids Deze blykbaarheid 
is” het onderfcheidend ‘kenteeken- van 
waarheid voor de:denkbeelden, die wy 
onmiddelyk bemerken , dat is te zeggen, 
dat zy genoegzaam is, om ons -volko- 


men te overtuigen, dat het denkbeeld , 


dat: wy: verkrygen „overeenkomt met 
hetgene’ wy onmiddelyk bemerken, 

Deze waarneming’ kan men op alle za- 
ken, die wy onmiddelyk bemerken; 
toepasfen , want indien de zaken niet 
metde denkbeelden zelve  overeenko- 
men, konnen zy niet onmiddelyk ge- 
dab «demoon chrtod. od: | zien 
A: SSSSSSSSSSE 


fance fi parfaite, qu’il foit imposfible d'être dans 
Perreur-alegard de ce qui est ainfi connu; c'est 
ce qu’ilfaudra chercher. 
„On appelle Evidence, la perception immédiate. 
Cette évidence est la marque diftin&ive de la veri- 
té, pour des idées que nous appercevons immédi-= 
atement. C'est à dire, qu’elle fuffit pour nous 
convaincre plainemênt, que l'idee: que nous ac= 
quérons convient avec ce que nous appercevons 
immeédiatement. 
Cette obfervation peut f’appliquer a toutes les 
chofes que nous appercevons immeédiatement, câr 
fi les-chofes ne conviennent pas avec les idées méê- 
mes; €lles-ne pourroient pas être appercuês sea 
\ mé- 


« 


VRAGE VOOR °T' JAAR MDCCLX XII: 385 


zien. wòrden „ om -dat.‚órze ziel,-niet 


dan. denkbeelden. befchouwts … os +: 
„Uit het;-gezegde kan -men: ook-af- 


leiden , dat alle beoordeeling recht: is 
zodra ten, de, overeenkomst, der; denke. 
beelden „die, aan’-onze' ziel zich „voors 
doen, onmiddelyk ziet ; én hierom; ver» 
toont ons „deze benierking „> deisware 
overeenkomst , tusfchen deze denkbeel« 
den „ wantiop. denzelfden;:tyd;, dat ik 
zulk eene overeenkomst gewaar, worde’, 
kan. het» denkbeeld „niet: afgefcheiden 
zyn, vande denkbeelden’, die ik ver, 
gelyk. „Hier van däan/ásshet, dat-men 
rede kan’ geven ,,waarom:de-blykbaar- 
heid, onze stoeftemming;;op- zulke, ee: 
ne. onweerftaanbare wyze boyerhaalt, 

1.) DEEL. Mei, Alom 


SSSSSSSSSSS: 


Die ov UOTS Ok Sanobivs tl go Wor wA old: gTk 
médiatement, puisque notie Ame m’appergoit que 
des idees. … 4 


ovmintn sl binn3 395 Baster emonlig 
„On peut déduire ausfi de, ce qui, vient d'ctre dit, 


däfice entraine, notre cónfentément ‚ d'une maniere 
Cn. < ad … a k Th j Jae ed de ah 4 & ir= 
wid 


335: PICFERMIN ANTWOORD OP “DE 


Alom!swaar-blykbaarheid. ís, doet zy 
zich zo klaär:bemerken , dat het niet 
mogelyk is; dat zet tér onzen opzichte 
de: e twyffeling overblyft, . Yder 
dikriëts: -bedry pt; gevoelt; datchy dat 
begrip heeft; “dat: het aan zyn ziel te: 
genswoordig “is ; én “hoe “kan ‘hy in 
6wyffel trekken; dat hy ziet; hefgene 
ogitepb svob.nodokeu)  Jemodasoidve 
Wy konhete óns: volftrekt niet. bez 
dieper „zodra ‘deo blykbaarheid ots 
hebt bybet indien Pér,dwaling ás in on 
ze defikbeelden‘efin ons oordeel „ kan 
ditrpèen -oofzaale ‘hebben ; dan in het 
| keván- blykbaarheid; de blykbaar: 
eid Au Ontbreëkt ;wânneer wy beves: 
tiger dat-dingenr, van welke-onze ziel 
MOLE qd ann geën 
irréfiftible, Par tout ou l'evidence fe trouve, elle 
fé fait féritir: fi-clatrement qu'il n'est pas posfible 
qu’il nous refte à cet égard le moindre doute. Ce- 
Tui qüï a une perception , fent qu’il a la perception 
qui est ‘prefente á foname; & comtnent pourroit-il 


revoguêr en ‚doute, qu’il appergoit, ce qu'il ap- 
percoit, ee ies tn enting je 


“Nous rie faurions abfolument nous tromper, dès 
que Pévidence ‚nous éclaïre, fil PEA de lerreut 
dans nos idées ou darts nos jugemens, cela r 
peut provenir que du défaut de V'evidenice, or 1'é- 
vidente manque quand nous affirmons qùé les € 
fes dont notre ame n’a point acquis la connoisfar- 
d. ce 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXH. 387 


geen kennis gekregen heeft door eene 
onmiddelyke gewaarwording ‚waar zyn, 
Waar vit men kan befluiten , dat-wan- 
neer men op de. blykbaarheid- acht 
geeft, men in alle wetenfchappen;, die 
op denkbeelden fteunen, de dwaling 
kan ontgaan, zonder op de ‘zaken 
zelve acht te geven; gelyk in de zuives 
re wiskunde, Vindt men in dit foort 
van wetenfchappen eenige dwaling, 
dezelve kan echter nooit de denkbeel- 
den raken, «Men onderftelt de. denk: 
beelden, en de gevolgen worden ’er ‘uit 
afgeleid, zo dat indien:?er. dwaling zis, 
kan men dezelve alleen in de gevolgen 
zoeken. Maar alle: gevolg is een oor- 
deel, waar van de zekerheid: -afhangt 

| ba van 


SSS 


ee par une perception immédiate, font vrayes, 
D'où Pon peut conclure qu'en faifant attention à 
Vévidence, on peut éviter erreur dans toutes les 
fciences qui ne-roulent que fur des idées, fans 
qu’bn aît égard aux chofes mêmes; telles-que font 
les mathématiques pures. S'il fe trouve quelqu’ 
erreur dans ces fortes de fciences, elle ne peut ja= 
mais regarder- les idées. On fuppofe ces idées & 
des contéquences f’en déduifent, de forte que fil 
y a de erreur ; c'est dans ces conféquenees feules 
qu'elle peut fe trouver. “Mais toute conféquence 
est un jugement dont la certitude dépend de l'évie 


388 P, FERMIN ANTWOORD OP DE 


vanode blykbaarheid, Ik zeg, dat men 
in alle deze wetenfchappen denkbeelden. 
onderftelt,. Hierom nen de gevol- 
gen niet tot de zaken zelve overgebracht 
worden ;; dan onder die voorwaarde, 
dat de denkbeelden ons die zaken we- 
zenlyk moeten vertoonen— Hier uit 
leert men , dat de blykbaarheid;ons voor 
dwalingen in alle die wetenfchappen be- 
hoeden moet; die denkbeelden ten on- 
derwérpe hebben, welke onze ziel ver- 
krygt, wanneer zy op haar zelve acht 
flaat,"dat is, wanneer zy acht flaat op 
hetgene:zy doet-en gevoelt, . 
„„Eindelyk. moet men in de blykbaar- 
heid „de waarheid van alle oordeel zoe- 
ken, dat-wy vormen in het nagaan der 
oorzaken en uitwerkfelen, ï 

| n 


S SIS ie 8 E 


dence. Je dis que dans toutes ces fgiences on fup- 
pofe les idees; c’est pourquoy les conclufions ne 
peuvent être rapportées aux chofes mêmes, que 
fous cette conditiôn „ files idées nous reprefentent 
véritablement ces chofes, On déduit de là, que 
Pévidence doit nous garantir de l'erreur dans tou- 
tes les fgiences qui ont pour objet les idées que 
notre ame acquiert en faifant attention à elle même, 
c'est à dire à ce qu'elle fait & à ce qu'elle fent. 
Enfin il faut chercher dans lévidence la verité 
de tous les jugemens que nous formons dans la 
recherche des caufes & des effets. Dans 


VRAGE VOOR °T.JAAR MDCCLXXII, 389 


In deze gevallen en in alle-andere 
foortgelyke ; kan ’er gene dwaling zyn, 
dan voor zo ver men verwaarloost acht 
te flaan op de blykbaarheid. 

Dewyl nu de onderfcheiding der denk- 
beelden, waaruit de duidelykheid der 
voorftellen geboren wordt, het eenig 
middel is, om de waarheid te kennen, 
konnen onze kundigheden niet van el- 
kander verfchillen, dan door hetgene 
‘er het voorwerp van is; en niet door 
de wyze van het voorwerp te kennen, 

Yder mensch, die eenige kundighe- 
den zoekt te verkrygen, kan alleen als 
een rekenaar handelen, famenvoegen, 
aftrekken ,de waarde van een denkbeeld, 
of hetgeneeen denkbeeld beteekent, be- 

Bef ideal ylovoafshow 


SSSSISSSISSSS 


Dans ces occafions comme dans toutes les autres 
il ne peut y avoir de Perreur qu’autant qu’on née 
glige d'avoir égard à l'évidence. 

Or, puisque la diftinttion des idées d'où nâît 
Pévidence des propofitions, est le feul moyen de 
connoître la vérité, nos connoisfances ne peuvent 
differer entr’elles, que parce qui en est l'objet, 
„mais non pas la maniere de le connoître, 

Tout homme qui veut fgavoir quelque chofe ne 
peut faire que ce que fait un arithméticien , ajoûù- 
ter ou retrancher, confiderer la valeur d’une idée 
ou d'un mot qui la fignifie comme un arithmeticien 
57 con= 


900 P. FERMIN' ANTWOORD OP DE 


fchouwen , gelyk een rekenaar het denk- 
beeld van een getal of van een cyffer- 
letter, die ’er het teeken van is, be- 
fchouwt; geen van beiden bedriegen 
zich, “wanneer-zy duidelyke denkbeel- 
den hebben van de voorwerpen, die zy 
befchouwen , en de bewoordingen wel 
kennen, die zy gebruiken om die uit te 
drukken; ten ware men gebrek aan aan- 
dacht, hebbende of zich te fterk op zy- 
ne bekwaamheden verlatende, zich de 
moeite niet gave om de juistheid van 
zyn onderzoek naar te gaan , en deklaar- 
heid van zyne denkbeelden. Gelyk nu 
de famenvoeging van cyfferletters, zich 
door de aftrekking laat bewyzen, zo 
wordt ook de noodzakelykheid , door 
de onmogelykheid bewezen, en van de 

an- 


SISSSSSSSSESE 


confidère lidée d’un nombre ou d'un chiffre qui 
en est la marque, alors ni lun ni lautre ne fe 
trompe , quand il a des idees diftingtes des objets 
qu'il examine , & qu’il connoit bien les termes qu’il 
employe pour les fignifier, à moins que lun man- 
que d’attention , ou que fi fiant trop à fon. habileté, 
il ne fe donne pas la peine de vérifier Ja juftesfe de 
fon examen & la clarté de fes idées, Or de même 
que l'addition des chiffres fe Vérifie par la fouftrac- 
tion & que reciproguement l'addition fert.de preu- 
ve-à la fouftraêtion , de même la nécesfitg. fe verifie 


par 


VRAGE VOORT JAAR MDCELXXI, 391 


andere-zyde {trekt het-onmegelyke' tot 
eene proeve - van het neodzakelyke;, 
waar uit-.dan de-blykbaarheid “voort- 
Wpeeitsoss roorol allah, stebns 
„Even als ik-ten eerfte de-blykbaarheid 
van een rekenkundig. voorftel-bemerk;, 
wanneer dit voorftel zeer eenvoudig is, 
gelyk wanneer ik zeg tweemaal twee is 
vier enz, en in tegendeel ik geene, dui- 
delykheid zie, wanneer-het voorftel wat 
famengefteld is, gelyk wanneer ik 
honderd zevenenveertig en. honde 
__drieënenzeventig, maken driehonderd 
en twintig enz, fchoon dit voorftel niet 
minder op de duidelykheid fteunt „dan 
het eerfte; dus ook konnen de. voor- 
rset or Bhoag nodoten: eihiftél- 


SSSSSSSS ESE 


par l'itmposfibilité & reciproquement l’imposfible 
dert de preuve au nécesfaire, d'où refülte. l'évi- 
dence. nors rs 

… De même que jappergois dabord l’evidence d’u- 
sne propofition arithmétique quand elle est extre- 
„mement fimple , comme quand je-dis deux & deux 
font quatre &c, & qu’au contraire je n’appergoive 
pas l'évidence dès que la propofition est‚un peu 
‘compofte ‚comme quand-je-dis, „cent quarante 
sept & cent foixante & treize font trois cent & 
vingt &c. quoy que cette derniere propofition ne 
foit pas moins fondée fur evidence queda premie- 
1e; de même ansfi ‚dans, les-aurres-fgiences „ les 
HT gf pro= 


302 Ps FERMIN ANTWOORD OP DE 


ftellen in andere wetenfchappen, wan- 
neer zy wat uitgebreidt zyn of famen* 
gefteld, of de duidelykheid van eenige 
andere veronderftellen, fchoon zeer blyk- 
baar ín zich zelven, echter niet duidelyk 
voorkomen, endus kan zich de blyk- 
‚baarheid niet vertoonen, ten zy mende 
duidelykheid der veronderftelde voor- 
ftellen kenne. 5 | 
verDe rede, waarom hetgene voor den 
eenen ‘klaarblykelyk waar is, het ook 
zo-voor anderen niet is, is niet alleen, 
‘datde voorftellen meer of min’ konnen 
famengefteld zyn, hetgene meer of min 
verbeelding vereischt, maar behalven 
dat; om dat ’er een aanmerkelyk ver- 
fehil is, tusfchen hetgene in zich An 
ui- 


_ sssssesssss: 


propofitions un peu etenduës ou compofées, ou 
qui fuppofent l'évidence de quelqu’autre, peuvent 
oft bien,quoy qu’evidentes en elles mêmes, ne le 
pas-paroître & par conféquent levidenee ne pas fe 
faire fentîr) à moins qu’on ne connoîsfe l'eviden= 
ge des propofitions fuppofëées, : 
La raifon pourquoy , ce qui est évidemment vray 
pour les uns ne.Pest pas pour les autres, est non 
feulement-que les propofitions peuvent être plus 
ou moins compofées , ce qui exige: plus ou moins 
d'imagination ‚ mais encore parce qu’il y a une 
difference notable entre ce. qui est evident en 8 
mé. 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 393 


duidelyk is, en hetgene duidelyk is by 
gevolgtrekking. _Wyl het laatfíte foort 
van voorftellen niet duidelyk kan bly- 
ken, dan alleen aan hen, die de blyk- 
‘baarheid der grondbeginfelen zien, en 
de blykbaarheid van het verband van 
die beginfelen uit de gevolgen, die ‘er 
duidelyk uit voortvloeijen, hetgene ee- 
nig vernuft vereischt, Men neme, by 
voorbeeld, dit duidelyk voorftel, dat 
driemaal 3: ro zyn „ en het : vooronder« 
ftelt deze redenering, om dat alle de 
deelen van een geheel famengenomen, 
klaarblykelyk gelyk zyn aan een geheel, 
of aan de eenheid, en dat de eenheid 
klaarblykelyk niet meer dan 3 bevat ; het 
is derhalven klaar dat driemaal : één 


b 5 maakt, 


même & ce qui est confquemment évident: vû 
que les propofitions de’ ce dernier genre ne fcau= 
roient paroître Evidentes, qu'à ceux qui fentent- 
Pevidence des principes & l’évidence de la liaifon 
„de ces ree avec les conféquences qui‘en re- 
fultent Evidemment; ce qui requiert quêlque faga- 
cités Prenois par exemple cette propofition évi- 
„dente que 3. fois 3. $ font ro. Et le 4 préfupofe 
ce raifonnement; puisque toutes les parties dun 
entier font enfemble Evidemment égales à un entier 
ou à unité, & qu’ videmment unentier ne con- 
tient que 35-il-est évident que 3,fo + font r, done 
= il 


394 P. FERMIN ANTWOORD OP DE 


maakt, en het is dus ook klaar „ «dat 
men om driemalen 3: tej hebben ‚ men 
1 moet voegen by driemalen 3, die ten 
duidelykften 9 maken, en dat derhalven 
zo klaarblykelyk gelyk is aan driema- 
len 3: wyl deze fom beftaat. uit driema- 
len 3, en driemalen 3, hetgene hetzel- 
ve is als driemalen 3 en :, of driema- 


Jen 3: en 

_ Men ziet, dat dit ftuk fchoon wat 
verdrietig, opleidt, om de natuur in de 
verfchillendheid der duidelykheden te 
toonen. 

By gebrek van. deze kennis, zyn ’er 
voorftellen , die my zeer valsch zouden 
voorkomen, om dat zy ftryden zouden 
tegen eenig gevoelen, door het Hoeren, 
s ee 


SSSSSSS SSS 


il est evident que pour-avoir 3. fois-3, 4. il faut 
ajoûter 1, à 3. fois 3. qui font Evidemment 9..& par 
conféquent la fomme 1o. est évidemment égale à 
„3 fois 3.{. puisque cette fomme est-compofëe de 3 
fois 3. & de 3. fois 4 la même chofe.que-3 fois 3 & 

$ ou 3. fois 34. jo ebt 
On voit que ce detail. quoyqu’un peu ennuyeux 
conduit à connoître plus-diftinttement la nature & 

les diverfités de l’évidence. ; eemtanr . 
Faute de.cetee connoislance il ya telle ‚prapofi- 
tion qui -pourroit me ‚paroître très fausfe parce 
‚quelle feroit contraire àquelqu’opinion que le pré- 
ju- 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIk 395 


deel ingeboezetmd, en die echter voor 
my ontwyffelbaar waar zyn zouden, in- 
dien myne onwetendheid de waarheid 
niet bedekte; hier uit volgt, dat ik niets 
voor waarheid moet aannemen , dan dat 
de duidelykheid my dwingt toe te ftaan;; 
ook moet ik niets als valsch verwerpen, 
dan dat de duidelykheid my dwingt te 
verwerpen. Zo lang ik geen blykbaar« 
„heid hebbe, is de zaak niet noodzake- 
lyk; het tegendeel is niet onmogelyk; 
het is dan mogelyk dat zy valsch zyn 
_ kan, gelyk het ook mogelyk is, dat zy 
waar kan zyn, en deze mogelykheid, 
die de zaak waarfchynelyk maakt, moet 
my beletten te befluiten, dat zy waar 
is, gelyk zy my moet beletten te beflui- 

ten, 


SSSSSSSSS SS 


jugé m’auroit fait adopter & qui feroit cependant 
indubitablement vraye pour moy-même, fi mon 
ignorance ne m'en voiloit la vérité; d'où il refulte 
que fi je dois ne rien admettre pour vray , que ce 
que l'évidence me force d'admettre, je dois de mé- 
me ne rien rejetter comme faux, que ce que l'évi- 
dence me forcera de rejetter. Tant que je n’ay 
point d’évidence la chofe n'est pas nécésfâire, le 
contraire n’est pas imposfible: il est donc posfible 
quelle foit fausfe comme ilest posfible qu’elle foit 
vraye , & cette. posfibilicé qui le rend probable 
doit m'empécher. de décider qu'elle est vraye, 
com- 


396 P, FERMIN ANTWOORD OP DE 


ten, dat zy niet waar is. Men moet 
dan onderfcheid maken, tusfchen de 
duidelykheid op haar zelven genomen, 
als eene trap van kennis, in welke het 
onmogelyk is te dwalen, en tusfchen 
een duidelyk voorftel, De duidelykheid 
aangemerkt op zich zelven, kan in een 
voorftel plaats hebben, zonder dat (zy 
ten eerfte blykt. ’Er wordt aandacht, 
‘er wordt oeffening vereischt, ’er wordt 
eene voorgaande duidelykheid gevor- 
derd, daar integendeel de waarheid van 
een duidelyk voorftel, zich noodzakelyk 
ten eerfte doet zien; het zy dat de kun- 
digheden, welke zy onderftelt zo een- 
voudig zyn en zo duidelyk , dat zy zich 
byna zonder overdenking Speen 

| ier- 


ssssssssss 


comme elle doit m'empêcher de décider qu'elle est 
fausfe. Il faut done diftinguer levidence confide- 
rée en elle même, comme le dégré de connoisfan- 
ce où erreur est imposfible , d'avec une propofiti- 
on evidente. L’évidence confiderée en elle mé- 
me, peut être dans une propofition fans f’y faire 
dabord fentir: il faut de la refiexion, il faut de le- 
tude; il faut une évidenee antecedante; au lieu 
‘qn’une propofition évidente est une propofition 

ont la vérité fe fait dabord & necésfairement fen- 
tir „ foit parce que les connoisfances qu'elle fuppo= 
fe font fi fimples & fi préfentes, qu'elles fe mani- 
in if 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 397 


Hierdoor is het, dat yder voorftel „ yde- 
re redenering, ydere vraag, in: welke 
de waarheid duidelyk. betoogd is, de 
blykbaarheid tot eenen noodzakelyken 
grondflag hebben zal, fchoon dezelve 
zich niet ten eerfte vertoont, of laat 
zien; hier vandaan is. het, dat men in 
eene betooging, die men zo klaar en zo 
gemakkelyk om te begry pen wil maken, 
als zy waar is, moet opklimmen tot 
aan die grondbeginfelen, die men axio- 
ma's of grondregels noemt, uit hoofde 
van hunne eenvoudigheid, en op wel- 
ker kennis die waarheid, die men vast- 
ftellen wil, gevestigd is, Anderszins kos- 
ten de beste betoogingen veel moeite om 
te verftaan en uitteleggen. e 
a 


SSS SSESISISIE 


feftent presque fans reflexion, … C'est ce_qui fait 
que toute propofition, tout raifonnement, toute 
queftion ou.la vérité fera évidemment démontree, 
aura pour fondement necesfairel évidence „quoyque 
‚Pévidence ne f’en fasfe pas dabord fentir:. Et c’est 
pour cela que dans une démonftration &qu’on veut 
rendre ausfi claire & ausfi facile concevoir quelle est 
vraye, il faut quelquefois prendre la peine de re- 
monter jusqu’à ces principes qu’on nomme Axiomes 
àcaufe de leur fimplicité „ & fur. la connoisfance. des. 
quels la vérité qu’on veut établir est fondée: autre- 
ment les meilleures démonftrations coûtent beau- 
„coup a entendre & a expliquer, Après 


398 P. FERMIN ANTWOORD: OP DE- 


… Na ‘dus de middelen aangewezen te 
hebben, van welke-men. ziclr- bedienen 
moet, om het vernuft aandachtiger en 
uitgebreider te maken, en die alleen 
bekwaam zyn: om het meer te volma- 
ken, dat is, meer lichts en:doorzichts 
by te zetten,’is het:tyd, om tot de re- 
gels overtegaan, die volftrekt noodza- 
kelyk zyn waartenemen in de oplos- 
fching van alle vraagftukken, hetgene ik 
door verfcheiden voorbeelden zal trach- 
ten te. verklaren, om ’er des beter de 
noodzakelykheid van te doen kennen, 
en-het vernuft aan derzelver gebruik te 
gewennen : om dat het zo noodzakelyk 
niets, dezelve wel te weten als wel te 
gebruiken. 2089: > 

wi Of 


SSSSSSSSSES 

Après avoir indique les moyens dont il faut fe 
fervir pour rendre lefprit plus attentif & plus 
étendû , qui font les feuls propres à le rendre plus 
parfait, c?est à dire-plus €clairé Sz plus pénétrant, 
il est tems de pasfer aux rêgles qu'ilest abfolument 
nécesfaires d’obferver dans la refolution de toutes 
les queftions: c'est ce que je tâcherai de bien ex- 
pliquer par plufieurs exemples, afin d'en faire 
“mieux connoître la nécesfite , & d'accoûtumer le- 
fprit de les mettré en ufage: parce que le plus né- 
“eesfaire & le plus difficile n'est pas-de les bien fga- 
“Voir, mais de les bien pratiquer. 
Sid „iiD j Quoy 


VRÁGE VOOR ’T jAAR MDCCLXXií. 399 


— Offchoon het woord waarnemen; in 
den eigenlyken zin, en voor ‘zoverre 
het eene werking van onze ziel aanduidt, 
afgefcheiden van overdenking: en. oeffe- 
ning',- geen denkbeeld influit van rede- 
nering ovér de zaken die men ‘waar- 
neemt „ of van eenig”gevolg, dat men 
er van aflêidt, is ons vernuft zo leven- 
dig en zo fchielyk in zyne bewegingen, 
dat het niet mogelyk is, dat een mensch, 
die ‘derikt, proeven en. waarnemingen 
doen’ kán, zonder dezelve van eenige 
korte en geheime overdenkingen té ver- 
De eerfte regel ‘orizer waarnetningen 

is dat: men altoos de blykbaarheid in 
onze tedeneringen ‘moet behouden, om 
19 de 


SSS NN 


Quoyque le mot d'obferver dans fon fèns le plus 
propre & entant qu'il define une operation de 
notre ame, diftinéte de la meditation & de letude 
ne renferme Vidée d’'aucun raifonnement fur les 
“chofes que l'on en déduife; notre efprit est fi vif 
& fi prompt dans fes mouvemens, qu’il n'est‘ gud- 
res posfible qu'un homme qui pent, fasfe des ex- 
perientes & des obfervations, fans lesaccompagner 
de quelques reflexians du moins courtes & fecrè- 
ee PN mtr a De dte 
La premiere règle de nos obfervations „ est qu’il 
fame toûj ours‘conferver evidence dans nos raifon= 
ia nes 


400 P. FERMIN ANTWOORD OP-DE „ , 


de waarheid te ontdekken, zonder; vrees 
van zich-te bedriegen; van, dit „eerfte 
grondbs infel hangt. deze ondergeftel- 
e „regel, die op het, onderwerp; van 
onze letteroeffeningen: ziet, namenlyk, 
dat wy;niet moeten redenkavelen, dan 
over zaken, van-welke. wy.klare ‘denk- 
beelden „hebben, «en, door een. noodza- 
kelyk gevolg, dat wy altoos.moeten be- 
ginnen, met de eenvoudigfte ‚en, gemak- 
kelykfte zaken ‚en daar lang op-blyven 
fil ftaan, eer wy. het.nazoek van moei- 
lyker en famengeftelder. zaken beginnen, 
De regels, de wyze rakende, op-wel- 
ke men de vragen moet oplos{íchen „„han- 
gen ook van dezen grondregel af; dat 
men den, {taat der.vraag ,-die men. wil 
op- 


SSSSSISSISISSS: 


nemens , pour découvrir la vérité (ans crainte-de 
fe trromper. De ce premier principe dépend cette 
règle fubordonnée, qui regarde le fujet de nos étu- 
des, favoir, que nous ne, devons raifonner que 
fur-des chofes dont nous avons desidges claires: & 

ar une fuite nécésfaire, que nous devóns toû- 
jours commencer par. les. chofes les plus fimples 8 
ies plus faciles & nous y-arrêter fort longtems a- 
vant que d’entreprendre la recherche. des chofes 
plus compofées & plus difficiles, _ 

Les règles qui regardent la maniere. dont, il faut 
fy prendre, pour réfoudre les QRENODS a JEDE 
ent 


‘ 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXT got 


oplosfchen , zeer duidelyk. moet begry- 
pen, en de denkbeelden der leden: duik 
delyk bevatten, om dezelve te konnen 
_ vergelyken „en dus de gezochte betrek- 
king te konnen vinden, Maar wanneer 
men de betrekking , welke de zaken on« 
derling hebben, niet kan vinden, door 
dezelve onmiddelyk te vergelyken, 
moet men door de kracht van zyn ver- 
nuft, één of meer middeldenkbeelden 
ontdekken „ die tot gemeene maat kon- 
nen dienen, om door-dezelve de onder- 
linge betrekking te vinden. ssd 
Men moet altoos wel in acht nemen; 
dat deze denkbeelden duidelyk en klaar 
IV. DEEL. Ce zyn 
SSSSSSSSSSS: 


dent ausfi de ce même principe; qu'il faut. conce- 
voir très diftingtement l'état de la queftion qu’on 
fe propofe de refoudre, & avoir les idées des. ter= 
mes asfés diftinétes pour les pouvoir comparer & 
pour reconnoître ainfi les rapports que l'on cher= 
che. Mais lorsqu’'on ne peut reconnoîrre les rap- 
ports que les chofes ont entrelles en les compâ- 
rant immédiatement, il fauc, découvrir par quel= 
qu’effort defprit une ou plufieurs-idées moyennes, 
qui puisfent fervir comme de. mefùre commune, 
pour faifir par leur moyen les rapports qui font 
entrelles, … … djh mgf 

On doit obferver inviolablement que ces idées 
foient claires & diftindes, à proportion que Von 
je tâ= 


499 P, FERMIN ANTWOORD OP DE 


zyti moeten ,- naar mate men meerder 
en naauwkeuriger denkbeelden tracht te 
ontdekken, - nieesh d | 
Maar wâanneer“de vragen. te moeilyk 
zyn'ente lang, kan men zorgvuldig al- 
les van het onderwerp. affcheiden „ dat 
niet -noödzakelyk is, om de ‘gezochte 


wâarhieid te‘ontdekken. rlr 
» Wanneermen de geheele vraag tot haa- 
fe juiste bepälinge gebracht’heeft, moet 
men Het onderwerp onzer overdenking 
vérdeelen , vér “de verfcheiden deelen; 
het een na het’änder befchouwen, vol- 
gens eene nâtuurlyke order, met de een- 
voudigfte , dat ismet zulke „-die-de mine 
fte“betrekkingen“op de menen | 

Ce 


ssssssssesE 


che de’ découvrir des rapports plús exacts & èn 
plus'gräid nombre. | 

‚Mais lórsque“les queêftions font trop difficiles & 
tfop longues „on peut retrancher avee-foin du fú- 
jet “qu Pon doit confiderer, toutes les"chofes qu’il 
mest point necesfaire d'examiner: pour découvrir 
B verte dherchee 1419, AHO COH q 
Quaid on a redùit la queftion entiere à fes ter- 
mes précis, il f’agit.de divifer le fujet fur lequel 
“doit roùler notre méditation par parties, de les 
“Confidefer toutes les unes après ‘Iés autres felon 
„ordre naturel, en commencant par les: plus fifm- 
plies, C'est à dire, par celles qui'renferment moins 
“de rapports & ne pasfer jamais‘aùx plus compofées, 
ik avant 


VRÄGE VOOR ’T JAÁR- MDCCEXxi. Ho3 


beginnende, en niet tot de meer amen: 
geftelde overgaan, voor dat men-duide: 
Iyk de eenvoudigfte begrepen, en-zich 
dezelve’ gemeenzaam “gemaakt ‘heeft; 
vervolgens moet men. dezelve alle; wol- 
gens den regel van famenftelling, beur- 
telings „of door een opflag van het ver- 
nuft, of door redenering, de eene na 
de andere vergelyken. > 
Wanneer men-de oorzaken van fom« 
mige uitwerkzelen, of van een byzon- 
der verfchynzel , het zy in de natuur, 
het zy in andere omftandigheden, na« 
zoekt, moet men eerst-zien, of nagaan, 
of men geen uitwerkzel of verfchynzel 
in de natuur kent, -dat hier naby komt; 
en naauwkeurig nagaan, welke de ze- 
' Gc 2 ke< 


avant que d'avoir reconnû diftinftement les. plus 
fimples & fe les être rendu famtlieres. Enfuite il 
faut les comparer toutes felon-les règles de combi 
maifon , alternativement les-unes après les autres, 
ou par la feule vuêde lefprit ou parle raitonne= 


« Quand on recherche lascaufe de quelques effets 
oude quelque phénomène, particulier, foit dans 
la nature, -foit dans d'autres circonftances, ‚il-faut 
dabord voir ow examiner fi on n’a pas connûù quel- 
qu'ettet „ ou quelque phénomene d'une, nature-ap- 
prochante & examiner fcrupuleufement,-qu’elles 
í en 


404 P. FERMIN ANTWOORD OP DE 


kere en bekende oorzaken van het zelve 
geweest zyn, Want gelyke uitwerkze- 
len hebben gemeenlyk gelyke oorzaken, 
vooral in voorwerpen van dezelve foort, 
Men ga ook na, welke de-mogelyke 
oorzaken van de uitwerking zyn, over 
welke men handelt, en men trachte uit 
omftandigheden af te leiden, welke van 
deze oorzaken geen plaats konnen heb- 
ben in het byzonder geval, hetgene men 
behandelt. Men ga van daar allengs- 
kens trapsgewyze tot de waarfchynely- 
ke: oorzaken „ tot dat eene rypere be- 
fchouwing nog eenige van deze oorza- 
ken uitfluit, en men dus ongevoelig tot 
de waare en zekere oorzaak gebracht 
wordt, dart 
e | Men 


SSSSSSSSSSS 


en ont été les caufes certaines & averées; car des 
ffets femblables , ont géneralement des caufes fem- 
blables, furtout quand il f'agit d'objets du même 
ordre. Voyez ausfi quelles font les caufes posfibles 
de léffet en queftion & tachez de déduire des cir- 
conftances , les quelles de ces caufes n'ont pûavoir 
lieu dans le cas particulier dont ilf’agit. Delà, 
pasfez infenfiblement par degrés jusques aux cau- 
fes probables, en attendant qu’un plus mürexamen 
donne encore lexclufion à quelqu’unes de ces cau— 
fes-là & vous conduife ainíi peu à peu à la caufe 
véritable & certaine, 

On 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL. 405 


Men moet verder nagaan, of hetgene 
het geval of verfchynzel voorgegaan is, 
geen invloed op hetzelve had konnen 
hebben ; want fchoon men daar uit alleen, 
datde eene zaak voor de andere gaat, niet 
kan afleiden, dat de eerfte de tweede 
voortgebracht heeft, is het ondertus- 
fchen waarfchynelyk „dat onder verfchei- 
den voorgaande zaken van een geval, 
eene meer naauwkeurige befchouwing 
ons de waare oorzaak ontdekken zal. 

Men lette op, of eene oorzaak genoeg 
zy ter voortbrenging van de uitwerking, 
dan of ‘er een famenloop van verfcheiden 
oorzaken noodig zy om dezelve. voort- 
tebrengen; en in dit laatfte geval zoeke 
men zo naauwkeurig als het mogelykis, 

Cc 3 den 


SSSSSSSSSSS 


On doit de plus examiner fi ce qui a précedé l’é= 
venement ou le phénomêneen queftion, ne pour= 
roit pas y avoir influe, Car, quoyque de cela 
feul , qu'une chofe en précede une autre, on ne 
puiste pas inférer que la prémiere a produit la fe- 
conde, cependant entre les divers avant-coureurs 
d'un evenement, il est probable qu'un examen 
plus attentif , nous fera découvrir la caufe réele. 

Confiderez fi une feule caufe fuffit pour la -pro- 
duêtion de-l’éffet, ou fi le.concours de plufieurs 
caufes n'a pas eté necesfaire pour le produire, & 
dans ce dernier cas, tachez de déterminer d’ausfi 
Tt A N prés 


406. P,-FERMIN ANTWOORD OP DE 


den-trap van invloed te bepalen, die 
yder oorzaak hebben kan, en de eigent- 
lyke ven byzondere werking van yder 
derzelver in het voortbrengen van het 
uitwerkzel, Wor onssabis 
Indien men devuitwerkzelen moet na- 
gaan van een of meer oorzaken, moet 
men de-natuur van yder oorzaak ín het 
byzonder naauwkeurig onderzoeken , en 
nagaan, wat uitwerking -yder-deel of 
yder-eigenfchap van deze oorzaak tracht 
uittewerken. | ajrst nsi 
‚Men fla ook de verfcheiden vereenig- 
de oorzaken gade, in haare natuur en 
wyze’ van werken, «Men onderzoeke, 
tothoe verre de eigenfchappen of uit- 
werking van dereene oorzaak die van 
ab ee- 


SSSSSSSSSSS 


près qu’il fera posfible le-dégré d'influence que cha- 
que caufe peut avoir eû & l'activité propre & par- 
Seniste de chacune d'eiles dans la produêtion de 
Peffer; er dif hik dd El Ah EEA 0 OAK GEEN OE BE 

“S'il-f’agit de rechercher les effets d'une ou de 
plufieurs caufès , il faut confiderer attentivement 
la nature de chaque caufe à part „en obfervant quel 
efter cltaque partie ou chaque proprieté de cette 


cauft tend naturelletment à produire, * 

“-Confiderez dans leur nature &-dans leur maniere 
d'agir les differentes cauftsreunies, examinez jus= 
du'où I'cfficace ou les “proprietés’ de Pune, pj va 
Ue PED Ten eter 2: prmtgsdentn 5 ROER Fe “tens 


VRAGE-VOOR °T JAAR MDCCLXXI, 407, 


eene andere. begunftigen of tegenftaan, 
en men overwege de evenredigheden. 
van haaren invloed. naauwkeurig. …… 
__Men befchouwe verder, welk het on- 
derwerp is, op het. welk, de oorzaak, 
werken moet, want. op verfchillende 
onderwerpen, geeft dezelve oorzaak dik- 
werf verfchillende uitwerkingen. Dus 
ziet men, dat de brandende geest van 
falpeter , die de oliën. verwarmt-en in 
vlam zet, echter de koude van de fneeuw 
niet alleen zo vermeerdert, dat zy wa- 
ter, zelfop het vuur {taande, doet bevrie- 
zen, maar de quik doet ftollen en hard 
worden , zelfs dan, wanneer de.natuur- 
lyke koude maar omtrent opo ftaat,op 
den thermometer van Aabrenheit,… 
Ce 4 ‚… Men 


fent ou traverfent les éffets de l'autre, & balancez 
prudemment ‘les proportions de leurs influences 
refpettives. ERA nd 
Confiderez de plus quel est le fujet fur lequel la 
caufe doit âgir; car fur des fujets differens la même 
caufe produit-quelquefois des éffets tout divers. 
C'est ainfi que Vefprit de nitre qui echaufte & en- 
flame les huiles augmente neamoins le froid de la 
neige , non feulement au, point de lui faire conge- 
ier eau; fut-ce fur le feu; mais ausfi de lui faire 
coaguler & endufcir le mercure même, lorsque le 
froid naturel n'est qu’aux environs de, Zero au 
Fhermometre de Fahrenheit, 0 4de 


Â08 P, FERMIN ANTWOORD OP DE 


Men doe dikwerf en met alle noodige 
zorg bekwame proefnemingen, en men 
ftelle alle de oorzaken in het werk, wel- 
ker uitwerkingen men begeert te weten, 
en alles wel overwogen hebbende, voe- 
ge men die by elkander , die bekwaamst 
fchynen, om eene voordeelige uitwer- 
king te geven. 

Men fla met aandacht alle de uitwer- 
kingen gade, die gefchieden door den 
gevalligen famenloop van verfcheiden 
verfchillende oorzaken, of door de toe- 
pasfing en het vernuft van bekwame lie- 
den, en wanneer men eenige uitwerking 
zeker en ftandvastig voortgebracht ziet, 
ftel dezelve met de erkende en gevonden 
oorzaken, onder het getal van uwe ver- 
{tandelyke overwinften, Men 


SSS SSS 


Faites fouvent & avec foin toutes fortes d'expé- 
riences convenables, mettant en aftion les caufes 
dont vous déefirez connoître les éffets, & joignant 
avec intelligence celles qui tout bien pefé vous 
paroisfent les plus propres à produire quelqu’éffer 
avantageux. ’ 

Obfervez avec attention tous les évenemens qui 
arrivent, ou par le concours occafionnel de plu- 
fieurs caufes differentes ou par application, ou 
par linduftrie des habiles gens; & lorsque vous 
verrez quelqu’effet certainement & conftamment 
produit, mettez-le avec ces caufes reconnues au 
rombre de vos acquifitions intelleétnelles, Fat 

® : als 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 409 


Men make ook een naauwkeurig over- 
flag van alle de omftandigheden, die de 
werking der oorzaak vergezellen, en uit 
welke eene byzondere uitwerking ont- 
ftaat, en men trachte te ontdekken, 
tot hoe verre yder dezer omftandighe- 
den ftrekke, om de werking te beletten, 
voorttezetten of te veranderen, en in 
hoe verre zy derhalven invloed hebben 
op de uitwerking. 

Dusis het, dat een bekwaam genees- 
heer zyne behandeling fchikt en tot vol- 
komenheid brengt. Hy begint 1. met de 
kennis van het menfchelyk lichaams 
2. Met de kennis der oorzaken die het 
veranderen konnen. 3. Zoekt hy de uit- 
werkingen dezer oorzaken, die of kwa- 

Ges len 


SSSSSSISSS SE 


Faites ausfi une revuê exaête de toutes les cir- 
conftances qui accompagnent l'aétion des caufès , 
d'où refuite tel effet particulier, & tachez de dé- 
couvrir jusqu’où chacune de ces circonftances tend 
à empecher , à favorifer ou à changer cette action, 
À jusqu’où par conféquent elles influent fur lef 
et / 


C'est de cette manière qu'un habile medecin 
dirige & perfeétionne fa pratique, Il commence 
par connoître zr. le corps humain. 2. les caufes 
qui peuvent l'alterer, 3. les éffets de ces caufes, 
qui font nécésfairement des maux ou des remedes; 
puise 


410 B/FERMIN ANTWOORD OPDE. 


len.of geneesmiddelen zyn, wyl die uit- 
werkingen niet dan nadeelig of voor- 
deelig konnen zyn. Hy gaat met aan- 
dacht na, welke-de natuurlyke gefteld- 
heid van den zieken, en de tegenswoor- 
dige {taat der ziekte is, zo wel als de 
omftandigheden , in welke hy zich be- 
vindt, en de uitwerking ‚die zulk of zulk 
een. geneesmiddel op de ziekte doen 
moet, en in alle gemeene of buitenge- 
meene. gevallen doet hy, met verftand 
en voorzichtigheid, waarnemingen op 
de uitwerkingen der geneesmiddelen in 
verfchillende geftellen en in verfchillen- 
de ziekten; zich dus eenen fchat van 
waarhemingen  verzamemelende , die 
naauw keurig en wel bevestigd zyn, kem) 


sssssssssss 


puisque ces éffets ne peuvent être que nuifibles ou 
bienfaifans: Il obferve avec attention qu'elle est la 
conftitution naturelle & la difpofition préfente du 
malade, ausfi bien que les circonftances dans les 
quelles il fe trouve & Veffet que tel remede doit 
naturellement produire fur {a maladie: & dans tous 
les cas, foit ordinaires ou extraordinaires ; il fait 
avec fagesfe-& prudence-des-expériences & des ob- 
fervations „fur les effets que les remedes produi- 
fent fur des differentes conftitutions & dans les dif- 
ferentes maladies. Eten fe faifant ainfi un trefor 
d'obfervations exactes & bien conftatées il par- 

vient 


$ 


Î 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL 41E 


hy eindelyk:tot de kennis der oorzaken 
en’ uitwerkingen, die noodzakelyk on- 
derling verbonden zyn ‚en zelfs tot die, 
die ‘ef maar een gevallig en bykomend 
verband: mede hebben. Indien, de uits 
werking zuiver toevallig is, kan men ’er 
met veel waarfchynelykheid de oorzaak 
van bepalen, maar nooit zal men ’er 
eene volmaakte zekerheid van hebben; 
die men- heeft, wanneer de oorzaken 
door eene natuurlyke en klaarblykelyke 
noodzakelykheid werken, en dus haare 
uitwerking volkomen zeker voortbren- 
gen. ER oh 
‚De geest der waarneminge, die alge: 
meene ziel van konften en wetenfchap- 
pen, is niets anders, dan eene: wg sd 
, ef ÎS VOL 


vient à connoître les caufes & les éffets qui font 
naturellement “&-nécésfairement liés entr’eux, & 
même ceux qui n’ont qu'une connexion acciden- 
telle &% fortuite. Lorsque leffet est purement 
contingent, on peut fouvent en déterminer la 
caufe avec-beaucoup de:probabilité ; mais Ja certi- 
tude n’en est sjamais vparfaïte.; comme elle lest 
quand les caufes-agisfent par une nécésfité maturel- 
le & évidente, “& produifent- immanquablement 
deur eet: c arn. 4 nagxasee! 

…_ Wefprie: d'obfervation, «cet efprit univetfel des 
fciences & des arts, n'est -qu’une attention bien 
et dT uie 


412 P. FERMIN ANTWOORD ÓP DE 


volgende aandacht over verfcheiden on: 
derwerpen. Een wysgeer, die ons alle 
de byzondere regelen van de kunst van 
waarnemen zoude opgeven, zoude ons 
dus de waare middelen aan de hand ge- 
ven, ter beftuuring en leiding van on- 
ze aandacht. | 
Hy zoude de gelukkige uitwerkingen 
van die kracht aantoonen, in die fchoo- 
ne ontdekkingen, welke zy in verfchei- 
den geflachten voortgebracht heeft, Hier- 
uit zoude de. uitgebreide kunst voort- 
fpruiten, van de natuurte kennen, door 
de waarnemingen en ondervindingen te 
toetzen, aan de verfcheiden regels, wel- 
ke myne iever, als op onze onderzoe“ 
kingen in het algemeen toegepast, heeft 
doen voorftellen, 
Edoch, 


sss 


fuivie fur differens objets. Un philofophe qui 
nous traceroit toutes lesrègles particulieres de Part 
d'obferver ‚ nous enfeigneroit par là les vrais moyens 
de diriger & de fixer notre attention. 

Il nous montreroit les heureux effets. de cette 
force , dans les belles découvertes qu’elle a produit 
en differens genres. De là naîtroit l'art détaillé de 
connoître la nature en examinant les obfervations 
& les experiences par les differentes règles que 
mon zèle m'a fait propofer ; commèé generalement 
appliquëes à toutes nos recherches. rd 

Ll ais 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXXIL, 413 


Edoch, alle uitweiding in dezen 
fmaak zoude van eene verdrietige wyd- 
loopigheid zyn ; het is genoeg voor het 
vernuft den draad te vatten, en aan te 
merken , dat in den keten der gefchapen 
wezens , oorzaken en uitwerkingen, zo 
wel als in onze welgegronde ontdekkin= 
gen, alles door eene onafgebrokene aan- 
eenfchakeling. verbonden is, overeens 
komftig met dat oneindig -wonderbarer 
verband-der tweede met de eindoorzaken, 
Een verband,dat onze bef piegeling geduu- 
rig opleidt tot dat oneindig vernuft „dat in 
eenen opflag dit gantfche geheel.bevat, 
waar van het minfte gedeelte in den eer- 
{ten opflag ons verbaast, en doet weg- 
zinken in verwondering „ tot dat de over- 

| een- 


SSISSSSSIS SSS 


Mais tout détail dans ce: goût feroit d'une pro- 
lixité accablante: il fuffit-au génie d'en: faifirle fit 
ër de remarquer , que dans la chiaîne des êtres, des 
caufes & des éffets; ainfi que -devnos découvertes 
bien fondeges, tout est lié par une concaténation 
non interrompue, analogue à celle de ce Nexus; 
infiniment merveilleux des caufes fecondes avec les 
finales. Nexus qui ramène fans cesfe notre contem= 
plation vers lintelligence ‘fuprême , qui faifit d'un 
feul coup tout cet enfembie-immenfe, dont la 
moindre partie au premier afpet nous étonne& 
nous confond , jusqu’à ce que les rapports de Ket 

) e= 


AIÀ PU FERMIN ANTWOORD Óf: DE” » 


eenkomst van hetzelve met aridere dee: 
len opgehelderd “wordt, doorde ftra: 
len wanveene meergevestigde aandacht; 
die' meer geoeffend is, zo wel als door 

andere overeerikomften, “die aar eente 
Ongewoon en’ te et pe se ont: 
friapten; 

„Welk aangenaam voorwer! woor eens 
bepaald vernuft, -is deze oef Ening, die 
vatbaar is voór eenen geduutigen aan= 
wâsch; en de ongevoelig verlichte ziel; 
flap voor ftap opleidt; tot'de kennis van 
den onbegrepen bron ‘van-zo o veele 
worideren. Ig OPEN hen 

Maar (er ‚die is ary he Jae: aanmer: 
king) het is van een wezentlyk belang, 
zich niet te miïisgisfen if “de gevol: 
ed gen, 


SSSSS SSS SIS 


lezcy vavee d'autres partie. (eclaircisfent: par Jes 
tayons:d’une attention-plus reflechie-&-plus exer+ 
cee, ainfi que. par d'autres rapports, evet ern 

ä une vuê trop reftreinte & tropsnöviees … 
"Quel delicieuw: objet lspoursunerintelligence hoi 
nee) que cette étude fi fusceptible: d'umaccroistes 
mént-perpétuel,: & qui comme. ‚pas-à-pas: guide las 
mevinfenfiblement> éclairée „r versla: coïnoisfancê 
de la fourceringfable:de tant de pradigeses « vetg 
= Mais , & c’estrmaderniere remarque: il est très 
ésfentiel de nepas fe méprendrezaux conféquences 
tirgesdes obfervatioris &rdes experiences dejafaites; 
en 


VRAGE VOOR °T JAAR MDCCLXK, 15 


gen, die men uit de waarnemingen sen 
reeds gedaane vondervindingen:= trekt 
waarin. men op: twederlei -wyzerickan 
dwalen; want deze gevolgen. kondenvof 
te verhaast zyn geweest, of maar de 
fchynbaarfte en-deonvruchtbaarfte van 
allen, die men uit dezelve waarnemingen 
had konnen en moeten trekken, eer men 
zich liet wegflepen om andére te be- 
fchouwen, die dikwyls zo moeielyk niet 
fchynen , dan alleen in eene misleidende 
meening, dat men geen verdere gevol- 
gen kan trekken, uit die welke men 
reeds onderzocht heeft, die dienen kon- 
nen om denog onbekende oorzaken der 
verfchynzelen te ontdekken. È 


en quoy l'on peut fe tromper de deux manieres; 
car ces conféquences pourroient avoir €té trop 
precipitees, ou n’être fimplement que les plus évi= 
dentes & les plus fteriles de celles que l'on auroit 
pû & du inferer de ces mêmes obfervations & de 
ces dernieres expériences avant que de fe laisfer 
entraîner à en examiner d’autres: qui bien fouvent 
ne paroisfent fi difficiles que dans la perfuafion ér= 
ronée, que l'on ne fgauroit tirer de cellesque Pon 
avoit deja examinges des conféquences ultérieures 
qui puisfent fervir à découvrir les caufes encore 
inconnuês des phénomènes, 

CEA, HEN L’In” 


416 P. FERMIN ANTWOORD OP DE enz, 


« De navorfching dezer verdere gevol- 
gen, kan natuurlyker wyze geen andes 
re palen hebben, dan het ik % welk 
men moet bereiken. : 


"esssssssses 


Ivinveltigatied de. ces antiaudiens ne) 
ne fcauroit naturellement avoir d'autres bornes que 
celles du in méme be ’il f'agit d'atteindre, 


le 
pe 


VERHANDELINGEN 
_ BERICHTEN, 


ZEEUWSCH 


GENOOTSCHAP 


D ER 
WETENSCHAPPEN 


Tk 


VLISSINGEN. 


Blad: 418 
BER ICH T 


VAN EENE TALRYKE VERZAMELINGE 
VAN GRIEKSCHE, ROMEINSCHE 
EN ANDERE OUDE 


PENNINGEN: 
aide 
PIETER VAN DAMME. 


‚ BERSTE AFDEELING. 


Ee is den mensch als aangeboren ; 
dat hy, onder het wel beftieren 
van zyne gewoonlyke bezigheden, het 
een of ander tot zyne uitfpanninge en 
verlustiginge verkieze„ om ’% {poor van 
zyn beroep met des te meer yver te 
konnen achtervolgen, maar ook teffens 
om zyne vuren van uitfpanninge, of 
voor zich zelven, of voor de geheele 
maatfchappye , nuttig te doen zyn. 
en Dd 2 Hier 


uz 


{20 P. VAN DAMME BERICHT 


Hier aan heeft men toetefchryven;, 
dat Nederland zich thans moge beroe- 
men op de uitmuntendfte verzamelingen 
van alles, tgene de natuurlyke hiftorie, 
oudheden, kunften en geleerdheid be- 
treft, Deze verzamelingen doen den 
vreemdeling opgetogen (taan, en ftellen 
de geletterden in ftaat om in hunne wer. 
ken daar van, ten algemeenen welzyn, 
een groot gebruik te maken. Van my- 
ne jeugd aan, na dat ik eenige be- 
vattinge van wetenfchappen verkreeg , 
ftrekte zich myne genegenheid vooral 
uit tot de aloude Penningkunde, welke 
my, in de tusfchenpozinge van myn 

eroep, is bygebleven, en zoodanig is 
vermeerderd, dat ik naar waarheid en 
met alle vrymoedigheid kan zeggen, 
dat myne Penningkasfe, door den by- 
ftand van kundige vrienden in alle lan- 
den, tot die volmaaktheid is gekomen, 
welke men misfchien te vergeefs in eeni- 


ge byzondere verzamelinge, op zich 


zelve befchouwd, door gantsch Europa 
zoude zoeken. 

Het Zeeuwsch Genootfchap, hier van 
wel onderricht zynde, en. geene gele- 
genheid latende voorbygaan, om ‘tgene 
eenigzins tot nut en ophelderinge ee 

d e 


VAN EENIGE OUDE PENNINGEN. 421 


befchaafde wetenfchappen dienftig is, 
_aan ’ gemeen in deszelfs verhandelingen 
medetedeelen , heeft my verzocht, om 
aan hetzelve te doen toekomen een 
Profpectus van myne Penningkasfe, ter 
ophelderinge van eenige wetenswaardige 
en tot heden min bekende zaaken. Ik 
heb my aan dit verzoek niet willen ont- 
trekken, en make daar van, by dezen, 
een begin, met byvoeginge van fommi- 
ge nieuwe ontdekkingen in de oude Pen- 
ningkunde, aan weinigen bekend, en 
waar van men een nuttig gebruik zal 
konnen maken. De vermelding der 
Romeinfche penningen, hier te lande 
gevonden, doch tot nu toe niet behan- 
deld of verkeerdelyk uitgelegd, zullen 
{trekken tot ophelderinge der Hiftorie 
van Nederland, Voor het overige on- 
derftelle ik, dat myn Lezer bedreven 
zy in de gronden, welke noodig zyn tot 
de kennisfe der oude penningen, en die 

elders genoeg behandeld worden (a). 
Het beloop van myne Penningkasfe 
beftaat in ruim twintig duizend Gedenk- 
Dd 3 pen- 


… (a) Men vergelyke in ’tbyzonder La Sfience des 
Medailles, par Louis Jobert; avec des Remargues Hiftori- 
ques & Critiquespar JOSEPH BIMARD, Baroz de la 
Baftie , Paris 1739. 2 Vol, 


422 P. VAN DAMME BERICHT 


genk behelzende de opvolgingen 
er Griekfche Koningen, Steden, Co- 
lonien. der Roomfche Keizers, de Ro- 
meinfche zoo Burgemeesterlyke als Kei- 
zerlyke penningen in alle metaalen, enz. 
Ik make een aanvang, om van fommige 
verflag te doen. 


EUROP A, 
Koningen wan Macedonien, 


De Koningen van Macedonien behou- 
den, als de oudften, onder de opvolgin: 
gen van alle Koningen den eerften rang, 
De eerfte der Macedonifche Koningen, 
aan wien voornaame Oudheidkundigen 
(b) den oudften gedenkpenning toefchry- 
ven ‚is Amyntas, deeerfte van dien naam ; 
zynde een kleinen penning van koper, 
berustende in ’t kabinet van den Koning 
van Pruisfen. Doch over weinige jaaren 
heeft de kundige wise (c), uit foortge- 


ly- 


(b) EL. BEGERUS Thef. Brandenburg. Tom, AI. 
Pag. 4) Ee SPANHEMIUS de U. ef P, Numismatum 
antiguorum Tom, 1. pag. 17, 374. & feqg. edit. Londi= 
zenfis 1706. 

(C) In Catalogo nummorum antiquorum feriniis Bodlei- 
axis veconditorum pag. 112) 113. Owirii 1750. Conf. E‚ 
FROELICH aznal. vegum & verwm Syriae Prolegom, 
Part, IL. cap. Ó, pag. 3I. p 


VAN EENIGE OUDE PENNINGEN 233 


Iyke penningen in de verzamelinge van 
den Heer Bofanquet te Londen, ontdekt, 
dat de waare lezing van gemelden pen= 
ning niet zy B AMIMTGr. M: des Konings 
„Amimtous der Macedonieren, gelyk ges 
melde fchryvers gedacht hebben, maar 
BAMEMTG@TM, waar door zekere Koning 
Memtes bedoeld kan worden. gen 

_De eerfte en oudfte Penningen van de 
Macedonifche Koningen zyn dan, met 
volle zekerheid , die van Alexander ,den 
eerften van dien naam, en zevenden 
Koning (d) van Macedonien, Deze 
penningen zyn van zilver , en zoo zeld: 
zaam, dat het den fehryveren genoeg: 
zaam aan gelegenheid ontbroken heeft 
om dezelve naauwkeurig en breedvoerig 
uittegeven., De Heer N, PE LLERIN,; 
zoo beroemd door de uitgave der“Onge- 
meenfte penningen van een der ver- 
maardfte kabinetten, heeft allereerst 


pen daar 


_(d) Ik houde Amyntas I voor den zesder Koning 
van Macedonien , in navolginge van HERODOTUS 
en JUSTINUS, by welken zich ook sPANHEIM 
voegt de U. & P. N. Tom, I pag. 17, en derhalven 
„Alexander I, voor den zevenden Koning, fchoon 
EUSEBIUS , PETAVIUS, LLOYDIUS en anderen Hem 
den tienden Koning van Macedonien noemen. 
Vergelyk sPANHEIM Tom. I. pag. 371380, WESSE= 
LING {* VALCKENAER ad Herodotum pag, 684, 686, ° 


424 -P. VAN DAMME BERICHT 


daar van eenige meldinge gemaakt (e); 
behalven den geleerden Jefuit ALEX, 
XAVIER PANEL, die, by het opma- 
ken van de verkoop-notitie der munt- 
kasfe van den Prefident Le Bret, dezel- 
ve mede in het korte befchryft en op- 
geeft. Onlangs is ’ my gelukt eenen 
Ongemeenen zilveren gedenkpenning 
van Alexander , met noch verfcheidene - 
andere, uit het Oosten te bekomen, 
door toedoen van den Hoog- Edelen 
Geft. Heer Mr. Ar. Fagel, Griffier van 
den Staat der vereenigde Landen, wiens 
aangeboren goedheid en liefde tot de 
wetenfchappen en Oudheidkunde in % 
byzonder, my vele gunstbewyzen van 
Hem heeft doen verwerven , en Wiens 
vroegtydigen dood ons Gemeenebest en 
alle lieheb bers der letteroefeningen nooit 

zullen. ophouden hertelyk te betreuren. 
Op de voorzyde van dezen penning 
ziet men den Koning Mlexander in de 
gedaante van een Macedonifchen ruiter, 
met een hoofddekfel, by de Grieken 


Kuuoia 


(€) Recueil des Medailles de Rois pag. 3— De Pro= 
fesfor HAvERKAMP heeft, in zyne Algemeene Hi 
ftorie, van dezen penning ook eenige meldinge 
gedaan, 


VAN EENIGE OUDE PENNINGEN, 425 


Kaveie genaamd (f), ftaande neffens zyn 
paard, De andere zyde vertoont een 
vierhoek met den naam des Konings 
AAEZANAPOT: 

Myne Penningkasfe levert vervolgens 
in orde op alle de zilveren Pronkpen- 
ningen , als van Koning Archelaus den I, 
Amyntas den III (g),en als men komt 

Dd 5 aan 


(É) Vid. POLLUCIS Onamast, Lib. X. $ 162 cum notis 
HEMSTERHUSII, &£ HERODIANUM Hift. Lib. I cap. 33 
IV cap. 8. 

(8) HUBERTUS GOLTZIUS, die by velen verdacht 
ftaat, als of eenige penningen „door Hem uitge= 
geven, verdicht zouden zyn, ontfangt nu na ver- 
loop van tweehonderd jaaren, wanneer zyne wer= 
ken in ’t licht kwamen, zeer veel van zyn gezag 
wederom , en verkrygt een beter vertrouwen door 
de geduurige ontdekkinge van penningen, die 
van tyd tot tyd worden gevonden en fomtyds uit 
den fchoot der aarde opgedolven, gelyk noch on- 
langs gebleken is in den zilveren Pronkpenning 
‚van Perdiccas- den III, Koning van Macedonien, in 
den omtrek van de Stad Salonique gevonden, cn 
door GoLTZIUS te voren uitgegeven, doch tot de= 
zen tyd voor verdicht gehouden. De ongunftige 
denkbeelden omtrent dien eerften uitgever van een 
ouden penningfchat heeft men hier aan veel toe= 
tefchryven, dat hy zyn werk ten grooten deele 
heeft opgemaakt uit de penningkasfen van dien 
tyd, beftaande in ruim negenhonderd verzamelin= 
gen, volgens eene gefchrevene lyst daar van onder 
„my berustende , doch waar van wel de voornaamtfte 
door den tyd, en byzonder die in Nederland, be- 
ftaande alleen in tweehonderd, door de beroerten 
in de zestiende eeuwe zyn vermist geworden. 

Dus 


426 _P. VAN DAMME BERICHT 


aan den tyd van Philippus den II, va: 
der van Alexander den Grooten, ziet 
men aan de verfcheiden gouden, zilve- 
ren en koperen munten, hoedanig het 
Macedonisch ryk is toegenomen. Niee 
mand der Koningen heeft zyne groot- 
heid en roemruchtige daaden in de over« 
geblevene gedenk{tukken meer doen 
zien, dan de evengenoemde Alexander, 
Alle de plaatfen van zyn uitgeftrekt ko- 
ningryk , de fteden door Hem overwon- 
nen, en welke Hy op zyne tochten 
doorreisde, leveren zeer heerlyke ge- 
denkpenningen van denzelven in ’ fyn- 
fte goud en het fchoonfte zilver, Be- 
halven de gouden, zilveren en koperen 
munten van dezen grooten Vorst , wel- 
ke myne Penningkasfe bewaart, bevindt 
zich by my een fchat van tweehonderd 
ftuks zilveren Pronkpenningen (h). pn 

[onl 


Dus is ’t mede met PLINIUS onder de Natuurkun= 
digen gelegen, die, door langheid van tyd, in 
verdenkinge is geraakt wegens ’t verhaal van eenií= 
ge wonderen, die evenwel ten onzen tyde in de 
Natuurlyke Hiftorie ontdekt worden, Ook heeft 
de geleerde HÁRDUINUS in zyne Commentarien 
getoond, wat gezag de aloude penningen aan 
PLINIUS byzetten, waar door die Schryver in groo-= 
ter licht gefteld en in meer vertrouwen gebrachtis. 
Ch) Om de Nederlandfche Lezers, die zich pen 
en 


VAN EENIGE OUDE PENNINGEN, 427 


dezen voerraad kan men nieuwe voor- 
deelen trekken, zoo om verfcheidene 
naamen der Magiftraaten of Overheden, 
die op de Penningen van de Griekfche 
Vorften zeer ongemeen zyn, optehel- 
deren, als om eenige nadere ontdekkin- 
gen nopens de taal der Pheniciers, wel- 
ke noch aan zoo veele duisterheden on 
derhevig is, te doen en aan % licht te 
brengen, 

Alexander is de eerfte van alle Konin: 


5 gen; 


den wiilen toeleggen op de aloude Penningkunde, 
eenige ophelderinge te geven van het noch dikwerf 
te herhaalen woord Pronkpenningen, merke ik kort= 
lyk aan, dat wy dezelven, naar ’ Fransch, Me- 
daillons noemen , welk woord oorfprongelyk is van 
het Italiaanfche Medaglioni. Zy zyn gedenkftukken 
by de Grieken op de grootte en zwaarte geflagen 
van wel viermaal en fomtyds noch meerder, dan 
de gewoonlyke munten. De goudene, die zoo zeld= 
zaam zyn, dat men maar twaalf of ten hoogften 
vyftien verfchillende in alle penningkasfen van ge- 
heel Europa famen gerekend zal aantreffen , hebben 
doorgaans het gewigt van een once van de onge- 
mengdfte fpecie, die bekend is. De zilveren, die 
de volmaak{te opvolginge der Griekfche Koningen 
opleveren, wegen doorgaans een halve once van 
het allerbeste zilver. In myn kabinet zyn meer 
‚dan duizend Griekfche zilveren Pronkpenningen. 
De koperen Pronkpenningen komen onder de Ko= 
ninglyke weinig in aanmerkinge, en zyn genoeg- 
zaam alle, behalven die van Egypten, gewoone 
munten— Over de Romeinfche Pronkpenningen 
zal in ’ vervolg gelegenheid zyn te fpreken, 


428 _P. VAN DAMME BERICHT 


gen, van wien, zoo veel men tot nu 
‚toe, met volle zekerheid, weet, een 
gouden Pronkpenning bekend is. De- 
zelve is in myne Penningkasfe te vinden, 
als mede in het Koninglyk Trefoor in 
* Escuriaal te Madrid (i), en in het 
Vorftelyk Kabinet van den Groot- Her- 
tog te Mlorence (k). 

Lyfimachus is de voornaamfte van de 
Macedonifche Vorften, die, in navol- 
ginge van dlexander , zyne uitmuntende 
nagedachtenis in zyne overheerlyke 
penningen, waar van een groote voor- 
raad is, vereeuwigd heeft. Buiten de 
gouden , zilveren en koperen munten 
van dezen Koning, ís myne verzame- 
ling voorzien van twee gouden (l) en 
omtrent honderd alleruitmuntendfte zil- 
veren Pronkpenningen, 

Eer ik van de Macedonifche Konin« 

gen 


(i) ALEX, XAVIER PANEL disfertacion fobre una Me= 
dalla de Alexandro Magno. En Valencia 1753. 

(Kk) Vide Mufeum Florentinum , cum obfervationibus 
ANT. FRANC. GORII, Vol. I Tab. IV. / 

(1) De zwaarfte gouden Pronkpenning , die bee 
kend is, is van Lyfimachus, wegende één en een 
vierde once. Deze is in myn kabinet, en de weer- 
gade daar van is te vinden in de Penningkasfe van 
den Hertog d'Effrées, welke omftandig wordt be= 
fchreven door B. DE MONTFAUCON, fupplement de 
Pantiquité Expliqué Tom, IKL. pag. 121 


VAN EENIGE OUDE PENNINGEN. 429 


gen affcheide, dient noch wel gezegd 
te worden, dat de overgeblevene zilve- 
ren Pronkpenningen van Antigonus Go- 
natas grooter en zwaarder zyn dan van 
alle voorgaande Koningen, ’t welk ook 
de reden is, dat zy de tanden van den 
tyd hebben konnen verduuren,- en in 
eene uitmuntende fchoonheid tot ons 
zyn overgekomen. Vier verfcheidene 
daar van zyn reeds uitgegeven, maar in 
myn Kabinet alleen worden ’er zeven 
ftuks ter befchouwinge en tot nuttelyk 
gebruik bewaard. 


Koningen van Epirus, Dalmatien 
en Creta. 


Van de Koningen der Zpiroten, Dal- 
matiers en Cretenfers zyn zeer weinige 
en byna geene muntftukken voor han- 
den. Van Pyrrhus, Koning van Epirus, 
dien grooten verdediger van zyn vader- 
land, is in myne verzameling een fchoo- 
ne zilveren penning overgebleven, waar 
op de Koning, in de gedaante van de 

rygsgodinne Minerva , met haar fchild 
en helm, byde oude fchryvers zoo naauw- 
keurig opgegeven, vertoond wordt (m), 

| ’ Be- 
(m) Men vergelyke PLUTARCHUS iz Pyrrho. 


430 _P, VAN DAMME BERICHT 


Betreffende de Cretenfers, ik bewate 
een heerlyken zilveren Pronkpenning 
met de afbeeldinge van hunnen Ko- 
ning Minos, en de vertooninge van den 
bekenden Labyrinthus of doolhof, Het 
woord KNOEI)N toont, dat deze pen- 
ning Zy geflagen te Cnosfus , de hoofd. 
ftad van Creta, | | 


Koningen van Sicilien, 


De Koningen en Vorften van Sicilien 
en Syrakufen leveren aan ons eene aan- 
eenfchakelinge van hunne overgeblevene 
muntftukken. Dezelve beginnen met 
die van den eerften Koning Gelo. My- 
ne Penningkasfe bewaart een gouden 
penning van denzelven, waar op de 
Vorst verbeeld is, Het ruggeftuk ver- 
toont hem voerende den zegewagen;, 
door twee paarden getrokken, met het 
byfchrift TEAQNOE wan Gelo. | 

Onder de verfcheidene Penningen; 
die ik van Hiero, den eerften van dien 
naam en tweeden Koning van Sicilien, 
bezitte, munten uit twee onderfcheide= 
ne van goud, beftempeld met het hoofd 
van Ceres, Op de rugzyde ziet men 
den Koning, in navolging van dis 

; |  broe- 


VAN EENIGE OUDE PENNINGEN, 43ï 


broeder Gelo, den zegewagen mennen: 
de, met het byfchrift iEPONoE wan Hie. 
10, De Koningin Pbiliflis, van welke 
de oude fchryvers geene meldinge ma- 
ken, en die evenwel met alle reden tot 
_Sicilien geacht wordt te behooren (n), 
levert aan myne verzamelinge een zilve- 
ren Pronkpenning, en een kleinen zil- 
veren penning, als mede een koperen 
van de eerfte grootte; van welke de 
twee laatstgenoemde tot op heden door 
geene Schryvers zyn uitgegeven, by 
welken geene andere dan eenige weinige 
zilveren Pronkpenningen van deze on- 
bekende Koninginne bekend ftaan, 

Van den geweldigen Siciliaanfchen 
dwingeland Agathokles-zyn zeer weinige 
gedenk{tukken voor handen. Onder de 
gene, waar van myne Muntkasfe voor- 
zien is, zyn. twee heerlyke zilveren 
Pronkpenningen, van malkanderen on- 
derfcheiden, met het hoofd van Profer- 
pina, dochter van Ceres, met koornai- 

ren 


(n) Eenige nieuwe Schryvers zyn van gevoe= 
len, dat Damarata, de vrouwe van Geko, fomtyds 
ook den naam van Philistis gevoerd heeft, en dat 
deze penningen tot haar moeten gerekend worden 
te behooren, om dat by properus sicuLus Lib. XI 
van gedenkpenningen, ter gedachtenisfe-van de 
Koninginne Damarata geflagen, wordt gef) proken., 


432 _P. VAN DAMME BERICHT 


ren gekroond, en beftempeld met het 
woord KoPAr. De ruggeftukken toonen 
aan de overwinningen van .Agathokles , 
met zynen naam ATAOOKAEOE: 


Koningen van Peonien. 


Van het Koningryk van Peonien is 
ons, ter ftavinge van deszelfs Hiftorie 
door de overgeblevene gedenkftukken, 
weinig nagelaten, behalven van den 
Koning Audoleon, van wien ik een zil- 
veren Pronkpenning bezitte, met het 
gelaurierde hoofd van Jupiter beftem- 
peld, De andere zyde vertoont den 
Koning zelven in de gedaante van een 
Peonifchen ruiter, ftaande naast zyn 
paard ‚ met het byfchrift ATAQAEONTOS. 

e eenige weêrgade, welke tot heden 
van dezen penning bekend is, wordt 
bewaard in de heerlyke verzamelinge 
van den Heere Jofeph de France te 
Weenen, (o) | 


Koningen van Tbracien. 


De Koningen van Zbhracien hebben 
hun- 


(O) Vid, ERASMI FROELICH Notitia elementaris Nue 
gaismatum antiguorum Tab, VIII zo. E pag. 43. 


VAN EENIGE OUDE PENNINGEN. 433 


hunne gedachtenis op koperen munt- 
ftukken genoegzaam nagelaten, en wel 
voornamelyk Rhoemetalces de eerfte van 
dien naam, gevende als Leenman van 
het Keizerryk de eere aan den Romein- 
fchen Keizer Augustus , door zyne mun- 
ten, ten bewyze van onderdanigheid, 
met het hoofd van dien Keizer te be« 
ftempelen, Ik bezitte die alle, zoo met 
de afbeeldfels- van den Keizer alleen, 
als te gelyk van de Keizerinne Livia. 
Tot nu toe heeft men by de oudheid- 
kundigen noch geenen volkomen ge« 
denkpenning van den Koning Rhoeme- 
talces den II ontmoet, doch dezelve is 
thans in myne penningkasfe, met des- 
zelfs afbeeldfel, en dat van den Keizer 
Cajus Caligula, wiens Leenman hy 


was (p). 
IV. DEEL. Ee Het 


(p) Dezen zonderlingen gedenkpenning, den ee= 
nigen die volkomenis, zoo veel bekend is, heb ik 
bekomen uit de penningkasfe van den Heer Herman 
van der Horst, in zyn leven Bedienaar van het God- 
Iyk Woord te Schoonhoven, die, te Smyrna ver= 
fcheidene jaaren den Predikdienst waarnemende, en 
zeer wel bedreven zynde in de Griekfche oudhé= 
den, aldaar een goeden voorraad van penningen 
hadt vergaderd, welke Hy, by zyn leven, aan my 
heeft overgelaten. ter vermeerderinge van myne, 
Muntkasfe.— De Heer HAVERKAMP maakt, in 

Zzyne 


434 — P. VAN DAMME BERICHT 
« Koningen wan. Bosphorus. 


Het is zeer moeilyk de volledige op: 
volginge der Koningen van. Bosphorus 
door de overgeblevene gedenkpenningen 
aan te wyzen, De Koningen van dat 
ryk; onder % juk van ’t Romeinfche ryk 
gebracht zynde, hebben, even als die 
van ‘Fhracien, hunne munten beftem- 
peld met de beeltenisfen van de Keizers, 
waaf onder zy regeerden, Ik bezitte, 
agen sro nij en ge- 

kpenning van « oning Ahefcu- 
poris, die onder den Keizer Hadrianus 
regeerde, met het jaargetal FM®‚, zynde 
het jaar 545 naar de tydrekeninge van 
dat ryk, Deze penning, van yzerach- 
tig zilver geflagen „is door de voornaam- 
fte Schryvers over de Bosphorifche Ko- 
hingen nooit uitgegeven geworden (q). 


AFRI- 


zyne Algemeene Hiftorie , daar Hy handelt over 
de Koningen van Thracien, van dezen zelfden 
gedenkpenning eenig gewag— Men vergelyke _ 
M., CARY Hiftoire des Rois de Thrace (à Paris 1752) pag. 
70 Pl. HT no. 11. f 
_(q) Onder die Schryvers moet vooral geteld wor= 
den Mm. CARY, Hiftoire des Rois. du Bosphore Cimmerien 
Ge. à Paris 1752. 


í 


VAN EENIGE OUDE PENNINGEN, 435 


AFRICA. 
Koningen van 4Egypten. 


_ De Gedenkpenningen der Koningen 
van ZEgypten, welke in alle de drie 
metaalen zyn overgebleven, leveren ons 
eene fchoone opvolginge van dezelven, 
Van de weinige gouden pronkpennin= 
gen, die aan ons zyn nagelaten, en van 
welken reeds gefproken is in de aantee- 
keningen onder de detter (h), zyn wel 
de meesten tot de Zgyptifche Konin« 
gen behoorende, In myn kabinet be- 
rusten, onder andere, vyf ftuks onder« 
fcheidene gouden Pronkpenningen, be- 
treffende de Koningen van Agypten. 
JOH. FOY VAILLANT heeft, ín zyne 
Hifloria Ptolemaeorum , maar eenige 
daar van konnen uitgeven. Dus is ’ 
ook gelegen met de overige Schryvers;, 
waarom ik de noch onuitgegevene hier 
benevens late volgen. 

_ Tot nu:toe zyn twee onderfcheidene 
gouden pronkpenningen wan de Konin- 
ginne drfinoë , bygenaamd Philadelpbi, 


_ bekend; de eenemet de jaarrekeninge®, 


zyhde het negende jaar «der :regeringe - 
van Ptolemaeus Philadelphus,, vd liihee 
met de jaartellinge «, aanduidende het 
| Ees twin- 


436“ P, VAN DAMME BERICHT 


twintigfte jaar, In myn kabinet bevin- 
den zich noch twee onderfcheidene gou- 
den Pronkpenningen van dezelfde Ko- 
ninginne, met de jaartellinge A, ’twelk 
is het dertigfte jaar der regeringe van. 
gemelden Koning. Ik heb goedgevon- 
den eenen van dezelven door eene kun- 
dige hand te laten afteekenen en op de 
Penningtafel No. IL aftebeelden, 

Noch bewaart myn kabinet den on- 
uitgegevenen gouden Pronkpenning van 
den Koning Ptolemaeus Philopator , be- 
nevens de gemelde {tukken van de Ko- 
ninginne Arfinoë, overheerlyk bewaard, 
en. met andere over korten tyd van 
Conftantinopelen overgezonden. De- 
zelve is mede op de -Penningtafel int 
koper gebracht No, II. 


Koningen van Numidie en Mauretanie. 


Onder de Koningen van Numidie zyn 
de penningen van den ouden Juba by 
alle Schryvers- wel bekend geweest; 
doch van Koning Juba den jongen be- 
zitte ik een zilveren penning, die tot 
heden onbekend is gebleven. Opide- 
eene zyde is deszelfs borstbeeld #€ zien, 
en op de rugzyde een olifant, - if 

| | 0 


VAN EENIGE OUDE PENNINGEN, 437 


Ook berust in myne muntkasfe een 
penning van den Moorfchen Koning 
van. Mauretanie, door den beroemden 
G. CUPER (r) uitgegeven. 


GROOT ASIEN. 
Koningen van Syrien. 


De Koningen van Syrien geven niet 
alleen eene volkomene opvolginge: van 
hunne overgeblevene gedenkpenningen, 
maar deze vertoonen teffens de volmaakt. 
fte fchoonheid, teekening en pracht, 
die ons van de Grieken is -nageble- 
ven (S). „APO 

In myne verzamelinge bevinden zich 
elf ftuks onderfcheidene zilveren pronk- 
penningen van den eerften Koning Se- 
“Leucus , van welken wpa ea 
niet zyn uitgegeven ; en vyfenvyftig 
EMail van de drie terite Konin: 
gen, die den naam van „Antiochus ge: 

Ee 3 voerd 


«_(r) Iz Disfert, de Elepbantis in Nummis obviis , inferta 
Novo Thefauro Antiguitatum Romanarum A.H. de Sa- 
lengre, Tom. Ill pag. 134. 

… (s) In myn kabinet is eene zoo volledige en wel 
bewaarde opvolging van de Syrifche Koningen , eri 
wel inzonderheid van de fraaijfte zilveren Pronk- 
penningen, als men misfehien t@ vergeefs in eenig 
ander zal konnen aantreffen, es 


433 _ P. VAN DAMME BERICHT 


voerd hebben. De liefhebbers der pen- 
Bingkunde hebben veel moeite gehad 
om de gedernkpenninger vam deze drie 
Koningen te onderficheiden, De zwa- 
righeid kan nu merkelyk worden opge- 
lost, nademaal onlangs drie ftuks: even- 
gelyke zilveren pronkpenningen ontdekt 
zyn, op welke de eerfle Antiochus met 
zynen bynaam zeruPoz, Behouder, be- 
{kem peld, wordt en. dus van de anderen te 
onderkennen is: (t). De twee volgende 
engen van dien naam kunnen mede 
door den voorraad van myne verzame- 
linge hunne nadere onderfcheidinge be- 
komen. - 

De drie voornaamfte Schryvers, die 
de penningen der Syrifche Koningen 
befchreven. hebben (u), geven alle fa- 
men ee fluks Wd eermmage eh sagen 

ronkpenningen op- van Seleucus den 
enten heki de le ‚ Callinicus by- 
genaamd, _Myne -muntkasfe bewaart 
zeven verfchillende ; alle met het ftaan- 

de beeld van Apollo met den ve 
an 


Ct) Deze drie zonderlinge Pronkpenningen zyn 
thans te vinden in de Muntkasfen van. D, Fawkener , 
N. Pellerin en van my. DA > 

Cu) JOE. FOY VAILLANT , ERASM.. FROELICH „ En 
NW, PELLERIN, 


VAN EENIGE OUDE PENNINGEN, 439 


Van den Koning „Antiochus den IF, 
die de bynaamen GEOT, EHIPANOTE, en 
ook NIKHPOPOT (v) draagt, zyn tien ver. 
fchillende zilveren pronkpenningen in 
myne verzamelinge, waar van de voor- 
naatnfte door niemand zyn uitgegeven, 

De penningen van Antiochus den V; 
toegenaamd &upator , zyn de ongemeen. 
fte van alle Syrifche Koningen (w), Tot 
dezen tyd heeft men van dezen jongen 
Vorst, die maar elf jaaren geleefd en 
twee geregeerd heeft, flegts eenen en- 
kelen zilveren pronkpenning gekend, 
die van alle gemelde Schryvers is úitge- 
geven, Behalven dien, bezitte ik, in 
myn kabinet, noch drie andere, die 
my uit Syrien, met eenige andere pen: 
ningen by één gevonden, zyn toege- 

Be4 zon- 


(v) Dat de penningen, waar op Antiochus Ni- 
cepharus gemeld ftaat, tot Axtiochus den IV, zeer be- 
kend onder den bynaam van Epiphanes, behooren, 
is bewezen door den Abt BrrLEY dans !'Hiffoire de 
P Acad, des Tafcriptions Tom. XXIX pag. 200 È fdiv. 

CW) NIC, FRANC. HAYM, del Tefsro Britanvico, 
Volume primo Fogl, 48. °’Non o ancora rincontrato alcuna 
Medaglia di quefto Re (Antioco V detto 'ETIIATOPOE) 
che non fia fofbetta d'alterazione; esfendochè qualche volta 
i falfari, cangiando la parola PIAOIIATOPOE ch’ ap- 
„partiene ad Antiaco 1X ne formano quella di ETIIATOPOE 
zis maniera tale, ch’ è quaf? imposfible a diftinguere Vingau= 


no, ond’ € necesfario d'esfere cauto, 


440 « P. VAN DAMME BERICHT 


zonden, Ik heb dezelve zorgvuldig la- 
ten afteekenen, en, ter befeliadwinge) 
op de Penningtafel brengen No. III, V 
en V. Van den Koning Antiochus den 
Vlis in myn kabinet, behalven ver- 
fcheiden’ andere, een ongemeene zilve- 
ren pronkpenning met de afbeeldingen 
van Castor en Pollux, in het achtíte 
jaar van ’t leven van dezen jongen on- 
gelukkigen Koning geflagen. 

Men heeft nooit in eenige Muntkasfe, 
of by de Schryvers, gevonden pennin- 
gen van den geweldenaar Zryphon, dan 
van het kleinfte foort in koper, en de-- 
wyl de eenigfte (x) van zilver, die be- 
kend is, myne verzamelinge verfiert, 
heb ik niet willen nalaten denzelven in 
afbeeldinge te brengen, op de Tafel 
No. VL ik 


Uit deze weinige voorbeelden kan elk 
nagaan, hoe veel tot ophelderinge van 
de Syrifche Koningen kan worden afge 
leid uit hunne veelvuldige penningen, 
welke onder my berusten, ” hk 

0 


“ (x) In het vermaarde kabinet van den Hertog 
van Pembroke vindt men eenen zilveren penning 
van Fryphor; doch die is, by goed onderzoek, be= 
vonden nagemaakt te zyn. « 


VAN EENIGE OUDE PENNINGEN. 44E 


Koningen wan Commagenes 


„De gedenkpenningen der Koningen 
van Commagene, voor zoo veel zy over- 
gebleven en bekend zyn, zyn alle van 
koper, en in myne penningkasfe ge: 
noegzaam alle te vinden, en daar onder 
eenige, welke VAILLANT En PELLE- 
RIN nief hebben in * licht gegeven, 


Koningen van Parthien. 


De Parthifche Koningen leveren ons, 
door hunne overgeblevene munten ; ee- 
ne tamelyke opvolginge van dat ryk. 
Die penningen zyn genoegzaam alle van 
zilver en van een klein foort, uitgeno- 
men eenige zeer weinige pronkpennin- 
gen, waar van myne verzameling ook 
voorzien is, De bynaamen der Konin- 
__gen en de jaarrekening, welke op eenige 
te vinden is, {tellen ons in ftaat-om de 
opvolginge van die Koningen op te ma- 
ken (y). — 


Koningen van Perfien, 


Tot ophelderinge der Koningen van 
| Ee 5 Pers 


(y) Vergel. Memoires de! Acad, des Tufériptions Vol. 
XXII pag. 671684. 


442 P. VAN DAMME BERICHT 


Perfien zyn zeer weinige penningen 
overgebleven , terwyl dan noch het 
grootte gedeelte behoort tot Koningen, 

je geduurende de tweede Monarchie 
gerend hebben. Hunne zilveren en 

operen gedenkpenningen, die voor 
handen zyn, zyn tegenwoordig een ge- 
deelte van de oplettendheid der heden- 
daagfche geleerden en verzamelaars van 
oude penningen geworden, gelyk de 
kabinetten van Weenen (z), van den 
Heer MM. Duane te Londen (a), als me- 
de van de Heeren MN. Pellerin en M. d’ 
Ennery te Parys (b) doen blyken. Ook 
myne Penningkasfe bewaart eenige van 
_ deze munten, Fenl 


Koningen van Edesfa en Osrhoëne. 


De Koningen van Edesfa en Osrhoëne 
leveren ons, onder de Romeinfche 
Keizers: Commedus, Septimius Severus, 
Gordianus Pius enz, verfcheidene ko- 

pere 


CZ) Vid, B FROELICK, zotitia clementatis Numismatum 
Tab, XIV pag. 177- 
Ca} Conf. TH. HYDE Hifdoria Religionis veterum Per= 
farum , edit. fecunda Londini 1760. k 
bi) N. PELLERIN troifieme fapplemeut de recueil des 
Medailles de Rois, de Peuples & de Willes „ Planshe Ip. 4Q. 


VAN” EENIGE OUDE PENNINGEN. 443 


munten, welke meest alle in: myn 
arr ire vinden zyn (cX 


Koningen van Arabien. 


Van de oude Arabifche Koningen 
heeft men geene gedenkpenningen tot 
nu toe ontdekt, dan van Aretas. 


_ Koningen van Palmyre. 


Onder de munten der Koningen van 
Palmyre heeft men voor handen gedenk- 
ftukken van de bekende Koninginne 
Zenobia,. In myn kabinet is een zon- 
derlinge gedenkpenning (d) van die Kos 
ninginne, in °t vyfde jaar van haare re- 
geeringe geflagen, van koper van de 
middelmatige grootte, welke over eeni- 

e jaaren in den omtrek van het oude 
almyre is gevonden, 


Koningen van Judaeca, 


__ De overgeblevene gedenkpenningen 
der Koningen van. Judaea:, die noch vaor 


CC): Men zie hier over het fehoone werk van 
THEOPH. SIGEFR, BAJERUS, Hifforia Osrhoena et Edesfe- 
na, ex _Numis illuftrata , Petropoli 1734. 

(d) Dezelfde penning is afgebeeld by sEGuINus, 

Select, num, Antig. pag. 75. Edir. I684. 


444 -P. VAN DAMME BERIBHT - 


handen zyn, zyn van koper, waar van 
een redelyk aantal in myn kabinet be- 
waard wordt. 


KLEIN ASIEN, 
Koningen van Afien. 


Van Antigonus, Koning van Afien, 
werden van tyd tot tyd eenige zeer wei- 
nige heerlyke zilveren pronkpenningen 
ontdekt, Ik heb het genoegen drie ver- 
fcheidene daar van in myne verzame- 
linge te bewaren. By SPANHEIM (©) 
en anderen vindt men eenen enkelen 
penning van dezen Koning. PELLERIN 
heeft de meeste, dat is twee. FROELICH 
heeft ?er ook twee opgegeven , doch van. 
welke alleen de eene wezenlyk van de- 
zen Koning is, zynde de andere van. 
Antigonus Gonatas. 


Koningen of Vorften van Karie, 


De Vorften van Karie hebben, naar 
t klein getal der genen die geregeerd 
hebben, eenige opvolginge in meest 
kleine zilveren munten aan ons wa 

a- 


(e) De U & P. Num, Tom, I pag. 438. 


VAN EENIGE OUDE PENNINGEN. 445. 


laten. Behalven meer andere, bewaart 
myne Muntkasfe eenen zilveren Pronk- 
penning van den vorst Mausfolus met zy- 
nen naam en het ftandbeeld van Jupiter, 
en met het lettermerk ME. Alzoo deze 
penning by de fchryvers onbekend is 
gebleven, heb ik denzelven, naar het 
oorfpronglyke, laten afteekenen. Zie 
de Tafel No, VIL, 


Koningen van Pergamus. 


Alle de Koningen van Pergamus heb- 
ben op hunne penningen den naam van 
Philetaerus, die de eerfteftichter van dit 
ryk was. Behalven de koperen munten 
van deze Koningen, zyn in myn kabi- 
net veertien onderfcheidene zilveren 
Pronkpenningen, waar van men de 
weergade in eenig käbinet, of by de 
fchryvers die over dezelve gehandeld 
hebben, vruchteloos zal zoeken, 


_ Koningen wan Bithynie. 


De Koningen van Bithynie hebben 
hunne nagedachtenis bewaard op gou- 
den, zilveren en koperen gedenkpen- 
ningen, onder welke vooral in aanmer- 
kinge komen die van Nicomedes, den 

eer- 


446 P. VAN DAMME BERICHT 


eerften, tweeden en derden van dien 
naam, als mede van Prufias den 1 ena13 
waar van een goed gedeelte door my 
bewaard wordt, 


Koningen van Pontus. 


Van de Koningen van Pontus zyn 
zonderlinge en zeer zeldzaame zilveren 
Pronkpenningen bewaard gebleven met 
hunne jaarrekeningen; welke genoeg- 
zaam alle zyn van den grooten Mithri- 
dates, den zesden van dien naam en 
laarften Koning van het Pontifche ryk. 
Drie onderfcheidene van dezen Koning 
worden in myne verzamelinge gevon- 
den (f). 


Koningen van Kappadocie. 


De Koningen van Kappadocie, en wel 
voornaamlyk zy, die den naam van 
Ariarathes (2) en Ariobarzanes gevoerd 
hebben, geven ons , door hunne gedenk- 
penningen, eene redelyke opvolginge 

| van 


(f) Op-alle-deze Pronkpenningen wordt de naam 
van den Koning Mithridates gefchreven MIOPÁ-= 
AATOT: 

(s) Men begint, met âlle zekerheid, met den 
Koning Ariarathas Eufebes V. 


VAN EENIGE OUDE PENNINGEN. 44 


van hunne regeringe, Vyftien zilveren 
penningen, alle van malkanderen onder- 
fcheiden, zyn in myn kabinet, als me- 
de de zonderlinge zilveren en- 
ning van den Koning Archelaus, in het 
twintigfte jaar van deszelfs regeringe ge- 

flagen (h). 
… Eer ik van de Koningen affcheide, 
moet ik noch kortelyk melden, dat men 
noch verfcheidene gedenk penningen van 
andere ryken heeft, als van de Wanda- 
len in Africa, van de Koningen van Ga- 
latien in Afien, van de Gosbhen in Ita- 
lien, en meer andere, Van de -4rabi- 
Jehe munten en de gedenkpenningen van 
de Vorften en Califs van Arabie is een 
goede voorraad in myn kabinet voor 
—handen , waar onder ook de ongemeene 
gedenkpenning van Saladin gevonden 
wordt, en welke mede berust in de ver- 
maar- 


(HI) EZ. SPANHEIM, JOH. FOY VAILLANT en y. 
HARDUIN, die over dezen zeldzaatnen gedenk pen- 
ming gefchreven hebben, zyn vergist in de lezinge 
van denzelven, want in plaats van den bynaam 
PIAOTIATOPOE leest nen SIAOTIATPIAOES zyn- 
de die misflag veroorzaakt door het groote om- 
Schrift, ’twelk op dezen penning gevonden wordt, 
weshalven de letters, als te fterk in één gedron- 
gen, wegens het klein beftek, by de bovengemel= 
de Schryvers op kwalyk bewaarde penningen, al= 
dus verkeerd gelezen en uitgelegd. zyn, 


448 _P. VAN DAMME BERICHT 


maarde Penningkasfe van den Koning 
van Frankryk (i), Behalven veele an- 
dere, berusten, in myne verzamelinge, 
de voornaamfte penningen der nieuwe 
Arabifche Vorften , welke in de befchry- 
winge van Arabie door C‚ NIEBUHR als 
onleesbaar gevonden worden en door 
dien fchryver op zyre geleerdereize ver- 
zameld zyn ; maar die door behulp van 
myne muntkasfe ten vollen kunnen op- 
gehelderd worden. | 

Op de Koningen late ik volgen de 
vermaarde Vorften, als mede de be- 
roemde- Mannen en Vrouwen. 


Vermaarde Vorflen. 
| Annibal, | 


Onder de eerstgenoemden bevindt 
_ zich „Annibal, zoo berucht in de onlus- 
ten van Karthago. Deze penning is 
van zilver met een Punisch opfchrift, 
Deze zeldzaame gedenkpenning is, met 


eenige veranderinge , mede te SED 
et 


(D Deze ongemeene gedenkpenning is uitgege- 
ven door den Heer AND. MORELL in deszelfs Speci= 
sen rei Nummariae antiquae Tom. 1 Tub, XXIII pag. 239 
et feq. edit. Lzpfiae T695. 


VAN EENIGE OUDE PENNINGEN. 44 


het beroemde kabinet van den Hertog 
wan Pembroke te Londen (k). 


Beroemde Manten en Vrouwen, 
Pythagoras. 


Onder de beroemde en geleerde Man: 
nen, van welken genoegzaam geene o 
zeer weinige gedenkpenningen voor han- 
den zyn, bewaart myne Penningkasfe 
eenen van den bekenden Wysgeer Py= 
thagoras, welke tot zyne gedachtenis 
door die van Samus is geflagen. De- 
zelve is van koper van de eeríte groottes 


Ovidius. 

De penning van den vermaarden Dich: 
ter Ovidius wordt, als eene van de on- 
gemeenfte in deze opvolginge, in myne 
verzamelinge bewaard, Hy i$ van kos 
per, en door de Grieken tot zyne ge« 


_ dachtenisfe geflagen (I). 
“IV. DEEL, er HE Ik 


(K) N. F. HAYMs del Teforo Britannico , volume Pris 
mo, fogl. 143. * 

(D) Voor den Nederlandíchen Lezer zal het ge= 
noeg zyn te melden, dat de oorfpronglyke aftee= 
kening van het kopftuk van Ovidius naar dezen 
gedenkpenning gedaan is door den beroemden kon= 
Te 


„ 


450 Ps VAN DAMME BERICHT 
Julia Procla. 


Ik bezitte in myn kabinet een kope- 
peren -gedenkpenning van Ju/ia Procia, 
door die van Mytilene tot haare eer ge- 
flagen. Men vindt by de fchryvers gee- 
ne volkomen zekerheid, wiezy geweest 
is (m). Het is echter genoegzaam op 
te maken, dat zy eene vermaarde vrou- 
we was, gelyk de rugzyde van dezen 
ongemeenen penning, waar op Apollo 
met zyne harp is afgebeeld, genoeg te 
kennen geeft. De Mytileners hebben 
de gedachtenisfe van vele roemruchtige 
vrouwen met penningen vereeuwigd, ge- 
yk ook verheldert van de geflachten 
der eerfte Romeinfche Keizers, als van 
Julia, dedochter van Augustus, Aerip- 
pina, de vrouwe van Germanicus, Dru- 
fillaen Julia, de zusters van Caligula , 
en andere, zò 


ftenaar Bersard Picart, en geplaatst is op de titel« 
plaat van de heerlyke uitgave van de Gedaantewis- 
felingen van dezen Dichter, te Amfterdam in ’t jaar 
1732. | 

De Latynfche Lezer vergelyke E‚ SPANHEIM de 
U. & P. Numism. Tom. I. pag. 53 Ô 54. 

(im) Zie SPANHEIM Á c. pag. 711» 712) @* SEGUI= 
NUS elect, Num, antig. pag. 73, 74» die ook een pen« 
ning van Julia Procla opgeeft, doch welke veríchilt 
«yan den door my gemelden, 


VAN EENIGE OUDE PENNINGEN. 45f 


Indien myne geringe arbeid met eenig 
genoegen ontfangen wordt, zal ik eene 
tweede afdeelinge van myne Penning- 
kasfe laten volgen, behelzende de Grieke 
fche fteden, gelyk ook de Keizerlyke 
en haare Coloniën. De derde en laatfte 
afdeeling zal alleen handelen van de La- 
tynfche penningen der Romeinen, zoo 
Burgemeesterlyke als Keizerlyke ; welke 
laatfte afdeeling voor den Nederland« 
fchen Lezer wel het voornaamtfte zyn zal , 
zoo om dat men daar van eenige meere 
dere kundigheid over % algemeen ‘heeft, 
als om dat ik daar in myne beloften ze 
volbrengen omtrent de overgeblevene 
Romeinfche penningen, hier in Neder- 
land gevonden, waar van de voornaam- 
fte door de Hiftoriefchryvers tot nutoe 
weinig zyn bekend geworden, 

Eindelyk noodige ik alle Geleerden 
uit, die eenigen lust en kundigheid be« 
zitten, om ten algemeenen nutte ge- 
bruik te maken van-mynen Penningfchat. 
Hier door zouden meenigvuldige fraaije 
zaaken, die noch vabbeend zyn, aan 
*licht konnen gebracht worden tot 
groot genoegen van alle Geleerden, 
niet alleen in Nederland, maar zelts in 
geheel Europa, ’t welk in een kort be- 


452 -P. VAN DAMME BERICHT Enz. 


richt, gelyk dit is, niet gevoeglyk kon 
gefchieden. . De Heer N. PELLERIN 
heeft in weinige jaaren alle onuitgegeve- 
ne of weinig bekende penningen uit zyn 
voornaam kabinet laten uitgaan, Ik be- 
zitte in myn kabinet duizend en meer 
gedenkpenningen, die by alle Schryvers 
en den Heer PELLERIN tot heden on- 
bekend zyn gebleven: zoo iemand ge- 
zind is, in ’tfpoor van dien kundigen 
liefhebber der oude penningen te treden, 
en daar toe mynen ryken voorraad te 
gebruiken, dan zal myn wensch voldaan 
Zyn, en ik zal myn oogmerk, in 
fchryven van dit Bericht bedoeld, be- 
reikt hebben. 


PSY: 


kap 


ze 


Deel, bl 


 Genoolt 


zá 


e 


Ll NSC 


van & 


Pen 
ervtarn 


x 


fe ns 


Se 


SN She, ae ct 


„Bladz. 453 
PSYCHOLOGISCHE 


E N 


MORALISCHE AANMERKINGEN 


OVER HET - VERBAND. 


VERSTAND en WILLE, 


FW PARIS 
Gl He Ke lire ft Re Hp ie Ee 


De Volmaaktheid heeft haaren grond 
inde Eenheid, Zal ?er Volmaakt- 
heid, Order en Harmonie in de Ziele 
Zyn, zo moeten alle haare vermogens en 
werkingen zich in een grondbeginfel laa- 
„ten ontbinden. Men eigend aan de zie- 
Je verfcheide krachten toe; zo is de ge- 
woone manier van fpreeken, maar zy 
ds niet nauwkeurig, Daar is maar eene 
kracht in elke zelfftandigheid ; waren 
alle veranderingen , die men in haar ge- 

Ef 3 waar 


454 YW. PARIS OVER °T VERBAND 


waar wófd, ván diezelve kracht niet af- 
hanglyk, zo zou men meer en van el- 
kanderen onderfcheide krachten moeten 
ónderftellen , en men had dan niet eene, 
maar meer zelfftandigheden, De Ziele 
beeft eené kracht óm zich gadken woorte- 
flellen. Dit is haare Grondkracht, het 
eerfte beginfel van al watze kan en ver- 
mag, de brón; waáruit alles kan afge- 

eid worden, wat wy van haar door de 
ondervinding weeten en zeggen konnen, 
met een woord, het Wezen der Ziele. 

Alle getalen beginnen van de Eenheid, 
en zy konnen tot de Eenheid te rug ge- 
trokken worden, Deeze kracht is dat 
eene in de Ziele, waaruit de ganfche 
fomme van haare vermogens en werkin- 
gen kan opgemaakt, en waarin dezelve 
wederom kan ontbonden worden, Zy 
is âls het middelpunt in een Cirkel, Uit 
dit punt loopen alle linien na den om- 
trek, en van daar keerenze tot hetzelve 
pent te rug. 

_Deéze voorftelling van zaaken gefchied 
_in de Ziele niet op dezelve wyze, als in 
eên fpiegel, De Ziele houd zich hier 
meer werkzaam dan lydelyk, Zy 
be doot haare eige kracht denkbeel- 
den voort, die eene overeenkomfte heb: 

en 


VAN VERSTAND EN WILLE, 455 


ben met de voorkoomende zaaken.-. Zy 
begint met begrippen van enkele din- 
gen, dieze met elkanderen vergelykt; 
zy verbind, zy fcheid, zy verdeeld, 
ze maakt foortenen geflachten, ze komt 
van byzondere tot algemeene begrip- 
pen, ze oordeeld van de hoedanigheden 
der dingen, zetrekt gevolgen , ze maakt 
befluiten, en diergelyke. Deeze wyze 
van doen noemd men het Verftand, en 
als het verftand iets voorfteld, dat goed 
of kwaad is, zo word eene neiging of 
afkeerigheid , eene begeerte of tegenzin 
veroorzaakt. Het vermogen der Ziele, 
om zich tot iets teneigen, of haare nei- 
gingen te rug te houden, iets te verkie- 
zen, of te verwerpen, word de Wille 
genaamd. Beide Verftand en Wille 
hebben in de kracht der Ziele, waar- 
door zy zich zaaken voorfteld, haaren 
grondflag. Zy zyn niets anders, als ver- 
fcheide werkingen, inrichtingen , beftem- 
mingen of om een konstterm te gebrui- 
ken , die al zo nadruklyk is, modificatien 
van de voorftellingskracht der Ziele, 
… Dit zo zynde, zo zynze beide ook 
zeer nauw onderling verbonden, Inhet 
Verftand ligt de wortel, waaruit de 
Wille voortfpruit, en de wille fchikt 
Ef 4 __zich, 


456 J.W. PARIS OVER °T VERBAND 


zich, en is werkzaam volgens de denk: 
beelden en begrippen, die het verftand 
aan de-hand geeft. Zonder het verftand. 
kan ’er geen wille zyn, en waareen daa- 
delyk willen is, daar moeten verftands 
voorftellingen voorafgaan. Hetgeen men 
niet kend, kan men niet willen en be- 
geeren, Dit behoord tot die pfycholo- 
_gifche waarheden, die geen betoog no- 
dig hebben; zy zyn klaarblyklyk door 
onlochenbaare …ondervindingen, Zgnoti 
nulla cupido. 

Dit Verband van Verftand en Wille 
heeft echter alleen plaats in moralifche 
dingen. De wille word niet geneigd en 
beweegd door voorftellingen van aller- 
lei aard zonder onderfcheid , maar al- 
leen door zodanige, die de zedelykheid 
der zaaken betreffen, Veele dingen zyn 
aan en voor zich zelve voor den wille 
onverfchillig ; hoe wel en nauwkeurig 
die ook mogen gekend worden, hy 
blyft in ruste, werkeloos, zonder ge- 
voel en beweeging, zo lang ‘er niets in 
gezien word, hetgeen als verkieslyk of 
verwerpelyk zou mogen gehouden wor- 
den. Maar zo dra eene zaak zich ver- 
toond als goed of kwaad, recht of on- 
recht, betaamlyk of onbetaamlyk;, nut- 

| tig 


VAN VERSTAND EN WILLE. 457 


tig of fchadelyk, dan raakt de wille in 
beweeging , en word bepaald tot zo ee- 
ne gefteldheid, die aan de hoedanigheid 
van het voorwerp beantwoord, hy ver- 
kiest of verwerpt, en heeft meer of min- 
der neiging en afkeerigheid , naar maa- 
te hetgeen tot het zedelyke behoord in 
een meerder of minder trap in de zaake 
gevonden word, Deezen zedelyken in- 
vloed van het Verftand op den Wille 
ziet men in alle moralifche handelingen, 
en dewyl hier de werking van den wille 
het gevolg en de uitflag is van het voor- 
afgaand oordeel des verftands, zo kan 
men dit verband een nexus logico-mora- 
lis noemen, Daar ligt in elk zedelyk 
voorftel, zo niet uitdrukkelyk, ten min- 
ften ingewikkeld, eene Logifche fluitre- 
den, die „uit voorafgaande of onderftel- 
de praemisfen afgeleid word. Het Ver- 
ftand geeft de praemisfen,de Wille maakt 
de Conclufie, Dit is zo gegrond op re- 
deneerkundige wetten en regelen, dat 
de Wilie nooit iets begeeren of verkie- 
zen zal, of het moet zich op de eene of 
andere wyze als goed en begeerlyk voor: 
doen, het zy, dat het in der daad zo 
is, of dat het ons zo voorkomt. Het 
kan zyn, dat zich de Ziel in haare voor- 


458 7. W. PARIS OVER ’T VERBAND 


ftellingen misgrypt, en van goed en 
kwaad niet behoorlyk oordeeld, de 
Wille kan doch zelfs het kwaade niet 
willen, als onder den fchyn van het 
goede, 

Die een zeker inwendig Zedelyk Ge- 
woel willen invoeren, en hetzelve hou- 
den voor het allereerfte grondbeginfel 
der zedelyke waarheden en verplichtin- 
gen, begrypen de zaaken op eene an- 

re wyze: Wat men tot hiertoe ge- 
zocht heeft in het erkentenis vermogen , 
en in het oordeel van het verftand en de 
reden, dat heeft men federt eenigentyd 
willen zoeken in een inwendig, het zy 
aangenaam of onaangenaam gevoel , even 
als of de Ziel by het eerfte voorkoomen 
van zaaken aanftonds gevoelde, wat 
goed of kwaad is, en wat wy te doen 
en te laaten hebben , zonder dat het ver- 
ftand en de reden daaraan eenig deel 
hebben, of ons met haare verlichtingen 
voorgaan. De vraag is niet, of eene 
welgeftelde Ziel, by een redelyk bezef 
van het fchoone, edele en betaamlyke 
van. voorkomende zaaken en handelin- 
gen „eene inwendige , ftille en vergenoe- 
gende , en daarentegen op het gezicht 
en bezef van het onbetaamlyke , laage 

en 


VAN VERSTAND EN WILLE. 459 


en fchandelyke van ondeugende dingen 
en bedryven, eene tegengeftelde , onge« 
noegen en afkeerigheid baarende, aan- 
doening gewaar worde, en of men dee- 
ze aandoening een zedelyken fmaak, of 
een zedelyk gevoel zou mogen noemen. 
Hierover kan geene bedenking vallen, 
Zo een zedelyk gevoel behoorde een ei 
genfchap te zyn vanalle Zielen, die wel 
denken, en het is een kenmerk van een 
teder en door de indrukken van goeden 
kwaad levendig getroffen gemoed , alle- 
zins dienende, om tot deugdzaame ge- 
_zindheden en bedryven behulpzaam te 
zyn. De Moralisten konnen geen werk 
genoeg maaken, om dit zedelyk gevoel 
in de harten aller menfchen te verwek- 
ken en levendig te houden. Maar de 
wraag iss of ’er een zedelyk gevoel is, 
eene inwendige bevindingen als’ waare 
zesde zin, die re ene by elk 
mensch, in zo ver hy een moralisch 
wezen is, gevonden word, die door het 
redelicht zyn beftaan niet heeft, en van 
alle duidelyke verftands voorftellingen 
onafhanglyk is, en waardoor we aan- 
ftonds gevoelen, wat zedelyk goed en 
kwaad, en wat recht en plicht is, Een 
gevoel derhalven, dat, als het eerfte 
4 grond: 


460 J. W. PARIS OVER °T VERBAND 


grondbeginfel van alle zedelykheid zich. 
niet verder laat ontbinden , zyn verbin= 
dend gezag niet van elders ontleend, 
maar in zich zelven heeft, en de eenige 
en waare regel is, naar welken wy onze 
daaden inrichten, en van haare zedely- 
ke goedheid of kwaadheid oordeelen 

moeten, ad 
Dit nieuw zedekundig gebouw is in 
zyne eerfte grondflagen ontworpen door 
den bekenden Engelfchen Graaf SCHAF- 
TESBURY ; verfcheide zyner Landslieden 
hebben het verder willen verbeteren en 
volmaaken, en deeze hebben ook hun- 
ne navolgers in ons Land gevonden, die 
echter geenzins ongemoeid gelaaten wor- 
den. De Heer veTscH, Lid van de 
Hollandfche en Zeeuwfche Maatfchap- 
pyen der Wetenfchappen, heeft de wa- 
penen opgevat, om de Begunftigers van 
dit Engelsch /yfferma manmoedig te be= 
ftryden. De ftryd begint gerucht te 
maaken, en. dit fchynt aan de Heeren 
Curatoren van het Stolpiaansch Legaat 
aanleiding gegeeven te hebben, om. on- 
langs deze prysvraag voorteftellen: Si- 
ne homini innatus aliquis fenfus, quo di- 
vigatur ad dignoscendum „ et impellatur ad 
faciendum bonum morale? -dat is, Regt 
| e 


VAN VERSTAND EN WILLE. 461 


de vertaaling in den Boekzaal van Febr, 
1772, of in den mensch een ingefchaapen 
zin of zedelyk gevoel plaats hebbe ‚ waar- 
door hy beftuurd worde ter onderfcheiding, 
en aangefpoord ter verrichting wan het 
gzedelyk goed? Wy verwachten dan op 
deeze uitnodiging, dat dit vraagftuk met 
alle nauwkeurigheid onderzocht, en in 
een behoorlyk licht zal gefteld worden. 
De zaak verdiend het ook, en daar is 
veel aangelegen , als het op zedelykheid 
en pligt aankomt, dat men weete , waar 
men zich aan houden moet, of aan een 
inwendig gevoel, waarvan men geene 
reden kan geeven, dan dat gevoel zel. 
ve, of aan gronden, die uit de natuur 
der zaake, en eene beredeneerde Theorie 
opgehaald worden, 

Na deezen uitftap keeren wy weder 
tot den weg, dienwe hadden ingeflagen, 
Het Verftand gaat voor, de Wille volgd. 
Goed en kwaad zyn dingen, die niet 
onder een begrip vallen konnen. Ze 
zyn in haar eigen wezen zodanig onder- 
fcheiden, dat wy van het eene niet kons 
nen denken, hetgeen wy van het ande« 
re denken moeten. Het Verftand moet 
de uitfpraak doen, en oordeelen wat 
goed en kwaadis. De Wille moet zich 
| aan 


462 J.W. PARIS OVER °T VERBAND 


aan dat oordeel onderwerpen, zynenei- 
ingen, begeertens, voorneemen en be- 
luie daatna fchikken, en zich daadvaer- 
dig toonen, om het goede te verkiezen 
en te doen, het kwaade te verwerpen en 
te laaten, Dit ís de algemeene wet der 
waarheid en zedelykheid, Wanneer de 
Wille zich in die paalen houd, en onze 
daaden en verrichtingen aan die wet ge- 
lykformig zyn, dan zyrze gelykformig 
aan dereden, zy zyn dan recht en goed, 
draagende het merk van eene zedelyke 
goedheid , en dezelve in haare echte ge- 
daante vertoonende. Naar maate dit ver- 
band van Verftand en Wille in goede 
order gehouden en bewaard word, zul- 
lenwe ook aan onze zedelyke verpligtin- 
gen yveriger en getrouwer beantwoor- 
den. 

Ondertusfchen, als wy de ondervin- 
ding raadpleegen , zo gaat het zo niet, 
gelyk het behoorde, en wy zien maar 
al te klaar, dat op de banden, die den 
Wille «onder ‘het gebied der reden ge- 
fteld ‘hebben, op menigerhande wyze ge- 
weld en inbreuk gedaan word, Wy 
‘hooren eene van lieide raazende ME- 
DEA by OVIDIUS: 


dens 


VAN VERSTAND EN WILLE, 463 


Mens aliud fuadet. Wideo meliora, proboque, 
Deteriora fequor, 


Men denke echter niet, dat deeze taal 
op zich zelve eene raazerny is; ’t zyn 
woorden, die wy allen met een bedaard 
gemoed konnen nafpreeken, Op dezel 
ve wyze is het by ons gelegen in veeler- 
lei gevallen. Wy zelven zynde MEDE- 
AAS, die het voorfchrift van ons ver- 
{tand zo dikwyls onnut maaken door 
de verkeerde neigingen van onzen wil- 
le, Waar komt dit van daan, en wat 
is de oorzaak van deze wanorder?2 Dit 
vereischt een nader onderzoek ‚ Een leid 
ons tot de bron en oorfpronk van die 
groote verdorvenheid, die Wy in ons 
gewaar worden, en waardoor de onder: 
gefchiktheid, en alle goede harmonie en 
overeenftemming, die in de Ziele en 

aare vermogens behoorde plaats te 
hebben, wechgenomen en vernietigd 
word, 

Zou de mensch ook twee Zielen heb: 
ben ? eene goede en eene kwaade Ziel, 
eene, die hem tot het goede, en eene, 
die hem tot het kwaade aandryft, Zie. 
len, zo vyandig tegen elkanderen, en 

€ 


464 J. W. PARIS OVER ’T VERBAND 


de eene wil, wat de andere niet wil , en 
altoos kryg voerende, om elkanderen 
het bewind te betwisten , even gelyk de 
“twee Godheden van ZOROASTER, 
Daar was een tyd, dat men aanelk ver- 
fchynzel een byzonder en eigen beginfel 
wilde toeeigenen ; men geloofde daarom 
ook , dat de zedelyke verfchynzelen , in 
welke men zo dikwyls eene tegenftry- 
digheid ontwaar word, niet konden ver- 
klaard worden, dan door de vooronder- 
ftelling van twee zulke Zielen in een en 
denzelven mensch, Waren ’er zulke 
twee Zielen niet, en moesten zo veele 
verfchillige en tegen elkanderen aanloo- 
parce zedelyke verfchynzelen uit eenen 
etzelve beginfel afgeleid worden, men 
dacht, hoe is het mooglyk, dat ‘er dan 
zo eene aankanting en tegenzinnigheid 
tusfchen Verftand en Wille zou konnen 
plaats hebben, Hoe valsch deeze rede- 
neering was, heeft de beroemde Philo- 
fooph MOZES MENDELS ZOON in 
zyne byvoegzelen tot de brieven over de 
bevindingen aängetoond , welk werkje de 
Heer PE TSH in ’ Hollandsch overge 
zet, en in navolging van den Heer Pro« 
fesfor ABBT, die het in ’t Fransch had 
vertaald, onder den tytel van es 
| BIER 


VAN VERSTAND EN WILLE. « 465 


zoek der zedelyke Gevoelens uitgegeeven 
heeft, 

Daar waren ’er onder de oude. W'ys- 
geeren, die de zaak beter begreepen, Zy 
maakten van de Ziele geen twee zelf- 
ftandigheden , maar zy verdeelden haa- 
re vermogens in twee foorten, dieze de 
hoogere en laagere noemden, Facultates 
Juperiores et inferiores. Deeze verdee- 
ling heeft haaren grond in de perzoon- 
lyke vereeniging van de ziele met een 
lichaam, De Ziel van den mensch, als 
een geest, of enkel als Ziel aangemerkt; 
heeft een verftand en vryen wille; hier- 
door is zy verhoogd boven de Zielen 
der Dieren, aan welke. geen eigentlyk 
verftand en wille kan toegeeigend wor- 
den , en daarom noemd men deeze Zielss 
vermogens haare hoogere krachten, Maar 
de Ziel is ook met een lichaam veree- 
nigd, dat verfcheide zintuigen heeft, 
op welke de voorwerpen, die onder het 
bereik der zinnen vallen, zekere indruk- 
ken maaken, waardoor. de beelden der 
zinlyke dingen tot de Ziel overgebragt 
worden, De kracht der Ziele, om door 
middel van de zintuigen zinlyke voor- 
ftellingen voorttebrengen, die zinlyke 
neigingen en begeertens tot een gevolg 

IV, DEEL. Gg heb» 


466. J.W. PARIS OVER °T VERBAND 


hebben, is haare Jaagere kracht, om dat 
zy hierin niets vooruit heeft voor de 
Dieren „die ook eene Ziel hebben, en 
in dezelve zinlyke voorftellingen en nei- 
gingen, maar geen vermogen, om zich 
redelyke voorftellingen te maaken, en 
haare neigingen naar dezelveinterichten, 
Dit kan de Ziel van een mensch doen ; 
maar: neemtze geene hoogere vlugt, 
blyftze maar aan zinlyke voorftellingen 
en neigingen hangen, en is deeze zin- 
lykheid het Hoofd-Element, waarin ze 
leeft en zich beweegd, zo doed ze niet 
meer, dan by onvedelyke Dieren gevon- 
den word, Deeze konnen niet anders 
handelen als naar zinlyke denkbeelden; 
in dien omtrek is hun vermogen befloo- 
ten, het ftrekt zich niet verder, en 
daarom kan het hen ook als geen mis- 
flag worden aangerekend, datze alleen 
naar zinlyke indrukken te werk gaan; 
daar in tegendeel de Ziel van den 
mensch, naar de wyze der Dieren han- 
delende, zich aan eene ftrafbaare laag- 
heid fchuldig maakt , om datzeeen hoo- 
ger vermogen heeft, | 

De Zinlykheid is echter aan en voor 
zich zelve de werkende oorzaak niet van 

die wanorder , die wy in de Ziele gie 
\ é ; e ded 


VAN VERSTAND EN WILLE, 46} 


dekken, zy geeft ’er alleen sir 
en gelegenheid toe. Daaris geen kwaad: 
in gelegen, dat wy aan zinlyke voor- 
werpen denken, en ons van dezelve 
voorftellingen en begrippen maaken, 
Kan niet anders zyn, of de Ziel, die 
met een lichaam vereenigd is, moet de 
voorwerpen; die op de zintuigen wer= 
ken, bevinden, en zo gewaar worden, 
als ze zich aan haar vertoonen. Maar 
in die gewaarwordingen is noch veele 
donkerheid en verwarring. De zinnen 
ftellen ons de zaaken niet voor, gelykze 
in der daad zyn, ze leveren ons maar 
verfchynzelen, welker gedaantens en 
vertooningen geene wezentlykheid heb- 
ben, dan in onze inbeelding. Willen 
wy door dien fchyn niet misleid en be- 
drogen worden, wy moeten de zinlyke 
bevindingen aan het oordeel des ver- 
{tands ter toetfe brengen, alles rype- 
lyk en bedaard overleggen, het een van 
het andere afzonderen, elk deel op zy- 
ne rechte plaats en zynen behoorlyken 
rang fchikken, even gelyk men omtrent 
zaaker doed, die men uit de verwarring, 
waarinze liggen, in order brengen wil; 
wy moeten oordeelen, wat goed, wat 
kwaad, en. wat het beste is; hetgeen 

| Gz 2 waar- 


468. J.W. PARIS OVER °T VERBAND 


waarlyk goed is, en in zo ver het goed. 


is, van het geen maar een fchyn van 
het goede heeft, affcheiden, en zo de 
zinlyke dingen naar haare waerde of on- 
waerde leeren fchatten. Het ver{tand, 
opdie wyze zyn licht gebruikende, zo 
zoude wille ook het beste kiezen, de 
zinlyke neigingen en begeertens zouden 


in haare rechte maate en order blyven, 


en-daar zouden geene verkeerde hande- 

lingen volgen. « | 
Maar-wanneer wy by de zinlyke voor- 
werpen: geen behoorlyk en genoegzaam 
onderzoek aanftellen , zo word het ver- 
ftand,- zynen. pligt verwaarloozende, 
door het zinlyke verrast, en met zinly- 
ke en lichaamlyke beelden aangevuld, 
die het verftand verbysteren, benevelen, 
en tot-eene duidelyke en onderfcheide 
voorftelling, overlegging en beoordee- 
ling van zaaken onbekwaam maaken. 
Hiervan is het gevolg, dat dan de zin- 
lyke bevindingen de wetftellen; zy wor- 
den eene regel van den wille en zyne 
neigingen en begeertens, en hy verkiest 
of verwerpt, naar maate die bevindin- 
gen aangenaam of onaangenaam zyn. 
De mensch weet dan van geen ander 
goed, als hetgeen de zinnen vermaakt, 
en 


- 


VAN VERSTAND EN WILLE,’ 469 


en hoe kwaad dat zinlyke ook in zich 
zelven zyn mag, in die hoedanigheid 
van vermaak vertoond het zich aan hem 
onder het beeld van het goede, zelfs 
het grootfte kwaad , hoe onnatuurlyk en 
onmenschlyk het ook zyn mag, kan 
een bemind voorwerp van zyne zinlyke 
neigingen en begeerlykheden worden, in 
zo ver met het bedryf van hetzelve een 
zinlyk vermaak gepaard gaat. Hy zoekt 
dat vermaak door allerlei zinlyke bevin- 
dingen, waar hy het maar vinden kan, 
en geene paalen van redelykheid, mensch- 
lykheid en fchaamte zyn zo fterk, of de 
zinlyke drift kan’er door heen breeken. 
Het is geen wonder, waar het zo ge- 
legen is, dat de order en het verband, 
dat God en de natuur tusfchen verftand 
en wille gefteld heeft, verbroken èn ver- 
woest word, Het Verftand moest het 
gebied voeren, en het word een flaaf, 
die zich in de ketenen der zinlykheid laat 
gevangen houden, De Wille moest ge- 
hoorzaamen, en de zinlyke neigingen 
en driften maaken hem tot een T'yran. 
Waar ze de overhand hebben, laaten 
ze niet toe, dat zich het verftand een 
bepaald, zeker en geduurzaam begrip 
van dingen zou maaken, die den zinnen 
Gg 3 niet 


470 Je W. PARIS OVER °T VERBAND 


niet aangenaam zyn, en noch veel min- 
der om ’er zo een oordeel over te vel- 
len, ’t welk tot een beweeggrond voor 
den wille zou konnen verftrekken, om 
het goede te verkiezen, dewyl zy zel- 
ven de allerfterk{te beweeggrond zyn, 
om het niet te doen. Zyn ’er bedaar- 
de oogenblikken, dat de ziele begint 
natedenken, en ontwerpen wil maaken 
tot betere voorneemens en befluiten, 
de eerfte aanval der zinlyke drift werpt 
die overhoop, zo dra hy maar van bui- 
ten verleidende voorwerpen ontmoet, 
hy trekt alle aandacht en begeertens der 
Ziele tot zich zelven, hy verdicht uit- 
vlugten, maakt voorwendzelen en uit- 
zonderingen , onderwerpt alle gedachten 
en overleggingen onder zyn gebied, en 
weet die zo te fchikken en te doen wer- 
ken als de zinlykheid begeerd en heb= 
ben wil. Zy maakt zich eerst meester 
van den wille, daarna folterd ze het 
verftand, om zich een fyflena te for- 
men, waar in ze meend te konnen be- 
rusten, en in het welk het Zheoretisch 
en Prafisch deel door een zwaai van 
geestige gedachten in zo een nauw ver- 
band word gebragt, als ter begunftiging 
van die groote hoofdles dienen pr 
i aas 


VAN VERSTAND EN WILLE. 471 


Laat ons eeten, drinken; wrolyk zyn, 
doen wat de zinnen vermaakt , morgen 
flerven wy; Post mortem nulla voluptas, 

„Maart, zo het iemand wat vreemd 
mogt voorkoomen; dât de zinlyke voor- 
{tellingen zulke geweldige indrukken 
konnen maaken, dat ze alle neigingen 
en begeertens der ziele door eene over- 
heerfchende kracht onder haar bedwang 
ftellen, en dat al wât in de ziele rede- 
lyk is daartegen geen beftand houden 
kan, gelyk de ondervinding leerd ini vee- 
le gevallen; zo zou men mooglyk een 
{tap verder konnen gaan. De werktui= 
gen der zinlykheid zyn in het lichaam, 
De vereeniging van ziel en lichaam mag 
voor ons eene verborgenheid zyn, gelyk 
ze in der daad is, door de ervaaring 
blykt het ontegenzeglyk, dat de vermo- 
gens en werkingen der ziele zich fchik- 
ken en geëvenredigd zyn naar den aard 
en gefteldheid van het lichaam; Niet 
minder is het door de ondervinding be- 
kend, dat in ons lichaam veel onregel- 
matigheid heerscht, en dat het onder- 
hevig is aan veelerlei onordentlyke en 
geweldige beweegingen, die hiet altoos 
vân onze willekeur afhanglyk zyn, Zou 
dit wel plaats konnen hebben , zo men 

Ge 4 niet 


472 Je 'W. PARIS OVER ’T VERBAND 


niet eene oorzaak zou mogen voorons 
derftellen , waar door het lichaamsgeftel 
in wanorder gebragt, de grovere en fy- 
nere materie buiten haar evenwicht ge- 
raakt, en voor min of meer onnatuurly- 
ke aandoeningen, fchokkingen en be- 
weegingen, die wy zelfs niet altoos ge- 
voelig gewaar worden, vatbaar gewor- 
den is, Doch hier laat ik my niet ver- 
der in, Zo veel is zeker, dat men uit 
eene algemeene ondervinding dit gevolg 
trekken kan, dat zinlyke voorwerpen 
op zo een onregelmatig lichaam een ge- 
weldigen indruk maaken konnen, zy 
konnen de vloeibaare deelen in eene 
driftige en ongewoone beweeging zet- 
ten, deeze konnen op haar beurt door 
haare aanprikkelingen de verbeeldings- 
kracht aan het gaan helpen, de zinlyke 
voorftelling, door eene zeer levendige 
verbeelding onderfteund, kan hier door 
een grooter trap wan fterkte erlangen, 
dan ze anders zou gehad hebben, en 
dus eene baarmoeder worden van hevií- 
ge en vuurige driften, die tot allerlei 
ongeregeldheid aanzetten konnen. Dee- 
ze uitwerkingen worden echter by allen 
niet op dezelve wyze, en omtrent de- 
zelve voorwerpen bevonden, De rs 

et 


VAN VERSTAND EN WILLE. 43 


der vloeibaare deelen zyn in alle lichaa- 
men niet eenformig gemengeld, … Dit is 
de oorfpronk der verfcheide Zempera- 
menten, en daaruit ontftaande Zempe- 
raments neigingen en driften, die, in het 
algemeen aangemerkt, de fterkfte bol- 
werken zyn, die het verftand en de re- 
den zo menigmaal onder haar geweld 
doen bezwyken, aan de poogingen, die 
ze doen willen, op allerlei wyze een 
krachtigen tegenftand bieden, en dezel- 
ve verydelen. De gedachten der oude 
W'ysgeeren, zo veel het lichaam aan- 
gaat, hoe vreemd ze met den eerften 
opflag mogen fchynen, en de byzonder- 
heden, die wy in de Goddelyke Open- 
baaring onder den naam van het vleesch 
vermeld vinden, konnen met de opge- 
geeve vooronderftellingen ligt overeen- 

dragtig gemaakt worden. 
Mooglyk hebben wy van den grooten 
invloed der zinlykheid uitvoeriger ge- 
handeld, dan het tot ons bepaald oog- 
merk was nodig geweest. Doch moet 
hierin de grond van onze verdorvenheid 
gezocht worden, zo is het naar het be- 
loop der zaaken, die wy verhandelen, 
zo onvoeglyk niet om daar van een be- 
hoorlyk denkbeeld te geeven, Wy ko- 
Gg5 men 


474 Je We PARIS OVER °T VERBAND 


men nu tot een onderzoek, * geen , als 
zeer gewichtig, boven al eene ernftige 
overdenking waerdig is. Het verband 
tusfchen het Erkentenis- en Begeerte- 
vermogen is in eene groote wanorder 
gebragt, hoe moet het herfteld, hoe 
moet de wille tot het goede getrokken, 
hoe konnen heerfchende zinlyke neigin- 
gen in tegengeftelde goede neigingen 
veranderd worden? hoe gefchied dat? 
hoe kan dat gefchieden? Wy gaan vee- 
le byzonderheden voorby , die hiertoe 
„ook haare betrekking hebben, en be-_ 
paalen ons by algemeene aanmerkingen, 
_Myn voorneemen is niet, om dit {tuk 
Theologisch te behandelen, Wat ons 
de Openbaaring leerd van een bovenna- 
tuurlyk Genadebeginfel, waardoor de 
mensch. veranderd, zyne krachten en 
vermogens vernieuwd, verhoogd, tot 
het goede gericht, en daartoe gefchikt 
en bekwaam gemaakt moeten worden, 
dit zyn waarheden van een hoogeren. 
rang ; de reden geeft ‘er haare goedkeu- 
ring en toefternming aan, zo dra ze die 
verneemt ‚ maar zy behooren eigentlyk 
onder haar bereik niet. Doch hoe en 
op wat wyze men ook de werkingen der 
genade begrypt, en hoe onmiddelyk ee 

| Poy- 


VAN VERSTAND EN WILLE. 475 


phyfisch dezelve ook. zouden mogen zyn, 
de natuurlyke zielskrachten worden ‘er 
‘niet door “vernietigd, maar verbeterd, 
en zal dat gefchieden, zo moeten die 
genadewerkingen ingericht zyn naar den 
aart, de maate en den faamenhang van 
de natuurlyke vermogens en werkzaam- 
heden-der ziele, Daarom laat die vraag, 
hoe de mensch verbeterd, hoe hy goed. 
en deugdzaam moet worden? eene Phi- 
lofophifche befchouwing toe, die zich 
grond op de natuur en inwendige ge- 
fteldheid van de ziele , van haare ver- 
mogens en werkingen, en al zulke waar- 
heden, die daar uit afgeleid konnen 

worden, beef 
De Wille kan zich tot het goede niet 
neigen en bepaalen , of daar moeten be- 
weeggronden zyn, die hem daar toe 
dryven en aanzetten. Daar is niets, of 
het moet een genoegzaamen grond en 
reden hebben, waarom het zo en niet 
anders is. Iets willen, zonder dat ’er 
eenige reden is, waarom men het wil, 
is al zo ongerymd als dat ’er iets zou 
zyn, waar niets is. Zonder motiven kan 
‘er geene neiging, geene verkiezing, 
geen voorneemen en befluit zyn, en die 
motiven moet het verftand ee 
It 


476 J. W. PARIS OVER °T VERBAND 


Dit is de order der zaaken volgens de 
natuur der ziele, 

Maar hoe komt het, dat de wille 
niet altyd tot het goede getrokken en 
ter uitvoering van hetzelve werkzaam 
gemaakt word, niet tegenftaande dat 
het noch aan kennis van het goede noch 
aan beweeggronden ontbreekt, In din- 
gen, die onze tydelyke belangen betref- 
fen, doen wy aanftonds, wat wy voor 
zen ‚ nuttig en dienftig houden, maar 

oe zelden in moralifche dingen? Wy 
konnen ‘er verftandig over redeneeren, 
en handelen doch alle dagen tegen bete- 
re inzichten, vooral als onze heerfchen- 
de neiging in het fpel komt. Daar is 
dan hier noch een ledig vak tusfchen 
verftand en wille, en hoe moet men dat 
aanvullen? Dit is de groote vraag, en 
is die wel door de Zedeleeraars voldoe- 
nend beantwoord? Men vind overvloe- 
dige voorfchriften van pligten, die men 
volbrengen moet, geheele boeken vol, 
Maar hoe die volbrenging mooglyk 
word, en wat het eigentlyk zyn moet, 
waar door Verftand en Wille faamge- 
hecht, en tusfchen geest en hart eene 
vriendelyke Eendragt en Harmonie 
„moet gefticht worden , wat is dat? in 
AE en 


VAN VERSTAND EN WILLE, 477 


Men onderfcheid eene doode en eene 
levendige kennis, de eene blyft werke- 
loos, de andere gaat in het begeerte 
vermogen over, en brengd daar eene 
bepaalde uitwerking voort. Het onder- 
fcheid is waarachtig, maar het brengd 
ons daar niet, waarwe zyn moeten, 
" Hoe word de kennis levendig en werk- 
daadig? even dit is het, dat men weeten — 
wil, Welke trap van klaarblykelykheid 
en zekerheid word tot eene levendige 
kennis vereischt? Moetze beftaan uit 
louter duidelyke begrippen, daar zich 
geene onechte en verwarde denkbeelden 
inmengen, moetze haare zekerheid. ver- 
krygen door een inzien in den faamen- 
hang der zedelyke waarheden, moet ze 
de eene met de andere konnen verbin- 
den, en dat verband afleiden uit onwraak- 
baare grondbeginfelen? Dan waren de 
Wysgeeren ‚die de konst van betoogen 
verftaan, de deugdzaamfte menfchen, 
en men vind eenvoudigen, die in het 
beoefenen van hunnen pligt yveriger en 
getrouwer handelen, dan de grootfte 
Geesten, Hoe dikwyls leerd de onder: 
vinding, dat zodanige kennisfen „ die 
door redeneering verkreegen worden, 
minder werkzaam zyn, dan zelfs de 
| zul. 


478. J. Ws PARIS! OVER °T VERBAND 


zulken, die de zinnen voortbrengen. 
Hoe dit komt heeft de reeds gemelde 
Heer MOSES MENDELS ZOON in het 
te vooren aangehaald boekje door eene 
nieuw uitgedachte hypothefe. getracht 
begryplyk te maaken. De onderftelling 
is den naam van een diepdenkenden 
Philofooph, en het onderzoek der 
Wysgeerige waereld waerdig, daarom 
kan ik niet voorby, om ‘er een kort 
bericht van te geeven: 


‚Zyne gedachten: komen hierop uit, 
dat de. werkkracht der kennisfe in de 
Jaamseftelde rede gelyk is 

1 met de hoeveelheid van het goede, 

het welk wy in een voorwerp ge- 
waar worden. 
2, met den graad der kennisfe,„ die 
wy van dat goede hebben. _ * 

3. omgekeerd, met den tyd, die ter 
overdenking van het zelve goede 
vereischt word, 


Hier uit trekt hy dit gevolg, dat eene 
kennis, die minder waar, duidelyk en 
zeker is dan eene andere, des niet te 
min. met meerder kracht op de’ neigin= 
gen en-begeertens der ziele kan rf 
IS als 


VAN VERSTAND EN WILLE, 479 


alsze in een voorwerp meer volmaakt- 
heden ontdekt, en dezelve fchielyker 
befchouwen kan, _- 

Dewyl nu de zinlyke gewaarwordin- 
gen eene menigte goeds en kwaads ver- 
wardelyk voorftellen , en deeze verwar- 
de voorftellingen met eene groote fchie- 
lykheid gefchieden, zo meent hy, dat 
dit de oorzaak is, dat de verwarde ken- 
nis der zinnen dikwyls de reden doed 
zwichten, en meer kracht en. invloed 
heeft op het begeerte vermogen, dan 
de duidelyke kennis der reden. Men 
had mogen verwachten, dat de Heer 
PETSCH, die dit werkje vertaald, en 
hier en daar met aanmerkingen voor- 
zien heeft, ook zyn gevoelen over dit 
gedeelte van hetzelve, dat zeker het 
gewichtigfte is, zou hebben medege- 
deeld, Zou ‘er geene bedenking kon- 
nen op gemaakt worden? Wat my 
aangaat, ik heb zo veel eerbied voor 
dien Berlynfchen Wysgeer, die onder 
zyne Natie een Ster van de eerfte groot- 
teis, dat ik meer vermaak heb, zyne 
fchrandere gedachten en invallen te wees 
7: ies gie ih 5 

yn duidelyke begrippen niet altoos, 
het middel, om de kennis atis en 
rach- 


4509 J. W. PARIS OVER ’T VERBAND 


krachtig te maaken; zouden veele be- 
weeggronden, die op het gemoed drin: 
gen, niet eene overwinnende kracht 
hebben, om zich meester van den wille 
te maaken? Niet altyd. Hoe gewis en 
zeker het is, dat de wille niet in bewee- 
ging kan gebragt worden als ?er geene 
motiven zyn, die hem beweegen en aan- 
zetten , zo blykt het wederom by de on- 
dervinding, dat noch de menigte noch 
het gewicht der motiven een volftrekt, 
doorgaand en algemeen krachtig middel 
is, daar men altoos eene gewenschte 
uitwerking van verwachten kan. Men 
kan hier zeggen, wat wy zo even van 
de kennisfe gezegd hebben. Die meer 
verftand en eene uitgebreider kennis 
heeft, kan zich meer en gewichtiger be- 
weeggronden voorftellen, dan een een- 
voudige, en daarby minder deugdzaam 
te werk gaan, en zo pligtmaatig niet han- 
delen. De veelheid der motiwen is al zo 
min nodig, om den wille tot het goede 
te neigen, als de veelheid der bewyzen , 
om het verftand van het waare te over- 
tuigen, Een of twee bewyzen, een of 
twee motiven , en die in haar foort deug- 
delyk en voldoende, konnen het werk 
dikwyls beter doen, dan eene ven 

. vul 


d 


‘VAN 'VERSTANDEN “WILLE. © 48E 


vüldiging- en opftapeling van meer:dier- 
gelyken. Het Zind-oordeel „ ultimum ju- 
dictum practicum „ is doorgaans meer de 
vrucht van een allernaasten, dan van 
een verder voorafgeftelden beweeggrond, 
Ook kan het gebeuren, ven het gebeurd 
dikwyls, dat terzelver tyd dat ‘zich 
krachtige beweeggronden zeer levendig 
aan ons: vertoonen „ en: zelfs indruk -be- 
ginnen te maaken, » zeer. fchielyk: eene 
gedachte van het-tegengeftelde ‘kwaade 
in de.zielesopryst;, die de. overhand be- 
houd ‚en alle indrukken uitwischt. Zyn 
‘er geene voorbeelden; verbaazendevoor« 
beelden, dateen mensch van de-nood- 
zaaklykheid van zynen: pligt ten aller« 
krachtigften overtuigd ; en door die over- 
tuiging in zyn binnenfte geroerd en ge- 
drongen; evenwel in ‘dezelve oogenblik- 
ken verre-daarvan-afwyken , en tot het- 
geen. volftrekt daartegen aanloopt, vere 
‚Daar ontbreekt dan: hier noch: iets; 
dat zich als;in het midden van vertand 
en wille plaatzen moet „ als wy tot eene 
gereede verkiezing van het goede, en 
tot eene .volbrenging-van ónzen pligt 
__ zullen beweegd en gedrongen worden, 
Zy alleen , die de zedelyke gefteldheid 
2dV. DEEL: Hh der 


482 J.W. PARIS OVER ’T VERBAND 


der >menschlyke ziele met de: -uiterfte 
oplettendheid doorzocht, alle haare neí- 
gingensen vitgangen: van voet tot voet 
nagevolgd, en alte binnenkameren van 
hart; tot de gehieimfte hoeken en kan- 
ten:toe, als ’t ware befpred hebben, en 
dat niet cin „deezen en geenen ‚maar in 
allerlei-ftand en betrekking, deeze al- 
leen ‘zouden in {taat zyn, om: hier een 
licht te ontfteeken; dat in de-donkerheid 
fchyneh „en de Zedekunde in „eene 
fchoone helderheid ftellen zoude, Ik 
beken, dat ik my’ hier zo niet t’huis vin- 
de: als ik wel wenschte. «Hetgeen ik 
verder te zeggen hebbe , zal alleen die- 
net; om eene proef ste geeven, dat ik 
gaern ; alsik maat :kon, tot volmaaking 
van deeze Edelfte aller Wetenfchappen, 
die het wezentlyk belang aller menfchen 
raakt, iets zou willen toebrengen, in 
hoope, “hoe gering het ook: zyn mag, 
dat deeze blyk van myne goedwilligheid 
anderen” zou konmen aanfpooren, om 
myn gebrek te vervullen, ‘en dit gewich- 
tig {tuk met een. gelukkiger uitflag te be- 

handelen, zor asv onisordsen S 
Zeker en waarachtig is het, dat eene 
klaare en duidelyke kennis van het waa- 
re en valfche, goedeen kwaade, in zo 
rd | „ver 


VAN VERSTAND EN WILLE. 483 


ver het invloed op den wille maaken 
zal, moet voorafgaan. Heeft deeze ken- 
nis niet altoos de gewenschte uitwerkin- 
gen, ze moet echter de grond{lag zyn , 
waaruit onze zedelyke verpligtingen, en 
de beweeggronden, die daartoe behoo- 
ren, moeten afgeleid worden, 

Eene omftandige, diep en Philofo= 
phisch beredeneerde kennis word hiers 
toe niet vereischt. Die weg is voor een-« 
voudige te moeijelyk, en voor alle ver- 
{tanden niet even gebaand, Daarenbo- 
ven, wat trap van zekerheid zo eene 
kennis ook een tyd lang hebben mag, 
ze zal niet lang even zeker en volftandig 
blyven; de toevloed van allerlei nieuwe 
voorftellingen en denkbeelden in de zier 
le zal haare „duidelykheid van tyd tot 
tyd min of meer verzwakken ; men zal 
ait het beloop der gedachten , waaruit 
een volledig betoog gebooren was , dan 
het een , dan „wederom het andere kwyt 
raaken , «en zo genoodzaakt worden, 
om op nieuwde gronden van zekerheid 
optezoeken, ‘hetwelk zich vooral niet 
doen laat in zulke gevallen, waar. we 
miet moralisch redeneeren, maar gaora- 
lisch:handelen moeten. oh 

Men ‘kan Jrierseen korteren weg gaan; 

Hh 2 die 


484 J. W. PARIS OVER °T VERBAND 


die eenvoudiger, en daarom ter bevor: 
dering van het bedoelde oogmerk dien= 
ftiger is, Daar zyn zekere grondbegin- 
felen , die elk en een iegelyk by de min- 
fte oplettendheid in zich zelven ontdek- 
ken kan, om dat ze op den bodem van 
zyne eige ziele liggen; ’t zyn algemeene, 
_ zekere en onlochenbaare bevindingen, 
niet nu en dan, maar ten allen tyden, 
niet van deeze of geene, maar van alle 
menfchen ; van dien aardis het, dat elk 
zich zelven lief heeft, dat elk daarom 
gaern volmaakt en gelukkig zyn wil, 
Daar is toch by alle geestelyke Wezens 
eene ingefchaape begeerte, drift of in- 
fint, hoe men het ook noemen wil, 
tot de volmaaktheid; ’t komt er maar 
op aan, dat men eene waare van eene 
ingebeelde volmaaktheid onderfcheide, 
welk onderfcheid door een weinig be- 
daard overleg van hetgeen voor onze 
natuur omftandigheden en betrekkingen 
dienftig of daarmede ftrydig is „ en dik- 
wyls al zo klaar uit eene aanfchouwende 
kennis van daaglykfche voorbeelden en 
ondervindingen , zonder veel moeite kan 
opgemaakt worden, Hieruit volgd dan, 
dat de mensch door zyn eige natuur 
verpligt word, om te doen, wat hem en 

; zyn 


VAN VERSTAND EN WILLE, « 485 


zyn inwendigen en uitwendigen flaat vol- 
maaken kan , en daarentegen niet te doen, 
wat zyne volmaaktheid verhinderen, en 
zynen flaat verergeren kan, Dit is de 
Wet der Natuur, en die ftrekt geenzins 
tot een voedzel van eene ftrafwaerdige 
en baatzuchtige eigenliefde, maar is 
veel eer, wel begrepen zynde, eene 
vruchtbaare bron, waaruit alle zedelyke 
verpligtingen, het zy die ons zelven; 
of God en onzen evenmensch tot een 
voorwerp hebben, zeer natuurlyk en 
ongedwongen konnen afgeleid worden, 

Hier hebben wy dan een eenvoudigen 
Regel van alles, wat wy te doen en te 
laaten hebben. Hy vereischt geen be- 
toog, geen diepzinnig bewys en moeije- 
lyk nadenken; onze eige bewustheid, 
en de gewaarwordingen aller menfchen 
_ fpreeken ’er voor. Wanneer we deezen 
Grondregel altoos in het oog houden, 
__en onze zedelyke verpligtingen, welke 
die ook zyn mogen, tot dit grondbegin- 
fel betrekkelyk maaken, en dezelve be- 
fchouwen als de rechte middelen tot 
onze zelfsvolmaaking, dan worden ze 
voor ons gewichtig, ze maaken de op- 
merkzaamheid gaande ; het eigenbelang 
„dat men ’er in heeft, word dan een van 


h 3 de 


486 7. W. PARIS OVER °T VERBAND 


de krachtigfte motiven, om den wille te 
neigen, eni die zyde te kiezen, waar 
fnen Ziet, dat een waar geluk efì we- 
zentlyk voofdeel voor ons gelegen is, 
Niet alle waarheden, fiet alle voorftel- 
lingen van orize verpligtingen brengen 
het &éffioed in beweeging, en dringen 
fot heilzaáme befluiten, zy doen het 
däti máaär eerst, wanneer ze ons in haa- 
re belängen trekken, doof ons te ver- 
Zeketen, dat ’er otize eige volmaaktheid 
Bân verknocht is, °Is niet genoeg, dat 
men iets als goed en kwaad kenne, en 
âl$ zódanig daarvan oordeele, zal de 
Willé geneigd worden, en eene verkie- 
zifig mäaken, zo moet ’er dat byzonder 
oördeel bykomert, dat het goed of 
kwaad is in betrekking tot ons zelven, 
Wanneer de voorftelling van het ver- 
{tand mét dat byzonder oordeel niet 
gepaárd gaat, zo heeft de kennis, al is 
hef, dát het verftand zich met de 
fchoonfte waarheden bezig houd, geen 
réchten invloed op den wille, 

Dit is het dan; zo als ik denk, dat 
aar de kénnis der zedelyke waarheden, 
Ên âan de voorftelling der beweeggroï- 
den, die daartoe dienen, haar rechte 
leven en kracht geeven moet, Niet as 
' ze ol 


VAN VERSTAND EN WILLE. 497 


of ik van begrip ben, dat dit in: allerlei 
gevallen en ten allen tyden: een: even 
krachtig en werkzaam middel is, maar 
dit wilik zeggen, als de wille geneigd 
en beweegd word, dat het door deezen 
weg gefchied en niet anders gefchieden 
zal, Men befchouwd dan de waarhe+ 
den niet in abflra4o, maar in concreto; 
_ men ziet ?er zich zelven in; ze trekken 
dan de ziel vit haare onverfchilligheid, 
en vestigen haare aandacht: onmiddelyk 
op haare eige belangen; hierdoor ver- 
Ípreid zich een gansch ander licht inde 
ziele, dan eene vlugtige en onzydige 
befchouwing werken kan, Fene gezet- 
te, flille en bedaarde | 
en een indringend en gemoedroeren 
nadenken is ’er het gevolg van. Dit 
maakt indrukken, die hunne voet{tappen 
in de ziele achterlaaten; ieder indruk 
gaat gepaard met eene neiging of afkee- 
righeid , behaagen of mishaagen , met 
een woord, met eene bevinding, die 
eene evenredigheid heeft met het goed 
of kwaad, dat het verftand voorfteld, 
Elke nieuwe voorftelling vermeerderd 
de maate deezer bevindingen ; door ee- 
ne aanhoudende opmerkzaamheid, door 
eene voortgezette en dikwyls herhaalde 
| Hh 4 be 


488 J.W. PARIS OVER °T VERBAND 


befchouwing , en dat altoos met betrek- 
king tot-ons zelven, tot onze daaden- 
en verrichtingen en tot de gevolgen van 
dezelve , worden goede neigingen on-= 
derhouden, gevoed en verfterkt ; deugd 
en pligt begint dan voor de ziele be- 
koorlyk te worden; haare kennis word 
hoe-langer hoe levendiger; daar ont- 
ftaan welbedachte voorneemens en be- 
fluiten, en eindelyk word de fomme 
van goede indrukken, neigingen en bes 
weegingen grooter, dan de indrukken, 
die de zinlyke voorftellingen en tegen- 
geftelde bevindingen hebben veroor- 
zaakt, Dit geeft aan de ziele eene be- 
paalde richting, en eene overhellende 
en heerfchende neiging tot het goede; 
ieder waarheid, dieze leerd kennen, bee 
fchouwdze in geen ander gezichtspunt, 
dan die het volbrengen van haaren pligt 
tot:een oogwit heeft, haare begeertens 
bepaalen ‘er zich by, zy dringen tot 
daadelyke uitvoering; zy krygen een 
overwicht in de ziele, en hierdoor wor- 
den kwaade begeertens t’ondergehou- 
den, en tegengeftelde neigingen zo ver- 
zwakt, dat zy de kracht verliezen, om 
zich lang ftaande te houden, 

Door de Oefening verkrygt men a: 

Î K X €Js 


‘VAN VERSTAND EN WILLE. 489 


Hebbelykheid. De hebbelykheid is niets 
anders als een vermogen, om eene zaak, 
tot welke‘in het begin veel tyds ver- 
eischt wierd, daarna met veel vaerdig- 
heid te verrichten. Wanneer men dik- 
wyls en by aanhoudendheid zyn werk 
maakt, om de waarheden, die het ver- 
ftand voorfteld, tot zich zelven te rich- 
ten, zo word ook de Wille hoe langer 
hoe meer vatbaar voor goede indruk- 
ken, hy krygt eene hebbelykheid zich 
tot het goede te neigen, goede befluiten 
te neemen, en dezelve daadvaerdig en 
vlug uittevoeren, Ieder daad vereischt 
eene rei van denkbeelden, die met el- - 
kander verbonden zyn, en waarin de 
grond en reden ligt, waarom wy zo 
en niet anders doen en handelen,  Dee- 
ze met elkander verbondene denkbeel- 
den, maaken in zedelyke verrichtingen 
dat Logisch verband uit, daarwe in den 
beginne van gefproken hebben. - Dit 
verband, deeze rei van denkbeelden is 
in elke verrichting wel opgeflooten, 
maar zo dra de vermogens der ziele 
door de oefening in hebbelykheden zyn 
veranderd, zo heeft men by ieder-daad, 
die men verricht, geene klaare “bewust- 
heid van-dat verband, het ligt er don- 
Kein Hh 5 ker 


490 Je. We. PARIS OVER °T VERBAND 


ker en ingewikkeld in, zonder dat men 
den faamenhang en ontwikkeling der 
denkbeelden gewaar word, De gewoon- 
te doed dan, wat in den beginne door 
voorftelling van redenen en beweeggron- 
den gedaan is, Het befluit van waar- 
heid tot pligt, van pligt tot daadelyke 
uitvoering, gaat dan zo fchielyk voort, 
dat men goed doed, zonder. zich tel- 
kens de gronden en redenen voorteftel- 
len, die ‘er ons toe aanzetten. Men 
maakt de Conclufie , zonder aan de prae- 
misfen te denken, Men vraagd niet, 
wat is myn pligt, wat moet ik doen, 
waarom toet ik het doen? maar % heet 
dan aanftonds:. dit is myn pligt, dit 
moet ik doen, dit wil ik doen, zonden 
zich met veele bedenkingen en redewis- 
felingen optehouden. 

„En hierin beftaat dan de waare en 
rechte deugdzaamheid, of die gelukkige 
gemoedszin, dle kennis en pligt, ver- 
{tand en wille, vlug en vaerdig. faamen- 
hecht, de grandregelen van het waare 
en valfche, goede en kwaade: niet eerst 
opzoekt, of motiven tegen, motiven 
fteld.‚-en- zich vermoeid met voor-en te- 
gen; eer men tot de zaake- komt, een 
belluit neemt „en werkzaam word; ken 
| ier 


VAN VERSTAND EN WILLE. 491 


hier is het zó gelegen, als met een werk- 
mah, met een konftenaar en diergely- 
ken , die zekere werktuigen, inftrumen. 
ten en gereedfchappen behandelen, en 
daarmede hun werk verrichten. Wat 
zy in den beginne langzaam en met 
moeite gedaan hebben, doenze daarna 
met eene verwonderlyke vaerdigheid, 
als zy zich behoorlyk geoeffend, eén in 
hunne konst eene hebbelykheid verkree- 
gen hebben. Zy hebben hunne werk- 
tuigen by de hand, zy doen met hunne 
inftrumenten, watze doen moeten, dan 
zo, dan anders, het werk vliegt, om zo 
te fpreeken, van hunne handen, het is 
in een korten tyd gedaan en het isgoed, 
daar is order, wet en regel in naar den 
eisch van de konst, zonder dat zy om 
order, wet en regel gedacht hebben. 
Daar konnen wel eens zaaken voor- 
komen, die betrekking tot onze zedely- 
ke verpligtingen hebben , en met dezel- 
ve vaerdigheid niet konnen gedaan wor- 
den ‚, om datze een langzaamer overleg 
eifchen ‚doch dit zyn enkele en zeldzaa- 
me gevallen, uitzonderingen, die niet 
onder den algemeenen regel behooren, 
Die zich gewend heeft veel aan zynen 
pligt te denken en zynen pligtte aes 


492 J. W. PARIS OVER °T VERBAND 


zal het dan ook zo moeijelyk niet vin= 
den, om de beste zyde te kiezen, Die 
een zwaar hoofd heeft van natuur, is 
overal zwaarhoofdig ; hy kan zich be- 
denkelykheden maaken en verbeelden, 
waar geene zwaarigheden zyn, hy ziet 
bergen, waar een ander niets dan klee- 
ne heuvelen ontdekken kan; deze by- 
zonderheid kan hier ook in geene aan- 
merkinge koomen. Wil men van Cok 
lifien fpreeken, of ftrydigheden tusfchen 
wet en wet, pligt en pligt; waare Co/- 
lifien zyn ’er niet, fchynbaare zyn ’er 
veele, en die zyn niets anders dan eene 
Collifie van de reden en zinlyke driften. 

Men denke echter niet, dat goede ze- 
delyke hebbelykheden in die {chielyk- 
heid en kortheid des tyds verkreegen 
worden ,alszy , verkreegen zynde, haar 
werk verrichten, De zinlyke neigingen, 
driften en hartstochten, vooral, wan- 
neerze door het lichaamsgeftel eene by- 
zondere begunftiging vinden, {tellen 
fterke hinderpaalen in den weg , die met 
een lichte hand niet konnen wechgefcho- 
ven worden, Daar word tyd, moeite 
en werk vereischt ‚om de zinlyke voor- 
ftellingen, op die-wyze, gelykwe te 
vooren:aantoOnden, door het verftand 
58 | Wte 


VAN VERSTAND EN WILLE, * 40% 


te regelen, en uit haare verwarring in 
order te brengen, de fterke indrukken, 
die zy maaken in bedwang te houden, 
de affedten tot groote, gewichtige en ede- 
le voorwerpen te richten, en ter vaerdi- 
ge beoefening van onzen pligt dienstbaar 
te maaken. Deeze lesfen laaten zich ge= 
maklyk begrypen, maar wat oplettend- 
heid, infpanning en benaerftiging is er 
niet nodig, alsze in * werk zullen’ ge- 
fteld worden. Wil de zedekunde in. 
haar onderwys noch. verder gaan en 
leeren, om de zinlykheid geheel ven al 
een ftilzwygen opteleggen, en dezelve 
te vernietigen, zo leerdze ons onnavolg- 
baare meesterftukken, 0ö-sgin 
Deeze en geene daaden , door ‘welke 
wy toonen, dat wy naar de reden, en 
niet naar zinlyke bevindingen. handelen, 
zyn ook geenzins genoeg , om een deugd- 
zaam beftaan uittemaaken ; daartoe word 
een gelykformige, overeenftemmige ‚en 
in allerlei omftandigheden en -betrekkin- 
gen naar de regelen van waarheid en 
wysheid gefchikte handelwyze vereischt, 
Men kan veele, en zelfs groote én onge. 
meene dingen doen, en nochgeen 
deugdzaam mensch. zyn. ‚De. voorftel- 
ling van het verftand kan weleens zo 


494 J. Ws PARIS OVER °T VERBAND 


levendigen krachtig worden, datze als 
een blixem in de ziele indringt, door al- 
le hindernisfen doorbreekt, en den wil- 
le zo driftig maakt, dat befluiten en be- 
dryven even groot enwerwonderlyk zyn. 
Wat konnen affecten ‚ wat konnen harts- 
tochten niet doen? ze werken fchielyk , 
ze werken fterk en geweldig ‚ maar haar 
aandrang kan ook fchielyk verflauwen 
en krachteloos worden; de eene of an- 
dere uitfteekende en glanfige daad kan 
%er de vrucht van zyn, maar geen heb- 
belyk grondbeginfel, en men word niet 
deugdzaam door eene opwellende ‘drift, 
of door veen vuur , ‚dat den wille voor 
eenige oogenblikken ‚doed blaaken en 
branden. Eene zich zelven gelyke en 
seenpaarige richting der ziele op een en 
hetzelve oogmerk is alleen in ftaat, om 
eene heerfchende neiging ten goede te 
werwekken, die-dan alle andere neigin- 
gen in ‘haar gevolg heeft, en het tegen- 
geftelde is van de heerfchende kwaade 
neiging, in welker gevolg zich de ande- 
re-kwaade ‘begeerlykheden bevinden, 
Naar ‘desverfcheidenheid der Zemperg- 
amenten is ’er ookeene verfcheidenheid 
van ‘heerfchende neigingen, ‘driften -en 
‘hartstochten, Hier moet elk zich zzel- 

ven 


VAN VERSTAND EN WILLE. 495 


ven leeren kennen, op dat hy weete; 
waar zyne zwakíte plaats is, en wat hy 
te doen heeft, om zyne neigingen tot 
het kwaade te ontkrachten, ten’ einde 
dezelve tot het goede fterker en meer 
heerfchende worden. Maaas 
‚Is dit niet te verwachten dan na veele, 
geduurig herhaalde , ernftige en welmee: 
nende poogingen en oefeningen , zo kan 
het met het verkrygen van zedelyke 
hebbelykheden in het goede niet anders 
dan zeer’ langzaam toegaan, en veel 
langzaamer, dan by de Philofoophen 
en Zedeleeraars gewoonlyk onderfteld 
word. Gefchied in de natuur niets door 
een fprong, en moet ’er iets túsfchen 
beide koomen, waardoor de overgáng 
van het eene uiterfte tot het andere 
doenlyk en begrypelyk word, zo kan 
men zich, volgens de natuur van den 
mensch en zyne vermogens, eene ‘plot- 
zelyke en als door een {prong gewroch- 
te verandering van eene heerfchende 
kwaade in eene overweegendeen heer- 
fchende goede neiging, niet voorftellen. 
Deeze verandering is eene fuccesfive , en 
dikwyls ongemerkt voortgaande verbe- 
tering der zielsvermogens. Ten aan- 
zien van den tyd kan er by den een of 
| an- 


496 J.W. PARIS-OVER °T VERBAND 


anderen in den voortgang der zedelyke 
verbetering eenig onderfcheid zyn, en 
dit kan van verfcheide oorzaaken afhan: 
gen „die niet altoos in eene mindere of 
meerdere benaerftiging haaren -grond 
hebben. Men vind goede inborften, die 
de natuur zelve fchynt opgelegd te heb- 
ben tot eene meerdere vatbaarheid voor 
moralifche indrukken, en die-door eene 
buigzaame gemoedsredelykheid „ door 
een edelen. waarheidszin, doof eene by: 
zondere tederheid: in hunne bevindingen, 
dus gevolglyk dooreen fyner-zedeiyk 
gevoel met meer fpoed hunnen weg vor- 
deren; doch in-het algemeen, ‘by allen 
zonder onderfcheid. zyn. ‘er „trappen; 
langs welke zy moeten opklimmen van 
het. mindere-tot het meerdere, tot datze 
volmaakter en volmaakter worden. 
Het einde van de zaake is, die wel 
wil voortgaan. en eene hebbelykheid er- 
langen ‚moet. eerst „beginnen, …-Elk be- 
gin is reeds een gedeelte van-onzen pligt. 
Kan het volbrengen. van-onze verplig- 
ting niet gefcheiden. worden van een in- 
nig „genoegen, hetgeen altoos-een… ge- 
„volg-is van de bewustheid,-dat men zy- 
nen pligt gedaan heeft, zo word de vol- 
“doening, die men daar over in. zyn ge- 
| moed 


VAN VERSTAND EN WILLE. 497 


moed gewaar word , een krachtige fpoor 
om verder voorttegaan , zyne vermo- 
gens te beproeven, en het gebeel- niet 
voor ondoenlyk, of te zwaar te hou- 
den. Uit geringe beginzelen worden 
groote zaaken gebooren, « Zandem fit 
Jurculus arbor. Volgd het uit de natuur 
der ziele, dat zelfs de geringfte goede 
werking een wezentlyken invloed heeft 
op haare verbetering, zo moet het haar 
niet onverfchillig zyn, hoe en op wat 
wyze haare zedelyke vermogens’ zich 
werkzaam houden. Ieder ftap inhet 
goede is eene vordering op den weg der 
deugd, en ieder oefening en vordering 
eene vermeerdering van krachten, die 
onze zielsvermogens van trap tot trap 
en al verder en verder in gelukkige heb- 
belykheden veranderen, en ons tot eene 
vaerdige betrachting van onzen pligt 
gefchikt en bekwaam maaken, Op dee- 
ze wyze en niet anders word de Deugd 
gebooren, die een gewrocht is van het 
nauw verband, goede order en overeen= 
ftemming van Verftand en Wille, van 
de hoogere en laagere Zielskrachten 
van de Reden en de Zinnen. En hierin 
beftaat dan het rechte Wezen der waa- 
re Wryheid, die het grootfte voorrecht 
“AP. DEEL. li | is 


499 Je-W. PARIS OVER °T VERB. Enz. 


is der redelyke fchepzelen. De vryheid 
is een vermogen van den wille, om de be- 
fluiten en oordeelen, die een zuiver en 
opgehelderd verftand, na een genoegzaam 
overleg, heeft opgemaakt , te gehoorzaa- 
men en optevolgen, Ik ontleen deeze 
_ befchryving uit het boek van een Man, 
die wegens zyne groote geleerdheid, 
gezond oordeel, fchrandere denkenswy- 
ze en manlyke welfprekendheid de ver- 
wondering is van zyne niet alleen, maar 
ook van onze Kerke; ik meen den alom 
vermaarden MOSHEIM, in zyne Zee 
denleer der HS, ID. ze ft, co 1. 6. 9. 


TE. A5 erg ETATS „Bladz, 499 
OsN-D ER-Z.O B:K … 


OF DE ONZEKERHEID OMTRENT DE WAA 
RE GEDAANTE DER AARDE BENEN 
MEKKELYKEN ENVLOED HEBBE 7 


STARREKUNDE 


NAVIGATIE. 
DOOR Era 
JOH FRED. HENNERT. 


Te myne voorgaande verhandeling 
eene hypotbefe gefteld hebbende, 
welke, -myns oordeels, met de gedaane 
metingen der meridiaans-graaden naauw- 
keuriger overeenkomt, dan de tot no 

toe enk hypothefen; zal ik volgens 
belofte. onderzoeken, of de onzeker- 
heid, die oment de waare gedaanre 
BT: 2 er 


wis: 


1 


BOD “JF. HENNERT OVER DE 


der Aarde nog -overblyft, zo groot is, 
dat daar uit voor de Starrekunde en 
Navigatie misflagen van belang kun- 
nen voortfpruiten ? “Aangezien den klei- 
nen afftand der: maan vande: aarde, 
moet haare parallaxis vry groot zyn, 
welke de hoek TML is, die onder 
(Eig, 3) de halve middellyn TL uit de 
maan M gezien-wordt. Dewyl de hal- 
ve middellynen der aarde, wegens haare 
knolronde figuur, Ongelyk zyn, zo ziet 
men reeds, dat daarom de maanspa- 
rallaxen by ieder poolshoogte veranderd 
worden. Om aan den Lezer het opflaan 
van aftronomifche werken te fpaaren, 
en -hem-teffens- op de onderwerpen de- 
zer verhandeling te ‘vestigen , zal ik de 
verfchynzelen van de maans-parallaxe, 
uit de knolronde gedaante der aarde 
voortkomende, en voornamentlyk die 

ene, welke ik „befchouwen zal, kort 
ings voorftellen, 
_$.1, Het rond: PApE verbeeldt een 
meridiaan der,aarde, waarvan de mid- 
dellyn des evendars, AE, grooter is dan, 
de pools-asP pà De verticaal-lyn ZLC, 
door het zenith der plaats L gaande, 
ftrekt niet als op eene klootfche aárde , 

ed ) ten LL zyne 


WAARE GEDAANTE DER AARDE, 5oË 


zyne rigtingnaar; het middelpunt T'; 
maar maakt eenen hoek ZL z == TLC 
met den verlengden traal der aarde T La. 
De Aftronomisten nu En ‘zynde 
hunne waarnemingen tot het middelpunt 
der aarde ‘overtebrengen; moeten’ de 
gemetene afftanden der ftarren S tot het 
zenith of de-hoekén SLZ; door de hoe- 
ken ZL gecorrigeerd worden „ om,den 
hoek SL 2 te verkrygen „welke .den ge- 
melden: afftand „als: uit -het middelpunt 
gezien ,bepaalts, (vx oymo Urd ove 
… Verder , dewyl de horizontaale maans: 
parallaxe door den ‘hoek. TML, wordt 
_ gemeten „zo dat fin“ TML = is3 
blykt dus, dat de halve middellyn der 
aarde“T'L van den aequator tot.de poo- 
len afnemende, de parallaxis of.de hoek 
AML allengs ook, verminderen moet, 
„Dus doen „zich. by‚den, eerften opflag 
twee voorwerpen tot onze onderzoekin- 
gen op; namentlyk 1.) de-hoeken ZLz 
of CLT , welke, de verticaal-lynen ZLC 
„met de, halve middellynen TL maaken; 
en 2,).de middellynen zelve, Tot dien 
«einde zalik het volgende vraagftuk moe- 
ten oplosfen. oi eenor 


Le) 
€ 


KE te vaas 


Kef 
5 
Ds 


de, graaden 


JI OT STIEF 195 1190 ie ar9 jn, 
zo ob OPE OSSING, (Fige4), 
DE 'Rrotmmië Tyn OEP vertooht den 
meridiaan der: Aarde, wiens -braaden 
dóót de Aequatie u ie B ve arc #* bepaald 
zyn; by P en O zyn de ‘pöolen,. Het 

nofrend ait de: orwertelifg -der figuur 

EP omt der a8“PO gebören; zal dus 
de: gedaante der aarde volgens onze by- 
porbéfe voorftellen, PO ís de dard-as er 
CE de fEraal desvevenaars; Uitde lengté 
Vv een grad -M ms vindt mien de-leng- 
te Vanden flfäal'MN des ‘cirkels door 
deze’ lt id ded „rar soals 180° X 
M °°: MN; dis-is de ftraal:MN = 
57-2058. Mm as Mom, ftellende a = 
5% 2658, Nu ís de lengte vân ‘een 
“graad = abd ext; dus de ftraâl 
des citkels,- waartoe de srâad behoort, 
gelyk dan a (a bet kt 4 De krom- 
“ten def kromme lyneri worden met de 
kromte van een cirkel vergeleken, oti- 
derftellende op eenen zeer kleinen boog 
DAAAY € van 


WAARE GEDAANTE DER AARDE, 503 


van de kromme lyn drie punten, door 
welke een cirkel met dien boog over. 
eenkomende befchreven is. De ftraal 
van zulk een cirkel noemt men den 
{traal der kromte (Radius ecurvedinis, 
osculi); dezelve valt lootrecht op den 
cirkel, dus ook op de kromme Iyn, 
Wetende dat de figuur der aarde weinig 
van een kogel verfchilt „zo kan men , zon= 
der misflag, de lengte van een graad des 
meridiaans voor een graad eenes cirkels 
aannemen; dus zyn de ftraalen der 
kromte MN des meridiaans, door mid 
del van eenen gemeten graad, volgens 
de gegevene formule voor ieder poolss 
hoogte bepaald. 
Vervolgens verbeelde men zich eene 
kromme lyn BND, genoemd Zwoluta 
of de ontwondene, uit welkers ontwine 
ding de meridiaan EMP (involuta) ont- 

{proten is . 
_ Deftraal der kromte EB by den aequás 
tor Eis =ga, terwyl de (inus der breed- 
te £ = 0 is. Men verbeelde zich, dat 
‘er cen veerktagtige draad langs EB en 
de kromme lyn BND gefpannen is, dat 
deze draad allengs. losgelaaten worde; 
en zich naar de rechte yn, gelyk NM 
ontfpanne, en dus de meridiaan EMP 
Lil en be- 


504 «Je F. HENNERT OVER DE 


befchreven worde, De uitgefpannen - 
draad ‚NM kan als een ftraal van een 
zeer ‘kleinen. cirkelboog Mm, om het 


punt N als om zyn middelpunt befchre- 
ven, aangezien worden, bygevolg zal 
ieder gedeelte NM des ontwondenen 
draads den {traal der kromte des meridie 
aans voorftellen (a). Dus is de {traal 


der kromte gelyk aan den ontfpannen 
draad, of anders MN = EB 4 BN =«g. 


(at bx +-cx"), Maar EB = «a, dus 
is. de- boog der Zvoluta BN = a (bx* + 
CNN IC 


„Men ftelle. HB lootrecht op EC, en 


trekke de ordinaaten RN, rn oneindig 
digt by elkander; ook zy gNL parallel 
aan HB. Bygevolg zynaN, ga, gN 
de elementen van den boog NB, van de 
ordindate RN jen der abfcisfe BR , datis, 
nNe=d.NB; en gN == d, RB, engn=d, 
RN. Dewyl MN lootrecht op den me- 
ridiaan by M ftaat, zo isde hoek EKM 
= poolshoogte of breedte, wiens /inus 
xis, Maar de ftraal der kromte NM is 
de raaklyn van het punt N, dus is gn N 
= EKM. Bygevolg isg N = Nn, finus 
EKM en gn == Nn, cof. EKM, Maar 
nN =d BN=z=adx (abx 4Cc4°) 

| | Dus 
(a) Zie myne Elementa Analyfis Infinitorum. $ 129. 


erde nan end aee 


WAARE GEDAANTE DER AARDE, 505 


Dusisg N= axda(abrd- 4ex°) en 
gn=ads(abx + 404) W (1-4). In- 
tegrerende de differentiaal-aequatiën der 
abfcisfe en der ordinaaten, zal men de 
abfcisfen en ordinaaten zelve bepaalen. 

abx 4ACHN 


Dus is f. q N=e en En 5 j=RB=FC 


en fgqN=RN za( lr ' +-4C 
EN) ie S 20} 
( E ) a Des C, (zie $ 20). 
De beftendige grootheid C wordt ge- 
vonden, ftellende #=o, dus verkrygt 
(ab sBe\ } 
men C= al 5 Fe) ; bygevolg is 
et 
oo RAT zn AAT - 


Dn 


Ti )). Maar x= fin. go°= 1 zynde;, 


2 8BeN. 
verandert RN in HD =BC= a Gt) 
Bun Mee 


5oÓ — J. F. HENNERT OVER DE 


Verder is ML = NM vof: EKM = 
4(atbrdC4) V(1-x°) en EN=QL= 


BC —RN =e( Te) 4 


I=? E))es (4 8c aba fcb 
9 15 


en 


NA Cet) 


Dus is uús MLP LOS 
aat Et Wk) +) 
V (1-x). 


Eindelyk is NL = FQ = NM in. 
EKM = a(aatbat deca) Dus CQ= 


ES 
ET 


3 


Arm FC =alardt u 


By- 


Ld 


WAARE GEDAANTE DER AARDE, 50’ 
Bygevolg verkrygt men tang, CMQ == 
b cx? 
Q=axt(G + ee) 
QM zb de 4e bd „jer of 
[ Cita mera +5) dd 


15 reedies 


De aequatie voor den graad des meridi- 
aans 6 18 gevonden zynde;, 56750+4-237 x° 


kh 596x*, iS a= 56750, D= 237; C =596s 


AE rt mnd ed 
 cfbreede (57226 H(238 +1 192")4°) 


Door middel van den gevonden hoek 
CMQ wordt de afftand CM bepaald = 


CQ 
=a(s6 hr)s 
AR a(5 Tot KAD EE 


93. Wy zullen nu met eenige voor- 
beelden het gebruik der gevondene for- 
mulen toonen. Vooreerst zullen. wy 
de halve middellynen des evenaars en 
der poolen berekenen, In de formule 
voor MQ ftellende x = fin. o = 0, en 
dus cof. breedte = 1, verkrygt me 

die 


508 Je F. HENNERT OVER DE) 


halve middellyn des evenaars of EC = 
57226 «, maar log. a =1, 7581205 ‚ dus 
vindt men log, KG =6, 5157139, en 
EC = 3278792 toifes = 1436, 5 franíche 
mylen; en de middellyn des evenaars 
— 2873 mylen, Ce. 
_Stellende #= 1 in de formule voor CQ, 
vindt men den halven as CP =56948 z 
= 3262863 toifes: = 1429,’ 8 mmyten ; 
dus de aard-as = 2859, 6 mylen;:rekes 
nende 2282 toifes op eene myl. Het 
verfchil der beide asfen bedraagt 12, 4 
mylen, of wel=o, 00478 = +; gedeelte, 


_Wy zullen tot meerdere opheldering 
de berekening van den hoek CMQ en 
van den afftand voor de breedte van 52°, 
welke de middelbreedte van ons Neder- 
land is, ontleden. = 


Dus 


WAARE GEDAANTE DER AARDE. Ke 


Dus is x = fin. 52° 


| ere [CAN TAN D 
hoi. &£ == 9, 8965321 Flog. #'== log. ren GQ, 7930642 79 ==, 79) 


eneen aman mn nn ennn 


log. 56750 x= 45 6504980 f Jog. 1194 —= 1, 8686121 | 119 #° J- 19 == 152 9 


567504 — 44719 | Jg. 1529 == 2, 1846914 


teller == 44793» 9 7459 e= 1, 8742877 | 
re dn a a 

IIx’ == 739-| /0g- 31159 == 2,4941545 dus.(238 + 1194) s* — 194 
238 — 238 Hog. x? == 9,7930642- ____ 5726 = 57226 


11g4® J 238 mm 311,9 | og. (2381192) e= 2,2870187 | eze: (238-119 )e®. 151226557420 
el 
maar Jog. 57420 == 49 7590632 © | 
cos 52° »—! == Qs 7893420 | dus CMQ — 51° 43’ ion ‚N 
nu is-KMQ == 52° f 


ERE en EE Bn aL Pas Ar en 
evene 


log. noemer == 49 5484052 
log. teller == 4» 6512188 | dus KMC == 16! 50 


dog. tang. SAR en.O, 1028 136 136 


gn ann Gr DE 


ed 
| 


SIO JeF. HENNERT OVER DE. 
Om den afltand CM = te vinden , ad- 


deere men den Jogar. van den berekenden. 


| teller of 4, 6512188 
tot … Jog. & == 1, 7581205 


<5 6, 4093303 
… fin. CMQ = 9, 8948623 


ee eee 


log. CM-= 6, 5144770 
dus CM == 3269467 toifes, 


6. 4. Dewyl de Ellips, waar van het 
verfchil der asfen D = ;#= 0, 0041133 
is, het naaste met de gedaante der aar- 
de overeenkomt ($ 14), ftellende den 
graad onder den evenaar — 56707, zo 
verandert de aequatie der meridiaans- 
graaden, a + 3 D « #£° in de volgende, 
56707 + 699 «1. Deze aequatie met de 
onze, namentlyk, ad-bx: + cx* verge- 
lykende , zo heeft men, a= 56707, b = 
699, c= 0. Deze waardyen voor a,b,c, 
in de gevondene formulen gefteld heb- 
bende, verkrygt men 


25 ba? 
MO =a(at= + eon breede= 


a (57113 + 233 #°) caf. breedte, 
eik if Dus 


arne ear ee de ennn nd rde a rd nn ET en se 


WAARE GEDAANTE DER AARDE, 511 


Dus EC = 57173 a = 3275753 toifes 
= 1435, 5 mylen, dus de middellyn 
des evenaars =— 2871 mylen. 


Verder is QC == ax (56707 + 233 #°) 
en CP = 56940 a 3262406 toiles = 
1429, 7 mylen, dus de aard-as = 2859, 
4 mylen en het verfchil der beide asfen 
= 11, 6 mylen. | 


Eindelyk is tang. CMQ = 
_(567o7+2334") « 56707 


ne nn en tang. bf. 


(57173 H 233%) co/: breedse. 57173 


voorbygaandede grootheid ee wegens 
derzelver kleinheid, | 


Nog is de afftand CM = 


a (56707 + 233 x2) x: Jin. CMQ. 
Vervolgens zal men voor de breedte 
van 52° den hoek bevinden CMQ == 51° 


46 20", dus den hoek KMC = 13’ 40”, 
en den afftand CM = 3267537. 


$ 5. Vol: 


312 Je F. HENNERT OVER DE 


65. Volgens de formulen, in de 
twee voorgaande 66. opgegeven , hebbe 
ik de hier bygevoegde tafel vervaardigd, 
welke de hoeken KMC en de afftanden 
CM, tot verfcheidene breedten behoo- 
rende, zo wel voor de gemelde ellips 
als voor onze hypothefe, behelst, 


hoeken KMC | afftand. CM in toif. 


Emmen emmen 


Poolshoog= | voorde | voor voor de } voor 
geo ds Ellips. | onze Ellips. Jonze 

| | Hypot. Hypot.. 
o? | © o 3275753 | 3279792 
5e 2’ 287 | 2’ 20" | 3275608 | 3278510 
Io 45 50 | 4» 58 | 3275397 | 3278390 
20 9, 25 | 937 | 3274235 | 3277286 
30 II, 45 | 13, 23 | 3272462 | 3275165 
33° 55112 118 I4, 49 | 3271643 | 3274327 
40° I3» 5Ó [16 56 | 3270294 | 3273792 
48° 50’ 12 | 13’ 56’ | 16, 55 | 3268233 | 3270484 
50° 13 56 | 16, 54 1 3267965 | 3260978 
52 135 43 | 16, 5o | 3267510 | 3269467 
52° 31’ 13” | 13, 30 | IÓ, 50 | 3267393 | 3269320 
6o° Il, 45 | 153 32 | 3265788 | 3267298 
7o 9, 25 | IIs 2 | 3264011 ( 3264847 
So 4, 5o | 6,30 | 3262852 | 3263443 
go oan de 3262406 | 3262563 


66. Dewyl wy omtrent de volgende 
onderzoekingen over de parallaxe der 
maan, dienen tafelen op te ftellen ten 

Pel U __be- 


Dn EE ETEN 


WAARE GEDAANTE DER AARDE, 513 


behoeve der aftronomifche rekeningen; 
zullen wy dezelve tot de Aftronomie van 
den Heer de La Lande betrekkelyk maa- 
ken, waartoe wy ook kortheidshalve 
onze Lezeren zullen verwyzen, zo veel 
te meer, dewyl dit uitmuntend werk 
van mynen vermaarden vriend in- onze 
Nederlandfche fpraak ftaat vertaald te 
worden. Aan het einde van het eerfte 
deel der nieuwe uitgave vindt men pag. 
96. Tuble LXXXIV, op de tweede co 
Jom eene tafel van de in de voorgaande 6 
berekende hoeken KMC, welke volgens 
eene Ellips, waarvan het verfchil der 
__asfen + bedraagt, is famengefteld, Het 
grootíte verfchil tusfchen die hoeken, 
uit de gemelde Ellips en onze hypothefe 
ontfproten, bedraagt 2’ 34” onder de 
poolshoogte van 6o graaden,. 


6 7. De hoeken KMC welke de ver: 
ticaal-lynen MK met de afitanden CM 
maaken en de afftanden zelve bepaald 
zynde, hebben wy den weg tot vinding 
der horizontaal-parallaxis gebaand. Men 
vindt in Ó$ 16491654 nader onderricht 
omtrent de manier, om uit twee waar- 
nemingen van de afftanden der maan 
tot een vaste {tar , op se verfcheidene 
‚AV. DEELe Kk plaat: 


SI4 — Je F. HENNERT OVER DE 


plaatfen gedaan, de horizontaal-parallake 
afteleiden, _ 


Fig. 5. Men onderftelle twee plaatfen 
ten naasten by onder denzelven Meridaan 
gelegen by M en m, gelyk te Berlin en 
op de Caap, waar de Heeren de La Lan- 
de en de la Caille in het jaar 1751 cor- 
fesponderende waarnemingen omtrent 
de maan gemaakt hebben, Men trekke 
de verticaal-lynen ZMK, Tuk, De 
maan by L ftaande, worden de waar- 
genomene afftanden der maan tot het 
Zenith door de hoeken LMZ, Lam tT 
aangewezen. | 


__ Nu is fin, m LG: mC = fin. tmLs: 
LG, en fin. MLC: MC= fin. z ML: LC; 


ä fin. mLC mC — fin. tmL 


a et Is eN 
ie fin. MLC © ME “fin. zML É 

in. m LC mC. fin. tmL 

fi Eem De hoek 


fin. MLC TMC fin. zML ° 


mLM, of het verfchil tusfchen de af- 
ftanden der maan tot eene vaste {tar uit 
de twee plaatfen m2, M waargenomen, 

iS 


WAARE GEDAANTE DER AARDE, 515 


is bekend, Maar fin, mLM = fm, 
(a LC + MLO) = fin. m LC cof. MLC 
 cof. mLC fin, MLG = fin, mLC + 
Jin. MLC (dewyl de hoeken MLC ' 
mLC kleiner dan een graad zyn, kan 
men cof. MLO, en cof. m LC = 1 aan- 
nemen). Dus is fin. m LC — fin, mm LM 
— Jin. MLC, Bygevolg | 


fin mLM — fin, MLC mC, fin. tmL 
Jin. MLC “MC. fin. zML ? 


jp fin. mLM _mC. fin. tmL + MC. fin. z ML 


fin. MLC ©” ME: (5p, ZM Te, 


fin. MLC MC. fin. m LM 


mm mn 


fin. zML ” mC. fin. tm Lt MC, fin. z ML 


= horizontale-parallaxe te Berlin, De: 
wyl uit de tweede evengemelde pro: 


ortie volst, dat HNE Ee 
AL) es 
P St: fin. zML EC 


horizontale-parallaxe te Berlin is 6 4. 
Op eene andere plaats H is de hori- 


HC En 
zontale-parallaxe = rc * Dus is deho: 
Kk2 ri; 


516 J.F. HENNERT OVER DE 


rizontale-parallaxe te Berlin: tot die op 


MC HC 
| Et een 
een andere plaats by H NAE 


dus de horizontale-parallaxe op een plaats 
fin. m LM 


1 _= | manera man ne nnn vd 
elks HC X mC. fin. mLt MC, fin. z ML 


De horizontaal-parallaxe gegeven zyn- 
de =H, vindt men den afltand van de 
Maan tot het middelpunt der aarde = 
HC : /in. H. 


Men dient op te merken, dat de hoe- 
ken tmL, zM L, de waargenomen af- 
ftanden van de maan tot het zenith of. 
de hoeken Tml, ZML zyn, vermin- 
derd door de hoeken KMC, km Cin de 
voorgaande tafel bevat. 


Tot meerdere opheldering, zal ik de 
horizontaal-parallaxe voor de poolshoog- 
te-van 52°, uitde waarnemingen van den 
24 July 1o* 1752 afleiden (zie Mémoires 
de V’Académie des friences de Paris, a”. 
2753 PAZs 1Ó3. 


j | De 


WAARE GEDAANTE DER AARDE, 517 


De poolshoogte van Berlin is 
52° 31’ 13% 


de afftand des Zuidl, rands der 
maan tot het zenith van Berlin 71°58’58" 
de halve middellyn der | 
maan gecorrigeerd, „oe 14/47", 
afftand des middelpunt der 
_ maan tot het zenith, «= - ear 44 wak 
refractie - - 8’ 10", 
waare afftand des middelpunt 
of hoek zML « - 71° 47 21” 
Rek KAMER, SRO 

volgens de tafel, 

hoek ZML, - jr 30' 31% 

fin. ZML == 9, 9769714 

bog. CM == 6, 5144574 


eee nnee 


log. CM, fin, ZML = 6, 4914288 


dus CM. fin. ZML = 3100480 
Cin, fin. tmL = gorogo 


4901510 


Kk 3 De 


518 5% F, HENNERT OVER DE 


__De poolshoogte van de Caap is 
333912 


de afftand des Noordl, rands der maan 


tot het zenith van de Caap 15°57'45'' 
de halve middellyed Sn at 
der maan _- …- « 14'58" 


mmm mag mn nt mg vm 


afltand des middelpunt der 


maan tot het zenith. -« = 16° 12’ 43’ 
refractie = 


e ne ig’ 
waare afftand des midden 
of hoek TML - it RO ETAM 
hoek km - ei DE 
ans DNG 
hoektmL - 


15 58 22’ 
fin. tmL =9, 4396177 
log. Cm _=6, 5151221 volg.de 


Gn ee en een a 


Jog. Jg. Cm Xx fin tmL=5, 9547398 taf, $ 5, 


Uit 


WAARE GEDAANTE DER AARDE, 519 
Uit de waarnemingen 
is afgeleid de hoek m LM = 
Jin. mLM == 8, 2814212 
voor de poolshoogte van 
52° is log. CH = 6, 5144770 
4» 7958980 
log. 4001510 = 6, 6022239 


Jog. fin. parall, = 8, 1036741 
“dus de horizontale-parallaxe op de 


poolshoogte van 52°, voor den 24 July 
We S= 53 A2. 


Op deze wyze heb ik de Colom met 
p geteekend, van de tafel in de 5 g. 
berekend, | 


Kk 4 6 8. Men 


920 JF. HENNERT OVER DE 


6 8. Men maakt in de maan-tafelen 
gebruik van eene beftendige Parallaxe, 
welke tot den midden afftand der aarde 
van de maan behoort. De horizonta- 
le parallaxe wordt niet alleen verander- 
lyk door de verfchillende afftanden der 
aarde van de maan, maar ook wyl die 
afftanden op dezelfde plaats der loop- 
baan van de maan niet altyd dezelve 
blyven, zo is de perigaeifche afltand 
kleiner, wanneer de plaats der nieuwe 
maan in het Perigaeum valt. Om de- 
ze reden heeft men verfcheidene aequa- 
tien of corredien van nooden, om uit 
eene beftendige Parallaxe de verander- 
lyke of waare Parallaxe voor een gege- 
venen tyd afteleiden. Stellende de fom 
der aequatien = + a, de beftendige Pa- 


rallaxe =P ‚de waare= p, zo heeft men 


P4a=p, dus P =P 4 Waaruit 


blykt, dat men die beftendige parallaxe 
verkrygt, wanneer men die voof een 
gegevenen tyd berekende aequatien met 
die uit de waarnemingen afgeleide paral- 
laxe in eene fomme brengt. Breedvoe- 
riger heeft de Heer de La Lande 9 1711— 

1715 daarover gehandeld, zi 


WAARE GEDAANTE DER AARDE, Sat 


Ik zal door een voorbeeld toonen, 
hoe men die aequatien volgens de maan- 
tafelen van den Heer Clairaut voor den 
24 July ro' 17’ in ’tjaar 1752 moet be- 
rekenen, waarvoor de waare parallaxe 
= 5342’ =p gevonden is, Men dient 
te weten, dat ik van de tyden der waar- 
nemingen, volgens den Meridaan te 
Berlin in de Mémoires de V’Acad. de Paa 
ris a. 1752, 1753 door de La Lande 
aangeteekend , 33’ afgetrokken hebbe, 
„om dezelve op onze gewesten overtes 
brengen. De Heer Clairaut heeft de 
14 aequatien, bladzyde v11 opgegeven, 
in tien tafelen famengevat, waar van de 
argumenten Zyn, namentlyk z = de 
middel anomalie der zon, y = die van de 
maan, en  = het verfchil tusfchen de 
middellengten van zon en maan, 


Men behoeft de plaatfen der zon en 
maan maar voor minuten te berekenen, 
dewyl men voor de argumenten meeren« 
deels de graaden maar van nooden heeft. 

De middellengte der zonis = 4° 2° 59’, 
de plaats van het apogaeum = 3° 8° 40’, 
dus de middel anomalie of z=0* 24°19’, 

De middellengte der maan=g® 16° 52’ 
duss == 5? 13°-53. 
| Kk 5 De 


522 Je F. HENNERT OVER DE 
De plaats van het apogaeumis= 9° 5°, 
dus de middel anomalie of y= 0° 11° 52’, 


AEquatien: 
TI Argum. ofy= is je 252" 7 
UI Arg. oft—y= 5 = 0,2 


IV npt ó as’ 4 
Vmdij= 9) pe gond 
VIII z= 1, — © 7 
IX — — 2f-2= 10, : — 9 
K—-2ity=i, 9 In 28 
Som =— 321,9 21,9 


AEquatien, 
+237 
} 1,2 


Il Argum.oft= 55, m3 13’ 
VII —— yam ij 


XI —a2ij-z= 9,22 _ 0,6 ‚6 
Som=+257,5| 
rek 21,9 


Som der aequatien = =—=2 56”,4 4=G 


dus is de beftendige parallaxe 
of Pp 4-4=53'42"42'56";4= 5638”, 4 


S 9, Men zoude kortheidshalve de ar- 
gumenten III, V‚, VIII, IX, XI kun- 
nen 


WAARE GEDAANTE DER AARDE, 523 


nen weglaaten; nogthans heeft my de 
verdrietige moeite niet wederhouden de 
rekeningen volgens alle de’ argumenten 
uittevoeren, 


tyd der p. zie$7| Som der | beftendige 
waarneem. ín aequatien | Parall, of 
1751) 1752. of « P= pe 


eanmesdet 


3 Dec. zakt | IJ 4m/Ól 57 2 5 


6 — IsShi{ 59’ Oo” ar si 3{ 5717 7 
Bers 02 5| 327" 2|56 59" 3 
go Jan. rm& [59 IL — 47 S|56 23 5 
3 i2hil5g 2 BD 347 ES 
23 Febr. 6£ }59 32 I|—®15/”9(57 16 2 
26 — Gi [> I2 IEEE 52 4 
6 Maarti7i | 54 44 j-…2.40! …b57 24 
24Juny zo |54 6 vd rde ie 
25 —- Ik | 53 34 sE Bir Ë 37 5 
2oJuly 7 154 54 8tt 37’ 1157 31 9 
28 Oi | 53 35 AE A MG lk 
24 — TOE | 53 42 T 2’ 56’ (55 38 4 
30 —= 14% [56 17 7 o’ 40! 56 58 I 
24 Aug.rik |55 3 tr 38/6|56 4I Ó 
3E 17 [58 36 —I 542156 41 8 


Som OII’ 9/9 


De 


Indien men de fom van alle P door 
het getal der waarnemingen of door 16 
deelt, verkrygt men 56’ 57’, voor de 
beftendige horizontaal-parallaxe, bee 
hoorende tot de poolshoogte van 52°; 

Rn en 


524 Je F. HENNERT OVER DE 


en tot een meridaan 11 minuten oostly- 
ker dan Parys. 

Dewyl de horizontaal-parallaxen ons 
der verfchillende poolshoogten tot el- 
kander ftaan, als de afftanden der plaat- 
fen tot het middelpunt der aarde, 6 1, 
zo zal de beftendige parallaxe voor 
Parys 56' 58’, bedraagen, voor welke 
de La Lande 57’ 2: aangenomen heeft, 
dus bedraagt het verfchil 4: feconden, 


„9 ro. Dewyl de horizontale-paral- 
laxen of derzelver finus, onder verfchil- 
lende poolshoogten met deafftanden tot 
het middelpunt der aarde, in 6 5 bee 
paald, veranderen , zo volgt, dat die pa- 
rallaxe onder den Evenaar de grootíte, 
en onder de poolen de kleinfte is, Stel- 
lende met den Heer de La Lande de 
horizontaal-parallaxe onder de poolen 
== 6o', vindt men die onder den aequa- — 
tor door de proportie 
… 3262863: 3278792 =fin. 60’: fin. 60'17'',5. 
Op dezelve wyze vindt men die paral 
laxe voor de breedte van 40° door 
middel van de proportie 
3262863: 3270294= fin. 6o': fin, 6o' 12", 
Dus moet men tot de parallaxe onder 
den pool 17’, 5 en 12” addeeren ed 
f e 


WAARE GEDAANTE DER AARDE. 525 


de parallaxen onder den evenaar en de 
breedte van 40° te verkrygen. Op zul- 
ke wyze hebbe ik de vermeerderingen 
der pools-parallaxe , in de volgende tafel 
begrepen, volgens onze hypothefe bere- 
kend, naast welke ik de derde colom der 
LXXXIV tafel des Heeren de La Lande 
gevoegd hebbe, 


Poolshoögten. Vermeerderen Verfchile 
der Hor. parall, len. 
onder den pool. 
| de La Onze En 
Lande, | Hypothefe. 
| 19/8 17, 5 |t ee zi 
5e 155 7 | 175 3 6 
Io I5s 3 I7 7 7 
20 I3, 9 I5s 9 2 
30 Ii, 8 13 5 Is 4 
40 9 2 I2, 2, 
5o | 6, 5 72 9 | I, 4 
52 ds 9 Zo 3 Is 4 
6o 4» O 4 9 0, 9 
7o LS, | 28 ©51/0 
8o ee OR 7 0,72 


Neemt trn voor de pools-parallaxe 
een ander getal, by voorbeeld #’ in de 
plaats van óo’, zo behoeft men maar de 


Se: 


526 J.F. HENNERT OVER DE 


gevondene getallen door à te vermees 
nigvuldigen. 


GS 11. De Heer de La Lande heeft in 
de S 1698 en 1699, de veranderingen of 
correétien, aan welke de breedte der 
maan wegens de gedaante der aarde on= 
derworpen is, volgens de formule 


Pp fin. a cf. 235° 
cof: poolshoogte. 


aangenomen pools-parallaxe = 60’, en 
a= de hoek, die de verticaal-lyn met 
den afftand maakt (6 5). Volgens deze 
formule hebbe ik de correétien der maan- 
breedte ook bereekend , en de vyfde co- 
lom der Lxxxiv tafel daar nevens ge- 
voegd, 


Pools: 


betoogd, waar p = de 


WAARE GEDAANTE DER AARDE. 329 


Poolshoogte. Correétien der Verfchile 
Maan-breedte len. 
de La onze 

| Lande. Hypothefe, | 

o o o 

5 Bie 5 als 3 — 0 2 
Io° SA 4 8 A O, 2, 
20 9, 8 9’, 8 o 

30 Val ze [to 4 
40 I8, 5 21, 2 T 2 7 
50 22, I 255 2 dgk 
52 22, 7 26) 3 3, Ó 
6o 24, 9 | 2 8 4 9 
7o | 27» | ‘32 | 53 
80 28, 2 35» 9 lol 4 


6 12. Eindelyk zullen wy volgens 


k Bee - 
elke X cofin, leng- 


cof. poolshoogte. 


de formule 


te der maan, in de 6 1700—1703 be- 
toogd, de correétien van de lengte der 
maan berekenen, 


Wegens de twee veranderlyke groot- 
heden, namentlyk de lengte der maan 
en de poolshoogte, in de formule be- 
vat, worden die correétien door twee 
argumenten bepaald, 


Poolsi 


Je Fe HENNERT OVER DE 


528 


a 
- 


5 


EGI De orft ‘orfs Cils priv rl Srl og 

Ee Z 6 |E 6 FE: BT SIPE “Er ln Ct o£ 

6 “rig 6 lo Cis ZL lo tg FL Gab rit trilt ar og 

OL lhe Een One Zit 8 FS G|E torlg tor II{ of 

DA |B Berlo EIO: G- [6 GAG LIB 6- [a #0 op 
ofg old IIS sis EE |6 SE |Y t |g cp ee le} 
BIE OP TITS tel EL BIG tE Fz Wp |E op cO5 
BIO IL HOT Or | ot Fem ió6 er 16 \x °i3 oor 
se | 09%53 | OI st s3 | o@3 sI[ eOI sl sI| 005 KE; OI sO| o9 5O 

“Ua2800Y 


VEEN Jop UoIdUoT =SJ00d 


WAARE GEDAANTE DER AARDE, 529 


_Índien men deze tafel met die van den 
Heer de La Lande pag. 97 vergelykt, 
zal men vinden, dat het grootfte verfchil 
omtrent de poolshoogte van 80° flegts 
3; 4 bedraagt, 

6 z2, Uit de onderzoekingen, die 
Wy, hiet zonder lastigen arbeid, om. 
trent de maans parallaxe voltooid heb. 
ben, kan men thans met gerustheid be- 
fluiten, dat ’er geene dwaaling van ge- 
wicht uit de overblyvende onzekerheid 
omtrent de gedaante der aarde voor de 
de Theorie der maan kan voortfpruiten. 
Men kan zich dus met gerustheid van 
de tafelen des Heeren de La Lande be: 
dienen , behalven in de alletnaauwkeurig- 
Îte rekeningen, die de bedekkingen der 
{tarten door de maan, en de taaningen 
tot voorwerp hebben; in deze behoorde 
men op onze correétien der maanbreedte, 
die anders in onze gewesten by de 5 fec. 
verfchillen, agt te {laan ; byzonder wyl 
men thans zo keurig valt in het berekenen 

er maanplaatfen. Ook vereischt het - 
verfchil van 4fec, omtrent de beftendige 
parallaxe eenige bedenking. Indien men 
Een middelgetal tusfchen de tafelen van 
de La Landeende myne neemt, zal men, 
Zoo veel mogel yk is,de waarheid naderen. 

IV. DEEL, Ll T WEE- 


530 JF, HENNERT OVER DE 
TWEEDE DEEL 


9 13, Met eenen goeden uitflag de 
theorie der Maan tegen de gevolgen we- 
gens de onzekerheden van de gedaan- 
te der aarde beveiligd hebbende; zal 
ik hetzelve ten dienste der Navigatie 
pogen uittevoeren. Het bekwaamfte 
middel daartoe komt my voor te we- 
zen, dat men eene vergelyking maake 
tusfchende platte kaarten, famengefteld 
volgens de klootfche gedaante der aar- 
de, en volgens onze hypothefe. Omde- 
ze vergelyking des te naauwkeuriger te 
doen, zal ik de graaden der lengten of 
parallel-cirkelen voor een kloot en voor 
een knolrond, volgens onze onderftelling, 
in franfche mylen van 2282 toïfen,bereke- 
_ nen, waar van 25 een graad des evenaars 
uitmaaken, Laat de boogen Emp, en 
EMP de Meridiaanen (Fig. 6.) der kloot- 
fche en knolronde aarde voorftellen, De 
ftraalsg van een parallel-cirkel is gelyk 
aan den {traal des evenaars EC vermee- 
nigvuldigd door de co/inus-der poolshoog- 
te EM, of 1g= EG Xco/, poolshoogte, 
_ De reden van den ftraal tot den hal- 
ven omtrek des cirkels zy als 1: 3, 14159 
of als 1 : p, zo is de halve omtrek, van 

een 


WAARE GEDAANTE DER AARDE, S$Ì 


een parallelcirkel op een kloot = p. EG, 
cof. poolshoogte, welke door 180, en 
door 2282 gedeeld zynde, verkrygtmen 
de grootte van een graad des parallel: 
cirkels in franfche mylen, namentlyk 
p. EO | 
Sorb oate cof. poolshoogte. 
Kortheidshalve dient ren de logarith: 
men te gebruiken, dus EC == 3278792; 
verkrygt men Jo tE ved 3992654 
vEt MEN 15e 780 Xx 2232 ° 
Bygevolg is,log. vaneen graad des parallel: 
cirkels = 1,39926544-log.cof. poolshoogte. 
De {traal QM van een parallelcirkel 
op de knolronde aarde is — CM X cofin. 
CMQ. Nu hebben wy in 65 eene tafel 
van de afftanden CM en van de hoe- 
ken KMC opgegeven, dus zyn ook de 
hoeken CMQ == poolshoogte EKM of 
KMQ — hoek KMC bekend, bygevolg 
kan de ftraal van een parallel-cirkel ge- 
vonden worden, Dus isdelengte van een 
graad eens parallel-cirkels in mylen be. 


el Een 
paald = EE Xx CM coin. CMQ. 


De Jog. de Je = 4» 8835515, dus 


180 X 2282 


Ll 2 Jog. 


532 Je Fe HENNERT OVER DE 


log. van zulk een graad is = 4, 8835515; 
log. CM +4 Jog. cofin. CMQ. 

Door middel van deze twee formulen 
hebbe ik de volgende tafel berekend. 
Tot meerdere opheldering zal ik de 
lengte van een graad des parallelcirkels 
onder de breedte van 52° op het knol- 
rond volgens onze onderftelling uitvoe- 
rig berekenen. De hoek KMC is = 16’ 
50’, dus CMQ = 52° — 16/50’ = 513 
43' 10”, bygevolg 
Jog. cof. CMQ = 9, 7920502 
logs CM == 6,5144770 

dezen pa- 


P 
log. —= 488355 15) rallelcirkel 


180 X 2282 | 
log. vaneen gr.= 1, 1900787 Erie hi 


Verlchillen. 


dus is een 
graad van 


Poolshoog- 
ten, 


Graaden der parallel- 
cirkelen in franfche 


mylen. 


op her 
fphere, | knolrond, ; 


5 | 24, 98 24) 98 | o 

Io° 245 Ó9 24, CO o 

20% 23, 56 233 57 Oo, Or 
30° 2r, 71 21, 74 0, 03 
40° | 19, 20 IQ, 25 O, O5 
50 | 16, 11 Ió, IÓ O, O5 
IE I5) 44 15) 49 Os, O5 
6o I2, 54 I2, 59 Os O5 
7o 5 58 8, 62 Os 04 
80 | 4534 | 4,38 |_ Oo, 04 


WAARE GEDAANTE DER AARDE, 523 


GS 14. Om de Paskaarten, volgens 
de fphere en onze hypothefe famenge- 
fteld, te kunnen vergelyken ; zal ik een 
vraagftuk oplosfen;, tot welks toeberei- 
ding ik de volgende grondlesfen , die ans 
dere fchryvers en ik in myne Zlementa 
artis nauticae betoogd hebben , den Lezer 
onder het. oog zal brengen. Om rede- 
nen, die in’t vervolg zullen blyken, be- 
doele ik maar kleine boogen in de vol- 
gende ftellingen, 


1.) Volgens de 647. 6 van: myne 
Elementa art. naut,, is een boog op de 
Spherifehe paskaart: een gelyke boog 
van den Meridiaan der Sphere = fec. 
poolshoogte : 1 = 1: cofin, poolshoogte. 


2.) Kleine boogen zyn tot elkander 
in omgekeerde reden van de ftraalen 
der kromte. «De ftraal des evenaars of 
der fphere is = 57226 a= A a ftellen- 
de 57226 = A. 6 3. Verder is de ftraal 
der kromte des meridaans van onze 
Jpberoide=a (a + bx? 4 cx). 6 2, Dus 
is een boog van den meridaan der fphe- 
te: een gelyke boog op de {pheroide 
zat Ox + ext: A, hi 


LI 3 3.) De 


934 Je Fc HENNERT OVER DE 


3) De boog des meridaans op de 
fpheroide is: een gelyke boog op de 
fpbetoidifche paskaart = MQ: CE, 
NuisMQ =2(57226 + (238 + 119 £°)4°) 
sof. v=alA +(BHC r°) #°) caf. w, ftel- 
lende B == 238; C=119 en cof. v — cofs 
der poolshoogte. Dus is de boog des 
Meridaans op de fpheroide » een gelyke 
boog op. de fpheroidifche paskaart = 
(Arte (B Cx) w° Joof, v: A. 

_ Deze drie evenredigheden door elkan- 
der vermeenigvuldigd hebbende, ver- 
krygt men, deze proportie: 

_ ‚Een boog des meridaans opde fphe- 
rifche paskaart: een gelyke boog op de 
fpheroidifche paskaart = _ 

Caba ter) (AH(BHCe)ee): Ar, 


VRAAGSTU Ks 
Han 5 De lengte van een deel des 
metidiaans op de fpherifche paskaart 
egeven zynde „die lengte. op de fphe- 
roidifche paskaaft te vinden, 


OPLOSSING, — 


Laat Z én:z, voor de lengten der 
deelen van de meridianen; op. de fphe- 
roidifche en {pherifche paskaarten ld, 

| | len; 


WAARE GEDAANTE DER AARDE. ‘535 
len, zo is bekend, dat En — is, 
(Zie 6 650 van myne Zlementa art. naut.) 
dus dz = en. Men weet, dat door 


deze formulen de wasfende breedten 
(Latitudes croisfantes) bepaald worden. 


gee volgens de voorgaande 6, is de: 
=(atb ser (AH(BHCH) #5): 


A: zet AT aj ed 


Duid: A, ellende 22 boe 
Donk zone Dus vers 


krygt men f TLE 0 
weglatende de hoogere saca van % 
_ Door de deeling zal men vinden 


A ME (1D (DE) «0. 
Ll 4 Nu 


536 Je F. HENNERT OVER DE 


5 dier 
Nu is dz = Ie dus JZ = 
| kk EIT 


Em HE lm? I= x? 


eh de Dede Pr) 


„Deze aequatie integrerende, zal men 
vinden (zie $ 21). | 


Zer -D4(D:—E) e+ 


DD LEE 7 Or E) 


Maar Dis = 0,0083, en E=o,0123. 
Dus1r =D +D: — E =0, 9793, en 
— D: + E = o, 0206. e eerfte 
term, die z onthoud , is veronderfteld 
met 57, of met 3448’, vermeenigvul- 
digd te‘zyn, dus met de volgende door 
3448 gemultipliceerd te worden om 
‘de deelen des meridiaans in minuten te 
bepaalen. (Zie $ 65oen 651 van myne 
Elementa art. naut.) 
Dus verkrygt men 
L=0,9875 8 71’, 74 + 14,34) Of 
LEE O, 0125 ZF 71 KH IJ 
Waaruit blykt, dat de correctie van 
een deel des meridiaans op de fpheri- 
fche paskaart bedraagt 
== Q, 0125 ZF TI XI A 
| | 9 16, De 


a 


dn SE nt teen nn a de 


WAARE GEDAANTE DER AARDE. 537 


9 16. De grootheden z, zyn dus de 
wasfende breedten of de lengten der ver- 
deelingen van de meridiaanen op de 
fpherifche paskaarten, Voor deze groot- 
heden z zyn ’er tafelen berekend, hoe: 
danige men in de la Caille, traité de.Na- 
wigation, pag. 32. en by anderen ont= 
moet. 

Ik hebbe in de bygevoegde tafel de 
waardyen van z uit de tafel der wasfen= 
de breedten genomen, en daarby ge- 
plaatst de wasfende breedten of de waar- 
dyen vanZ, volgens de gegeveneaequa- 
tie berekend. j 


Poolshoogten. | z | 4 | Verfchillen, 
gf? 300 302, 4 Ì 2 4 
10° 603 607, 8 4, 8 
20° | 1225 1234, 5| 1-95 
30 1888 1899, 6 Ì II, 6 
40 2623 2639, 8 T 16, 8 
50 | 3474 | 34915 I | T 17E 
53 3764. | 3780, 8| tT 16,8 
6o 4527 45409, 7 T 135 7 
70 5966 5969, 7 125, 2 
75 ‚6970 | 6964 rr8 dirid 
So | 8375 | 8351, 3| — 23» # 
82 9145 9114, 7} =— 30, 3 
84 IOr37 | 10093 — 4 
86 11533 14733 51 593 5 


538 Je F, HENNERT OVER DE 


-6 17. By den eerften o mag het 
fchrynen, dat het verfil vette de 
fpheroidifche en fpherifche paskaarten 
vry aanzienlyk begint te worden met 
4ó’ poölshoogte ; maar om over dit ver- 
fchil- te. kunnen oordeelen, dient men 
op te merken, dat men in het berekenen 
der fcheeps-courfen niet de lengten der 
meridiaans-deelen, maar wel haare dif- 
ferenten’ gebruikt, Om dit {tuk op te 
helderen , zal ik het volgende geval op 
beide — paskaarten voor verfcheidene 
poolshoogten toepasfelyk maaken. 


1) Zen fchip uitgezeild zynde onder 
40° breedte, W‚N. W. „komt tot de hoogte 
wan 50°. Men vraagt, hoe bet verfchil 
der lengte op beide Paskaarten moet be- 
paald worden? 

Het is bekend (zie 6704 vanmyne Z/e- 
menta artis nauticae), dat het verfchil 
der-meridiaans-deelen onder de twee ge- 
gevêne namentlyk 851 = 3474 — 2623 
op de fpherifche paskaarte, en het ver« 
fchil- 851, 3 = 3491, 1 2639, 8 op de 
fpheroidifche' paskaarte met den zangent 
van de ftreek W‚‚N. W. of met den tan- 
gent van ó7° 30' moet vermeenigvuldigd 
worden, om het verfchil der zee-leng- 
(Ea GQ € ten 


WAARE GEDAANTE DER AARDE. 539 


ten. te vinden, Aangezien het verfchil 
der meridiaans-deelet op beide paskaar- 
ten hetzelfde is; zo volgt, dat de ge- 
woonlyke paskaarten den courstusfchen 
49 en 50 graaden breedte zeer wel be- 
paalen , of fchoon de meridiaans lengten 
op zich zelf op beide kaarten merklyk 
verfchillen, 


2) Zen ms drdie zynen cours onder 
go’ breedte W.N. W., en komt tot 
de hoogte van 6o°; hoe groot is bet ver- 
Schil der zee-lengten, op beide Raartên ? 
Op de fpherifche kaart is het verfchil 
der meridiaans-deelen 
= 4527 — 3474 = 1053’, dus het ver- 
fchil der zee-lengten 
== 1053’ Sung. 67° 30' = 2542 = 42° 22', 
ven vin peins: paskaarte is het 
meridiaans-verfchil =4540= 3494==1049"’, 
dus het verfchil der ae en id 
= 1049’ tang. 67° Zo! == 2533 = 42° 13', 
Dus ontítaat uit de fpherifche kaar: 
ten eene dwaaling van g' of 3 deel van 
een graad der lengte; nu is een middel- 
graad der lengte tusfchen 5o en 6o graa- 
den breedte omtrent 14 mylen 6 13, dus 
zoude de dwaaling maar 2,3 myl bedraa- 


3.) Hoe 


549 —_ Je F. HENNERT OVER DE 


3) Hoe groot is het werfchil der zee- 
lengten op beide Paskaarten, wanneer een 
fchip. onder 6o° breedte W‚ N.W. uit= 
gezeild, tot de hoogte van 7o° gekomen is? 
Op de fpherifche paskaart is het vere 
fchil der zee-lengten | 
= 1439 tang. 67° 30! = 3474! = 57 54’. 

Op de fpheroidifche glam hee 
verfchil der zee-lengten = 3450 =57° 30’. 

De dwaaling uit de fpherifche kaart 
voortkomende bedraagt 24’ of 2°, dus 
omtrent 5 mylen, dewylde middelgraad 
der lengte ro? mylen uitmaakt, 


4) Hoe groot is het verfchil der zee- 
lengten tusfchen twee plaatfen-. op beide 
Paskaarten, wanneer een fchip onder de 
breedte van 70° W‚N.W. uitgezeild, tot 
de hoogte van 75° gekomen is? 

Op de fpherifche paskaart is het ver- 
fchil der zee-lengten —= 60° 24’ en op de 
andere = 6o° 2’, Dus bedraagt de dwaa- 
ling 22’ of 23 mylen op een verfchil van 
5 graaden in de breedte, 


6 18, Uit de opgeloste gevallen kan 
men „deze. gevolgen zeker afleiden, dat 
1) de gewoone paskaarten tot de breed- 
te van 5o° buiten vrees van feilen kun- 

nen 


WAARE GEDAANTE DER AARDE. 54Ï 


nen gebruikt worden. 2) Dat de ge- 
woone paskaarten tusfchen 5ò en 60? 
breedte reeds eenen kleinen misflag op- 
leveren. Maar dewyl men op zo groot 
een verfchil van ro’ in breedte, gelyk 
wy in % tweede geval aangenomen heb- 
ben; zelden of nooit den cours in *t zei= 
len opmaakt, agte ik, dat de gemeene 
paskaarten tot de poolshoogte van 6o 
graaden naauwkeurig genoeg zyn, Maar 
3) van Óo graaden breedte af behoort 
men te letten op den overgang van de 
fpherifche tot de knolronde gedaante 

er aarde, wanneer onze correétien om- 
trent de wasfende breedten beginnen te 
pas te komen. Zo veel is my altoos 
gebleken, en ik worde door deze onder- 
zoekingen nog meer daarin gefterkt, 
dat de inftruCtien der zeevarenden, die 
Noordwaarts opftevenen, geheel anders 
moeten ingericht zyn, dan van zulken 
die naar den evenaar zeilen, 


6 19. Ik vleie my, dat ik mynen ar- 
beid niet nutteloos befteed hebbe in ’t 
onderzoeken over het gewigt der mis{la- 
gen, welke de onzekerheid omtrent de 
waare gedaante der aarde op de Starre- 
kunde en Navigatie zoude kunnen ne 
| ren- 


543 Js F, HENNEET OVER DE 


brengen. Het verfchil der asfen uit on- 
ze hypothefe afgeleid grooter zynde dan 
uit de Elliptifche, behalven die van 
Maupertuis , die dat verfchil op + ftelt; 
kan men de uitkomften van onze onder- 
ftelling als uiterften aanzien , die-de groot- 
fte veranderingen bepaalen, aan welke 
de Theorie der maan en de navigatie 
onderhevig zyn wegens die van de fphe- 
re afwykende gedaante der aarde. 

Die uitkomften omtrent de Theorie 
der maan zullen dus weinig werfchillen , 
- het zy dat men de onze, of de ellipti- 
fche hypothefe van Newton en Mauper- 
tuis, welke het verfchil der asfen op + 
en :% gefteld hebben, aanneme, Maar 
omtrent de wasfende breedten verwy- 
dert zich onze hypothefe merkelyk van 
de gewoone. Als men met Newton het 
verfchil der asfen = + ftelt, zo is de 
lengte der meridiaans-deelen Z=2- 30’x 
(zie myne Llementa artis nauticae $ 652), 
dus is de correftie, 3o' x altyd negatif 
en niet grooter dan een halven graad, 
namentlyk onder den pool; deswegen 
zouden de gewoone paskaarten geene 
verandering moeten ondergaan. Het is 
aanmerkelyk , en wy laten het ter naade- 
re beoordeeling over, dat de gemelde 

ct cor- 


WAARE GEDAANTE DER AARDE. 543 


correbtien, uit onze hypothefe voortko: 
mende, fchielyk aanwasfen, dan {tellig, 
dan ontkennende zynde, 


AANMERKINGEN. 


6 20, Ten behoeve der in de hooge: 
re Wiskunde min geoeffenden zal ik too- 
nen, -hoe de integraalen van dedifferen- 
tiaal-aequatien in 6 2 en 15 gevonden 
worden. Om het differentiaale 
ACH DRI (1x) (5 2.) te integree- 
ren, ftelt men #/(1— x°)=t dus 1-4: EE 
en differentieerende, heeft men 
—idt=xdr, dusrde=—t(1-4°)dt, 
bygevolg f4e xs da (1e) = 
4e ft (1 Edi = 4e ft dt ft: df) 

ad bi Ir? Ki Ur 8 3 
zl NIE). 


Op gelyke wyze vindt men 
abfradaV(i—=r == 20 f tdi 


abn ab 3 
Mn TER). 
dl de 5 
Ó 21, Het integrale van msn (zie 


9 15.) 


544 JF. HENNERT OVER DE €nzò 


6 15.) wordt dusdanig gevonden. Men 
deele x* door — 4: + 1, tot het over- 
fchot der deeling 1 blyft, hetwelke ren 
tot den quotient moet addeeren. Dus 


indt a en, 
vindt men Tp == dk 


bygevolg hd =f xn def dr 


vx 
gn Pr _— 5 
han dek wyze is 
“dr 


I= 


em fdrf etn 


UTRECHT 
den 2o July 1774. 


zen hef af 
Een CAA 


VER- 


IV Deel, bl. 544 


Á Geneetfälap. 


P owscl 
Harfsnò. van tSecur 


ei IV Peel. zaan 


Bladz. sa} 
VERHANDELING 


OS OVER DE DWAASHEID EN 
SCHANDELYKHEID ‘DER 


_TWEEGEVECHTEN; 
Mt WILHEM SCHORER, 


 EARARAER 


WF Tit ‘de Verhandelingen, door het 
NS Zeeüwsch Genoötfchap der Wee 
tenfchappen aan het licht gegeven, waar 
vân ik verfcheiden met genoegen gelezen 
heb,’ meen ik te hebben’ konnen ont- 
dekken „ dat die loffelyke Societeit: een 
tweeledig oogmerk. heeft, deels deuit- 
breiding der geleerdheid, deels de vers 
betering der zeden“ <- 0} 20: 
‚Myn oogmerk in deze verhartideling 
zynde tot dit laatfte mede te/werken, 
deed my' befluiten dezelve het Genoot- 
fchap aan te bieden. Vraagt iemand de 
„reden, waarom ik juist deze {tof verko- 

IV. DEEL, M m Ort STG 


346 SoW. SCHORER OVER 


rem heb? het antwoord is gereed :-om 
dat helaas! gelyk men weet, in zekere 
nabuurige tad, twee jonge Officieren, 
noch niet in den bloei van hunne jaaren, 
maar in de vroege lente van hun leven, 
elkander. voor het piftool hebben uitge- 
däagd, en eens en andermaal een kogel 
gewisfeld, tot dat eindelyk één op dat 
bed van oneer fehandelyk is gefneuveld, 
En dit geval is oorzaak geweest, dat ik 
dagt-niet- ondienftig te zyn, de. dwaas- 
heid, dolheid en godloosheid onzer 
tweegevechten „of zoogenaamde duëllen 
te ontvouwen, derzelver oorfprong na 
te gaan, en ware het mogelyk, de ge- 
paste;hulpmiddelen om deze zoo onzin- 
nige” handelwys tegen te gaan, aan de 
hand te-geven, Ik durf my niet grootelyks 
met-eenen gewenschten uitflag vleyen, 
wetende. dat vermaarde mannen. reeds 
voor: lang hunne vermogens dienaan- 
gaande vergeefsch. gefpild hebben, 
My is bekend dat PAULUS MERULA (a) 
reeds ten jaare 1592 ‚ eene naamlyst van 
Schryvers, die zoo opzettelyk als in 
% voorbygaan deze ftof behandeld heb« 
ben, heeft opgegeven, De Utrechtfche 
Hoog- 
Ca) Manier van Procederen „ Bib. 4, Tit, 2, Cap. 5e 
bladz, 170. 4 k 


DE TWEEGEVECHTEN. 54% 


Hoogleeraar PAULUS voEr (b) fchreef: 
ten jaare 1658 daar over een byzonder 
boek ; en FELTMAN heeft ’er ook het 
zyne toegezegd (c). … - | der 

Ik weet ook, dat de Raadsheer sur: 
CHER ten jaare 1717, in zyne Disferá 
tatio Juridica de debita ac legitima vindis 
catione exiftimationis; Op een zeer ge- 
leerden en oordeelkundigen trant deze 
{tof heeft behandeld, en dat de fchran= 
dere Hoogleeraar BARBEYRAC(d) wel 
de moeite heeft willen nemen dezelve in 
het Fransch over te zetten, en naar zy- 
ne gewoonte met oordeelkundige aan- 
merkingen te verryken,—- Beide die 
geletterden hebben ons al mede een aan 
tal van Rechtsgeleerden van verfcheis 
den Natiën , die dit ftuk opzettelyk heb= 
ben behandeld , aan de hand gegeven, 
om andere’ Schryvers, die dit mindef 
opzettelyk gedaan hebben ‚nu voorby te 
gaän. ’tZal ook by de lezing dezer 
verhandelinge blyken, dat onze hedens 
daagfche Rechtsgeleerden en Zedemees- 
| Mm 2 > __ mees. « 


(b) PAULI voeT Gysb. fils de duellis liber fingularis; 
„(c) Aanmerkingen over den Art, brief ad art. 43 
bladz. 166. eta h 
_(d) Recueil de difcours fur drverfes matieres importantes 
Tom, Il Armft, 1731. 


YS WO SCHORER OVER 


meesters ooknoch , fchoon te vergeefsch „ 
hier mede hun hoofd breken,: De wei- 
nige Srucht van hunne pogingen koomt 
my echter voor, geene bellisfende reden te 
zyn3 om vân-de myne geheel af te zien 
en-myh voornemen te laten varen ‚daar 
_ tóch:-de uitmuntendfte verhandelingen, 
die: overde zedekunde gefchreven zyn, 
niet zelden dit zelfde lot ondergaan heb- 
ben; en van weinige uitwerking tot ver- 
betering der zeden gebleven zyn. In- 
diën-ook dit- bewys doorging , zouden 
de Heeren „Predikanten de moeite wel 
konnen fparen, om. het gepredikte op 
hèt gemoed -hunner toehoorderen toete 
pasfen , tenveinde. zoo veel mogelyk de 
zeden te-verbeteren: en echter blyft dit- 
noodzakelyk ‚als een middel waar door 
de-verbetering: kan bevorderd. worden, 
en-ook dadelyk in fommigen wordt te 
weeg-gebragt, ent is 
„Welis waar, dat fchoon deze razerny 
der tweegevechten (want poin@ d'honneur 
kan ik het niet noemen) vooral onder 
lieden die den degen, doch tot een ge- 
heel ander einde, moeten dragen, noch 
niet geheel heeft konnen uitgeroeid wor- 
den, dezelve echter niet zoo fterk on- 
der ons in zwang gaat als wel in Vea 
ryk, 


DE TWEEGEVECHTEN. 549 


+ ryk. Want in de voorleden eeuw: ging 
het zoo grof, dat de Raadsheer sL1: 
CHER (e) getuigt, dat ’er veele wedu- 

‚wen in dien tyd bitterlyk - beweeriden 
den dood van haare mans, en de vaders; 
in hunnen gryzen ouderdom, hunne 
teêrbeminde zoons, die hun door deze 
barbaarfche gewoonte ontrukt waren 
en men kan zich niet genoeg verwonde: 
ren, vervolgt hy, als men uit de hifto- 
rien nagaat, wat meenigvuldige fchrik- 
kelyke gevolgen hier uit zyn geboren. 
De vermaarde VOLTAIRE (f) teekent 
aan , dat, in vorige tyden , meer Franfche 
Edellieden door de handen van hunne 
Landsgenooten gefneuveld zyn, dan in 
een bloedigen oorlog. En geen wonder; 
wyl oudtyds alle gefchillen, hoe ge- 
naamd, op deze wyze in dat ryk zoo 
wel als elders, beflist werden. De by- 
„geloovigheid en domheid dier tyden za= 
gen de uitkoomften dezer gevechten als 
eene bellisfing van het Opperwezen zelf 
aan. ’Was den geestelyken zelf niet 

eoorloofd , zich in rechtsgefchil aan dat 

Beus te onttrekken: alleen ftond het 

je Mm 3 Jd 44 DDR 


(e) Des Dutls, chap. 5 $ 27, 
(£) Es/ai furl Hiftoire Gen, Tom, 5 tag. 25. 


559 We. SCHORER OVER 


hun vry, ten einde zich met geen bloed 
te befmetten, een kampvechter te ne- 
men. 

Men vindt in onze gefchiedenisfen, 
dat. Jeronimus TJeraarts (5) ten jaare 
1572, wegens tegen hem opgevat ver- 
moeden, zich by Prins Willem den 1, 
vervoegde, om tegen zyne befchuldigers 
zich te verdedigen, of in rechten of in 
een kamp, ed 
_— Bekend is ook in dezelve het befaamd 
tweegevecht, den 5 Feb. 1600 (h), tus- 
fchen een gelyk getal kampvechters, 
waar van aanvoerders waren Brauté, 
een Fransch Edelman, ter eene, en fo- 
hannes Abrahami filius Lekkerbeetje ter 
andere zyde; een geval omtrent vallen- 
de in de termen van het gevecht tus- 
fchen David en Goliath. 

Men kan niet dan met verwondering 
gien, dat zyne Hoogheid Hrederik Hen- 
rik gtor. ged, (D, by plakaat van zi I 
ont ; Bida did 


og) Vaderlandfche Hiftorie VI deel bladz. 303. 
Tweede Eeuwgedachtenis der Middelb. Vryheid, 
door den zeer geleerden Heer ADR. ’S GRAVE- 
ZANDE bl. 276. |‘ 

Ch) ALKEMADE verhandeling van het Kamp» 
recht bl. 81. ANTH, VAN DALEN Krygsrades 
Befognes bladz. 53. Ee 

(i) Groot Placaatboek Vol, 2 bl. 458, 


DE TWEEGEVECHTEN. 55L 


Juli 1637, de duëllen in zekere gevallen 
toeftond , mits die gefchiedden met zyne 
voorkennis, 

Noch huiden ten dage, zyn uit de 
Romanefque beginzels der Ridderfchap;, 
de tweegevechten te Maltha , echter on- 
der zekere belachlyke voorwaarden, 
door de wet veroorloofd, volgens het 
ten voorleden jaare uitgekomen getuige- 
nis van P. BRYDONE (k); hy verhaalt 
verder het geduurende zyn verblyf al- 
daar voorgevallene, met de volgende 
woorden ; ”Voor omtrent drie maanden, 
zegt hy, hadden twee Ridders een ge- 
fchil aaneen billardtafel ; een van dezen, 
na veele beledigende woorden uitgefla- 
gen te hebben, gaf zyn party een klap, 
maar, tot verwondering van geheel 
Maltha, in welker jaarboeken daar geen 
voorbeeld van te vinden is, weigerde hy 
_ volftrekt, na zulk een hoon tegen zyn. 
party te vechten: de uitdaging werd 
door den beledigden herhaald, en de 
belediger had tyd om op de gevolgen 
acht te flaan, maar hy Bleef fteeds in 
zyne weigering volharden. Hy werd 

To 055 NME 4 ver- 


(k) Reize door Sicilie en Maltha II deel XVI briëf 
bladz. Ór. 


552 „We SCHORER- OVER 


veroordeeld om vyfenveertig dagen ach- 
tereen in de kerk van St. Johan vergoe- 
ding van eer te doen, en vervolgens voor 
vyf jaaren in een hok opgefloten te wor- 
den ‘zonder licht te zien, en daarna 
moest hy voor zyn leven in een kafteel 
zitten”. „Ik gelove dat de Lezer zich 
tot hier toe al verwondert over dit mis- 
felyk, vonnis, doch het ongerymde zal 
eerst volgen, want die Schryver gaat 


zelve in rechtsgeleerde gefchillen de toe- 
vlucht te nemen, Verder ging hy niet, 
maar liet die open in gevallen van ont- 
fangen hoon, „Philippus de Schoone ver- 
oorloofde dezelve ook om deze reden ten 
jaare 1360, doch onder bepaling, dat 
zy gefchieden moesten met zyne voor- 
kennis, Hendrik de derde zag het onbe- 
tamelyke van de een en andere, ver- 
boodze in het geheel op ftraf des doods, 
SEN „er | Be 


DE TWEEGEVECHTEN. 558 


en wilde „uitdrukkelyk, dat de overtre. 
ders zouden fchuldig gehouden worden 
aan gekwetfte Majefteit (1). Te recht 
dan wordt Lodewyk de XIV zeer gepre- 
zen (m) ‚dat hy die verfoeilyke gewoon- 
te met allen ernst heeft tegengegaan: ik 
herinner my (doch niet waar) gelezen te 
hebben, dat die Monarch, by het ge- 
bruik van het heilig Nachtmaal, plechtig 
zoude beloofd hebben, nimmer een du- 
ëllist de ftraf des doods te zullen kwyt- 
fchelden, „En niettemin getuigt BIEL- 
FELD (n),dat hy, zonder te vergrooten;, 
gelooft, dat’er noch ten huidigen. dage, 
in het nabuurig Vrankryk, vyftig bur- 
gers daags tegen hunne medeburgers 
den degen trekken. | 
Mogelyk zal men my tegenwerpen, 
indien gy de duëllen zoo ftrengelyk af- 
keurt, wat zal ’er dan worden van het 
punt van eer? kan een ‘Edelman, kan 
een Krygsman een hoon lyden, zonder 
zich daar tegen te verzetten, en deswe- 
gen voldoening met den degen” ofhet 
piftool te vorderen, en dus dien’ hoon 
te wreken? immers neen, gewa 
Ems Toont 
(D) T. B. DESINANT Colleltion de Decifions zou= 
welles Tom. 2 „ voce duellum., 


(Mm) VATTEL droit des Gens liv, T ch, 13 pas. 70. 
Cn) Zeft, Politig, Tom, I pag. Ó2 $ 18. 


5I4 -W. SCHORER OVER 


Toont een krygsman dan vooral niet; 
dat hy een man vol moeds is? toont 
zyn party dan ook niet, dat hy het 
hart wel geplaatst heeft? 

Ik antwoorde neen, wyl de ondervin- 
ding meer dan eens geleerd heeft, dat 
de zoogenaamde onverfchrokkenheid 
van die beruchte voorvechters eeniglyk 
beftond in hunne behendigheid om den 


degen te handelen ; want wat het piftool 


betreft, dit kan men niet anders aan- 
merken dan als eene alles overtreffende 
dolzinnigheid,. 

Dan laten wy eens toegeven, dat de 


| tegenwerping doorgaat, en de tweege- 


vechten een overtuigend en doorflaand 
bewys van eenen onverfchrokken hel- 
denmoed uitleveren : meer kan men im- 
mers niet vorderen ; doch even dit is de 
fterkfte reden om de tweegevechten tegen 
te gaan en te verfoeijen; want door de- 
ze dolzinnige handelwyze, wordt de 
Souverain op een en denzelven tyd be- 
roofd van twee luiden, wier dapperheid 
hem: van grooten dienst zoude hebben 
konnen zyn (o). En is het redelyk , dat 

men 


(o) Men zie hier van cen aanmerkelyk geval in 
het beruchte tweegevecht tusfchen twee Haneke 
che 


DE TWEEGEVECHTEN. 555 


men iemand voor lafhertig houde, voor 
een bloodaard uitmake, weigere met 
eenen te dienen, en voor een eerlyk 
man te houden hem die geen andere 
misdaad heeft, dan. zich aan de Godde- 
lyke, weereldlyke en natuurwetten, ge- 
lyk het een goed Christen en eerlyk bor- 
ger betaamt, onderworpen te hebben? 
Is ’er iet godloozer, dan. dat redelyke 
fchepfelen in zich verdoven en te niet 
doen de zelfsbeveiliging, de con/erwatio 
fui ipfius , die het Opperwezen, om zeer 
wyze en betamelyke redenen, zelfs den 
redeloozen dieren heeft ingefchapen, 
en den redelyken zoo duur aanbevolen? 
Is ‘er zelfs iet belachlyker? Hy, wien 
een hoon of fchimp is aangedaan, begeeft 
zich den volgenden dag in een tweege- 
vecht om zulks te herftellen: gisteren 
was hy beledigd, heden wordt hy in 
het tweegevecht gewond, door een 
fteek met den degen of fchoot uit het 
piftool ; dat heet voldoening ( fatisfactie) 
gekregen te hebben, en ’ gefchil wordt 
met een glaasje van vriendfchap tusfchen 
de twee kampvechters afgedronken. 
Schynt 
fche Edellieden Frichapel en Swekel, in het II deel 


van JONAS HANWAYys Reizen naar Perziën, 
en de aanmerkingen van dien Schryver bl, 1so—1ó1, 


556 „W‚ SCHORER OVER 


Schynt die fluitrede niet uit het zot- of 
dolhuis oorfpronkelyk, kan men zich 
iet dwaazer verbeelden? De woeste 
Hottentotten en onbefchaafde Samoje- 
den zouden ze met verontwaardiging en 
afgryzen hooren, tenor 

Maar laten wy het geval omkeeren en 
ftellen , dat de aanvaller in het tweege- 
vecht gewond worde; indien nu, vol- 
gens het aangenomen onzinnig gevoelen, 
eene bekomene wonde die kracht heeft, 
dat zy eene moedwillig aangedaane ver- 
ongelyking kan heelen „dan volgt nood- 
zaakelyk dat de gewonde door dezelve 


ten hoogften. vereerd is, Is het dan u, 


verongelykte, te doen, om hem, die u 
verongelykt heeft, eenige eer of voor- 
deel toe te brengen, begeeft gy u daar 
toe met hem in een tweegevecht? 

En wat voorzichtig man zal immer 
zich in een zaak begeven, die op zyn 
voordeeligst uitvallende, hem ten min- 
ften-eeuwig kan berouwen. - Men mag 
ser over uitroepen, 0 verderffelyke ge- 


woonte! Quid non mortalia cogis pedora! 


Men heeft ook gekroonde hoofden ge- 
vonden, die met volkomen recht het 
beeld van Mavors in hun wapen zouden 
mogen voeren, en echter deze Ger 


DE TWEEGEVECHTEN. $57 


lyke handelwyze hooglyk hebben afge- 
keurd. Want na dat Guftavus Adolphus, 
die Zweedfche held, de tweegevechten 
op ftraffe des doods hadde verboden, 
kregen twee Generaals woorden, verz 
voegden zich tot den Koning; en ver- 
zochten verlof dit hun gefchil met het 
rapier te mogen beflisfen, - Guffavus 
hoorde wel met verontwaardiging dit 
verzoek, doch liet het zich welgevallen, 
ftond het hun toe, maar zeide zelf daar- 
by tegenwoordig te willen zyn , bepa- 
lende hun de plaats en tyd, welke-geko- 
men zynde, begaf zyne Majefteit zich 
derwaart, verzeld van eene bende voet- 
knechten , die beide ftryders in hun kring 
_ moesten befluiten, Dan toen riep: hy 
den fcherprechter van het leger , en gaf 
hem dezen last : vriend, den overblyver 
van deze twee zult gy terftond-den kop 
voorde voeten leggen. Dit onthutíte 
die. kämpvechters niet weinig; zy-wier: 
pen zich aan de voeten des Konings ; 
fmeekten vergiffenis. en federt hoorde - 
men niet. meer van tweegevechiten in het 
Zweedsch leger {preken (p), Niet min 
aanmerkelyk geval is ’er- gebeurd tus- 
fchen twee gekroonde hoofden, Karel 
den 
(p).-Diétion, des Portraits Hiftoriques Tom II pag. 168, 


558 _W. SCHORER OVER 


den g Koning van Zweeden, en Christi: 
aan den 4 Koning van Denemarken, die 
het geluk had Karel te flaan, hetgene 
zyne Zweedfche Majefteit niet-wel kon 
verduwen, en hierom daagde hy-daags 
na den verloren flag zyn overwinnaar 
tot een tweegevecht uit, doch Christi= 
aan lachte met de onbezonnenheid vart 
Karel, en wees hem met een fchimpend 
_antwoord van de hand (q). Op gelyke 
wyze heeft Karel de 5 de uitdaging van 
Frangois den eerften , Koning van Vrank- 
ryk, van de hand gewezen; gelyk ook 
de braave Marius, door een heethoof- 
digen Duitfcher beroepen zynde; zeide, 
hebtge lust om te {terven , met een ftrop: 
kuntge uw eind vinden (rt). Ja onder de 
dapperfte natiën is deze moorddadige 
gewoonte onbekend geweest, want by 
de dappere en. oorlogzuchtige Romeinen 
hoorde men van geen duëllen fpreken (s); 
by de brave Macedoniers waren-die on= 
bekend (t); gelyk ook by de Zeyptenags 
ren,en in de zuidelyke befchaafde wee- 
reldgedeelten (u). En moet men niet 
taoi e. nang … —zeg- 
(Q) DE REAL la Spience du Gouvern. Tom. 5 pag. 466e 
(EL) VAN ZUREK Cod. Batav. voc: Duellen, 
(S) SLICHER des Duëls ch.1 $ 3. 


(6) DU MOULIN de la paix de ame liv, V ch. 4. 
(U) DESINANT Colleël,.de Decif. nouw, loco cits 


DE TWEEGEVECHTEN. 550 


zeggen tot-fchande van onze natie, dat 
de Moscoviten, die over maar weinige 
jaaren geheel woest. waren, in zoo een 
korten tyd dus befchaafd zyn geworden, 
dat men daar van geen duëllen meer 
hoort,» Van daag zal een Rusfisch Of 
ficier een ongelyk lyden, zich aan den 
krygsraad vervoegen, en morgen man- 
moedig den vyand onder het oog zien (v), 
en dat woedend overblyffel van dat on- 
zinnig kampvechten, waar van A LKE- 
MADE ons zoo breed heeft. gefchreven; 
kan, na zoo veele eeuwen , noch niet _ 
uit onze harfenen verbannen worden. 
+ Men zal mogelyk. vragen: zyn de 
plakaaten wel fcherp genoeg? en zeg- 
gen, men behoorde een fcherpen bytel 
op zoo een-harden kwast te zetten ; doch 
de plakaaten zyn tegen dezelve zoo 
fcherp, dat men zich by geen mogelyk- 
heid iets fterker kan inbeelden. Want 
de Staaten Generaal hebben den 10 Zea 
bruari 1663 op gelyke wyze daar tegen 
gewaakt, alstegen het crimen majeftatis , 
(om niette Ípreken van verval van-amp: 
ten enz.) en gewild, dat zonder onder. 
fcheid ván ftaat of rang hy die wist dat 
?er een uitdaging gefchied was, en den 
Rech.- 


(Vv) BIELFELD di, doc, pag. 63, 


569 'W. SCHORER OVER 


Rechter daar-geen: kennis van gaf, op 
gelyke wyze zoude geftrafd worden , alg 
de duëllisten zelven, en William de Ills 
glorieufer- gedachtenis heeft insgelyks 
daartegen gewaakt; by zyn: plakaat van 
den 31-Maart::1684 (w) ‚ en: vuitdrukke- 
lyk gewild „ dat de-verzwygers smet: den 
ood zouden:geftrafd worden ;en wilde 
iemand: alle ‘de nuttige „doch: helaas! 
nuttelooze plakaaten nagaari„dien zen- 
derik naar VAN ZURCKvOod bat. al- 
waar-hy de zwaare poenaliteiten in-’tkort 
kan: näzien,, nowijeooisev 008 80 HEA 
Dus hebben wy de zaak:;:zoo-ik-my 
verbeelde ; in haar natuurlyk -daglicht 
gefteld; doch laat ons dieeens van den 
kant van het zedelyke befchouwen „ dan 
ziet het ‘er noch ongelukkiger-uit. Daar 
vielmy onlangs een Fransch {chryver (x), 
die het van dien kant: befchouwde, in 
de hand, ik vond. zyne Redenkaveling 
zoo bondig ‚zoo krachtig „ zyne: fchil- 
dery zoo verbaazende , zoo akelig „dat 
ik geloove den Lezer geen ondienst te 
zullen” doen hem die mede ‘te’-deelen; 
hyhwraagt dan seo … weg do A00 003 
z-” Wat verontfchuldiging kan pf 
pob ogen 10 Des 


Cw Groot Placaatboek Vol. 4 bl. 62. 
(x) Les legons de la fagesfe Tom, 2 leon 15e — 


DE TWEEGEVECHTEN,: 56x 


Duëllist voorbrengen, wanneer hy zoo 
ftaat voor den hoogen rechterftoel van 
den opperften Rechter te verfchynen? 
is het mogelyk al het afgryzelyke te hoo- 
ren van die taal welke hy houden zoude, 
indien hem de dood niet van zyne dok 
zinnigheid genezen had, Heere, zoude 
hy zeggen, ik koom zoo uit een twee 
gevecht , en de uitflag van hetzelve heeft 
de beflisfing over myn eeuwig beftaan 
uitgewezen. ’tIs waar, ik had de le- 
vensdagen, die Gy U verwaardigde my 
te geven, om van dezelve een beter ge« 
bruik te maken, konnen verlengen, 
Uwe verdraagzaamheid liet my in het le- 
ven ; niettegenftaande de ontallyke be- 
ledigingen die ik U aandeed, … Myne ver« 
blindheid ging zoover niet, dat ik niet 
zoude gezien hebben, dat een man van 
eer, als ik, dikwyls in Uwe oogen niet 
anders-was, dan een groot booswicht, 
Gy fpaarde my om my den tyd te ge- 
ven U ‚door myn berouw, te bevredigen, 
Gy wilde mynen dood niet, maar ik 
konde deze gunst niet langer, dan met. 
myne oneer, genieten. Gy gaaft my 
Uwe eigene goedheid tot een richtfnoer , 
en geboodt my te vergeven den. genen 
die my beledigden, Wat zal ik hierop 
IF, DEEL. Nn zeg: 


562 JW. SCHORER OVER 


zeggen? sik vond dat gevoelen te. laag , 
het oordeel der weereld fcheen- my veel 
wyzer, en ik vond niets edeler dan de 
wraak, „Ook hong ik af van het daars 
tegen, aanloopênd. gemeen gevoelen en 
ik achtte het wysheid daar van aftehan- 
gens ik droeg een degen, ik ‘was. een 
Edelman, en zouden zulke onderfchei- 
dingen. miet eenige. voorrechten verdic= 
nen? ik ontfloeg my-des van de-gemee- 
ne’ wêt ;, myne cer vorderde U niet:te ge- 
hoorzamen. Gy-had.de gevoelens van, 
en ‚de zucht naar eer in mynen boezem 
gelegd; ik fteldesdie, in liever om te 
komen, dan een ‚zuur opflag-te. verdra- 
gen. „De hoon -dien men my aangedaan 
had‚-was in zich zelf niets; hy zou zelfs 
voor ieder ander niets geweest. zyn, 
maar ik vond vermaak in dien aantemer- 
ken alsde -grootfte verontwaardiging ten 
mynen opzichte, Oordeel zelf, of ik 
niet beter deed den dood te kiezen, bo- 
ven de fchande van te leven zonder al- 
les gewaagd te hebben, om niet als een 
eerloos „man te leven. Dus ziet Gy 
voor ‘Ween man vol moeds; ik ben wel 
als een booswicht geftorven, echter niet 
als een bloodaart, «en zoo myne wraak 
niet volkomen is, uitgevoerd, leg--daar 

| van 


DE TWEEGEVECHTEN. 563 


van de fchuld niet op my: ’t hong niet 
van my af, de ongehoorzaamheid aan 
Uwe wetten en de verachting van Uw 
voorbeeld verder uitteftrekken. Gy zyt 
rechtvaardig, en dus zult Gy my die 
kroon niet weigeren, die myne dapper 
heid verdiend heeft”, | 


Wie fchrikt niet van deze redenkave: 
ling? en is echter de fchildery , hoe 
zwart ook, niet naâr waarheid, en is 
men niet genoodzaakt, wil men zyn 
oordeel niet verkrachten, het gezegde 
van dien Schryver te onderfchryven? 
ten zy men liever het godloos gevoelen 
van eenen Mutius wilde volgen, waar 
van de Raadsheer sricHeR gewaagt 
ch. 5 $ 30, die, fchoon een Christen, 
ftaande hield, dat wie gehoor wilde ge- 
ven aan de voorfchriften van den Chris- 
telyken Godsdienst, verbannen moet 
worden uit het lichaam van hun, die 
het hun beroep rekenen, de eer en de 
orde der Ridders voor te ftaan. En 
het is te verwonderen, dat TREUTLE- 
RUS, Wol, 2. difp. 32. Th. 6. lit. 9, de 
tweegevechten heeft verdedigd , doch 
hy werd hierin wederlegd door BACHo- 
viUs âu notis, en door GOSWINUS AB 
di Nn 2 EN 


564 …—W‚. SCHORER OVER 


ESBACH ad Carpz. Jurispr. Forenfi 
Part. 4. Confl. g. n. 3. | 

Zal men zich niet moeten verwonde: 
ren, hoe dat zoo een monfter door gees 
ne. plakaaten of redenen van Godsdienst 
heeft konnen uitgeroeid worden? Wat 
mag toch de reden zyn, dat dit zulke 
onwrikbaare wortelen (en dat by luiden 
van jaaren en verftand) heeft konnen 
fchieten? Men kan daar twee hoofdre- 
denen van geven: de eerffe is de onvoor- 
zichtige opvoeding van de ouders om- 
trent hunne kinderen: men weet, dat in 
de tedere jaaren de vooroordeelen aller- 
gevaarlykst Zyn, om dat men zich van 
dezelve niet mistrouwt; men heeft die 
ontfangen op zoo een tyd, wanneer al- 
les indruk op onze ziel maakt, en voor- 
al indien men die ontfangt uit den mond 
van zulken, wien de zorg over onze 
opvoeding is aanbevolen: nu hooren de 
kinderen nimmer van een duël fpreken, 
of hooren dezelve hooglyk pryzen; het 
is, dat is een braaf kerel, hy heeft het 
hart wel geplaatst, ik verzeker u, hy 
durft zyn man onder de oogen zien, en 
men moet van zyn kant afblyven: en 
die zoogenaamde glorie kan men naauw- 
lyks naderhand uit het hart wien” 


DE TWEEGEVECHTEN. 565 


Ik hoorde eens een vader aan zyn zoons 
die gereed ftond naar de Academie te 
vertrekken, deze Christelyke les geven: 
Jongen! ‚gy moet niemand beledigen, 
geen rufie zoeken, maar gy moet ook 
vooral u kaas en brood niet laten nemen. 
Is dat niet gezegd, wanneer men u op 
de teen trapt, moet gy het rapier in de 
hand nemen en uw party op het lyf ko- 
men? Ik wilde zoo een vader wel eens 
vragen: indien zoo een jongman het on- 
geluk had, of een ander neêr te leggen, 
of zelf dat lot te ondergaan, hoe zoo 
een vader het met zyne confcientie zoude 
maken ? 

Een andere reden van het niet uit- 
roeien is, dat die fcherpe plakaaten in 
de daad {tomme honden zyn, die wel 
geketend en gemuilband, naauwlyks 
konnen baffen, klinkende metaalen en 
luidende fchellen , dewyl dezelve naauw- 
lyks uitgevoerd worden, Want zelden 
wordt ’er navraag op zoo eene misdaad 
van eer gedaan, en is het al te klaar- 
blykelyk, men zoude wel verzoeken en 
veelligt verkrygen brieven van remisfie 
of landwinning , en, heeft men wat in- 
vloed, ook wel brieven van adolitie; 
daarby komt, dat wy die heilzaame bul- 

Nn 3 bak- 


566 _W. SCHORER OVER 


bakken geheel vruchteloos maken , door 
de achting welke wy den overtrederen 
van dezelve toedragen. Dit was ook de 
oorzaak, dat de beruchte Montmorency, 
Graaf van Bouteville, geen zwarigheid 
maakte, de ryzende zon over deze eu- 
veldaad als getuige aan te roepen (y)» 
doch die Edelman, of dolle Ridder , heeft 
echter zyn hoofd op het fchavot moe- 
ten verliezen, benevens zyn medemak- 
ker den Graave van Chapelles. Waar- 
lyk ! de makers van die fcherpe plakaa- 
ten hinken ook aan dien kant. BIEL- 
FELD (2) heeft ’er zich te recht dus 
over uitgelaten. ”Fen krygsman die de 
bevelen van zyn Vorst heeft willen op- 
volgen en een tweegevecht geweigerd 
heeft, kan niet meer dienen, men geeft 
hem zyn affcheid , en zoo hy geduëlleerd 
heeft, veroordeelt men hem ter dood. 
Wonderlyke tegenftrydigheid en zeer 
gevaarlyk in den burgerftaat, Hoe! de 
Wetgever maakt de wet en zegt ftil- 
zwygende, dat hy niet wil gehoorzaamd 
zyn”, Waarom ook vATTEL van oor- 


Fre 


(Y) AITSEMA Zaaken van Staat en Oorlog 
II deel bl. 40 


(2) Ief. Politig. pag. O2 $ 18. 


DE TWEEGEVECHTEN. 567 


Officier, die dikwyls geen ander beftaan 
heeft ‚met den dood zoude konnen ftraf 
fen, en hy zegt te recht, vragenderwy- 
ze, dat hy niet weet waarom men zoo 
eenesftandhoudende harfenfchim niet op 
gelyke wyze tegen een twistzoeker zou- 
de mogen verdedigen als zyn leven en 
goed! «Wel is dit zoo, my dunkt dan 
hoor ik den onlangs ter neêrgeflagenen 
uitroepen : Gy,aan wier zorg de uitvoe- 
ring ‘der wetten is aanbevolen, ‘zyt de 
werkende oorzaak van ditmyn ongeluk; 
de onverantwoordelyke verantwoording 
ligt voor ulieder rekening. Wat wilde 
ik gedaan hebben? had ik het duë/ niet 
aangenomen, zoud gy, wier onvermy- 
delyke plicht, eed en ampt het zoude 
geweest zyn myn eer te beveiligen, ten 
minften gehengd en gedoogd hebben, 
dat ik als een eerlooze den dienst had 
moeten verlaten, wat was ’er dan voor 
__my Overig als myn eigen rechter te zyn ! 
Ja my dunkt, ik hoor het noch rookend 
„en wraakroepend bloed van dien onge- 
lukkigen in vertwyffeling . . . « „ doch 
myn pen wordt weerhouden, ík durve 
die akelige gordyn niet verder opfchui- 
ven. En moet men zich niet verwon= 
deren, als men ziet wat voor eene on= 


Nn4. BE: 


568 _W‚. SCHORER OVER 


gelukkige tegenftrydigheid van redenka: 
veling men hier kan dulden, (om de 
menfchen niet met LA METRIE (a) tot 
enkele machines te maken); in deze Re- 
publicg , wie zou het gelooven! wordt ie- 
mand,die wegenseen verregaanden hoon, 
hem buiten reden aangedaan, in een 
woedenden toorn vervallen, een ander 
ter neder legt met de gewoone dooaflraf 
geftrafd. Ja ik ga verder, is het wel te 
begrypen dat in een Land, waar van 
DU MOULIN(b) zegt, dat men zich over 
en weêr van kant helpt, niet zoo zeer uit 
baat-als wel uit welvoeglykheid, dat in dat 
zelfde land de paalen van het modera- 
men inculpataetutelae, of zelfsverdediging, 
zoo eng zyn beperkt, dat die {chier door 
niemand konnen gehouden worden, en 
de minfte afwyking doorgaans op een 
fchavot geboet wordt. Dit gaat tot on- 
ze {chande zoo verre, dat een geleerd 
‘Fransch fchryver (c) maar over weinige 
jaaren zich hier over met reden dus heeft 
uitgelaten: De flrengbeid, waarmede 
menin de Republicg der vereenigde Ne- 
derlanden zulken-behandelt die; eenen an- 
Beatteag Bi nelonge gede ds. 
__C@) Pomme Machine, 
= (b) De la Paix de Pame liv. 5 ch. 4. 

€C) DE REAL la fgienée du Gouvern, Tom. 4. p. 400. 


DE TWEEGEVECHTEN. 569 


deren, fchoon uit eigen lyfs noodweer , beeft 
ter neêr gelegd, is een par wan vera 
wondering voor andere volken, God fpreekt 
zoo eenen vry, en het Gemeenebest ver- 
oordeelt hem ter dood , terwyl het hem be- 
klaagt. Zy offert aan het gemeene wel- 
zyn een mensch op, die-ongelukkig is, 
zonder“ fchuldig te- wezen. En ik zie 
„waarlyk geen de minfte reden, waarom 
ik niet gerust dit gevoelen zoude durven 
onderfchryven ; ik twyftele toch zeer , of 
niet wel dezen en genen op een eerloos 
fchavot hun leven verloren hebben, die 
nimmer in de Goddelyke vierfchaar aan 
manflag fchuldig ftonden, en het onge- 
lukkig flachtoffer der onkunde geweeest 
zyn, alleen door misverftand hunner 
rechteren , die zich meenden van hun- 
nen plicht te kwyten. 

Kan men van de menfchelyke zwak- 
heid zoo veel koelheid van geest vergen, 
dat iemand alle omftandigheden wikke 
en wege, en wel in zoo een tydftip dat 
hy zich op het onverwachtst in het groot- 
fte levensgevaar bevindt ? ja, moet by een 
aangevallenen de fchrik. niet oneindig 
vermeerderen, en zyne denkenskracht 
niet oneindig verminderen en gefchud 
worden, wanneer hy overdenkt de naau- 

Nn 5 we 


hal 


570 W. SCHORER OVER 


ween waarlykal te enge paalen der zelfs- 
verdediging , en het uiterfte gevaar ‘tgene 
hy loopt, om door beulshanden als een? 
eerloozen te moeten fterven, by over- 
fchryding van dezelve? Ik weet wel, 
dat, om van anderen niet te gewagen, 
de groote PUFFENDORF (d), die deze 
ftof uit de beginfelen van het nátuurlyk 
recht zoo heerlyk beredeneerd heeft, 
op de vlucht heeft aangedrongen, maar 
dan wanneer die veilig en gemaklyk ge- 
fchieden kan, en getoond, dat die in 
dat geval aan een krygsman zelfs tot 
geen de minfte oneer kan verftrekken ; 
hy merkt echter te recht aan, dat het 
vluchten dikwyls niet raadzaam, ja zeer 
gevaarlyk is, wyl men zyn’ vyand den 
rug eens toegekeerd hebbende, aan hem 
een onherftelbaar voordeel geeft, alzoo 
men buiten de mogelykheid is zich weder-. 
om in een ftaat van tegenweer te ftellen, 
Ja gefteld, dat men al vlugger ter been 
dan zyn aanvaller zy, * kan echter zyn, 
dat men door onvoorziene toevallen in 
het vluchten verhinderd worde, ftrui- 
kelenen vallen kan, en dan is men zeker 
het flachtoffer van een brutaalen agres- 
Jeur. Weshalven het my, onder verbe- 

ee | vel 


(d) De jure Nat, & Gent, hb. 2. cap. 5 $ I3. 


DE TWEEGEVECHTEN. 57E 


tering, voorkomt, dat zoo ergens de wet 
van. Ulpianus (e) toepasfelyk zy, het 
zeker in dit geval zy, en dat ik met alle 
gerustheid zyn zeggen het myne mag 
maken : fatius enim esfe inpunitum relin= 
gui facinus nocentis ‚quam innocentem dam- 
nare; en laat ik de rechters ín dat geval 
toch mogen indachtig maken en op hun 
toepasfen den hertelyken wensch, en 
tevens bondige les van den fchranderen 
DE GROOT (f) aan de Opperfte Mach- 
ten; dat zy toch herdenken, zegt hy, 
dat zy geroepen zyn, ad judicandos ho- 
mines, Deo carisfimum animal, 

Laat ons dan wederom ter zaak kee- 
ren, en zien hoe best de fchandelyke 
gewoonte der duëllen tegen te gaan, De 
Rechtsgeleerden hebben met ernst daar 
over gedacht, en verfcheiden middelen 
naar hunne verfcheiden begrippen aan 
de hand gegeven, Sommigen zyn van 
oordeel, dat men een groot onderfcheid 
behoort te maken, en waarlyk naar re- 
den, tusfchen den belediger en den bele- 
digden; dat men aan dezen behoort te ver- 
geven, genen ftrengelyk te ftraffen: zy 
zyn ook van begrip , dat men de duëllis- 

Í | | sen 
_(@e) Leg. 5 ff. de poenis (lib, 48 tit. 9.) 
(É) De zure belli & pac, lib, 3 cap. 25 S 8. 


572 'W. SCHORER OVER 


ten niet met den dood behoorde te ftraf- 
fen, maar met eene ftraffe, die eenige 
groote fchandvlek medebracht; en dit 
laat zich wel hooren, maar de reeds aan- 
gehaalde plakaaten brengen dat in den 
volftrektften zin mede: want, by pla- 
kaat van den 5 Februari 1663, hebben 
de Staaten van Holland uitdrukkelyk ge- 
wild, dat de gefneuvelde zonder eenige 
lykftatie zoude begraven worden, op 
boete van roo Caroli guldens, en het g. 
art, van het plakaat van Koning William 
gaat noch een pas verder, hetgene uit- 
drukkelyk heeft vastgefteld , dat de lyken 
voor eenigen tyd naar willekeur van den 
Rechter openlyk aan de galg zouden ten 
toon gehangen worden, Het middel van 
HOBBESIUS (g) zoude my echter wel 
het meest bevallen, dat is, dat alle edel- 
lieden en luiden van den degen by hun- 
ne aanftlelling, zouden moeten zweren, 
dat zy zelven niemand zouden uitdagen, 
en gedaagd zynde nooit zullen gaan, en 
dezen eed wilde ik den Officieren tel- 
kens by het veranderen van bezetting 
openlyk laten voorlezen en hen het 
plechtig bezworene te onderhouden, by 
die gelegenheid, op hun woord van En 

d- 

(&) Leviathan Cap. IO pag. 47. 


DE TWEEGEVECHTEN. 573 


laten beloven: indien dit gefchiedde, zoo 
zoude, geloof ik, de vreesvan meyneed 
krachtig op het gemoed van veelen, zoo 
niet van allen, veel vermogen; ten min- 
ften daar waseen allerbillykst voorwend- 
fel om ‘zoo eene uitdaging van de hand 

te wyzen. 
Eindelyk komt het my voor, dat de 
Souverain vooral behoorde te zorgen: 
T. Dat een beledigde niet grootelyks ge- 
goed zynde, tegen een meer vermogen- 
den in rechten konde verfchynen , daar 
het in tegendeel in onze loffelyke pleit- 
banken gedoogd wordt, dat onze Hee- 
ren pleitbezorgers (nam pragmaticorum 
werfuta natio, ZEZt BYNKERSHOEK ) dub- 
belen loon in een atie van injurie, zoo 
als deze, vermogen in rekening te bren- 
gen; en ik twyffele zeer , of de makers 
van de lysten van /alaris, in dezen, wel 
als groote rechtsgeleerden gehandeld 
hebben, daar de rechten ons leeren, dat 
men het leven en goeden naam in een 
gelyke weegfchaal moet leggen, A 9 fr 
manum vind. (lib, 49, tit. 2). Dus ik voor 
my zoude oordeelen, wel zoo wel met 
een gezonde rechtsgeleerdheid te conve- 
niëren, in het cas fubjett, het falaris te 
halleveren als te verdubbelen. z, Dat En 
Ca 


BI 'W. SCHORER OVER 


beledigde fpoedige uitwyzing van techt 
konde verwachten, en niet met verfchei- 
den beroepingen konde afgemat worden, 
Zeer nadrukkelyk laat zich hier over 
uit een zeer vermaard Schryver (h), in 
dezer voegen : ”Ik ben beledigd, en 
mogelyk had ik my al gewroken, had 
gy my niet door uwe wetten de handen 
gebonden ; ik beklaag my des niet, zelfs 
heb ik in dezelve ingeftemd, maar op 
voorwaarde, dat gy myne plaats zoud 
vervangen, en dat gy al uw macht ter 
myne verdediging zoud aanleggen. Ik 
heb myne verbintenis niet verbroken, 
en {til gezeten; % is thans uw plicht de 
uwete vervullen, en in myne plaats voor 
my. werkzaam te zyn. Ïeder oogenblik 
tydverzuim is eene verbreking van uwen 
eed , en ’t zou verfchrikkelyk zyn, my 
de krachten benomen te hebben, die de 
ftaat der natuur my gaf, om my zonder 
verdediging over te geven aan de ramp- 
fpoeden van den ftaatder Maatfchappy”. _ 
En Haar Ed, Groot Mog, de Heeren 
Staaten van Holland hebben, by plakaat 
vanden 22 Maart 1657 (1), uitdrukkelyk 
ge 
(h) BURLAMACQUI Prizcipes du droit de la Nat. 

et des Gens Tom. VI pag. 414. Yverdon 1708. 

{i) Groot Placaatboek Vol. 2 bl. 459. 


DE TWEEGEVECHTEN, 575 


gewild, dat de gehoonde daadelyk zou: 
de gehouden wezen den Rechter kennis 
te geven, om daarop aanftonds en zon. 
der form van rechtsgeding voorzien te 
worden , en dit heeft ook Willem de III, 
by zyn plakaat van den 31 Maart 1684 
(k) ark, 2, tot een krygswet gemaakt , en 
uitdrukkelykgewild, de-zaaken fommier- 
lyk te termineren binnen den tyd van 3 
of 4 weken, en uiterlyk binnen zes, op 
poene, dat de rechters drie maanden ea. 
gie van hunne bediening, ten profyte 
vand en armen , zouden verliezen, Doch 
ik geloof, dat indien GROENEWEGEN 
noch leefde, hy die plakaaten al mede 
onder. de leges abrogatae zoude rekenen; 
zoo als ook BUGNYON (1), die een groot 
Joliant gefchreven heeft over de afge- 
fchafte wetten in Vrankryk, dat met res 
den zoude doen omtrent de reeds aan- 
gehaalde heilzaame voorziening van Lo- 

dewyk den 14, 
it het tot hiertoe beredeneerde ge. 
loof ik, dat het eerfte en beste middel, 
om de duëllen voor te komen, is, dat 
de wetgevende aan de uitvoerende macht 
ernftig toont, dat de uitvoering der wet- 
ten 


(k) Groot Placaatboek Vol, 4 bl, 162, 
el) Des loix abrogees. 


576 W. SCHORER OVER 


ten ‘haar waarlyk in allen ernst ter harte 
gaat, gelyk bleek uit de handeling van 
Guflavus Adolphus, die daar door, zoo 
als wy zagen, zelf in % leger de tweege- 
vechten voorkwam; en ik twyffele zeer; 
of een. Souverain, die maar plakaaten 
maakt, en, zoo als BIELFELD zegt; 
ftilzwygende te kennen geeft, dat hy die 
niet wil uitgevoerd hebben, zich zelf 
van wreedheid kan verfchoonen, 


„Kan dit myn vertoog eenig nut doen; 
en mogt hier door dat monftrum hborren- 
dum deforme ingens , zoo niet uitgeroeid; 
ten minften beteugeld worden, dan zal 
deze moeite rykelyk beloond zyn. 


PN een 


5} 


de 
6 Zn SS 
Ed 


PZ 


NZ 
ZIN 
fs 
(©) 
u 
©) 


be 
EE INSSS 
NS 


ne AE 


Bladz. 377 


VERHANDELING 


orka, ben 
FRANSCHEN SCHRIJFSTIJL; 
ese ad 
STILUS CURIAE 
6’ 


STIJLE VAN DEN HOVE; 


DD oo o R 


_ ADRIANUS ’SGRAVEZANDE. 
Ek Ek kk 


6.1. TNewijl het oogwit van het 

D Zeeuwsch Genootfchap on- 
der anderen is, de Befchaaving der Va- 
derlandfche Letterkunde, en de Ophelde- 
ring der Gefchiedenisfen van Land en 
Kerk; zoo ftrekte ook daar toe de 
Vraage, die ter beändwoording voor 
ZV. DEEL. Oo | en 


578 A. ’SGRAVEZANDE OVER DEN 


den 1 Januarij 1775 was uitgefchree- 
ven. (a). | 

6.2. Tot die Opheldering zoude ook 
konnen dienen, het duidelijk openleg- 
gen van den SCHRIJFSTIJL, welke in 
voorige tijden in ons Vaderland, in de 
Jaartellinge is gebruikt; om dus de 
Tijdreekening, die één der oogen is van 
de Gefchiedkundt , zekerder te maaken, 

6.3. Het is bekend, dat in MNeder- 
land, zoo wel als elders, voor de Ze- 
ventiende Eeuw, een aanmerkelijk on- 
DERSCHEID van SCHRIJFSTIJL, in 
*t gebruiken der Gemeene Christelijke 
„Jaartellinge heeft plaats gehad. 

9. 4e Doch men moet door deezen 
SCHRIJFSTIJL niet (b) denken aan de 
Gemeene Christelijke Faartellinge (Ara 
Christiana) ZEL VE; welke in de Bee 

5 


(a) vRAAGE. Het Genootfchap heeft ter be- 
ändwoording voor den t Januarij 1775 gevraagd: 
Welke gedeelten van de Nederlandfche Hiftorie , bijzonder 
van Zeeland, zijn tot nu toe niet naauwkeurig genoeg be= 
handeld? en wat welke bronnen zouden dezelve in beter licht 
komen gefteld worden, ter aanvulling en voltooijing der 
Vaderlandfthe Gefchiedenisfers ? 

(b) NiET. Vooraf wordt dit bepaald bij ontken= 
ning, OM te verhoeden , dat men den Schriyfjtijl, die 
hier bedoeld wordt, niet vermenge met de Jaartel- 
linge zelve; zoo als door %. Bezt, in zijnen eerften 
brief aan den Heere ** is gefchied , op bl, 17—20. 


FRANSCHEN SCHRIJFSTIjL 590 


fe van andere tellingen (c) is gevolgd. 
Want daar men te vooren doorgaans 
reekende van de Bouwinge der Stad Roo- 
men ; of naar de Regeering der Room/che 
Burgemeesteren; of naar de Jndittien: 
terwijl fommigen telden van het Zijden 
van Christus , of van den tijd van Keizer 
Diöcletiaan, (dat is, van den tijd der 
Martelaaren onder zijne Regeeringe) 
daar is, in derzelver plaatfe, in de zesde 
Eeuw, de Gemeene Christelijke Jaartels 
ling gevolgd; die aanvangt met het jaaf 
wan ’s Heilands Geboorte, en aan Diony- 
fius (om zijne kleinheid) Exiguus, de 
Kleine bijgenaamd , zijnde geweest Abt 
te Roomen, wordt geëigend: waar om- 
‘trent is aangeweezen, dat dezelve niet 
haauwkeurig is, en eenige jaaren misree- 
kening (d) heeft, In ’t gebruiken van 
welke Gemeene Christelijke Faartellinge, 

Oo 2 het 


‚_{(C) ANDERE TELLINGEN. ZEgid. Strautbü 
Breviar. Chronolog. in 8. Lipf. 1708. p. 786, 7874 
S34— H. Wiarda, van de eerfte Uitvindingen en 
Uitvinders van kohtten en wetenfchappen: L 170, 
17E. Am{t. 1733. 8 

(d) MISREEKENING. De vroegere Tijdree= 
kenaars ; begrooten dit doorgaans op 2 jaaren ; doch 
de laatere wel op 5 of 6 jaaren ; zie onder anderen 
A. Kluit in Vindiciis Articul &c, T. If. P. II, p. sot — 
ST In Explicatione LXX. hebdom, Daniëlis, Pp. 155—1Ó3e 


580 A, ’SGRAVEZANDE OVER DEN 


het hier bedoelde Onderfcheid in Schrijf- 
Jlijl wordt aangetroffen, 

6. 5. Door welk Onder fcheid van Schrijf- 
flijl, ook niet gezien wordt op het ver- 
fcheiden gebruik van den zoogenaamden 
Ouden en Nieuwen, of Gregoriäanfchen 
Stijl; als het welke eerst in % Jaatfle ge- 
deelte der XVI Eeuwe is bekend gewor- 
den; wanneer Paus Gregorius de XIII. 
den Almanak (die naar den ouden Ju/i- 
äanfchen Stijl was gefchikt) deed verbee- 
teren, en tot dat einde in ‘tjaar 1582, 
tien dagen uit de maand Otober weg- 
nam , welke maand derhalven in dat jaar - 
flegts 21 dagen behield. 

9. 6, Want het ONDERSCHEID VAN 
SCHRIJFSTIJL, ’t geen het onderwerp is 
deezer Verhandelinge, had a/ vroeger 
plaats; en is zelfs reeds, woor de bekend- 
wording van den Gregoriäanfchen of 
Nieuwen Stijl alomme afgefchaft. Het 
beftond in de wverfcheidenheid van den 
tijd, of bepaalden dag, op welken ELK | 
JAAR BEGON EN EINDIGDE; waar in 
de Gemeene Stijl (die nu wordt gevolgd) ; 
aanmerkelijk was onderfcheiden van meêr | 
dan eenen Bijzonderen Schrijfftijl, en dus 
ook, onder anderen, van den FRAN- 
SCHEN of HOFSTIJLe R 

9. 7. De 


FRANSCHEN SCHRIJFSTIJLe. SSI 


6. 7. De GEMEENE Schrijfflijl, in 
* beginnen en eindigen der jaaren, was 
de ROOMSCHE Stijl, gefchikt naar de 
Juliäanfche jaaren, welke aanvang naa- 
men met den EERSTEN van Januarius, 
of Louwmaand. | 

9.8. Somtijds werd deeze Stijl wel 
door de Christenen gevolgd , om den aan- 
vang des jaars van den eerften Januarij 
te reekenen, om dat men dan gedach- 
tig was aan de Befnijdenis van Christus; 
doch boven dien gebruikten de Christenen 
noch andere Schrijfftijlen , of Faar-begin- 
Jels, ter gedachtenis van aanmerkelijke 
gebeurtenisfen, die tot den Verlosfer be- 
trekking hadden. « Dus begon men het 
jaar van den 25 Maart, als den dag van 
Maria Boodfchap , datis, van ’s Heilands 
Ontfangenisfe ; of van den 25 December, 
datis Kers- of Christdag ‚dien men hield 
voor den dag van zijne Geboorte, Ook 
begon men het jaar wel van den Goeden 
Vrijdag, als den dag van Jezus Lijden ; 
doch inzonderheid van den PAASCHDAG, 
als zijnde den dag van ’s Heeren Opftan- 
dinge uit den doode. 


6. 9. Deeze laatstgenoemde Schrijfftijl 
(naar welken de jaaren wel eens Paasch- 
| Jo 3 jaar 


582 A, ’SCRAVEZANDE OVER DEN 


jaaren (e) genoemd worden) als onder- 
‚Scheiden van den Gemeenen ftijl, wordt 
hier bedoeld, Geenfins als eene nieuwe 
uitvinding , of de ontdekking eener onbe- 
kende zaak; Maar als eene oude omftan- 
digheid, die als zeer bekend, door de 
Geletterden wordt in acht genomen, en 
waar over zedert eenige jaaren herwaarts 
verfcheide aanmerkingen zijn gemaakt; 
inzonderheid door hen, die zich met de 
fchriften der Middeneeuwen, en met one 
ze oude Vaderlandfche Gefchiedenisfen , 
hebben bezig gehouden; doch te gelijk 
eene omftandigheid , die hoe bekend ook , 
niet alfoos behoorlijk is opgemerkt; im- 
mers niet in haare juiste gefteldheid, Waar 
uit niet zelden misftellingen en werwar- 
Tingen in de tfaamenvoeginge van oude 
befcheiden, en in de rechte tijdsbepaalin- 

ge van gebeurtenisfen zijn veroorzaakt, 
9. zo, Derhalven zal ’t niet ongepast 
zijn over dezen Schrijfftijl eenige or- 
HELDERENDE AANMERKINGEN voor 
te ftellen; en voorts de NUTTIGHEID 
daar van aan te wijzen, en met eenige 

voorbeelden te ftaaven, 

6. 1r. Wat 


(€) PAASCHJAAREN. Balth. Huydecoper, in de 
Rijmkronijk van Melis Stoke, met Hiltor. Oudh, en 
Taalk. Aanmerk. [. D.-bl, 297— 


FRANSCHEN SCHRIJFSTIJL,- 583 


G. 11. Wat de OPHELDERENDE 
AANMERKINGEN aangaat: 


6.12. Allereerst is ’tnodig op te mer- 


ken, dat volgensdeezen Schrijfflijl, het 
jaar begon met PAASCHEN; waarom 
men wel den naam van Paaschjaaren gee 
bruikt. Dat is, de eerfle Paaschdag was 
de Eerfte dag van * jaar , of de Nieuwer 
jaarsdag ; en delaatíte dag van dit jaar, 
dat is van ’t oude jaar , was de dag voor 

Paafchen, in het volgende jaar. 
6, 13. Nu weet elk, dat het Paasch- 
Jeest is een veranderlijk Jaarfeest, tgeen 
niet weerkeert op denzelfden tijd, en dag 
in elk jaar ; maar het geene (volgens het 
befluit van ’t Concilie van Niceën , ten tij- 
de van Keizer Conftantinus den Grooten, 
in ’ jaar 325 gehouden) wel jaarlijks in 
alle kerken der Christenen te gelijk, op 
den zelfden tijd, en bepaaldelijk op ee- 
nen en denzelfden ZONDAG moest worden 
gevierd : maar die Paaschzondag, werwise 
Jeldevelken jaare, aangezien het (volgens 
de Paaschreekening) was de Zerfle Zonr 
dag , welke volgde op de volle maan, ng 
de Lente-Snee (of ’t AquinoCtium van 
Maart) waar door de loopbaan der ver- 
wisfelinge van den Paaschdag, bevat 
een tijdbeftek van xxx1v dagen; als 
Oo4 kon 


584 A. ’SGRAVEZANDE OVER DEN 


konnende de wroegfle Paaschdag voor- 
vallen den 23 Maart, en de laatfte den 
25 April, tusfchen welke twee tijdpun- 
ten juist XXXIV dagen verloopen. 

6 14. Uit die gefteldheid der Paasch- 
jaaren, volgt: dat niet alleen de Maan- 
den Fanuarijen Februarij, maar ook een 
gedeelte van Maart, en fomtijds van 
April, uitmaakten, het laatfte gedeelte 
van het oude jaar, of na-jaar ; daar de- 
zelve anders in de reekeninge der Juli 
üanfche jaaren, welke met den eerften 
Januarij aanvingen, het eerfte gedeelte 
van het nieuwe jaar bevatteden, en dus 
het voorjaar uitmaakten. 

4. 15. Boven dien vloejde uit de wer- 
wisfelbaarheid van den tijd, waar op het 
Paaschfeest inviel, (6. 13.) eene #wee- 
derleì zeer onvoegzaame ongereegeldheid; 
waar van de eerfte was, dat nooit twee 
jaaren, (die onmiddelijk op elkanderen 
volgden) eeven lang waaren: maar dat 
altoos het eene jaar veel langer of kor- 
ter was, dan het andere; *t geen zelfs 
een verfchil van xxx1iv dagen konde 
uitmaaken. Zoo dat het eene jaar meér 
bevatte dan twaalf volle maanden, en 
het andere jaar minder dan twaalf maan- 


den, 
6. 16. De 


FRANSCHEN SCHRIJFSTIJL, 585 


6. 16, De tweede ongereegeldheid, 
die daar mede verbonden ging, was, 
dat in het eene jaar, verfcheide dagen 
in ’t laatflevan Maart , of in ’t eerfle van 
April, in ’t GEHEEL moesten ONT- 
BREEKEN: doch dat die zelfde dagen 
in tegendeel , in een ander voorgaand of 
volgend jaar DUBBELD kwaamen,. Bij 
voorbeeld: Indien in ’t eene jaar de eer- 
fte Paaschdag viel op den 22 Maart, en 
in’t volgende jaar op den 11 April, dan 
kwaamen de xx tusfchendagen van 23 
Maart tot 1o April, tweemaalen voor 
in een en ’t zelfde jaar ; te weeten eens 
in deszelfs begin, en eens in het einde, 

6.17. Hier uit fproot de noodza 
kelijkheid, om altoos bedacht te wee- 
zen op den tijd, wanneer ín elk reeds 
verloopen jaar, de Paaschdag was inge- 
vallen, zoo dikwils men voorleedene 
gebeurtenisfen, die tot de wier eerfte 
maanden van eenig jaar behoorden , had 
te beöordeelen, 

6.18. Tot dat einde had men door- 
gaans PAASCHTAFELS (f) in Alma- 
nakken geplaatst , of afzonderlijk gefteld, 


bij de hand, 
Oo 5 6. 19. Ook 


(Ff) PAASCHTAFELS;s Job, van de Water Voort. 
voor ’t Utr, Plakaatboek, 


5836 A, ’SGRAVEZANDE OVER DEN 


6.19. Ook waaren de Gefchied- of 
Chronijkfchrijvers veelfins gewoon, de 
Paaschtijden in hunne verhaalen te tee- 
kenen, met dat bepaalde uitzigt, om de 
kennis der Jaarreekeninge gemakkelijker 
te maaken, Men zoude wel konnen te- 
genwerpen, dat het over ’t geheel de 
gewoonte pleeg te zijn in deeze landen, 
voor den tijd der Kerkhervorminge, 
niet alleen van de Paaschtijden, maar 
ook van andere dagen en tijden gewag te 
maaken; om dat men de dagen der 
maand, niet zoo zeer bij ’ getal benoem- 
de, als wel naar de Feestdagen (g), en 
zoogenaamde Heilige dagen, welke toen 
gevierd wierden; ’t geen ook zelfs ten 
opzigt der weeken plaats hadde. En dat 
men ’t noemen van den Paaschdag en 
Paaschrwveek , ook welligt uit die gewoon- 
te zoude konnen afleiden: Doch het is 
zeker , dat behalven die gewoonte, het 

noe- 


(E) FEESTDAGEN, ez zoogenaamde Heilige dagen, 
Zoo hoemde men: daags voor St. Fan; daags va St, 
Michiel; de week voor, van, Of na St. Fan; Zoo ook 
de week van Pinxteren enz. In de Stads Reekeningen 
van Middelburg, tot zelfs noch in 1574, wordt de 
verandwoording der Arbeidsloonen, aan de Stads Met- 
felaars en Timmerlieden, bij weeken , naar de Room- 
fche Heilige en Feestdagen gefteld; tgeen ook in 
de uittrekfels bij Scriverius, Befchrijving der Graa- 
ven van Holland bl, 382 en elders voorkoomt. 


FRANSCHEN SCHRIJFSTIJE. 587 


noemen van den Paasehdag, nach boven 
dien opzettelijk gefchiedde, om ’t Begin- 
ftip van het jaar kenbaar te maaken. 

G. 20. Deeze Schrijf ftijl., der Paasch- 
jaaren, of Paasch-flijl, draagt fomtijds 
den naam van Franfchen ftijl; aok heet 
dezelve wel Vlaamfche ftijl; doch door- 
gaans wordt die genoemd Hofftijl, Stilus 
Curie, de Stijl van ’t Hof van Holland, 
of alleen de Stij/ wan Holland, 

6 21, Want dezelve fchijnt van Fran- 
Jchen (h) oorfprong , of fchoon men ook 
bij hen, behalven den Paasch-flijl, an- 
dere Stijlen van fchrijven van ouds ge- 
bruikte, te weten den Stijl van den 25 
Maart, en van den 25 December. In 
Savoijen en Zwitferland had dezelve 
Paasch of Hofflijl ook plaats; zoo ook 
int Luikfche en Keulfche, en welligt el. 
ders: Doch inzonderheid in fommige 
Nederlanden, als Molland en Zeeland; 
ook mede Braband en Vlaanderen, uit- 
gezonderd in de vier Vlaamfche Am- 
bachten(i) van Hulst, Axel , Asfenede Éa 

qr 

(h) FRANSCHEN OORSPRONG. Poh. van de 
Water , Voorr. voor ’t Utr. Plakaatb. I, D. en Balth. 
Huydecoper, Aanm. op Melis Stoke, I, D. bl, 308. 


naar Mabillon en anderen. 
(Ì) VIER VLAAMSCHE AMBACHTEN, Volgens 
W. 


588 A. SGRAVEZANDE OVER DEN 


Bochaute ; welke als Leenroerig zijnde 
van den Bisfchop van Utrecht, den ftijl 
van Utrecht moesten volgen. 
6.22, Hoe oud het gebruik van deezen 
Paasch-flijl zij, is mij niet gebleeken; 
„zeker is ’t geweest een geruimen tijd voor 

de XIV. Eeuw, ger re ftraks (6. 37.) 
alreeds een bewijs der affchaffinge, in 
het eerfte jaar dier Eeuwe zal worden 
gemeld, _ 

9. 23. Doch fommigen (k) hebben den 


Ou- 


W. te Water, over de Leenroerigheid der vier Am- 
bachten, bl. 17, 18. gefteld voor het III, D. van 
Mr. Kasp. Burmans Utrecht{che Jaarboeken, volgde 
men aldaar den Stijl van Utrecht, die ’c jaar begon 
van den 25 December, zoo als J. van de Water 
Voorr. voor ’t Utr. Plakaatb, aanteekent, 

(Kk) SOMMIGEN. Ger. van Loon, klimt op, vol- 
gens B. Huydecoper bij M. Stoke, I. D. bl. 307, tot 
het jaar 870. en {zoo als mij bericht is) Eccardus 
Rer. Franc. T. IL. p. 565, 566. uit Vredius in Sigill. 
Com. Flandr. reekent noch vroeger, want hij 
fchrijft: dat de Franfchen , tot het jaar 757, het 
Burgerlijke jaar van den eerffen Maart begonnen, 
doch dat wanneer Koning Pipinus, de Rijksdagen, 
die op den eerften Maart pleegen gehouden te 
worden, had verlegd, op den eerften Meij, het 
jaar zelf, toen ookeen NIEUW BEGINPUNT Ont- 
fing, en wel van het Paaschfeest; ’tgeen tot den 
tijd van Karel dez IX is gevolgd. Mabillor de Re 
Diplom. L IL C. 23. $. 4. p. 172. getuigt ook: dat 
de oude Franfchen onder de Koningen van den 
Merovingifchen fam, van de maand Maart het dar 

Ce 


FRANSCHEN SCHRIJFSTIJLe 589 


ouderdom van dit gebruik al gebragt tot 
het jaar 870, En anderen noch vroe- 
ger, reeds tot het jaar 757. Willende, 
dat toen de Franfche Koning Pipinus 
de Algemeene Staatsvergaderingen des 
Rijks (Comitia) van den eerflen Maart 
overbragt op den eerflen Meij ‚ het Bur- 
gerlijk jaar, met het Paaschfeest eenen 
aanvang hebbe genoomen, in de plaatfe 
van den eerflen Maart; op welken dag, 
men wil, dat het jaar te vooren pleeg te 
beginnen; tgeen echter niet duidelyk 
blijkt. 

6. 24. Geheel onzeeker is ook de 
Oorfprong van dit Stijl-gebruik. 

9. 25, Zeer onwaarfchijnlijk is de 
meening van hun, die willen, dat de 
Christenen, uit eerbied voor het Paasch- 

feest 


begonnen. En in de Capitula Synodi Vernenfis, of 
Handelingen der Synode in ’t Paleis te Verzon In 
Normandijen gehouden, en door Koning Pipinus 
in ’tjaar 755 uitgegeeven, leest men: 4. IV. ”Ut 
„> bis in anno Synodus fiat. Prima Synodus MENSE 
‚99 PRIMOs quod est Martias Kalendas, ubicunque 
> Dominus Rex jusferit in ejus praefentia”. 

_ Hier uit blijkt wel, dat in 755, en dus voor 757 
de maand Maart, de EERSTE maand wordt ges 
noemd: maar juist niet, dat het jaar van den 
EERSTEN dag dier maand begon. Want Maart 
kon de eerfte maand heeten, al begon men ’t jaar 
pas op den 25. dag , zijnde den dag van Maria Boode 


Jhap. ($. 8.) 


590 A. ’SGRAVEZANDE OVER DEN 


feest der FJooden, (U) als het eerfte Feest 
in rang en waardigheid, het jaar vari 
Paafchen zouden hebben begonnen, 
Want men behoeft, om het tegendeel 
te zien, alleen den Brief te leezen , die 
Keizer Conflantints (m) na ’t gehoudene 
Concilie van Niceën in *t jaar 325, fchreef 
aan alle de kerken onder zijne Heer: 
fchappij, ten einde zij niet te gelijk met 
de Jooden , (welker Paaschdag verwisfelt 
op alle dagen der weeke) maar altoos op 
Zondag, het Paaschfeest zouden vie- 
ten; (6. 13.) 

6, 26, Anderen gisfen, datde Stijl der 
Paaschjaaren zoude zijn gefprooten uit 
het Zafelken (n) of Bordeken, ’t welk van 
ouds pleeg gehangen te worden aan de 
Paaschkaars (Pafchalis Cereus), die men 
op den Zaturdag voor Paafchen of 
Paaschavond (bij den aanvang van het 

Paasch= 


(1) PAASCHFEEST DER JOODEN: Zoo wil Ma- 
billon, volgens B. Huydecoper bl. 312. 

(Cm) CONSTANTINUS. Deeze brief is onder 
anderen in C, Barozii Annal. T. III. p. 307 

(n) TAFELKEN. B. Huydec, bij M. Stoke I. De 
bl. 312314. Hermannus Gygas in Flor. Temp. feu 
Chron. Univerí, p. 53. wil, dat Paus Zozimus, in 
It jaar 422. het wijden van de Paaschkaars hebbe 
vastgefteld; ’t geen andere noch vroeger ftellen. 
Zie Feh. Ger. Meufthenii Glosfar. Barb. Latin, in ’€ 
woord Pafchalis Cereus, Lugd. Bat. 1743. in 4. 


> FRANSCHEN SCHRIJFSTIJL: SOL 


Paaschfeest) gewoon was te wijden, en 
op welk Bordeken de Zijdmerken gefteld 
waaren, volgens welke het Paaschfeest 
moest bereekend worden (als Zondags- 
Letter ,Guldegetal enz.) benevens het loo- 
pende jaar. En dat men , van dat tijdftip 
der Kaarswijdinge af, het Nieuwe jaar 
begon. Welk gebruik van’t Zufelken of 
Bordeken men wil, dat reeds in de vier- 
de Eeuw hebbe plaats gehad. Alhoewel 
de Voorfteller deezer gisfinge ontkent, 
dat het gebruik der Paaschjaaren zelve, 
zoo vroeg zoude hebben beftaan. El 
ders wordt ook gezegd, dat men vande 
Wijding der Doopvonte (o) op Paasch- 
avond, het Nieuwejaar begon te reeke- 
nen. 

6.27. Wat ‘er ook zij, nopens den ou- 
den oorfprong van deezen Schrijfftijl, dit 
is zeker, dat zich daar van hebben be- 
diend, niet alleen verfcheide Worften, 
als de Koningen van Vrankrijk, Graaven 
van Vlaanderen, Holland en Zeeland x p) 

Is- 


(o) DOOPVONTE. B. de Jonge Gendfche Ge 
fchied, IL. D. bl. 236, 237. bij Wa 'te Water over de 
Leenr. bl. 17. ì 

(P) GRAAVEN VAN HOLLAND EN ZEELAND. Dit 
blijkt uit het geen F. van Mieris, in de Voorr. voor 
?t Groot Charterboek IL D, bl, 13. heeft aangemerkt, 

Wee 


592 A.’SGRAVEZANDE OVER DEN 


Alsmede de Graaflijke Hoven van Bra« 
band en Holland: Maar ook de Magi- 
flraaten in de Steden; voor al in Zeee 
land ;(q) zoo wel als Beämpte en bijzon- 
dere perfoonen, zoo in Chronijken (r) 
en Gefchiedboeken, als in gemeenzaame 


Briefwisfelingen (S). 
5 9. 28, Al- 


wegens de brieven van Graaf Jan den I. en IL, van 
1296. en 1299. vergel. met L. P. van de Spiegel over 
de Hooge Vierfchaare in Zeeland, bl. 77, 78. in ’t 
IL. D. der Verh. van ’ Zeeuwsch Genootf, Al- 
hoewel zij in Holland zijnde, fomtijds eenen an= 
deren ftijl volgden, dan zij in Zeeland zijnde, ge= 
bruikten. B. Huydecoper bl. gar. 

(q) VOORAL IN ZEELAND. Te Middelburg 
was dit gewoonelijk, volgens de Stads Registers 
ten Raade, Stads Reekeningen, Vonnisfen cnz. 
Ook te Vlisfingen; zie F.J. Brahé, Eeuwvreugde 
bl. 193. Uit de Ordonnantie van de Policie in Hol- 
land van r April 1580. is af te neemen, dat zulks 
aldaar in Steder en Dorpez ook wel plaats hadde. Te 
Dordrecht begon men tot 1577 het jaar, en dus de 
Jaarreekening met denGoeder Vrijdag , dat is van den 
dag van ’s Heilands Lijden; volgens M. Baten, Be= — 
fchrijving van Dordrecht bl. 621, 629. die aantee= 
kent , dat dit waare volgens Stijl des Hofs van Holland; 
geen in het Zegenbericht op ’t Nabericht van 7. 
Bent bl, 23.ook van de Dordfthe Ate en Klepboeken , of 
Stads Registers wordt getuigd. 

(T) CHRONIJ KEN. Men zie bij voorbeeld, de 
Chronijk van Vlaanderen van Meyerus, waar van veele 
uittrekfels zijn gemaakt door Seriverius, over de 
Graaven van Holland en Zeeland. 

(S) BRIEFWISSELINGEN. Onder anderen, 
in de Brieven van Viglius Ayita à Zuichem aan Joächim 
Hopperus, in de Analeta Belgica van C, P, Hoynck 
wan Papendrecht, T, IL, P. IL, ; 


/ 


FRANSCHEN SCHRIJFSTIJL: … 593 


„6. 28. … Alhoewel dezelfde: perfoonen. 
(t) zich niet altoos aan den Paasch/lijl. 
bonden, „maar ook den Zoom/then of 
gemeenen flijl volgden; inzonderheid 
wanneer zij op andere-plaatfen waaren. 
6, 29. Deeze ongelijkheid baarde. ces 
ne nieuwe moejelijkheid ; weshalven ?er. 
eenige KENMERKEN van den Paaschftijl 
vereischt worden „ om daar uit te kon 
nen oordeelen , of de fchrijvers zich van 
den gerneenen Room/chen Stijl, of van-den 
Hoff bediend hebben; «Doch welke 
kenmerken , verfchillende waaren op on- 
derfcheidene plaatfen. | 
9. 30. Als men zich in deezen tot ons 
Vaderland bepaalt, dan is het eerfle en. 
gereedfte kenmerk te vinden in de ons 
Jchrijvinge, welke de fchrijvers. zelve; 
bij hunne jaartelling voegden, om uit- 
drukkelijk of bij wettig gevolg aan te wij- 
IV, DEEL, PP zen ; 


(t) DEZELFDE PERSOONEN. Keizer Karel 
de 5 en zijn Zoon Philippus, gebruikten in Neder= 
land, den Franfchen of Hofftijl; doch in Spanjen, 
den STIJL VAN CASTILIEN, dat is den gemeenen 
Stijl, FJ. van de Water Voorr. voor ’t Utr. Plakaatb, 
Zoo gebruikten ook de oudere Graaven, op ver= 
icheidene plaatfen zijnde , eenen verfchillenden Stijl, 
B. Huydecoper bl. 321—323. Karel de 5. gaf te Meche= 
len 11 Maart 1520; eenen brief , met de bijvoeginge: 
Stile de Cambray, Die te vinden is in’t Register van 
Verbandente Middelburg. MÁ, fol, 102 yfo, 


SDA” A. SGRAVEZANDE OVER DEN 


_zen}dat zij den ofjlij/ volgden , of dat 
zij het Biot ide deeden. 

6 31. Wanneer zij den Hoffhijl wvol- 
gende, zulks uitdrukkelijk, aanweezen, 
„ fchreeven zij achter aan het jaartal, in 

“Latijn: Stilo Curie; of in °t Neder- 
duitsch: Srijle °s Hoofs, Stijle ° Hoofs 
VAN HOLLAND; ook: naar fchrijvens 
’s Hoofs van Holland; en korter: naar 
*fchrijven van Holland; en allerkortst 
naar Holland, Terwijl de Graaven 
fehreeven®’ naar den Loop wan onzen 
FBewao HBEW on 

6. 32, Maar als dit bij wettig gevolg, 
wordt aangeweezen, vindt men in tlaat- 
fte van *t oude jaar bijgevoegd de woor- 
den: woor Paafchen; en in * begin van 
% Nieuwejaar: na Paafchen, (S. 39. (z)}. 

6 33. Welke laatstgenoemde Bijvoe- 
gingen door kundigen (u) alleen van 
den 22 Maart, tot den 25 April wier- 
den bijgevoegd, om dat dezelve voor 
of na dien tijd niet te pas kwaamen, 

6. 34. Doch dat zij het tegenflelde 
van den Hofftijl volgden, toonden zij, 
door de bijvoeging: naar gemeen fchrij 

ven, 
(U) KUNDIGEN. Voorbeelden van Onkunde in 


deezen, heeft %., van de Water in zijne Voorreden 
geteekend, Sol 


FRANSCHEN 'SCHRIJFSTIJL. ‘ 595 


wen, of fchrijven deezer Stede; of (zoo 
als men te Utrecht deed en in de vier 
Ambachten (S. 21.) van Vlaanderen) Ge- 
meene flijl, of Stijl ’s Hoofs van Utrecht; 
het geen bedoelde den 25 December, 
zoo als dit met het jaar 1310 was aan- 
gevangen (6, 37.) En in de Brieven des 
Konings vindt men: naar Caftilien, enz. 
4. 35. Nochtans hebben de fchrijvers 
niet zelden werzuimd (v) en geheel na: 
gelaaten deeze aanteekeningen alomme 
bij het jaartal te voegen, In welk ge- 
val het wvoornaamfte middel dat over- 
blijft is gebruik te maaken van de /cha- 
kel der Gefchiedenisfen (w) van dien 
PP 2 tijd; 


(v) VERZUIMD. ’t Geen getuigd wordt in ’£ 
Plakaat van- Koning Philippus den II. van den 16 Junij 
1575. daar van zijn aanmerkelijke voorbeelden aan- 
gebragt in ’tTegenberigt op het Naberigt van den Heer 
JF. Bent, bl. 18. ontleend uit het Groot Privilegie 
van Vrouwe Maria van Bourgondiën, 14 Maart 1476. 
[ftil. cur. dus 1477.) Haar Privilegie aan Leyden geà 
geeven , wegens de verkiezinge der 40 en 16, den 
23 Maart 1476. En een Privilegie pe Haarlem van 
24 Maart 1476, [die beide naar den Hofftijl moeten 
gereekend worden, en dus tot 1477 behooren] 
waarbij men kan voegen het voorbeeld der quitan= 
tie van den Ontfanger Generaal Nicolaas Provoost , 
van 28 Feb, 1477. [voor 1478) in het Tegenberigt, 
_ ingelast bl. 3, 4. 

CW) SCHAKEL DER GESCHIEDENISSEN. Zoo 
oordeelen de Heeren var de Water ; en wan Mieris te 
, recht ; 


596: A. ”’SGRAVEZANDE OVER DEN 


tijd; ‘waar bij ook de ZLandaard van den 
fchrijver, als mede de plaats waar hij 
fchreef (indien zulks mogelijk is) in 
opmerkinge kan worden genoomen. 
6.36, Alvroeg heeft men de onvoeg- 
zaamheid van deezen Stijl ondervon- 
den; En ook al vroeg getracht, daar 
in te voorzien; Waar in de Kerkelijken 
zijn voorgegaan, ’tgeen in den Bur- 
gerflaat naderhand is gevolgd. 3 
6.37: Wat de Kerkelijken betreft; 
Men fchrijft: (x) dat in ’tjaar 13o1. in 
Svo ah 1e het 


recht; de laatfte heeft zich daar van onder anderen 
bediend, in de brieven van Graaf fez den TI, en den 
U. Uit de Gefchiedfchakel blijkt ook, dat in de 
Brieven van Viglius aan Hopperus, de CXCIIL. van 5 
Maart 1573. p. 732 en CXCIV. van r2 Maart 1573. 
p. 737. meldende dat Middelburg was werlooren, en 
de Vloot (door Don Louis uitgerust) was geflaagen 
naar den Hofftijl moeten gereekend worden, als be- 
hoorende tot 1574. Men zie mijne Tweede Eevage- 
dachtenisder Middelburgfche Vrijheid. bl, 384, 398, 
421. met de Aanteek. 

GO scurRIjFT, Wegens ’t jaar 13OI. te LIM O= 
GES; zie B. Huydecoper by M. Stoke 1. D. bl. 315. die 
uit. Mabillon aanteekent, dat r3or. in het Bisdom 
wan Limoges , de eerfte dag des jaars verfchikt is van 
den Paaschdag , tot den bepaalden dag van 25 Maart ; 
daar hij ook. uit Haltaus, in Chron. montis fereni, p. 
27, 28. van de Zwitfers gewag maakt. Van s A= 
VOIJEN, 1306, de Voorr. van Job. van de Water, 
Nopens 1310. te KEULEN, bij dezelfde Schrij= — 
vers, als mede Vad, Hift, III, Deel bl, 194. en Ee 

Ce 


FRANSCHEN SCHRIJFSTIJL,". 597 


het Bisdom van Limoges, de eerfte dag 
van ‘tjaar is verfchikt van den wande- 
lenden Paaschdag, tot den wastflaanden 
dag van 25 Maart. Dat zulks:in Sa- 
woijen zij gefchied in % jaar 1306, En 
insgelijks te Keulen op. de Provinciaale 
Synode, in die Stad befchreeven in-de 
Lente van ‘tjaar 1310; op ’twelke Guij 
Bisfchop van Utrecht, tegenwoordig 
was; daar bepaald werd: ”Dat men 
» voortaan volgens. het gebruik der 
 Roomfche kerke, het jaar met Kers- 
5 mis en niet met Paafchen zoude aan- 
» vangen.” Waar uit men afleidt, dat 
dansiin deeze Landen „na dien tijd, de 
gewòóne Stijl zij geweest, het jaar met 
Kersmis te beginnen, en dat men daar- 
om, van toen af den Paaschftijl, onder- 
fcheidshalven, den Stijl wan ’ Hof 
heeft genoemd, ADT 
“ Zoo is ook te Zwik, de eerfte dag 
van % jaar 1334. (welke moest koomen 
op den-27 Maart), vervroegd tot 25 
December 1333, 
„6. 38. Doch ’er verliep noch meêér 
__dan ééne Eeuw, eer deeze affchaffing 
in den Burgerflaat gefchiedde; want 
PP 3 Kar 


deren; inzonderheid van Huesfin Bat. S. LD. ble 
251. En aangaande LUIK, bij Huydecoper bl, 515. 


568 A+’SGRAVEZANDE OVER DEN 


Karel de FX, (y) Koning van Vrankrijk 
was de eerfte, die in ° jaar 1563. last 
gaf bij willekeur, dat het Nieuwejaar 
even: als in andere landen met den eer- 
fien Fanuarij 1564 zoude aanvangen; ’t 
geen door °% Konings Raad en kamer 
van Reekeninge terftond is opgevolgd, 
doch door *t Parlement, (‘tgeen daar 
in-geen behaâgen vond,) eerst met het 

jaar 1567 is aangenoomen. 
6. 39 Twaalf jaaren laater gaf Pbi- 
lppùs de WL. (z) Koning van gen 
| ij 


Cy) KAREL DE IX, Oudheden en Geftichten 
van Delfland, in 8. bl, 467. Verklaaring van, eenige 
duisterhieid by dé Keuré van Zeeland, van Oogst- 
miáànd r49s. na bl, 80, Aant. van Mr. Corn, Verfluis 
opde Coftùme van Middelburg in 4. 1771. bl. 222, 
Voorr, vaù J. van de Water, en B. Huydecoper bl. 320, 

…(Z) PEILIPPUS- DE it. In ’t Plakaat van den 
ró. Junij 1575. te vinden in ’ Groot Plakaatb. IL. D, 
ble 455. fpreekt de Koning dus: *”Alzoo men bij 
5 Experientie bevorden heeft, dat ’er veele in- 
js -convenienten gebeurd zijn ; door de verandering 
„5 em diverfiteit van den Datum des jaars, zedert 
zy den dag van de Geboorte onzes Heeren: J.C. tot 
» der refwrrektie of Paaschdaz; Mitsdien, dat men in 


zo eefiige quartieren den datum van ’t vernieuwen 


3» des jaars van Januarij daar na volgende, (het 
s> welk de Stijl is,‚-die men gemeenlijk gebruikt 
55 Anderen” beginnende het zelve-op Paaschavond, 
ze (Ct welk fommigen zeggen: den Stijl van den Hove) 
»; ende anderen anderfins, naar de diverfiteit van 
3, de Bisdommen; Gelijk ook fommigen er bij 

Á à # € à 


FRANSCHEN SCHRIJFSTIJL.” 599) 


bij Plakaat of Edie -van den-16 Junij 
1575, ten tijde van *t Bewind van: Don 
Louis de Requefens eenen gelijken: last 


aan de Nederlanders, ovies 
6. 40." “Te Dordrecht is dit gevolgd 
met het jaar 1577 :-Doch-te Middelburp 
vindt meneerst met: den” eerften ‘Jânuäz 
rij 1578. in de Notulen wan : Weten 
Raad ‘die verandering: van Stijl ;‘ zijnde 
het opmerkelijk, dat toen Prins: Wijs 
lem de T, (a): in de maand Maart “daar 
aan. volgende eene Ordonnantie gaf, 
nopens de Opvolginge van Veere en 
PP 4 0 Vliss 


„5 ftellen „woor zeekeren tijd, te weeten van den 22 
s‚ van Martis tot den 25 van April daar na volgen= 
9 de, deze woorden: VOOR of ‘NA PAASCHEN4 
»s het welk-fomtijds de. Notarisfen , Publique , of 
„5 Privé Perfoonen vergeeten; ofte laaten te ftellen in 
5 hunneAten ende Schriften ‚ zulks dat daar deur 
55 dikwils rijzen -queftien „ gefchillen ende zwa 
s-righeden-op de contraéten, ouderdommen } ren- 
5 ten ende perfoonen enz;e 5 « in 
(A) PRINS WILLEM DE I,vgebruikte den Ges 
meenen. Stijl,” in eenen brief uit: Delft aan de. Wet= 
houderfchap te -Wlisfingen 7 Jan. 1573. Bijlaage:‘D. bl, 
25. achter. %-J. Brabé Kerkel, Redenvoer.. * Inde 
verklaaringe «aan “Middelburgogegeeven den-19-Feb, 
1574 (tevinden in mijne Tweede Eeuwgedachtenisfe 
of Hiftorifohe- Aaneenfchakelinge-bl. 414) -is’er bij 
gefteld a zarivit. Dzi, ’t geen vof de Gemeene Christelij= 
ke Jaartelling ‚"die aanvangt met het jaar van Christus 
Geboorte (954) of liever :den » Schrijfftijl „ die „met 
Kersdag het jaar begon, konde aanwijzen, 


5 


bon A. SGRAVEZANDE OVER DEN 


Vlisfinigen inde plaatfe van den Bisfchop 
van. Middelburg, als * derde Lid van 
Staats-om de derde {tem te hebben, 
dezelve geteekend is-den 8 Maart 1578 ; 
met; de omfchrijvinge: Stilo Zdidi; waar 
doorshet: genoemde Plakaat: of Edid. 
van-Pbilippus. van>15 Junij 15:75, fchijnt 
te, worden verftaaris:: ob: miei8da de 
onfe4re Eindelijk -is hierop in Zof: 
land gevolgd „ede ‘Ordonnancie-van de 
Palicie, (b), vanden 1 April 1580. ze. 
Arn ofrirdeobie: dijogtae dess 
=(b) ORDONNANCIE vÁN DE POLICIE. Het 40 Art. 
van 1 April 1580 luidt dus: * Ende ten laatften Or- 


hs ie 


en 


FRANSCHEN SCHRIJFSTIJL: Óot 


dert welken tijd de gemeene Roomfche 
Stijl in dat gewest alom is aangenoomen, 
9.427 En twee jaaren daar na is de 
Schrijfftijl-noch verder tot volkomenheid 
gebragt, door ’t bevel van den ‘Hertog 
van Anjou, (die toen de-gebiedhebbende 
magt bezat) welke den zo Oétober 1582 
belastte, dat- de 15. Oétober van dat’ 
jaar zoude worden genoemd de-25; zoo 
datde maand van Oétober in -dat-jaar 
maar 21 dagen “zoude hebben; waar 
door. dan de Nieuwe of Gregoriüanfche 
{tijl-hier te lande isin gebruik gebragt, 
even als in de Roomfche landen; fchoon 
men in ENGELAND (c).den ouden flijl 
bleef volgen, en inde ‘Staatszaaken bo. 
ven dien; ‘het jaar met. den 25 Maart be- 
gon. Zijnde eerst met September 1752 
aldaar de. Nieuwe of. Gregoriäanfche ftijl 
aangenoomen ; en zedert dien tijd:de eer= 
fie dag van Januarius „in ALLE OPZIGTEN 

| PP’jS wrr 
»» fiets. Secretarisfen „en (Generalijken , allen den 
», Onderzaaten van den voorfz. Landen , in heure 
>» openbaare acten , gerechtelijke brieven ende in- 
2 ftrumenten „noch in heure Registers ofte Proto= 
2 Collen anders te doen ofte laaten: gefchieden, 
> op poene van Privatie, ofte Sufpenfie van heure 
„> Staaten ende Officien , ofte andere arbitraale cor= 
vj reétie. naar.exigentie-van der-zaaken”, …. 7 


(C)ENGELAND. Hedend. Hift. of Teger wöord. 
Staat van Groot Brist, I, D, bl, 535 , 536, 


603 A. ’SGRAVEZANDE OVER DEN 


gehouden voor den eerften dag van *t 
jaar. | | 
6. 43. Na deeze OPHELDERENDE 
AANMERKINGEN, zal ’t niet ondien- 
ftig zijn de NUTTIGHEID van dezelve 
op te geeven, en met eenige voorbeel+ 
den te bevestigen. d 
9.44 Voor af, houde men wel onder 
het oog, dat deeze aanmerkingen zich 
alleen bepaalen tot fchriften , die voor 
de: Zeventiende Eeuw zijn te voorfchijn 
gekootnen ; terwijl het noch niet zeker 
blijkt „boe vroeg de opmerking van deezen 
Schrijfftijl alreeds te pasfe koomt, De 
Heer Balth. Huydecoper heeft veel werk 
gemaakt, om den vroegen ouderdom der 
„Paaschjaaren te ontkennen ; als ook het 
gebruik’ derzelve in Meerhout, Melis 
Srake ‚Willem Procurator, Fobannes a 
Leiden, en andere oude Kronijkfchrij- 
vers, “alhoewel. Hij * vroege gebruik 
van den 25 Maart-taeftaat, Wat daar 
van zij, moet van achteren, door oplet- 
tenheid op die Schrijveren, en andere — 
oude. rukken in tijdvervolg worden be- 
flist,: Jin Í Sutil gie ke 
S. 45. De nuitigheeden nu zijn veeler- 
1 r 8 8 een 


6. | 46. Allereerst” zijn deeze aanmer 


FRANSCHEN! SCHRIJFSTIJL. … 60% 


kingen nüttig, om zich te HOEDEN 
voor ’t-begaan van misflagen , en verwar- 
ringen der tijdorde ‚In t VERZAMELEN 
vary Losfe Chartres; Brieven en andere 
flukken, Waar van men de voorbeelden 
heeft in den arbeid-van den Rechtsge: 
leerden Johan van de Water, in zijn 
Groot Placcaatboek van Utrecht ; in 
jaar 1729 uitgegeeven ; Als mede in het 
Groot Charterboek van: Frans van. Mieris. 

6. 4% Eene tweede nuttigheid is,dat 
men geleegenheid bekoomt, om de mais. 
Slagen te verbeeteren, en de verwarringen 
op te ruimen in zulke VERZAMELIN: 
GEN, waar in de Hofftijl, door de ver« 
zamelaars, ziet is opgemerkt ‚ én waar 
door verfcheide ftukken: op verkeerde 
plaatfen „zijn gefteld,; Dit kan ste: {tade 
koomen in ’t gebruiken der Brieven van 
Viglius Aytta a Zuichem aan Joächim 
Hopperus , door Cornelis: Hoynck van 
Papendrecht verzameld, in zijne Ana- 
leéta Belgica; welker -faamenvoeging is 
gefchied--geheel enal naar den Room 
Jchen of Gemeenen ‘Stijl; of fchoon niet 
alleen: uit den inhoud „maar dikwils ook 
uit debijgevoegde omfchrijvingen ; of aan 
teekeningen van denvtijd blijkt,” dat in 
dezelve de Zof- of Paaschflijd is:gevolgd. 


6Go A. ’SGRAVEZANDE OVER DEN 


Weshalven doorgaans de brieven der 
wier eerfte maanden. van elk jaar wer- 
keerd, dat is „een jaar te vroeg geplaatst 
zijn, en dus de woorjaarsbrieven van 
1567. voor Meij 1566, en die‚van 1568, 
voor aan in'1567.-zijn gefteld, «en zoo 
vervolgens. EN ot. | 
6. 48. Even zoo is in de werzamelinge 
der Sententiën van den Hertog: van Alba, 
door Jacob Marcus te Amfterdam 1735. 
in oêtavo, de Hofftijl (fchoon dezelve 
hier en daar geteekend ftond) dóor den 
uitgeever niet. waargenoomen, ‘weshal- 
ven fommige “Sententiën reeds gefteld 
zijn in ’ voorjaar 1568. of fchoon het 
bijvoegfel toonde, -dat zij (naar den Hof: 
ftijl) tot-het jaar 1569 behoorden. 
„Waar bij men (volgens ’t getuigenis 
van den genoemden Johan van de WW a- 
ter).ook het Gelderfche Plakaatboek kan 
voegen; als waar in foortgelijke verzin- 
ningem:plaats: hebben. | 
e Ós 49 Hier koomt bij eene derde nut- 
tigheid ‚dat men door deezerganmerkin- 
gen geleegenheidontfangt,-om zoo wel 
van -Losfe Chartres; brieven) ensandere 
ftukken „ als van de verhaalen der. Gez 
Jebiedfchrijveren van  verfcheide::Land- 
aard. en woonplaats, het RECHTE GE- 
Shi, BRUIK 


FRANSCHEN SCHRIJFSTIJL; « 6oj 


BRUIK te maaken, in het vormen van 
een GESCHIEDKUNDIG SAMENSTEL van 
verfcheide gebeurtenisfen; zoo deed te 
meermaalen de Heer Wagenaar in de. 
Vaderlandfche Gefchiedenisfen ; ook zijn 
daar van blijken in mijne Hiftorifche 
Aaneenfchakelinge van Gebeurtenisfen der, 
Stad Middelburg, in 1774 uitgegeeven. 

6. 50, En inzonderheid kan als eene 
wierde nuttigheid -befchouwd worden, 
het BESLISSEN van fommige onzekerheden, 
over den tijd der gebeurtenisfen, welke 
in verfchil zijn; en het wegneemen van 
verwarringen en misflagen uit de ge- 
fchiedverhaalen. | 

Waar van veele proeven konden wor: 
den gegeeven, doch eenige weinige zul- 
len genoeg zijn, | 

6. 51. Ter BESUSSING der ongekerhees 
den in den tijd, kan ten woorbeelde die- 
nen. “ 

9. 52. De inftelling der GULDEVLES- 
ORDE , welke was den 5 Januarij 1430. an- 
deren ftellen dezelve den 5 Januarij 1429. 
doch ’ is te verftaan naar den Hofftijl, 

6.53. Philip de Comines, een Fran: 
fche Gefchiedfchrijver, verhaalt den 
dood van Hertog KAREL DEN STOUTEN 

op den 5 Januarij 1476, doch % is baat 
en 


606 A. ’SGRAVEZANDE OVER DEN 


den Hofftijl te reekenen; dies anderen: 
dit tot 1477 brengen. 

6.54. En dus moet dan-ook het 
GROOT PRIVILEGIE (d) van Maria; 
Karels Dochter , van den 14 Maart 1476 
begreepen worden van den Franfchen of 
Hofnijl, als behoorendetot het jaar 1477. 

9. 55. Doch deeze aanmerking, is 
door den Schrijver der Waderlandfche Ge- 
fchiedenisfen (e), ten onrechte toegepast 
op ’tgefchil: Of de herflelling der Privi- 
legien , door Hertog Philips den Goeden, 
aan de Kennemers in 1455, of 1456 zij 
gefchied ? Om dat die herftelling behoort 
tot Meij of Bloejmaand; en dus buiten 
die maanden, in welke dat werfchil in- 
vloed heeft. (6. 33.) 

6.56. En wat de wegneeming van ver- 
warringen betreft, zullen twee voorbeel- 
den konnen volftaan , welke teffens pe 

p en 


(d) GROOT PRIVILEGIE. Men zie deswes 
gen uitvoerig het Tegerbericht op ’t Nabericht van 
{. Bent, Dord. 176r. in 4. bl. 6 — daar ook een 
Brief van Maximiliëan en Daria op bl, To wordt aan- 
geroerd van 28 Feb. 1477. voor 1478, nopens de 
Munte, dewijl Maria eerst den 19 Aug. 1477. in % 
Huwelijk met Maximilian was verbonden. 

(C) Wagenaar Vader. Hit. VL D. bl. 54. Andere 
voorbeelden van onvoegzaame toepasfinge, wor- 
den aangeteekend, in ’ reeds aangehaalde Tegenbe= 
eigt bl, 21—23. 


ERANSCHEN SCHRIJFSTIJL. _ Ó6of. 


len dienen ter verbeetering der Meders 
landfche Penningkunde van G. wan Loon 
(£); die anders wel, bij andere geleegen- 
heeden, den Hofflijl heeft opgemerkt. 
6.57. Hij fchrijft nopens ‘t beleg van 
Middelburg, na ’tovergaan van Ramme- 
kens den 5 Aug. 1573. “Ja de Staaten 
> van Zeeland , om het tot de overgaaf 
» te dwingen, fpaarden geen kosten, 
> maar verdubbelden de uitleggers en 
» op ftroom gehoudene fchepen ; zu/ks 
» zij zich als werzeekerd houdende, dat 
»„ de Stad niet te ontzetten, maar door 
» de genoome voorzorg , zoo goed, als in 
» bun geweld was, dit volgende Pen- 
» ningtje tot lof van den Prins van O- 
» ranje deeden munten, Midd, ab Hifp. 
„ D.P.A.V.R. G.E. C.C. 1573”, Doch 
die met eenige aandacht, ’t beloop van 
zaaken in dat tijdsgewricht gade flaat, 
ziet ligtelijk, dat 1573 is naar den Hof- 
flijl, dat is 1574. Zoo datdit Penning- 
tje, niet voor af, maar na ’t overgaan 
der Stad is geflaagen. 


(É) G. van Loon Nederl. Hift. penn. I. D. bl. 172. 
„Men zie deswegens mijne Tweede Eeuwgedachtenis 
der Middelburgfche Vrijheid, of Hift. Aaneenf. by 
P. Gillisfen 1774. in 8. bl, 422. 


608 A, ’SGRAVEZANDE OVER DEN 
6: 58, Dezelfde Schrijver (zg) ftelt 


ook op ’t jaar 1574, de oprichting der 


Leydfche Hoogefchoole ; hij fchrijft: ”Zij- 
„ ne Doorluchtigheid had reeds, ftaan- 
„ de de eerfte influiting [of beleegering 
der Stad Leyden. door de Spanjaards). 
op den tweeden van Louwmaand dee- 
„ zes jaars [1574] den Staaten van Hol- 
„ land vertoond, hoe de gemoederen 
„ der- Nederlandfche jeugd; door het 
„ Onderwijs der uitheemfche en buiten- 
 landfche fchoolen, veel te Spaansch- 
„ gezind gemaakt en van de Spaansche 
; belangen voor ingenoomen wierden ; 
„ en derhalven hun het oprichten eener 
„ Hoogefchoole binnen Leyden aange- 
„ preezen. Dit was bij gemelde Staaten 
„ goedgekeurd, de inftelling en vergun. 
„ brief daar van den 6 derzelver maand 
„ te Delft uitgegeeven, en op den naam 
„ van Koning Philips afgekondigd ; 


„ doch de voltoojing, en het volle be- 


„ flag van dat werk, was door het op- 
„ gevolgde tweede beleg dier Stad ver- 


„ hinderd: zulks de openbaare Inwij- _ 


ding der nieuw geftichtte Akademie, 
„ eerst op den 8, van Sprokkelmaand 
kaf À k „ des 


(8) G. van Loon Nederl, Hift, penn. I, D, bl. 197. 


NE pn N 
dd emeeendensende 8 ” ke 


FRÁNSCHEN SCHRIJFSTIJL, _ Óog 


» des jaars 1575, ten overftaan der 
» Staatfche Gemagtigden , en met veel 
, plegtigheden verricht wierd”. 

6. 59. Dit bericht nu is geheel bui- 
ten den haak; Want de zaak ging op 
deeze wijzetoe: Na dat Leyden voor de 
tweedemaal ingeflooten, en den 3 Oc- 
tob, 1574 was ontzet, en Don Louis de 
Requefens door zijne Gemagtigden Eb. 
Leoninus en Hugo de Bonte, den ar 
Dec. 1574: te Delft, ter ftaats vergade. 
ring van Holland wvoorflagen tot Wrede 
had laaten doen, waar van aan den 
Prins van Oranje, (die toen in Zeeland 
was, om eenen aanflag op Antwerpen. 
ter uitvoer te brengen) werd kennis 
gegeeven, zond Oranje den 28 Dec, 
1574. Mr. Jaques Tayaert, van Mid- 
delburg naa Delft, om de- Staaten te 
vermaanen, ten einde, EER DE VRE- 
DEHANDELING BEGONNEN WIER- 
DE, eene Hooge „School op te richten; 
daar toe Leyden voorflaäande, Welk 
_ voorftel den 2 Jan, niet van het jaar 1574 
(gelijk van Loon fchrijft) maar van het 
jaar 1575 ter ftaats vergadering kwam, 
en den 3, alreeds werd goedgekeurd, 
waar van men den 4, aan den Príns ken-. 
nis gaf, en twee dagen laater het Oc- 

IV, DEEL Qa troj 


hed 


Ó61o A.’SGRAVEZANDE OVER DEN 


troj op naam wan Philippus te Delft uit- 
gaf, geteekend den 6 Januarij 1574 STI- 
LO CURIAE , (zoo als “uitdrukkelijk 
in®t Groot Placaatboek, en de Notulen 
van Holland (h) ftaat.) En voorts een 
maand daar na, den 8 Februarij 1575. 
de Hooge School ingewijd; en de Sta- 
tuiten den 2 Junij 1575 te Dordrecht 
door den Prins en Staaten van Hol- 
land vastgefteld, twee dagen voor het 
fluiten der Unie met Zeeland, ’*t geen 
den 4 Junij 1575 gefchiedde, zoo dat 
de verwarring van den Heer van Loon, 
alleen daar uit {pruit, dat hij de bijvoe- 
ging: Stilo Curiae, bij *t jaartal 6 Jan, 
1574 ftaande, heeft over ’t hoofd ge- 
zien. (i) | | 

9. óo. Toteene toegift herinnere men 
zich de wondere baaringe van Margareta 
Gravinne van Hennenberg, die in *tjaar 
1276, in eene dragt 364 kinders zoude 
hebben ter wereld gebragt, waar vande 
helft zoons , Johannes, en de wederhelft 
dochters, Zlifabeth zouden genoemd zijn, 
(hb) In P. Paulus, Betoog van Zeelands Recht 
tot het ftichten eener Hoogefchoole, 8. Leyden 
1775. Bijl. bl. 33. isgefteld in ’t O@troj , het jaar 1575. 
(Ì) Anderen hebben ook (zoo ’ fchijnt) in dat 


zelve opzigt gedoold, Men zie de Nederl, Jaarboe= 
ken van July 1769. bl. 913. 


FRANSCHEN SCHRIJFSTIJL Óri 


bij den H. Doop; waar op twee bekkens 
zien, en een opfchrift, welke noch te 
Loosduinen bij °’s Hage vertoond worden, 
6.6r, Veelen houden dit verhaal voor 
een Raadfel, willende, dat zij in ** einde 
of t begin van ’tjaar zoo veel kinders 
gebaard hebbe als ‘er toen dagen in * 
jaar waaren, Zoo heeft onlangs noch de 
Schrijver (k) der Natuurlijke Hiftorie 
wan Holland, dit {tuk op dien voet, uit« 
voerig verklaard, in de onderftellinge ; 
dat zij (naar den Roomfchen of Gemees 
nen Stijl te reekenen) in ’t begin van Ja- 
nuarij of laatfle van December waare be- 
vallen. Doch de Op/chriften en haar 
Graf Schrift ftellen de Baaring, Die pA« 
RASCEUES(L), dat is, op Goeden Vrijdag, 
die de tweede dag was voor Paafchen, 
zijnde in dat jaar 1276 de Paaschdag op 
den 5 April, en dus de Goede Vrijdag 
Qa 2 op 


_(k) scHRIJVEr. JF. le Francg van Berkheij Nat, 
Hift. van Holl, III. D. 3 ft‚bl. 773, 

(1) PARASCEUES. Zie de Oudheeden en Geft. 
van Delfland, in 8. bl, 466, 467. In het zoogenaam= 
de Epitapbium of Grafichrift te Loosduinen ftaar: 
Ipfo die Parafceves hora nons ante meridiem. J.F. le 
Petit Befchrijving der Vrije Nederl. Prov. in 4. bl, 
148. P. Scriverii Toetfteen op het Oude Goudfche 
Chronijksken bl. 255. in 4. en P. Scriverii Aanteek. 
op den Chron, van Holland van den Klerk uit de laage 
Eanden bij der Zee, bl, 110. 


61 A. ’SGRAVEZANDE OVER DEN €nZ, 


op den 3 April 1276. Zoo dat deeze 
Oplosfing van het Raadfel wel ftand houdt 
naar den Mranfchen of Hofflijl, maar 
niet naar den Roomfchen of Gemeenen 
ftijl ; konnende zij bevallen zijn op den 
Goeden Vrijdag, en zoo veel kinders 
hebben gebaard als ’er toen noch dagen 
in ’tjaar waaren, dat is twee in getal (m). 
Meerder voorbeelden ter ftaaving van 
de nuttigheid deezer aanmerkingen over 
den Hofflijl, konden ligtelijk worden 
aangebragt, indien de nodige kortheid 
niet vorderde het overtollige af te {nijden, . 


(m) Twee. Dit wordt niet duister geftaafd door 
de twee naamen Johannes en Elifabeth; welke voor 
364 Kinders niet genoeg onderfcheidende waaren ; 
ten zy men boven dien aan elken Johazzes, en 
elke Elifabeth, noch eenen telmaam , als de eerfte, de 
tweede enz. of eenigen anderen bijnaam hadde toe- 
gevoegd, 


‚Bladz, 613 


ONTLEED- EN VROEDKUNDIGE 
WAARNEEMING 


EENER AANMERKELYK UITGEZETTE 
PISBLAAS, EN OMGEBOGENE ZWAN* 
GERE BAARMOEDER; 


DookR 


RIO BITONIN NL 


ie optre Gade Ne See tie td Ste ofte linde 


_N. oud ruim 30 jaaren, en, vol- 
© gens haar voorgeven, in de ne- 
gende maand haarer zwangerheid , werd, 
in dien ftaat,in het Gasthuis deezer Ste- 
de opgenomen; wanneer zy, reeds door 


__ongefteldheid verzwakt, kort daarna, 
__onder het opkomen van pynlyke vlaa- 


gen en verheffende koortfe, onverlost 
ftierf: niet geklaagd hebbende, dan dat 
Zy, federt eenigen tyd, aan moeijelyk- 
heid in het watermaken gefukkeld had, 
welke, met den opkomenden arbeid in 

| Qq 3 eene 


614 A. BONN ONTLEED- EN 


eene geduurige en onwillige druppelswy- 
ze pisontlasting overging. 

Zodanig een voorwerp , tot onderwys 
der Vroedvrouwen allergefchiktst oor- 
deelende, had ik het genoegen, daarvan 
voor de eerfte myner openbaare vroed- 
kundige lesfen, op den 20, en 21, van 
wintermaand des jaars 1771, gebruik te 
maken: wanneer hetzelve my gelegen- 
heid gaf tot deeze onverwachtfte en zeld- 
zaamfte , doch , zo ik my niet bedriege, 
allernuttigfte en in veele opzichten, met 
die van den Hooggeleerden Heere G. van 
Doeveren (a) overeenftemmende waar- 
neeming, | 

De buik was, tusfchen den navel en 
„de vereeniging der fchaambeenderen;, 
rondachtig verheven , en naar voren uit- 
gezet(b), Het inwendige uitgezette deel 
was echter onder de bekleedfelen des on- 
derbuiks minder beweeglyk, dan ik de 
baarmoeder in eene andere hoog zwan- 
fe geftorvene vrouw, kort te voren, 
had waargenomen. De borften, meer 
of min opgezet, lieten door de openin- 

gen 


(G) CL. G. van Doeveren fpecimen obfervat, acade- 
micar. Cap. VL et VIL 


Cb) Libro citgto, Cap, VLS 3, 


VROEDKUNDIGE WAARNEEMING, 615, 


gen der zogbuisjes een geel weiachtig 
vocht uit de tepels drukken, 
__ De beenen en dyen, inzonderheid de 
linker, waren hz eerd re 

De uitwendige fchaamdeelen waren 
natuurlyk; doch de opening der pisweg 
hoog opwaarts onder den boog der 
fchaambeenderen te rug getrokken; en 
het was niet mogelyk, met eene fonde 
in dezelve te komen. 

By het onderflaan, vond ik de baar- 
moeder hoog geplaatst, en de moeder- 
mond, als het ware, op de hoogte van 
de bovenfte opening van het beenig bek- 
__ken,en tevens nader aan de fchaambeen- 
deren dan gewoonlyk (c). De moeder- 
mond was daarenboven flap, verlengd 
en open, zo dat ik den vinger binnen 
derzelver hals tot op de vliezen van het 
eij konde inbrengen (d). Het achterfte 
gedeelte van den rand der moedermond 
hing weinig.minder laag binnen de fche- 
de dan het voorfte. Het bekken was, 
door eene zachte zwelling van den achter- 
kant der fchede merkelyk vernaauwd(e); 
welke vernaauwing ik alstoen aan den, 

| Qq 4 door 

Cc) Ibid. Cap. VIL $ 2. 

(d) Ibid. Cap. VL. $ 7. VII $ 2, 

(e) Ibid. Cap. VIL $2, 


Ó16 A. BONN ONTLEED- EN 


door drekftof uitgezetten, endeldarm 
toefchreef, | 

Dit vooraf gedaan onderzoek had 
my het geval reeds twyffelachtig doen 
voorkomen: in welke twyffeling ik, by 
het openen van het lyk, in het bywee- 
zen myner toehoorderen, bevestigd 
werd, « - 
Het openen des buiks naby het 
borstbeen begonnen hebbende, om de 
baarmoeder niet te kwetfen, kon ik 
de infnyding niet, dan tot aan den na- 
vel, vervolgen; dewyl de veronderftel- 
de baarmoeder aan denzelven gehecht 
fcheen, en ondertusfchen de overige 
holte des onderbuiks vulde, na dat zy 
alle de darmen en ingewanden, naar 
het holle middenrif voor zich had opge- 
ftuwd (f), Eene zydelingfche verdeeling 
der bekleedfelen, enz, deed de eijerftok- 
ken, op den rand van het bekken, zicht: 
baar worden; terwyl het buikvlies zich, 
van den eenen naar den anderen kant, 
achter de gewaande baarmoeder uitftrek- 
te, endeeze, tusfchen de fpieren en het 
‘buikvlies ingeplaatst, zich nu als de 
pisblaas opdeed (g). De famendrukking 
deezer blaas met de hand,en de daarop 

| vol 

CÉ£) Ibid, Cap. VIJL. $ 5. (Cg) Ibid, Cap. VIL $ 3. 


VROEDKUNDIGE 'WAARNEEMING, 619 


volgende ontlasting der: pis door den 
pisweg, verzekerde het zelve, | 
„Het buikvlies en de overige bekleed. 
felen des buiks in den omtrek, en van 
den voorkant deezer aanmerkelyk uitge- 
zette pisblaas, afgezonderd hebbende, 
vertoonde deeze volmaaktelyk de ge 
daante eener volle baarmoeder: de door- 
__fchynendheid, by het kaarslicht, maak-, 
te ze meerder kenbaar, bevattende eeni- 
ge pinten roodachtig gekleurd en fterk 
riekend water (h), ’twelk zich nu door 
eene ingebrachte holle fonde ontlastede, 
De ledige piszak over de fchaamdee- 
len te rug geflagen zynde, vertoonde 
zich achter dezelve de baarmoeder, die 
de bovenfte opening van het bekken vol- 
komen vulde (i), en binnen den buik, 
voor den onderften lendenwervel, met 
eenen breeden omtrek „gelyk aan den bol 
van een hoed, weinig verheven uitpuilde, 
De endeldarm was tegen het bovenfte 
gedeelte van het heiligbeen aangekneld , 
en boven die beknelling fterk opgevuld. 
De hals der blaas werd tegen het ach- 
terfte en bovenfte der fchaambeensver- 
eeniging aangedrukt (k). | 
Qa 5 „De 
h) Ibid. Cap. VL. $ 5. _{i) Ibid. Cap. VI. $ 5. 
vis B de Ibid, 62. v À kb dg 13 


618 A, BONN ONTLEED- EN 


De baarmoeder was, tusfchen deeze 
beide, in het bekken als ingeperscht: 
maar, op welke eene wyze? De hand 
tusfchen de baarmoeder en den endel- 
darm in te brengen, was volftrekt on- 
mogelyk. De eijerftokken lagen ter 
zyde op den rand van het bekken, 
De trompetten van Fallopius liepen 
achterwaarts in hetzelve, De ronde ban- 
den der baarmoeder ftrekten zich van 
daar naar de buikringen, eenigfins ge- 
fpannen uit. 

Om deze tegennatuurlyke legging 
der baarmoeder des te beter te leeren 
kennen, en dezelve het minst te veran- 
deren, maakte ik eene kruiswyze infny- 
ding op dat gedeelte, *t welk boven het 
bekken uitpuilde: waarna zich de vlie- 
zen van het ej, door het water uitge- 
zet, met dezelfde boironde verheven- 
heid vertoonden; en, na affcheiding 
van een deel van het adervlies, het 
doorfchynend lamsvlies, en, binnen 
hetzelve, de voeten van het kind, naar 
boven gekeerd, zich allerduidelykst op- 
deeden. De vrucht hierop, met de 
‚door de fchede ingebrachte vingeren, 
naar boven opgeftuwd hebbende, bleek 
het, dat dezelve met het hoofd neder- 

waarts 


nd nende 


VROEDKUNDIGE WAARNEEMING. 610 


waarts binnen het bekken geplaatst 
was (l); en wel zodanig dat de rug, 
naar de rechterzyde van de moeder ge- 
keerd, langs het rechter heup- en zit- 
been afdaalde, en dus, met een gedeel- 
te der baarmoeder, tusfchen de fchede 
en den endeldarm was ingeplaatst (mn). 

Na dat ik de fchaambeenderen, naby 
de heupkommen weggenomen, en de 
fchede tot aan den moedermond in de 
lengte geopend had, vertoonde zich de 
moedermond des te duidelyker, ver- 
flapt, en van voren en achteren neder- 
hangende; terwyl de zyden daarvan 
flaauwelyk afgerond, en iets meerder 
opgetrokken waren, 

Deeze opening der fchede, door het 
voorfte deel van den moedermond , tot in 
de bovengemelde kruiswyze infnyding 
der baarmoeder verlengd hebbende, 
bleek het niet minder, welk deel der 
zelve boven het bekken had uitgepuild, 
namelyk, het anderfins voorite van 
den zogenaamden hals, die, behalven 
eenige nog behoudene meerdere dikte, 
reeds zeer veel vernietigd was, door 
groei van het eiijj, en daardoor bevor- 
derde verwyding, Het achterfte a 

ien 

(D) Ibid, Cap. VIL $13. (mm) Ibid, Cap. VIL $6. 


620 —_ Ae BONN ONTLEED: EN 


dien zelfden hals, bevond zich met den 
moedermond nog op de hoogte en in 
de richting der boven-opening van het 
bekken: terwyl al het overige van het 
lichaam: en bodem der baarmoeder, 
achterwaarts omgebogen, binnen het 
bekken, en wel tusfchen de fchede en 
endeldarm, was ingezakt. 

Ik bracht, hierop, myne hand ge- 
maklyk, tusfchen deeze omgebogene 
baarmoeder en den endeldarm, in het 
bekken, en konde nu den bodem der- 
zelve, naby het ftuitbeen gelegen, on- 
derfcheppen; en nevens de daar bin- 

nen bevatten vrucht uit het bekken op- 
halen, en voor de lendenwervelen plaat- 
fen. De baarmoeder, dus geplaatst „had 
de gedaante van eenen vry grooten plat- 
achtigen en eijvormigen zak (n); maken- 
de de verwyde hals eene holligheid uit 
met het lichaam en den bodem. De 
trompetten van Fallopius liepen nu van 
de eijerftokken fchuins opwaarts naar 
‚den bodem, De ronde banden ftrekten 
‚zich meerder naar den voorkant derzel- 
ve uit. De baarmoeder had op eenige 
„weinige plaatfen aan den achterkant, 
_ontftokene en als verftikte plekken. 
SD Het 
(Cn) Ibid. Cap. VL. $ 7. 


VROEDKUNDIGE “WAARNEEMING. Ó2f. 


„Het kind lag, gelyk te voren, met 
de voeten naar den moedermond, met 
den rug naar de rechterzyde, en met het 
hoofd, naar de borst eenigfins overge- 
bogen, in het linker gedeelte van den 
meest verwyden bodem: hetzelve was 
gaaf en welgemaakt, en, naar gisfing, 
van tusfchen de zes eh zeven maanden, 
hebbende van het opperhoofd tot de 
voetzoolen de lengte van negen dui- 
men. De navelftreng, elf duimen lang, 
had niets aanmerkelyks, dan de ver- 
fcheidene kronkelingen, die, gevoegd 
by de vry groote hoeveelheid van wa- 
ter, de beweegingen der vrucht, by 
het leven, deeden veronderftellen. «De 
moederkoek , van geene uitftekende 
grootte , was aan den voorkant (o) van 
het lichaam en bodem der baarmoe- 
der aangehecht, en had dus, by de 
verplaatfing en ombuiging derzelve, 
binnen het bekken, tegen den endel- 
darm aangelegen. \ 

De wanden van de baarmoeder had- 
den weinig dikte, doch iets meerder op 
de plaatfe van de aanhechting der moe- 
derkoek, | ut | 

Het bekken was natuurlyk, en ruim _ 

| e 

(o)- Ibid. Cap. VI, $ 7. EE | 


622 A. BONN ONTLEED- EN 


genoeg om een voldragen kind in de ge- 
boorte doortelaten. (p) 

De overige ingewanden van den on- 
derbuik waren welgefteld: en ‘er was 
geen gebrek aan de nieren ofte pisleiders. 

Behalven de hiervoren aangehaalde 
overeenkomst met de beide waarnee- 
mingen van den hooggeleerden Heere 
wan Doeveren, heeft, myn’s bedunkens, 
dit geval de volgende voornaamfte by- 
zonderheden. 

1.) Dat de lyderesfe niet op de der- 
de maand (q); noch ter halver dragt 
(rt), geftorven is: maar haare zwanger- 
heid en leven waarfchynlyk tot tusfchen 
de zesde en zevende maand gebracht 
heeft. 

2,) Dat het bekken niet mismaakt (s) 
was: en daarenboven de uitgenomene 
. fchaambeensvereeniging eene aanmerke- 
lyke beweeglykheid had, gelyk ik 
zulks, omtrent denzelfden tyd deezer 
waarneeming, in eene andere zwangere 
en kort voor den verlosfingstyd geftor- 
vene, en in eene, twee dagen na de 
verlosfing overledene, kraamvrouw me= 
de heb waargenomen, 

3.) Dat 


Cp) Ibid, Cap. VIL. $ 6. (q) Ibid. Cap. VL $ 7. 
(r) Ibid. Cap. VII $ 1. (s) Ibid, Cap. VL $ 5. 


VROEDKUNDIGE WAARNEEMING; 623 


3.) Dat de pisblaaäs niet eindelyk ges 
borften is (t; noch de nieren ont- 
aard, en de pislyders verwyd waren 
(u): maar, deeze aan beide de zyden 
natuurlyk zynde, de blaas alleenlyk 
buiten maate was uitgezet, 

4») Dat de baarmoeder niet flechts 
het bekken alleen opvulde (v); doch 
ook niet tot de hoogte des derden len« 
denwervels was opgerezen (w): maar, 
integendeel , niet dan tot voor den on- 
derften lendenwervel uitpuilde, en, in 
den hals achterwaarts omgebogen , met 
den bodem zelven tot aan het {tuitbeen, 
was nedergedaald, 

5.) Dat de nageboorte of moederkoek 
aan den voorkant van het lichaam en 
bodem der baarmoeder was vereenigd. 

6.) Dat de uitwendige opening vari den 
pisweg zeer hoog achter den boog der 
fchaambeenderen was opgetrokken en 
_ verborgen. 

Indien men derhalven uit deeze ons 
derfcheidende byzonderheden eenige 
gevolgen mag afleiden, zullen de oor« 
zaaken dier verfchynfelen ook eenigers 
, maas 


(© Ibid, Cap. VL S 4. (u) Ibid, Cap. VIJL. $ 4. 
… (w) Ibid, Cap. VL $ 5. (Cw) Ibid. Cap. VES 6, 


624, - A. BONN  ONTLEED:: EN 


maate verfchillen kunnen : welke ik ech- 
ter, by gebrek van meerder ophelde- 
rende onderrichting, niet dan voor gis- 
finger durf opgeven, namelyk: 

- a.) Dat deeze verplaatfing en ombui- 
ging der baarmoeder, waarfchynlyk 
tusfchen de derde en vyfde maand der 
zwangerheid moet gefchied zyn : alzoo 
voor dien tyd, de uitzetting der blaas 
het opryzen der baarmoeder uit en bo- 
ven het bekken zoude verhinderd heb- 
ben; en, na dien tyd, de baarmoeder 
reeds te veel uitgezet; en te hoog bin- 
nen den buik opgerezen, niet dan 
voor een gedeelte binnen de opening 
van het bekken zoude hebben kunnen 
ingedrukt worden, 

6.) De baarmoeder na de tweede 
maand uit het bekken opryzende, 
moet, in dit geval, den hals der blaas 
voornamelyk tegen het achterfte en bo- 
venfte der fchaambeensvereeniging aan- 
drôngen hebben, en dus reden tot de 
ophouding en ophoping der pis gege- 
ven: en, terwyl de blaas zich niet, dan 
naar boven heeft kunnen uitzetten, dee- 
ze noodwendig den geheelen pisweg ach- 
ter de fchaambeenderen moet hebben 
opgetrokken, en ook, op haare Ee b 

„de 


WROEDKUNDIGE WAARNEEMING. 625 


de baarmoeder nederwaarts, naar het 
bekken te rug drukken. 
€) De aanhechting der moederkoek 
aan den voorkant van het lichaam-en 
bodem der baarmoeder ; en deeze bodem. 
zelve, door de daar binnen bevatte: 
vrucht; zwaarder geworden, kunnenook 
dit gedeelte meerder achterwaarts «en 
nederwaarts hebben doen overhellen; 
en, waarfchynlyk’ omtrent: dien tyd, 
waarin de hals der baarmoeder-begint 
verwyd te worden, binnen de opening 
van het bekken allengskens doen inzak» 
ken, tot dat by gelegenheid van eene. 
of andere natuurlyke, persfing „ tot af- 
gang of watermaking, de bodem tus- 
{chen de fchede en endeldarm zy inge- 
fchoten ; indien niet eenig uitwendig ge- 
weld hier van de oorzaak geweest is, 
_d.) Het hoofd van het kind, met-den 
bodem der baarmoeder: nederwaarts 
naar het ftuitbeen afgezakt, bevestigt, 
„niet alleen dat de vrucht altoos en na- 
tuurlykst met het hoofd, als ’tzwaarfte 
deel , nederwaarts moet hellen ; maar het 
‘bewyst tevens, dat in dit geval de vrucht 
‚nader aan de drie maanden. moet :ge- 
„weest zyn, en dus binnen het bekken in 
„wasdom hebben toegenomen; want inù- 
“AF. DEELe Kr dien 


626) A. BONN  ONTLEED: EN 


dien de baarmoeder zich laater mocht 
hebben kunnen ombuigen , aangezien 
dewrydte van het bekken, zo zoude ook 
de vrucht, waarfchynlyk met het hoofd 
naar boven en naar den moedermond 
zyn gekeerd geweest, of zich binnen het 
bekken: -geheellyk hebben moeten kee- 
fen ‚om, gebyk nu ‚ met de voeten voor- 
tekomen. … ke 

‚…&) De verdere toenemende uitzet- 
ting-der- baarmoeder laager binnen het 
bekken gelchied zynde, zal ook hierom 
de vrucht langer hebben kunnen leven, 
en-dusde vrouw haare dragt verder bren- 
gent: den halsderzelve in de bovenfte ope- 
ning van het bekken gelegen, ‘en achter- 
waarts-omgebogenzynde ‚ kan ook hier- 
omde hals der blaas minder zyn bekneld 
geweest, en deeze, zich nog iets kun- 
mende: ontlasten, minder gevaar van 
berften geloopen hebben; de afgang zal 
integendeel des te traager moeten ge- 
„weest zyn, ’t welk uit de ophooping 
ader -drekftof binmen den kronkeldarm 
_ zgenoeg was op te maken. 

… Ik vgeloof, met één woord, dat men 
dit-geval vooreen volkomener graad 
“van ombuiging, en als een vervolg der 
tweede waarneeming, door den Heere 

Ae „pan 


VROEDKUNDIGE SVAARNEEMING, 62% 


van Doeveren befchreven {x), moge 
houden: terwyl de, overeenkomst van 
zo veele omftandigheden, ook-de eene 
voudigheid der natuur, in het, afgen 
dwaalde bevestigt, met gelyke Qorzagr 
ken reed verfchynfelen. te doen: Bi 
wer. SO 
… Het is ondertas hein niet bet befchour 
wend deel der wrbedkunde alleen, -% 
welk uit foortgelyke ontendkondig 
waamneemingen meerder Jicht kan. beko- 
men. maar het is ook inzonderheid het 
beoeffenend deel deezer wetenfchap, de 
konst zelve, welke bier mede haar vaotr 
el doen kan , met te leeren „zich: te- 
gen zodanige voorkomende gevallen. te 
oere 
Het onderflaan. maden ends 
en onderzoek vanden fraatder baârmoe- 
der, zo wel door den endeldarrg als 


der lyderesfe, of, en hoe lang, zy het 
_ leven der vrucht, ener lels emd 
ken, mocht gevoeld hebben; het of 
dasten der pis uit de blaas, door middel 
eener holle fonde (z), welke konftige 
Kr 2 hulp 


@) mid, Ca Cap. VIE, iN 
y 

. B, Vr EG VIL $ r, 
AL Bid; €. C s 


628 A. BONN ONTLEED- EN 


hulp'te wenfchen ware dat door alle 
vroedvrouwen , in de noodzaakelykheid 
zyhde, wierd in het werk gefteld, gelyk 
zulks ten tyde van Roonhuyzen pleeg te 
gefchieden (a). k 

Het voorfchrift en gebruik van zachte 
buikzuiverende middelen ; het opftuwen, 
vervolgens, van de baarmoeder, naar 
de holte des buiks, het welk alsdan, en 
door ‘den endeldarm, en door de fchede 
zal-kunnen gefchieden ; en eindelyk eene 
behoorlyke. onderfteuning des geheelen 
onderbuiks, en eene genoegzaame rust 
der lyderesfe, zullen, by tyds aange- 
wend, ‘in ftaat zyn, de uitgefpannene 
en‘na.de ontlasting faamgevallene blaas, 
allengskens wederom te doen inkrim- 

en;de baarmoeder, binnen den buik 
‘herfteld, behoorlyk te doen uitzetten, 
en de vrucht in wasdom en leven te 
doen voortgaan en toeneemen, tot den 
natuurlyk{ten. tyd eener voorfpoedige 
verlosfing, OE 

(a) Zie H. van Reonbuyzen , Heelkonftige Aanmer- 
kingen , IL, deel bl. 175. 


Hete 
VER- 


| Bladz. 629 
VERHANDELING 


O\NVNE SR 


HET BEGRAVEN DER LYKEN IN 
DE STEDEN EN KERKEN. 


D O0 0 R 


JONA WILLEM TE WATER. 
SSSSSS SIS 


GL et begraven der lyken was; 
El vàn de vroegfte tyden af, 

by de meeste befchaafde volken in ge- 
bruik, fchoon zy in de wyze van be- 
gravinge veel verfchilden. Veele Ge- 
leerden hebben dit {tuk, uitvoerig en 
met groote belezenheid, behandeld (a). 
Rr 3 Men 


(a) FrABRICIUS heeft, in zyne Bibliographia an- 
tiquaria , eene groote meenigte van Schryvers over 
dit ftuk opgegeven. Men vergelyke noch, behal- 
ven veele anderen, JOSEPHI HABERMANN Dis- 
fertatio de innoxiis fepulturis (V indob. 1773) $ 7d s 

’ welke 


630 Ih W. TE WATER OVER HET 


Mert moest eeh. Masfdgeter of foôftge- 
lyk woest mensch onder de Scythen 
zyn, om de dooden, ten blyke van eer- 
bewyzinge, op te eten; of een Hyrca- 
nier, om de lyken aan de honden en 
wilde dieren, ter verfcheùringe voor té 
werpén.=—= De natuur zelve leert ons, 
de doode lichaamen uit ons gezicht weg 
te doen en aan de aarde weder te geven. 
De Grieken noemden dit eene wet der 
godén; en zeiden , dat de algemeene na- 
tuur vorderde, de dooden te verbergen 
(b)— Men rekende de begravinge on- 
der de billykfte zeden; men oordeelde 
het verzuim daar van, zelfs in oorlogs- 
tyden, ten hoogften fchandelyk. Ik be- 
hoeve deze en foortgelyke zaaken, die 


ge 


wêlke Verhandeling , ten zelfden jaare , in de Hoog- 

Arotrehe taäl is 6vergezet ch bitgegevet; efl €, G, 

BOFMANNI Conbièrratid Fatis Canúnii de ddbmèten 

tijs ea Mrbibus Volle: dis te de berogmde Üblius, in 
u 


dit jäär, «deed herdrukken, en opdroeg aan den 
dû) geleerden Beer Pi Henan myhêr waardia 
EEN Vriend, die den Yoörkamen inhoud van deze 
verhandelinge gevoegd heeft achter zynen Fascieulus 
primus Exereitationum (Grozinzae 1775) pag. 163—197 3 
waat in mede hêrdtukt is des laäcstgehoemiden Dis- 
Jertso de probibenda tu hbe et teinplis fepültuta, welke 
Ed Wali is van Caalkundigen gelezen te wore 
“(b) sarBoCuìs # Aje vw; 114), KELIANUS 
Dat, biftor, lib. XII, cap. 04, °C 


BEGRAVEN IN-DE KERKEN. Ó3t 


genoeg bekend zyn, niet breeder voor 
teftellen, bans 
6 IL, Myn tegenwoordig oogmerk 
vordert, dat wy in overweginge nemen, 
uit welke grondbeginfelen de begraving 
der lyken moete worden afgeleid, Het 
is onnoodig, de verfcheiden denkbeel- 
den der Rechtsgeleerden optehalen. De 
meeste gevoelens zyn ongegrond, of, op 
zyn best, geheel onzeker (c)— Dit wei 
nige zy genoeg, Men achtte zich, ten 
allen tyde, verplicht eenige zorge 
te befteden en eer te bewyzen aan de 
ontzielde lichaamen van zoodanigen, 
welken men by hun leven hoog waar- 
deerde, uit aanmerkinge van bloedver- 
wantfchap, of uit hoofde van hunne 
verdienften aan % vaderland en de be- 
vorderinge der wetenichappen.—= Voor- 
al echter moet het begraven worden af- 
geleid uit het algemeen belang der le- 
venden, op dat dezen geen nadeel aan 
hunne gezondheid zouden lyden. sr« 
NEGCA merkte dit voorlang aan (d), en 
niets is zekerer, dan zyn gevoelen, ge- 
lyk naderhand zal blyken, | 
rar Ed …___$HL 
(©) Men zie daar over PERRENOT À c.p. Is 


En HOFMANN Jc. paz. 3—. f 
… (d) De beneficiis lib, V, cap. 20. 


632’ Jk 'W. TE WATER OVER HET 


6 IL. Uit het gezegde volgt, dat het 
redelyk zy , de geftorvenen te begraven 
maar ook, dat het dwaas en fchandelyk 
Zy, die wyze van begravenis te verkie= 
zen, welke allerfchadelykst is en gantsch 
ftrydig met de voornaamfte drangre- 
den, om welke het begraven der lyken 
in gebruik gebragt is.— Ik bedoele 
die vuile en ftinkende gewoonte, om de 
dooden binnen de ftedelyke muuren te 
bewaren „en in de kerken of op de kerk- 
hoven optefluiten; eene gewoonte, in 
Nederland algemeen aangenomen, en 
door de meesten goedgekeurd; eene ge- 
woonte nochtans, welke ik van voorne- 
men ben in deze Verhandelinge te be- 
ftryden: niet uit een beginfel van grilli- 
ge eigenzinnigheid, maat op grond van 
volkomen overredinge, en met een oog- 
merk, om het nut van myne landge- 
nooten , ware het mogelyk, te bevorde- 
ten.—= Ik kenne eenigszins de kracht 
van ’t bygeloof , van ingekankerde voor- 
oordeelen, van verouderde gewoonten, 
van eigen belang en trotzen waan, Het 
is moeilyk, zoo niet gevaarlyk, zich 
daar. tegen te verzetten, Men kan aan 
zulke ondernemingen de hatelykfte be- 
namingen geven, Het zy zoo! Dit ak 

pré cs 


BEGRAVEN IN DE KERKEN. 633 


les moet ons niet wederhouden, om de 
waarheid te fpreken, de billykheid voor. 
te ftaan, de rechte menfchenliefde aan 
te pryzen en het algemeen belang met 
alle vermogen te handhaven,— Ik weet, 
dat voornaame mannen dit zelfde ftuk, 
ook noch onlangs, met opzet behandeld - 
hebben, De fchriften van HOFMANN, 
PERRENOT, HAGUENOT, MARET ; 
HABERMANN, en meer anderen, zyn 
my niet onbekend, Die Geleerden 
fchreven in de Latynfche en Franfche 
talen, en hunne verhandelingen zyn, 
in deze gewesten, in weinige handen. 
Ik fchryve ten dienfte van myne land- 
genooten, in hope, dat myne pogingen 
niet geheel vruchteloos zullen uitloopen. 
9 IV. De oudheid ftaat by de mees- 
ten op een hoogen prys, ook ten aan- 
zien van gewoonten en zeden. Wan- 
neer wy haar raadplegen, zal zy ons 
leeren, dat het begraven der lyken bin- 
nen de fteden en kerken, in vroegere 

tyden, buiten gebruik geweest zy, ee- 
nige weinige gevallen uitgezonderd. 
Van de Hebreeuwen is *t naauwlyks noo- 
dig iet te zeggen , dewyl alles overbekend 
is, Het graf van den Joodfchen Raads- 
eer, waar in de HEERE JESUS werdt 
Br Push 0d ne- 


634 Je W‚ TB WATER OVER HET 


nedergelegd , was buiten Jerufalem.— 
Hier tegen intebrengen, dat dit graf 
thans binnen de ftad aan de reizigers 
vertoond worde, is van geen gewicht, 
hoewel men daar uit ook met geene ze- 
kerheid kan opmaken, dat het graf, t 
welk nu te Jerufalem gezien wordt, in 
latere tyden door bygeloovige en heb- 
zuchtige menfchen vervaardigd zy ge- 
worden, gelyk ik elders (e) trachtte te 
„De Grieken waren meest gewoon, 
de lyken buiten hunne fteden te begra- 
ven (£). So/an beval het door eene uit- 
drukkelyke wet, Het graf van Zhemí 
fhoclet zelven , was buiten Athenen (g). 
Men kon geene begraafplaats voor Mar: 
cellus, van de Atheners, binnen hunne 
ftad bekoren „om dat dit treedt met hun- 
nen Godsdienst en beftendig gebruik (h) 
… De Romeinen begroeven de dooden 
buiten hunneftad , naar den last der tiene 
mannen in de wet der twaalf tafelen (i), 
if | wel- 


CE) Dijpntatio hiftorico-criica ad bifloriam fepulchri 
& Jepulturae Jef Chrifi, pag. vv 
EÔ PETITUS ed leges Atticas hb, VI, tit, 3, 
f NEPOS iz Themiftocle, cap. 19 $ 3. 
Ch) cteerO Jib. WW aa famil. epifh. 12, 
Ci) CICERO de legibs lib, AE, cap. 23. 


BEGRAVEN IN DE KERKEN. 635 


welke verfcheiden malen vernieuwd is; 
misfchien ten tyde van den Burgemees. 
ter Duillius, zeker door de Keizeren 
Hadrianus, Antoninus Pius, Diocletianus, 
Maximianus ; Theodòfius; waar omtrent 
de Heeren VAN IDSINGA (k) en Pi=- 
__ RENOT(I) nader bericht geven. Het 
ware te wenfchen;dat Juftinianus (m) en 
Zeo (n) in vnd bijen niet waren äfgewe- 
ken van de oudé wetten, die den hoog: 

fte lof verdienden, | 
Maar ’t gerie van meer kracht zal gere- 
kend worden, de eerfte Christenen ver- 
oordeelden en misprezen het begraven 
binnen defteden ;, en hunne voornaamfte 
kerkleeraars warenin dezelfde begrippen, 
die beftendig gewagen van de grafplaat- 
fen buiten de ftad, Ik kon my beroe- 
pen op Zertullianus, Clemens den Alexe 
andryner , Arnobius, La@antius, Maca- 
Pius, Apollinaris, Johannes Chryfofto- 
mus,en anderen, die als uit eenen mond 
fpreken. Daarenboven; verfcheiden ou- 
de kerkvergaderingen veroordeelden het 
begraven van lyken binnen de En 
NEE 


Ck) Varior, Juris Civilis cap. XVIII, pag. 152—1Ó5. 
CI) Disfert. cit. pag. 22—30, 

Cm) Novella 133 cap. 3. 

(n) Novella 53 


636 IW. TE WATER OVER HET 


der 'fteden , waar van men de bewyzen 
by anderen zal aantreffen (o). 

‘6 V. Hier uit kan men gemakkelyk 
opmaken, wat de ouden dachten van 
de begravinge in de kerken of andere 
plaatfen , aan den Godsdienst toegew yd; 
De Christenen van de eerfte eeuwen 
hebben die gewoonte nooit goedgekeurd, 
veel min ingevoerd, De geleerde MURA- 
TORIUS (p) poogde wel het tegendeel te 
bewyzen; maar hy werdt daar in volko- 
men. wederlegd door den Heer PERRE- 
NOT (q). Het zou derhalven onnoodig 
zyn, en zelfs ftrydig met myn tegen- 
woordig oogmerk, my in dit oudheid- 
kundig gefchil te verdiepen. —- Men 
ontmoet wel, hier en daar, fommige 
Heidenfche grafzarken in de Christen- 
kerken, % gene de beroemde MABILLON 
niet had moeten ontkennen (rt); maar 
hier uit te willen befluiten, dat de Hei- 
denen hunne dooden in dekerken of tem- - 
pelen begraven hebben, zou al te on- 


gerymd zyn. 
d) | 6 VL Er 


(Oo) SUICERUS in Thef. Ecclef. & BINGHAM 
Orig. Ecclef. vol, X. pag. 3—14- 

(p) Difquiff. 111 de antiguis Chriftianorum fepukcris, 
Anecdot. Graec, pag. 258 fqq. \ 

(q) Disf. cit. pag. 37-72 (r) Zie VOLKMAN 
Reisboek door Italien.IV deel, bl. go , gr. 


BEGRAVEN IN DE KERKEN. 6377 


„6 VL ’Er is niet veel omflags noodig; 
om te toonen, langs welke wegen de he- 
dendaagfche begraafniswyze - onder «de 
Christenen in gebruik kwam— Het 
fchadelyk- bygeloof gaf daar toe de:eer- 
fte aanleidinge. Men begon den marte- 
laaren ‚waaren of gewaanden, alle: mo- 
gelyke eer te bewyzen.- Men bouwde 
tempelen boven hunne graven ;,-of bragt 
hunne lichaamen overzin de kerken ‚die 
binnen de fteden waren.: Men rekende 
het vooreen uitmuntend voorrecht, in 
hunne nabyheid begraven te worden, 
Dit behoeft geene nadere uitbreidinge— 
Hier by kwam het fchandelyk eigen-be- 
lang van fomtmigen „ die ’er hunne voor: 
deelen van trokken, Wanneer de :Re- 
geerders der ftad Leipzig , teh jaare 1536, 

shet getal der dooden bepaalden ;-welken 
men binnen die ftad, mocht begraven, 
en bevel gaven, dat de-anderen «naar 
buiten moesten gebragt worden; -kwa- 
men ‘er bittere klachten aan. den, Her- 
tog, dat hier door de ‚vigilien ; misfen 
enz. merkelyk verminderden en bykans. 
ophielden (s). … Dit eene, voorbeeld ís 
genoeg. De hoogmoed: env ydele 
ERS w KAKI SD ‚7 we Wwaan 
TARS Mss deaol, „edAT- vul 

+ {S) HOFMANN Á c. pd. 033 O4. 


638 J.W. TE WATER OVER HET 


waan der menfchen hebben deze ge: 
woonte gekoesterd, en tot eene wet ges 
een q 7e % niet en rege fchande; 
volgens -de ongelukkige begrippen van 
kleine verftanden; en, noch meer, van 
hovaardige lieden, buiten de kerken na 
hunnen dood te moeten blyven en op 
een kerkhof te worden neêrgelegd ? Wat 
iser de oorzaak van? Liefde tot de 
kerken? Neen ‘zeker, want by hun le- 
ven fchuwden zy ‚-misfchien , daarin te 
komen; maar de waare reden is-enkele 
verwaandheid, ‚Deze en die zyn in de 
kerken begraven. Welke eer! -Myne 
geboorte „ aanzien, verdienften of bezit- 
tingen zyn niet minder, Waarom zou- 
de ik dan voor hun, in dit geval, moe- 
ten wyken ê— De kerkgebouwen trek- 
ken eenige voordeelen van de. graven en 
het begraven in: dezelve, Dit vergor- 
zaakt, dat men aan: deze gewoonte zoo 
fterk verkleefd blyve. Hier wan ús %, 
dat de Reglementen op het begraven, 
ten grootften deele, witkomen:-op het 


onderhoud ende inkomften der kerken, 


Elk kan dit weten. Moet men zich niet 
verwonderen, als men sin een der Regie- 
_amenten van de ftad Leiden, van den 23 
July 1663, leest: ”Niemand zal vermo- 

GRU | gen 


BEGRAVEN IN DE KERKEN. 639 


gen eenige dooden te begraven buiten 
deze ftad op de dorpen, zonder confent 
van Burgmeeesteren, dewelke — zorge 
zullen dragen, dat een redelyke erken: 
tenis, ten behoeve van de kerken , wor: 
de betaald” (t). En echter is dit in de 
meeste fteden van ons Vaderland aange+ 
nomen, Om nu niet te zeggen, dât 
men in. veele plaatfen eenig geld zede 
dere ten behoeve van zulke kerken, wel- 
ke worden voorbygegaan, als men een 
lyk naareen verder afgelegene kerk in 
de ftad heden brengt, om het daar te 
begraven. EO0S | 
6 VIL ‘Geene drangredenen zyn wan 
grooter vermogen, om ons ergens toe 
optefpooren of van iet aftemanen, dan 
welke ontleend worden van het voorde- 
lige of fchadelyke, Laat ons de gewoon- 
te van ’t begraven in de fteden en ker- 
ken befchouwen in haare fchadelykheid, 
Ik zwyge nu, hoe nadeelig dit gebruik , 
nu en dan, bevonden worde voor de 
kerkgebouwen zelve, voor hunne grond- 
flagen , vloeren en pylaaren. Dit is’het 
minfte— Maar onze gezondheid en 
zelfs ons leven konnen daar door groot 
zi RO Ke | ‚Ber 
) VAN Mt Leyden 
rde kades 


64Î JT. W+ TE. WATER OVER HET 


gevaar loopen, Alle doode lichaamen, 
in-% byzonder ook der menfchen, ple- 
gen eenige fyne deeltjes uittewaasfemen, 
Die uitwaasferningen veroorzaken ftanks 
De lucht wordt daar mede vervuld; en 
haast befmet, vooral in den zomer, en 
wanneer de wind veel uit het oosten 
en zuiden waait, Die uitwaasfemingen 
worden opgefloten in de kerken „ja ook 
binnen de fteden door de hoogte der 
huizen en boomen, zoo dat de wind 
haar. bezwaarlyk kan verdryven en de 
lucht daar van zuiveren. Zy brengen 
befmettinge voort, welke tot. de naast 
bywezende lichaamen overgaat „en oor- 
zaak is van zwaare onheilen, algemeene 
ziekten en van de pest. De Geneeshee- 
ren HABERMANN (U), LOUIS (v) en 
MARET (w) hebben dit, uitvoerig en 
op goede gronden, betoogd.— Men 
zal de fchadelykheid van ’ pine 
lig 00- 


(u) Disfert. cit, $ 1725. ; 

Cv) Lettres fur la certitude des fignes de la mort (à Pa- 
ris 1752) pag. 167 —160. 7 a 

Cw) Mémoire fur lufage où l'on est d'enterrer les morts 
dans les Eglifes &* dans Venceinte des villes (à Dijon 
1773) pag. 4—I2.— Een uittrekfel van deze verhan= 
deling is te vinden in Fourzal des Scavans Juin 1774 
Pag.-35--6o, en in meer andere tydfchrifen van de 
Jaaren 1773 en 1774. | | 


“BEGRAVEN IN DE KERKEN. 64î 


dooden in de kerken noch meer ont 
dekken; indien wy onze aandacht wes« 
tigen- op zulke tydsomftandigheden, 
wanneer kwaadaartige en befmettende 
koortfen, kinderziekte en, vooral, de 
pest in ons land heerfchen. In de eersta 
genoemde gevallen draagt men; bykans 
nooit, naauwkeuriger zorge voor de 
begravinge der lyken,; dan op andere 
tyden, fchoon het getal der dooden 
daar door, op eene ontzaglyke wyze;, 
vermeerderd wordt, Getuige hier van 
zy deze ftad in vroegere jaaren, om vari 
andere plaatfen en lateretyden nute zwy« 
geïi.— Ten tyde det geduchte pest« 
ziekte, gebruiken de Overheden wel 
eenige meerdere oplettendheid en voor- 
zorge op dit fluk, b. v. omtrent den 
tyd der begravinge, het behoorlyk ma« 
ken, digt toefluiten en bedekken der 
doodkisten (x); maar dat dit alles niet 
toereikende zy, om de levenden geen 
nadeel van de dooden te doen lyden, 
zal elk onbevooroordeeld mensch aan- 
ftonds bezeffen, Waarom in zoodanige 
omftandigheid in Vrankryk, en noch 
onlangs te Praag, bevolen werdt, de 

IV. DEEL, Ss doo- 
(GO VAN MIERIS belchryving van Leyden 1d. 
bl. 239, 240, 


642 Je We TE WATER OVER, HET 


dooden buiten de kerken en fteden ter 
aarde te beftellen.— Zoo dra zich de 
allermin{te bekommering opdoet, dat 
de pest van elders tot deze landen zou 
konnen overgebragt worden, ontbreekt 
het. niet aan de bekwaamfte middelen, 
welke onze lofwaardige Overigheid in ’% 
werk ftelt, op dat zulk groot onheil 
van onze landpaalen, onder ’s Hemels 
zegen „ afgekeerd. blyve, Maar loopen 
wy geen gevaar voor deze ontzaglyke 
bezoekinge? Is ’er niet groote reden 
van vreeze? wanneer aan deze of gene 
befmettende ziekten, op éénen dag, in 
dezelfde ftad, dertig of veertig men- 
fchen fterven, ven -dezen in de kerken, 
ten minften binnen defteden , begraven 
worden, . Voorbeelden daar van. kan 
men in de vroegere gefchiedenisfen van 
Nederland aantreffen (y). … Ontbreken 
zy ook wel in latere dagen en by onzen 
leeftyd? — Het gezegde zal genoeg 
| de ‚ZYN, 

(y) In de Annales verum in Holl, & Traj. geftarum 
anno 1481 -fqg. $ 57 word aangeteekend: ”Item ooc 
fal men weten datter binnen Utrecht fterf aan dat 
buyckoevel fo, datter des daghes waren omtrent 
XXX of xL doden, fomtyts meer ende min, ende te 
onfer Vrouwen Lichtmisfe maeckte men te Buer- 
kerck buerkulen, die doden in te graven.” Zie 


M 5 TTHAEL vel, aevi Analeët, Tom. II  pag.‚56 edita 
in 8. 


BEGRAVEN IN DE KERKEN. 643 


zyn, zoo ik vertrouwe, om ons volko- 
men te overtuigen, dat onze wyze van 
begrayen ten hoogften fchadelyk kan 
WEZEN on Ne 0 br 
6 VIII Dan, laat óns de ondervin- 
dinge raadplegen, voor welke alle reden: 
kavelingen de plaats tnoeten inruimen. 
Zy heeft ons geleerd, dat de pest meer 
dan eens veroorzaakt en voortgezet is 
door de befmettende uitwaasfemingen 
der doode lichaamen. MEAD, TRALLES 
en PARÉ Zyn ons in dezen tot geloof- 
waardige getuigen (z)— Zy heeft 
ons aangekondigd, dat die uitwaasfes 
mingen oorzaak van een fchielyken 
dood wären, RAMAZZINI, hooglee- 
raar in de geneeskunde te Padua, bee 
roept zich (a) op *t voorbeeld van fom- 
mige doodgravers, die echter, zyns 
oordeels, wel eenige oplettendheid der 
Geneesheeren verdienen, wier eer. zy 
dikwils ophouden, door hunne misfla- 
gen te gelyk met de lichaamen der ge- 
{torvenen onder de aarde te verbergen. 
Het begraven van één mensch koste 
aan drie anderen het leven , te Mont pél- 
x DEN lier, 


RET pag. I13—18. 


(z) Vergelyk RABERMANN Zos $ 95-97. MA= 
……(@) De Morbis artificum cap, XVIL | 


644 JW. TE WATER OVER HET 


lier, ín dén jaare 1744, naät het bes 
ticht van den vermaarden HAGUE- 
No T(b), die meer foortgelyke gevallen 
heeft opgegeven. Eénlyk, in de kerk 
te 7ülant begraven, vervulde dezelve 
met een’ ondraaglyken ftank, zoo dat 
men ze, voor eenen tyd, moeste verla- 
ten, en zy, die gebruikt werden om 
dat lichaam in een ander graf overte- 
brengen, ‘er hun leven by infchoten. 
Te Parys, Dijon, Saulieu, Riom en 
Ambert heeft men, federt weinige jaa- 
ten, dé treurige ondervindinge gehad, 
hoe nadeelig onze manier van begraaf- 
nisfe zy voor de gezondheid, ja zelfs 
voor het leven, waâr van zoo veelen 
beroofd werden door het begraven der 
Iyken in de fteden ‘en kerken (c)…— My 
geheugt elders (cc):gelezen te hebben, 
dat aanftonds na het openen van zekere 
‘grafftede, waar in iemand, aan de kin- 
derziekte overleden zynde , omtrent der- 
tig jaaren te voren was neêrgelegd, die- 
zeltde ziekte zich op een dorp in Zn- 
geland openbaarde, van daar verder ver- 
fpreid- 
(b) Mémoire far le danger des inbumations dans les Egli= 
Jes, à Montpellier 1747. 
(C) MARET pág. 19, 203 26—35. Mémoires de 
P Acad. Royale des Spiences, année 1749 pag. 121 G> fiv, 
(CC) UNZER in gy nen Artz VI deel II ftuk „ bl,128, 


BEGRAVEN IN DE KERKEN. 645 


{preidde en eenigen naar het graf fleepte, 
Waar aan hebben fommigen de kwaads 
aartige koortfen , welke over weinige jaa- 
ren in zekereftad van ons Vaderland voor 
veelen doodelyk waren, toegefchreven, 
anders dan aan het openen van een graf e 
‘twelk federt een langen tyd was befloten 
geweests— Deze en foortgelyke voors 
beelden (c*) behoorden ons teleeren, dat 
wy niet langer mogen vasthouden aan 
een gebruik, zoo vlak ftrydig met de 
menfchelykheid, de rechte Staatkunde 
en den waaren Godsdienst. 

SIX. Wie roemt dan niet met my 
de oplettende zorge van het Paryfche 
Parlement op dit punt, ten jaare 1765 
betoond? Wie pryst niet de navolgens- 
waardige befluiten van zoo veele fteden 
in Vrankryk, tegen het begraven in de 
kerken en binnen de ftadsmuuren, fe- 
dert weinige jaaren, genomen en met 
de daad ter uitvoeringe gebragt? Men 
denke aan Saulieu, 7 rayes, Laon, Dúle 
en Puy, in welke laatíte plaats zelfs geen 
„Bis{chop.na zynen dood binnen de kerk 
zou worden toegelaten (d)—= In Zaliën 

5 B gaat 

(c*) UNZER in den Artz II deel I ftuk , bl, or-94. 


(d) MARET pag. 34, 56, 59. LOUIS Lettres fur 
da certitude des fignes de la mort pag. 187. 


646 J.W. TE WATER OVER HET 


gaat men ons in dezen voor. Te Livorno 
begon men, op hoog bevel, federt den 
eerften Augustus 1773, het begraven 
binnen de ftadsmuuren natelaten en de 
graflteden in de kerken toetemetfelen, 
uitgezonderd die van eenige adelyke ge- 
flachten, Te Milaan werdt het begra- 
ven in de kerken, kort daarna, by eene 
uitdrukkelyke wet verboden, De geleer: 
de ALLEGRANZA gaf, vermoedelyk, 
daar toe aanleidinge. Althans hy heeft, 
omtrent dien tyd, een werk in % licht 
gegeven over de graven der Christenen; 
waar in hy ook aantoonde, dat dit ge- 
bruik moet afgeleid worden van een 
Godsdienftig bygeloof, naderhand ge- 
fterkt door de gewoonte en den hoog- 
moed (e). — Aanmerkelyk is, ten de- 
zen opzichte, het plakaat van den Her- 
tog van Modena, van den tweeden July 
1774. Hy betuigt vooraf, dat de ge- 
zondheid en behoudenis van zyne wel 
beminde onderdaanen een der voornaam: 
{te voorwerpen van zyne vaderlyke zor- 
gen uitmaken, waar van Hy hun reeds 
verfcheiden blyken had gegeven; dat 
Hy niet dan met groot leedwezen het 

nds 


Ce) Gazette Littgraire OBob, 1774 Pag. 446» 447 


BEGRAVEN IN DE KERKEN. - 647 


nadeel befchouwe, *t welk aan de ge- 
zondheid wordt toegebragt door de gra- 
ven binnen en buiten de kerken, wier 
dampen alleen in ftaat zyn , om alle an- 
dere genomene maatregelen te veryde- 
len, Waarom de Hertog, na ryp over- 
leg met zynen Staatsraad en raadple- 
ginge van de Godgeleerden en Genees- 
heeren, bevel gaf, dat alle dooden der 
ftad Modena van nu voortaan begraven 
zullen worden op het groote kerkhof, 
tot dat einde op een open veld buiten 
de {tadspoort vervaardigd, alleen uitge- 
zonderd de lyken der Prinfen en Prin- 
fesfen, en van den Bisfchop. Ik achte 
onnoodig, de verdere punten van dit 
voortreftelyk plakaat hier optegeven, 
Er zal noch, in * vervolg , gelegenheid 
komen om van fommige derzelver mel- 
dinge te maken — Dat te Doornik me- 
de voorzien zy geworden tegen het oud 
gebruik der begravinge in de ftad en 
kerken, heb ik in onze nieuwspapieren 
aangeteekend gevonden. De hervorming 
derhalven, in dit ftuk, fchynt allengs 
nader aan ons Vaderland te komen. —= 
Toen de beroemde MARET zyne ver- 
handelinge, over ’t gebruik van de doo- 
den te begraven in de kerken en binnen 


648 JW. TE WATER OVER HET 


den omtrek der fteden, ter onderzoes 
kinge overgaf aan de Akademie der wee 
ten{chappen te Dijon, nam zy het be- 
fluit, om dit betoog, *t welk aan alle 
vooroordeelen een beftendig ftilzwygen 
kon opleggen, te zenden aan den Bis- 
fchop, den Procureur Generaal en den 
Syndicus der ftad: met vertoog aan de- 
zelven, dat de Akademie geoordeeld 
hadde in haare verplichtingen aan ’t va- 
derland te kort te zullen fchieten, in- 
dien zy hun niet bekend maakte haare 
wyze van denken over een misbruik, ’% 
ene het algemeen welzyn zoo wezen- 
yk betrof (f). Hoedanig de uit(lag hier 
van geweest zy, is my tot nu onbekend; 

maar ik wenfche met dien geleerde 
Schryver, dat hy het gevaar der oude 
gewoonte niet vruchteloos zal hebben 
aangewezen, en dat het ophouden daar 
van aan zyne vaderlandlievende bedoe- 
lingen zal beantwoorden, Maar ik 
mag vooral niet vergeten, dat de Kei» 
zerin Koningin Maria Zherefia, byzon:- 
der ook op raad van den grooten van 
Swieten, ten jaare 1773, haare gedach- 
ten heeft laten vallen op het begraven 
| | _ der 


(f) Extrait des Registres de |’ Asadámie des Spieuces; 
Arts & Belles-Lettres de Dijon, du 1 Mars 1773, 


BEGRAVEN IN DE KERKEN, 649 


der dooden binnen Weenen en in de ker. 
ken. Haare Majefteit liet. onderzoek 
doen op het fchadelyke van deze ge. 
woonte, en op welke wyze dezelve, 

evoeglykst „ zou konnen afgefchaft wor- 
len, Hier uit nam de kundige HA- 
BERMANN gelegenheid, om zyne ver- 
handelinge, over de onfchadelyke be- 
graafnisfen en de nadeelige begravingen 
der dooden in de kerken en fteden, uit« 
tegeven, en had het genoegen, dat zyn 
vertoog, byna, eene algemeene goeds 
keuringe wegdroeg, zelfs by de genen, 
welken anders het baatzuchtig bygeloof 
allermeest bezielt (eg). ‘Er is naauw- 
lyks aan te twyffelen, of een onderzoek, 
zoo welberaden bevolen , en een betoog, 
met zulke ongemeene toejuichinge ont- 
fangen, zullen met een gelukkigen uit 
flag bekroond worden, 

6 X, Niemand denke, dat men, in 
deze en de voorgaande eeuwe , het be= 
graven binnen de fteden en kerken al. 
ze) Ss 5 leen 


(g) Volgens bericht, uit een brief van Weenen, 
my medegedeeld door den Heer Yob Baster, in 
wiens dood, onder het drukken van deze verhan= 
delinge voorgevallen, de geleerde “weereld ‘een 
groot verlies geleden heeft, en welken zyne vrien= 
den, waar onder ik het my tot byzondere eer re= 
Kene behoord te hebben „op het hoogfte betreuren, 


650 ja. W‚ TE WATER OVER HET 


leen op eene befpiegelende wyze veroor- 
deeld hebbe,— Neen voorwaar! ’Er is 
geen gebrek aan voorbeelden, dat man- 
nen van naam, en die beroemd waren 
door hooge geboorte, aanzienlyke eer- 
ampten , uitmuntende geleerdheid of 
waare deugd, uitdrukkelyk belast heb- 
ben, ’tzy by monde of in gefchrift, dat 
men hunne ontzielde lichaamen buiten 
de kerken onder den blaauwen hemel 
ter aarde zou beftellen— Te Orleans 
is dit vry algemeen, ook onder de voor- 
naamfte Geestelykheid, De laaást over- 
leden Hertog van Orleans heeft zelf op 
een kerkhof willen begraven worden.— 
De Kanfelier dAguesfeau werdt, naar 
‚__zyne begeerte, mede op een kerkhof be- 
graven — Hetzelfde had plaats om- 
trent den fchranderen Kanunnik Porée 
te Caen, die met zyn eigen voorbeeld 
in t jaar 1770 toonde, dat hy, vyftien 
jaaren te voren, zich welmeenend had 
aangekant tegen de oude gewoonte van 
begraven in de kerken (h).— Simon Pie- 
tre, Geneesheer te Parys, wilde onder 
den blaauwen hemel begraven worden, 
om na zynen dood aan niemand fcha- 
delyk te zyn, daar hy by zyn leven 

| voor 
…(h) MARET pag. 63—66. | 


BEGRAVEN IN DE KERKEN. Ó5t 


voor allen nuttig was geweest (i)— De 
Leuvenfche Hoogleeraar Philippus Ver- 
heyen beval zyn ftoffelyk deel in de open 
lucht te begraven, om de kerk niet te 
ontheiligen of door fchadelyke dampen 
te befmetten (k)— De geleerde Vonck, 
een Nederlander, ging ook te Manheim 
in dezen met zyn voorbeeld aan ande- 
ren voor (I)…——— Begeert iemand voor- 
beelden binnen ons Vaderland, hy den- 
ke aan Petrus Plancius, Predikant te 
Amfterdam, een man, aan wien de Oost- 
indifche Maatfchappy in haare oprich- 
tinge en eerften bloei zoo groote ver- 
plichtinge heeft gehad, Hy gaf, op 
zyn fterfbed, zynen vrienden in last, 
om zyn lyk in geene kerke te begra- 
ven (m). By dezen voege men den eer= 

kj waar- 


(i) Menagiana tom, II. pag. 384 385. De woor- 
den van zyn graffchrift, door deszelfs zoon opge- 
fteld, zyn daar aangehaald, en door anderen dik= 
wyls nagefchreven. shit 

(k) Zyn graffchrift, ’ gene hy zelf had gefchres 
ven, wordt door LOUIS Lc, pag. 179 dus opge- 
geven: Philippus Verheyen , Medicine Doltor et Profesfor 
partem fi materialem hic in coemeterio condì volmit , ne 
Zemplum dehoneftaret , aut nocivis balitibus inficeret, 
(1D) PERRENOT Á, c. pag. 80. 

(am) W'AGENAAR befchryving van Amfterdam 
UI ftuk bl. arg, 220. BRANDT hiftorie der refor= 
“matie mv deel bl, 858, | 


652 J.W. TE WATER OVER HET 


waardigen Maarten Schagen, Leeraar 
der Doopsgezinden te Utrecht, die bui- 
ten de kerken, en zelfs buiten de ftad, 
onder den blooten hemel wilde begra- 
ven worden, om aan de levenden geene 
fchade toetebrengen. Zyn wil werdt 
ter uitvoer gebragt, en zyn lichaam 
buiten de {tad ter aarde bezorgd, naar 
uitwyzen van het opfchrift, ten jaare 
1770 op zyne grafzark geplaatst (n)— 
Zulke -loffelyke voorbeelden zyn der 
navolginge dubbel waardig, en behoor- 
den ons te vervullen met dezelfde begin- 
felen van edelmoedige menfchenliefde, 

6 XI. Het kan ons noch zoo vreemd 
niet voorkomen, dat eene oude gewoon- 
te, hoe fchadelyk ook, blyve ftand gry- 
pen, als wel, dat zy haare voorfpraken 
vinde, niet alleen onder het blinde ge- 

meen ; 


Cn) Ik zal het graffchrift, gelyk het my werdt 
medegedeeld, hier byvoegen, om dat het nict al- 
gemeen bekend is. Het is van dezen inhoud: 
L. S. Ne zoceat wivis boc fibi fub dio elegit fepulcrum be= 
atorum expebtans vefarreëlionem Martinus Schagen V. D. M., 
inter Baptiflas, natus Alcmarie XXIV Odobris Ao. 
MDCC. denatus Ultrajelli XXI Oëtobris Ao. MDCCLXX. 
Dit voorbeeld is te aanmerkelyker, indien de kun- 
dige Schagen, gelyk men gelooft, de vertaler en 
uitgever der werken van Hervey is, wien wy in 
% vervolg zullen aantreffen, als een voornaamen 
verdediger van ’tbegraven der dooden inde kerken. 


BEGRAVEN IN DE KERKEN. Ó53 


meen , maar zelfs onder befchaafde, ge= 
leerde en,‚ in andere ftukken, welden- 
kende menfchen. Om niet te gewagen 
van Car-pzovius en Urrutigoytus , welker 
niets beduidende redenen, voor ’t be« 
graven in de kerken, worden opgegeven 
en volkomen wederlegd door de Heeren 
PERRENOT (O0) en HOFMANN (p)3 
ik heb allermeest het oog op den be- 
roemden HERVEY, die eene uitvoeri- 
ge aanteekeninge by zyne Overdenkins 
gen over de Graffteden heeft gevoegd (q), 
waat in hy het nuttige en betamelyke 
der begravinge in de kerken tracht aante- 
wyzen. Het is onnoodig zyne woorden 
natefchryven, naardien deze overden- 
kingen in aller handen zyn. Het gezag 
van dien Godvruchtigen fchryver is in 
Nederland zeer hoog gerezen; maar 
des te noodzaaklyker is het, dat wy 
zyne aanmerkingen , op dit punt, naauw- 
keurig ter toetfe brengen, om ons door 
geenerhande vooroordeelen te laten 
wegflepen.—. Wy mogen ons veel 
meer, en met recht, verwonderen over 
zyne denkenswyze, dan hy zich kan 

| | ver: 

(o) Disfert. cit. pag. 72 fqq. 


(P) Comment, laud, pag. 51—57a 
Cq) Bladz. 6567. Ane 


654 JW. TE WATER OVER HET 


verwonderen, dat fommigen zich aan ’t 
begraven in de kerken {tooten en daar 
tegen uitvaren, als iet oneigens en on- 
betamelyks. Hy zal, vermoedelyk, 
zoo weinig in Nederland als in Enge- 
land, groote begunftigers van dit zyn, 
gevoelen aantreffen, maar veel eer hef- 
tige beftryders.—- Of de denkbeelden 
van zyne wederftreveren enkel ontftaan 
uit eene al te ver gaande en kwalyk be- 
grepene naauwgezetheid, wil ik gaar- 
ne overlaten aan elks oordeel, die den 
oorfprong en de fchadelykheid van het 
hedendaagsch gebruik, te voren aange- 
wezen, in aanmerkinge zal nemen. — 
Men kan, ’t is waar, zorgedragen, dat 
de grondflagen der kerkgebouwen geene 
fchade lyden; maar is *t wel zoo ge- 
makkelyk, de fchadelyke uitwaasfemin- 
en van ’t verrottend vleesch te verhin- 
deren? Ik denke, neen: ten ware men 
befloot, elk Iyk in een gemetfeld graf, 
afzonderlyk, neêrteleggen, en zooda- 
nig graf nooit naderhand te openen, , 
om ’er een ander lyk bytezetten. Dan, 
hoe haast gouden de grootíte kerken, 
vooral in volkryke fteden, in zulk ge- 
val, te klein worden ter bevattinge van 
de dooden? Daarenboven, hoe zarde 
: et 


BEGRAVEN IN DE KERKEN. 655 


het dan gefchikt worden met andere 
zwakke vooroordeelen ? de meeste men- 
fchen hebben eene fterke begeerte ‚ om 
in ’t zelfde graf by hunne naaste bloed- 
verwanten gelegd te worden, —  Mis- 
fchien zal * begraven in de kerken nut- 
tig zyn, om de levenden te meer met 
een? indruk van hunne eigene fterfelyk- 
heid te vervullen, en om hen ernftiger 
te maken in het hooren en bidden, 
Voorwaar! zy zyn zeer ongelukkig, 
die geene byblyvende bezeffen van hun- 
ne verganklykheid en kortftondig leven 
hebben, ten zy ze boven de dooden in 
de kerken zitten. Alles roept onstoe: 
gedenkt te fterven. Een gebruik, uit 
bygeloovigheid geboren. en door hoog- 
moed opgekweekt, behoeft hiertoe niet 
medetewerken, En al eens toegeftaan 
zynde, dat men dit gevolg by den ee- 
nen of anderen zal aantreffen, is het 
echter onredelyk zulke gewoonten te 
 sverdedigen, ‚die aanloopen tegen. de 
„algemeene « belangen der, menfchelyke 
„maatfchappye,. De ernst in * hooren 
‚en bidden zal door de graffteden in de 
kerken niet fterk aangroeien, maar. veel 
eer verminderen, … Meenigmaal. wordt 
„de aandacht afgetrokken door het zen 
Ro | er 


656 J.W. TE WATER OVER HET 


der begtaafplaatfen, én noch meer op 
de herdenkinge, dat onze geliefdfte 
Vrienden en dietbaarfte panden aldaaf 
begraven liggen. Om niet te zeggen; 
dat veelen eene zwakheid bekruipe, 
om zoodanige kerken, jaaren lang , zoo 
hiet voor altoos, te vermyden.— 
fchouwen wy de gronden, waar op de 
betamelykheid der begraafnisfen bin- 
hen de kerken gebouwd wofdt, *t zal 
blyken, dat zy ongemeen wankelbaar 
zyn. Men zegt: de geloovigen zyn techt 
dierbaar in GODS oogen; jesus heeft 
ook hunne lichaämen met zyn bloed ges 
kocht, welke uit dien hoofde tempelen 
van den H‚ GEEST Zyn. Vooraf moet 
men aanmerken; dat de Godvreezende 
fchryver alleen fpreke van de geloovigen. 
Die benaminge zal hier noodzaaklyk in 
“den fterkften zin dienen opgevat te wor- 
„den. De gegevene omfchryving leert 
dit ten klaarften. Maar wat dan ge- 
daan met de Iyken der ongeloovigen? 
Zy zullen oók in de kerken moeten 
begraven worden, of daar buiten bly« 
Veri, en van de geloovigen afgefcheiden 
wórden, Het laatfte ís aan veele en 
Onoverkófnelyke zwaarigheden öndet. 
‘hevig. Wie zal het bepalen, zoo > À 
Wert 


BEGRAVEN IN DE KERKEN. 657 


werf er een mensch fterft, of hy tot de 
wWaare geloovigen behoore. Het Conci- 
lie, te Rouwen gehouden in den jaare 
158r, befloot, dat voortaan niet alle 
dooden, zonder onderfcheid, in de ker- 
ken zouden begraven worden, maar al 
leen de Kerkelyken of Geestelijken, en 
die, door adeldom, deugden en ver- 
dienften aan GOD of ’t gemeenebest, 
boven anderen uitmunten. Maar ‘tis 
voorlang zeer wel opgemerkt, dat zoo- 
danige uitzonderingen nooit anders dan 
de grootíte verwarringen konnen veroor- 
zaaken , en het kwaad noodwendig ver- 
dubbelen, In eene zaak, welke aan- 
ftonds onder elks bevattinge valt, be- 
hoeve ik niet breedfpraakiger te zyn (r). 
* Is zoo, de lichaamen der geloovigen ; 
hun leven en zelfs hun dood, zyn dier- 
baar ín ’s HEEREN oogen, naardien 
zy door ’t bloed van zynen Zoon ge« 
kocht zyn. Wat volgt hier uit? dat zy, 
na den dood, binnen de muuren der 
kerken ter aarde moeten befteld wor- 
den? Geenszins; want ‘er is geen ver- 
band tusfchen het een en het ander, 
Dit betoog is dus krachteloos, Waar- 

IV. DEEL. Rs Oe om 


(1) Vergelyk MARET pag. 062, 


658 J.W. TE WATER OVER HET 


om had het begraven in den tempel en 
fynagogen dan ook geen plaats by de 
oude Jooden? Zegt men hier op, dat 
dit moet worden afgeleid uit de fcha« 
duwachtige wetten onder dat volk , wel- 
ke nu geheel afgefchaft zyn, ik vraag 
wyders, waarom dan niet by de eerfte 
Christenen, onder welken zoo veele uit- 
muntende voorbeelden van heiligheid 
waren? De lichaamen der geloovigen, 
wel is waar, zyn tempelen van den H, 
GEEST; maar zou het befluit, daar uit 
ontleend, eenigen klem hebben, dan 
moest men konnen vastftellen, dat die 
lichaamen noch zulke tempelen blyven 
na hunnen dood, ’t welk niemand zal 
{taande houden, of dat zy aan geene 
bedervinge en verrottinge zyn bloot ge- 
fteld, ’ gene de ondervinding duidelyk 
tegenfpreekt. Het is derhalven niet on- 
betamelyk, maar veel eer redelyk , ook 
de lichaamen der geloovigen, na hun- 
nen dood, buiten de kerken en fteden 
te fluiten, op dat de levenden daar door 
geen hinder lyden aan hun leven en ge- 
zondheid Men zal, waarfchynlyk, 
noch tegenwerpen, dat de nadeelige 
gevolgen van ’*t begraven in de fteden 
en kerken, vooral in ons land, ze 

Zere 


BEGRAVEN IN DE KERKEN: 659, 


zeldzaam ondervonden worden. Ïk 
erkenne gaarne, dat de voorbeelden 
daar van minder in Nederland, dan el- 
ders, bekend zyn; maar het zal my, 
„door veelen, gereedelyk worden toege. 
-ftemd , dat ‘er in dezen grooter gebrek 
aan waarnemingen, dan ondervindinge, 
heerfche. Men heeft, by voorbeeld, 
in vroegere tyden opgemerkt, dat na 
het eindigen van de pest, vooral in de 
twee of drie eerstvolgende jaaren; en 
meest in volkryke fteden van Neder« 
land, gevaarlyke en kwaadaartige koort- 
fen regeerden. De Heer BASTER, aan 
wien ik deze aanmerkingen verfchuldigd 
ben, was met my van oordeel, dat de 
voornaamfte reden daar van te zoeken 
Zy in onze manier van begraven, ’% 
welk hy meende uit verfcheiden omtftan- 
digheden te konnen befluiten. De dood 
van dien kundigen Man heeft my en 
mynen lezer beroofd van een uitvoerig 
bericht, ’t welk hy my des aangaande 
had beloofd mede te deelen. Hier van 
nu verfteken zynde; zal ik ’er noch al- . 
leen bydoen, dat offchoon de fchade- 
lykheid van * begraven in de kerken 
zich niet aanftonds, en op eene in *toog 
loopende wyze, openbaare, dezelve 
dan dE daar- 


660 J. W. TE WATER OVER HET 


daarom niet kan geloochend worden; 
gelyk de beroemde Louis, MARET; 
ROZIER (s) en anderen , met onwraak- 
baare voorbeelden, bewezen hebben, 

Het blykt genoeg, naar ik vertrou- 
we, dat de beste {chyn-redenen, voor - 
de begravinge der lyken in de kerken 
aangevoerd, van gering aanbelang zyn, 
en geene inbreuk maken op de ftellinge, 
dat deze gewoonte fchandelyk, nadee- 
lig, onbetamelyk en alzins te verwer- 
pen zy. 

Ó XII. Het wordt dan meer dan tyd, 
om dit gebruik te laten varen, en tot 
de eenvoudigheid der vroegfte Christe- 
nen wedertekeeren—- De Nederlan- 
ders zyn, ten grooten deele, genegen 
en gewoon, hunne zeden te fchikken 
naar den voorgang van andere landen 
en volken, Italien en vooral Vrankryk 
leeren ons, hoe wy moeten fpreken , 
eten, drinken, ons kleeden, de jeugd 
opvoeden enz. Laat ’er ons liever van 
leeren, waar wy de dooden moeten be- 
graven, Rechtfchapen Nederlanders, 
die wel denken en hunne medemenfchen 
beminnen, zullen aan de veranderinge 

van 


(5) Obfervations Phyfiques , année 1773 tom 1 Pe KO 


BEGRAVEN IN DE KERKEN. — Ó66f 


van een oud en fchadelyk gebruik gee- 
nen tegenftand bieden. Dit mag men, 
ten minften, billyk van hun verwach- 
ten — Van de zyde der Godgeleer- 
den zal men, zoo ik wenfche, voor 
geene tegenftribbelinge te vreezen heb- 
ben. Zy zyn vyanden van bygeloovig- 
heid en verkondigers der waare men- 
fchenliefde, Dit beide behoort ook hier 
doorteftralen, Waarom zouden zy zich 
laten befchamen door de. Roomschge- 
zinde Godgeleerden in Italien, Vrank- 
Tyk en Duitschland? Het gezag van 
voornaame mannen pleegt, doorgaans, 
meer invloeds op de harten der men- 
fchen te hebben, dan de bondigfte re- 
dekavelingen; om welke reden alleen, 
ik den Proteftanten te binnen brenge 
den nadrukkelyken raad, hun door den 
grooten kerkhervormer LUTHER gege- 
ven (t), om de geftorvenen niet langer 
binnen de fteden te begraven ; en de 
zinryke woorden van den geachten Rr- 
VETUS (u), die, fprekende van * be- 
BEven der lyken in de fteden en ker- 
er, zich dus uitlaat: Gaarne zag ik, 

T43 dat 

(E) Tom. IIF Oper. Ferers. Î25. 380» apud Hor 


MANNUM dc. pag. 78—7ó. 
(u) In Geref. cap, XLY1 Exercitat, 172. 


662 J.W. TE WATER OVER HET 


dat deze gewoonte, door de gierigheid en 
bet bygeloof ingevoerd, met alle andere 
overblyffelen wan bygeloovigheden by ons 
was afgefchaft, en dat bet oud gebruik 
berfteld wierde, om openbaare begraaf- 
plaat fen in ’t ruim en open veld buiten de 
fladspoorten te frichten, Dit komt im- 
mers best overeen met het nut der burge- 
ren, naardien de lucht in beflotene plaat- 
Jen door den flinkenden reuk der lyken 
neodzaaklyk moet befmet worden, zoo dat 
men hier door den dooden geenen dienst 
doe, en ’ gevaar der levenden niet ver, 
myde; wooral ten tyde van pestige zieke 
ten, wanneer de befmettende lichaamen 
ook al in de kerken begraven worden, 
waar in men dagelyks vergadert: ’t welk 
my en weele anderen voorzeker met reden 
als ysfelyk is woorgekomen—- Ik wil 
niet gelooven, dat iemand der Godge- 
leerden in Nederland zich gelyk zal 
ftellen aan dien Geestelyken, die kon 

oedvinden met een onverftandige drift 
voor ’t begraven in de kerken te pleiten, 
doch met dit goed en heilzaam gevolg, 
dat men hem, eenige maanden geleden, 
naar ’t kafteel Rubina vervoerde, om 
daar van zynen ontydigen yver te be- 
daren — Van den kant der Rechts 


ge 


BEGRAVEN IN DE KERKEN. 663 


geleerden heeft men, vermoedelyk, 
geen tegenftand te duchten. Zyn zy 
voorftanders van het; Natuurlyk recht, 
dan konnen zy hunne goedkeuringe 
niet geven aan een gebruik, vlak daar 
tegen {trydende. Zyn zy begunftigers 
van ’t Roomfche recht, waarom dan 
mede niet in dit geval? Of is ’er min- 
der reden om die wet te handhaven 
“Binnen de muuren der flad mag geen 
lichaam begraven worden” (v), dan zoo 
veele andere, by welke de menfchelyke 
maatfchappy, vooral in Nederland, 
juist geen algemeen belang heeft.— De 
Geneesheeren en Heelkundigen zullen - 
niet in den weg ftaan, maar tot deze 
veranderinge wel willen medewerken. 
Eigen belang zal hen derwyze niet be- 
zielen, dat zy het algemeene welzyn 
daar aan zouden willen opofferen. Het 
gezag van Louis, Maret, Haguenot, Un. 
zer, van Swieten, Habermann, en der- 
gelyke echte voedfterlingen van Hippo- 
Craïes, zal wel iet op hunnen geest ver- 
mogen. | 
Doch de meeste zwarigheid zal zitten 

Tt 4 by 


(WY) JUL. PAULUS Sentent. lib, I tit, o1, ibigue 
SCHULTINGIUS JPrud, antejuft, pag. 262, 


664 Jo. W. TE WATER OVER HET 


by de Regeerkundigen en Overheden; 
niet, om dat zy nietredelmoedig genoeg 
op dit ftuk denken of van het fchadely- 
ke van onze gewoone begraafwyze niet 
overtuigd zyn, maar deels uit bekom- 
meringe, dat de verandering van een 
verouderd gebruik wellicht eenige op- 
fchuddinge zou konnen veroorzaaken 
en dus nadeelige gevolgen met zich fle- 
pen, deels om dat het affchaffen der 
heerfchende maniere van ‘t begraven 
der lyken zou gepaard gaan met eene 
aanmerkelyke verminderinge van de in- 
komften der kerken, welke daar uit, 
ten deele, plegen onderhouden te wor- 
den —- Men kan niet ontkennen, dat 
?er op het maken van nieuwe keuren op 
% fluk der begraafnisfen fomtyds oproe- 
righeden gevolgd zyn. De gefchiede- 
nisfen van Amfterdam zullen ter ons een 
voorbeeld van opleveren (w). Maar 
zal den wyzen en voorzichtigen ftaat- 
kundigen aan geene maatregelen ont- 
breken, am deze veranderinge in *t be- 
graven der dooden te doen ftand gry- 
pen, is het niet eensklaps, ten minften 
langzaamerhand en by trappen, Hun 
| Ar den 

Cw) WAGENAAR befchryving van Amfterdam 


37 deel xm boek, bl. zaad, — 


BEGRAVEN IN DE KERKEN. Ó66$ 


den weg te willen aanwyzen, zou de 
wermetelheid zelve zyn. Het zy my 
echter geoorloofd, het een en ander 
hier omtrent, ten dienfte van mynen 
lezer, aantemerken, Vooraf zou het 
niet onnuttig zyn, zekeren bepaalden 
tyd in ’t algemeen vast te ftellen, hoe 
lang de dooden onbegraven mogen bly- 
ven, of, gelyk men fpreekt, boven de 
aarde gehouden worden, Immers dit 
verdient ook wel aandachtige opmerk- 
zaamheid, vooral wanneer ‘er eenige 
befmettende of aanftekende ziekten heer- 
fchen. Men kon eenige plaatfen, in ’ 
open veld, op een behoorlyken afftand 
van de fteden gelegen, en daar de wind 
best kan doorwaaien, afperken ter be- 
gravinge van de armen, welker behoef: 
tigheid het betalen van alle zoogenaam- 
_de kerk-rechten affnydt. Dit is te nood- 
zaaklyker, om dat het in veele fteden 
van Nederland gebruiklyk is, de armen 
by meenigte in een en *t zelfde graf 
neêrtezetten, de doodkisten niet behoore 
lyk met aarde te bedekken, maar alleen 
fommige losfe planken op den mond 
van graf te leggen. Welken onaange- 
naamen reuk dit te weeg brenge, voor- 
namelyk by nat en laf weder, weten zy 

Tt 5 best 


666 J.W. TE WATER OVER HET 


best, die naby de kerkhoven in volkry- 
kefteden wonen. Wyders konden op 
een ftuk lands eenige begraafplaatfen 
gefchikt worden voor meer of min aan- 
zienlyken, om dus de zwakheid der 
menfchen noch een weinig te gemoet te 
komen, fchoon anders de eer niemand 
nadaalt in het graf, — Elk burger is 
verplicht, alle billyke wetten, door de 
Overheden afgekondigd, volvaardig te 
gehoorzaamen. Niets zal hem daar toe 
fterker opfpooren, dan *t voorbeeld der 
aanzienlykfte en meest geachte lieden, 
Wanneer dezen voorgaan, zullen de 
anderen fpoedig volgen, en het begra- 
ven der lyken buiten de fteden en ker- 
ken zal , in korten tyd, zonder oproer, 
algemeen worden goedgekeurd—= Wat 
aanbelangt de inkomften der kerken, 
dezelve behoeven niet te verminderen, 
ik laat ftaan optehouden, fchoon het 
begraven in dezelve een einde nam. Het 
ophangen van wapenborden binnen de 
kerken kon in gebruik blyven , en daar- 
enboven aan elk de vryheid gelaten wor- 
den, om naar zyn goedvinden eenige 
eer- en gedenkteekenen op te richten 
boven de graven, onder voorwaarde 
van daar voor zekere geldfomme opte- 

ren- 


BEGRAVEN IN DE KERKEN, 667 


brengen. Men kon de lyken, met alle 

ewoonlyke plechtigheden, naar de 
Belet brengen en daar eenige uuren 
laten blyven, doch dezelve van daar 
overbrengen naar de begraafplaats bui- 
ten de fteden , op zulke wyze, als over- 
eenkomt met den onderfcheiden rang, 
welken de dooden by hun leven in de 
weereld hadden. De Hertog van Mo- 
dena heeft ook zulke en dergelyke maat- 
regelen voorgefchreven in het vu en vm 
artikel van zyn plakaat, hier boven ver- 
meld. Daarenboven heb ik gegronde 
redenen om te denken, dat fommige 
ryken en aanzienlyken in Nederland 
edelmoedig genoeg zouden zyn, om 
vrywillig eenig geld optebrengen, ’t welk 
toereikende zou zyn tot het aankoopen 
van het noodige land, om ’er de dooden 
op te begraven, 

Ik eindige dit vertoog met dezen 
wensch, dat wy by ons leven nuttig 
mogen zyn voor onze medemenfchen, 
ze ait niemand fchadelyk na onzen 

ood ! 


en ï ian id 


este il hee oe 


WAARNEMINGEN 


OMTRENT DE 
LUCHT- an WEER-GESTELTENIS 
aN 


GEVALLEN REGEN; 


WAARGENOMEN IN DE JAAREN 


MDCCLXXII, MDCCLXXIII eN MDCCLXXIV, 
T E 
ZIE RIK ZE E, 


DO oo kR 


SOB BASTER, 


670 ä d 8 40 08 

dd deden 
EN A 
En: Baak in 

Jan. & kl2, 3 305 16(28,3)]12148 gr. 31/16 gr. 42 lin. 


a ca ER! ern SRE ME ia 


Maart Zo 29,5 17}29  |29/61 ge 15 oei er. 16 lin, 


April | 301 204| 7/60 gr. 3,33 81 
Pp iig! zo, 13 zolor gr. zel54 är. 22 lin. 
| 


_ 


Mey |4,5 '3o%3|22|29:830,71 gr.) 342 gr.|13: lin. 


omen | dee 


Ban zi 1780 gr. 5 
un ‘3Or5| 2129:52481 gr.) 2/52 grejI3z lin. 
dE 14 | 26/85: gr. 


MEN EE SS 15 8o gr. 1 
July | 24 [30 27 29:3125\8I gr. 4157 gr-|24: lin. 
7 


—_—_ mmm | | tn | | nnn 
Remmen 


Aug. | 6 |305 21 29:5131177 gr.|1657 gr in lin, 


mn gn | nnn | tn | mmm 


—_—__ 


Sept. 12 |[3Os} 1|29:5| 5179 &r- 24150 gri5 555lin. 


a 


Ran Aa vogel Darden 


Oct. | ro [3Orsl26|295 470 gr. 2238: gr. 145 lin. 


_ mm | nn | | men 


Nov. Is 30,22 1 21129:5| 7ló0 gr./29/38 gr.|32 lin. 
Dec. | 25 |39efr3 {2919/53 ST ae 2 er. 17 lin. 


asDe. A 16 Ja, 26 Juny pi 31 Jan. 
“308 '285 8s5igrl !16 gre'326lin. 
of 27 duim en 2 lin. 


Ji 


MDCCLXKXIL 67 


Ú 


Den 16 January, was de ellendigfte dag, door de on= 
gemeene groote menigte van vallende fneeuw en 
fterke N. O, en N, W. wind van 4 kragten. 


14 April zag de eerfte Swaluwen en den 28 dito de 
eerfte Vleermuifen. 5 


Geduurende 26, 27, 28 July regende het 30 linien. 


Dit jaar 1772 heeft byzonder geweest door d'ongee 
meen langduurige koude, die duurde totden 16 Ju- 
ny, dog na dien dag hebben wy een zeer fchoone 
zomer gehad, 

In Mey, Jany tot den 26 July is zeer weinig regen 
gevallen. Het hooy is daar door overal zeer geluke 
kig en in groote quantiteit binnen gekomen; zoe 
ook de oogst: Dog door de langduurige koude in 
’t voorjaar, is ’er weinig gefchot van % veld gekoe 
men, 

Perziken en andere fteenvrugten zyn ’er nog al rede 
lyk veel geweest, dog ongemeen weinig appelen, 
en haast in ’t geheel geen Peeren. 

Daar is ook geduurende deze aangename zomer onges 
gemeen veel ftrandvis, als £chol, tongen , tarbot, 
fchelvis enz, en zelfs al laat in ’t Jaar, gevangen, 


H. Barofte 
Barot. 
Therm 

L. Therme 

Gev, Reg. 


en 
E) 
a 


B. 


à 
EE NE IEC TRE 
Jan. | z|3o|18 28: 2052 gr 5/24 3r-|25 lins 


emmen | en a a 


Febr. | 4130,5/24 28% 27 50 gr. 9j2o gr.|Ig lin. 
(28 II 
\ 


mm en jn jg 


mp 


Maart |12/30.5| 4 


bne amet Seems kent bemnn 


29% 21164 gr. 2}33: gre|19 lin. 


omm (ee | nn 


' 3 23|3Orö 5 
April 5, 


18) 76 gr. ge 
Mey |[30{30:%20,29:5|19,76; gr.| 439 gr-|25 lin: 
20/75 gr. 


okto abend Ss eee 
Juny (20/39 7:29:13 76 gr|29[54 gr33 lin. 
27) 3055 8f- 


mmm fe | mm 


July (rz 30% 5,29 298 t8i78 gr.|29|54 8r135 lin. 


‘Aug. 31305 Ig 295; I4 ga gr. 20157 gr 34 lin 
4 


L _|g9)56 gr. 


ommen | ne | 


Sept. \29;305| 812955} 375 gr23|49 SFe|26 lin. 


475: gr.|28 

En 167 gr. 
Oct. |zol3o30;29:5| Lo 66! gr.j2 1415 31-27 lin. 
\ 2664 gr. 8 


25134 sr. "63 lin. 
27 35 gr! 


jn Lie 


Nov. so goglrz 12 dae 956 gr. 


KE | 1rol31 gr. 
Dee. | 1goj20'20 |2252 gr|12|j2 Sr. en 
| | 13\31 gr. 


n in’ geheel geregend zo duim en zo lin. 


MDCCLXXIIL 673 


10 April zag de eerfte vleerniuis, den r2 hier en daar 
een zwaluw, dog den rs en 16 menigvuldiger. - 


Den r2 Mey was de Thermometer °s morgens ten zee 
ven uren 44 grad, en ’smiddags om half twee sr 
grad. Een Noordeen Noordweste wind waaide met 
2 en 3 kragten (6 is extraordinaire zware ftorm) 
alle de bloemen der peereboomen, toen in bloei 
ftaande, en veele appelen wierden verfengd, waar 
door weinig of geen peeren geweest zyn. 


26 Juny. Regen en wat hagel *snamiddags 13 lin. de 
hermometer ftond ’smorgens ten 7 uren op 64 
grad, en ’s middags ten half twee op 6Ór graden. 
Deze maand was doorgaans kouder als de voor= 
gaande Mey. 
28 en 29 July was de Thermometer ’s morgens 54 a 55 
grad. en ’s middags ten half twee 59 en Ór grad. 


13 Augustus ftond de Thermometer van ’s morgens 
ten elf uren tot ’savonds ten vyf uuren op 84 grad. 


14 dito ftond de Thermometer van ’ morgens ten elf 
uren tot ’namiddags om twee uren op go grad. 
Tusfchen den 20 en 21 regende het 19 linien, 


Tusfchen den 16 en 17 November regende het 25 li- 
nien, gedureunde de heele maand maar negen dagen 
dat het nict min of meer geregend heeft. Van den 
3 tot den 17 doorgaans ftormagtig weer uit den 
Zuidwesten en Westen, Schoon geen vorst, was 
het egter door de menigvuldige nattigheid koud 
weer. 


Gedurende de vier eerfte maanden van ’t jaar, gras- 
feerde hier fterk de kinderziekte , die voor bejaarden 
veeltyds doodelyk waren. In Mey toen ’er meer= 
der warmte begon te komen, verminderde de ziek- 
te, en daar ftierv haast geen een meer van, 


V 


. le d s 
E | ea 
8 Ei EN. 
E:) [| - 
ea bo a ebi (A Ed 
ZT , LJ] « ë 
= A @Q _ =| e) 


2al30:l sj2o.l30|63 gr. 15130 gr32 lin. 
31 


eeh Kenmmnmet bend beened Beesd 


<129|70 gr} 2138 gr. 


29 lin, 


24|3Or | 19138 gr. 
= EN AE 
saflO7o gr fmorg. 
19/3 Or 32de; 72 grj°7|47 gr32 lin. 
EE 


NN heenenend Keent hemme Ceni eenmrmmmsd Mam 


2330 14 25/83 SM. 14156 grel25 lin. 
26185 gr. 


2l30%29 } 8,83 eri3ofss gr-jrg lin. 
75 sr| 


21795 er, 19 r. 
ad 284 De 39 lin. 


mmm nn | a 


sl 7165 gre ge 4E grej29 lin. 


1 55 grf2325 gr-|30 lin, 
20 3/56 gr}25 


} | fmorg. 
zl leo.) 449 Sel (23, Er |a7 lin, 
En oge Brel laa ee: 


in geheel geregent 29 duim en To lin, 


MDCCLXKXIV, 6% 


Van den 16 tot 31 Maart, had men ongemeen fchoon 
en warm weder; in de laatfte dagen bloeijden de 
perziken volkomen. 


go April heeft tot nadeel der peerebloefems nog braaf 
gehageld, 


Den 12 zag de eerfte vleermuis, Den 24 ZOO een cn= 
kelde, dog den 28 zwaluwen. 


Sedert den 16 tot den zo heeft deze maand onge- 
meen koud geweest, den 17 en 18 nog gehageld, 
den 27 was ’t ongemeen koud, de Thermometer 
des ’s middags om half twee op 47 grad. ftaande. 


De maand September was doorgaans koud en dikwils 
Noorde en Noordooste winden. 


Van den 3 tot 23 Oétober was het ongemeen goeden 
aangenaam droog weer , en al dien tyd ftond de Ba- 
rometer boven de 30 duim, 


De maand November was var den 20 tot 29 zeer 
koud, vriezend weer met fneeuw , den 22 ftond de 
Thermometer ’s middags om half twee 28 grad, 
den 27, 29 graden, 


Na den 6 December had men een dag vier of vyf koud 
vriezend weer, dog na den 16 ongemeen goed en 
aangenaam winterweer, en een zagte Noorde of 
Noordwestelyke wind, tot den 3o, wanneer we= 
derom begon te vriezen; van den 16 tot den 3r 
ftond de Barometer altoos boven de 3o duim, dus 
17 dagen agter een, en dat 4 dagen boven de 30 
duim, en een half, midden in den wiater, 


je at maah 


hep ramde ao 
pn oft, zh ti rob ens 


ie ad ans naad ee erk 
kn dok dr dant wb MEAD rj We 
norhodradn Ean BN tia je 5 
ne chi È it, Herd jb dE 


dl 
a 


0 Are Een sh zondaar d dus 


staop en GN ved dla 
nl 98 beft Lot fis ib IE kad sand 
RE TP AED UN NE bak 


y 
Aid herij t ak je 


gee ee Horon. Hon et atd helden odd 1e 
9 A8 hrallse noh. ne ik gk DE el hit 
hek: ie de edt (Ovid. iK; in 


eN 


” 


Teri 


br éd trek io ER 9 

ee TE boor gs AET git Ee Wi) Ha 36 
„Na obioq ld Staes (6e Po Add 
EK Amies 05 1D 400 Plek 
ER a 103 Di EE KLE A08 
aha or Abre ardt 2001 Ti 
oe A vod. EAD VAD nd ITS 

A4 ee sak tiepai 


ij 


=p 


Ag 


er